Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Visserij - Instandhouding rijkdommen van de zee - Nationale maatregelen van lokale aard, toegestaan door communautaire regeling - Verbod voor eigen onderdanen om bepaald type visnet aan boord te hebben van schepen die varen in wateren die grenzen aan deel van nationaal grondgebied - Niet-toepasselijkheid van verbod van discriminatie op grond van nationaliteit - Geen discriminatie tussen producenten of consumenten - Geen schending van grondrecht van vrije beroepsuitoefening
( EEG-Verdrag, artikelen 7 en 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr . 171/83 van de Raad, artikel 19, lid 2 )
Samenvatting
Een door een Lid-Staat getroffen maatregel waarbij aan de eigen onderdanen wordt verboden om een bepaald type visnet aan boord van vissersschepen te hebben wanneer deze in de aan een deel van zijn kust grenzende wateren varen, valt onder artikel 19, lid 2, van verordening nr . 171/83, die het de Lid-Staten toestaat, uitsluitend voor hun eigen vissers geldende maatregelen van strikt lokale aard te treffen, ten einde de vangsten te beperken door middel van technische maatregelen ter aanvulling van de maatregelen waarin de communautaire voorschriften voorzien, mits deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht .
Een dergelijke maatregel levert geen schending van artikel 7 EEG-Verdrag op, aangezien deze bepaling de Lid-Staten niet verplicht om hun eigen onderdanen gelijk te behandelen . Ofschoon een dergelijke maatregel beperkingen oplegt die een deel van de eigen vissers zwaarder treft, vormt hij voorts geen schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten in acht moeten nemen wanneer zij maatregelen ter uitvoering van een communautaire verordening houdende ordening der landbouwmarkten treffen, die enkel hun eigen onderdanen raken . Een verschil in behandeling kan immers niet als willekeurig worden aangemerkt, wanneer het zijn rechtvaardiging vindt in de nagestreefde instandhoudingsdoelstellingen .
Voorts doet een dergelijke maatregel geen afbreuk aan de vrije beroepsuitoefening, daar hij wordt gerechtvaardigd door het algemeen belang en geen afbreuk doet aan het wezen van het recht om te vissen .
Partijen
In zaak C-370/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justiciary ( Schotland ), in de aldaar aanhangige strafzaak tegen
A . Marshall,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag en de geldigheid en de uitlegging van artikel 19 van verordening ( EEG ) nr . 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 14 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresident, Sir Gordon Slynn, R . Joliet, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J . E . Collins als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P . Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Sims-Robertson, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A . Marshall, vertegenwoordigd door J . Clarke, QC, het Verenigd Koninkrijk, de Raad en de Commissie, ter terechtzitting van 2 mei 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 . Bij beschikking van 23 november 1988, ingekomen bij het Hof op 21 december daaraanvolgend, heeft de High Court of Justiciary krachtens artikel 177 EEG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag alsmede de geldigheid en de uitlegging van artikel 19 van verordening ( EEG ) nr . 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 14 ).
2 . De vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen A . Marshall, een in Schotland woonachtige Britse visser, die ervan wordt verdacht illegaal een monofilament kieuwnet aan boord van zijn vissersschip te hebben gehad .
3 . Artikel 19 van verordening nr . 171/83 van de Raad geeft de Lid-Staten de bevoegdheid, bijzondere maatregelen te nemen voor het behoud van de visbestanden .
4 . Dat artikel luidt als volgt :
"1 . In het geval van strikt lokale visstapels die slechts voor de vissers van één enkele Lid-Staat van belang zijn, kan de betrokken Lid-Staat maatregelen nemen voor het behoud en het beheer van deze stapels op voorwaarde dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid .
2 . De Lid-Staten kunnen voorwaarden of voorschriften vaststellen van strikt lokale aard en die uitsluitend gelden voor hun eigen vissers, waardoor de vangsten worden beperkt door middel van technische maatregelen ter aanvulling van de maatregelen waarin de communautaire voorschriften voorzien, op voorwaarde dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid .
3 . Voordat de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen worden vastgesteld, dient de betrokken Lid-staat de instemming van de Commissie te verkrijgen dat de maatregelen voldoen aan lid 1 of lid 2 .
De Commissie neemt een met redenen omkleed besluit binnen drie maanden, te rekenen vanaf de indiening van een verzoek uit hoofde van de eerste alinea ."
5 . Na de instemming van de Commissie te hebben verkregen, nam de minister voor Schotland op 14 januari 1986 in het kader van artikel 19, lid 2, van verordening nr . 171/83 een besluit inzake het behoud van de visbestanden, genaamd The Inshore Fishing ( Prohibition of Carriage of Monofilament Gill Nets ) ( Scotland ) Order 1986 ( SI 1986/60 ) ( hierna : de Order ). Bij die Order, die uitsluitend betrekking heeft op Britse vissers, werd het deze laatste verboden om monofilament kieuwnetten aan boord te hebben wanneer zij binnen een gebied van zes mijl in de aan de Schotse kust grenzende wateren varen .
6 . Volgens de Britse regering is de Order bedoeld om de naleving te verzekeren van een eerder besluit, op grond waarvan de zalmvisserij in die wateren met netten van dat type verboden is .
7 . Op 20 september 1986 werd het schip van Marshall in de aan de Schotse kust grenzende wateren aan een inspectie onderworpen . Aan boord werd een bij de Order verboden net aangetroffen .
8 . In de strafzaak voor de Sheriff Court te Stranraer stelde Marshall met name, dat de Order onwettig was op grond dat daarbij Britse vissers, meer in het bijzonder Schotse vissers, werden gediscrimineerd ten opzichte van andere vissers van de Gemeenschap . In de eerste plaats zou hij enkel Britse vissers het aan boord hebben van de bewuste netten verbieden . Voorts zou de discriminatie in het bijzonder vanuit Schotse havens opererende Britse vissers treffen . Anders dan vissers uit andere Lid-Staten en Britse vissers die niet vanuit Schotse havens opereerden, zouden eerdergenoemde vissers namelijk geen monofilament kieuwnetten kunnen gebruiken waar dat gebruik wel is toegestaan, aangezien zij die netten bij het varen door de rond hun thuishaven gelegen wateren niet aan boord mogen hebben .
9 . De Sheriff van Stranraer aanvaardde het betoog van Marshall en ontsloeg hem van rechtsvervolging . Het openbaar ministerie ging van de uitspraak van de Sheriff in hoger beroep bij de High Court of Justiciary .
10 . Ten einde het geding te kunnen beslechten, heeft deze het Hof de navolgende vragen gesteld :
"1 ) Staat artikel 7 of artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag of enige andere bepaling van gemeenschapsrecht eraan in de weg, dat een Lid-Staat met geldige goedkeuring vooraf van de Commissie een maatregel vaststelt die het verbiedt om op in die Lid-Staat geregistreerde vissersschepen die zich binnen een gebied van de kustwateren van die Lid-Staat bevinden dat aan een deel van de kust daarvan grenst, een visnet van een bepaald type en een bepaalde makelij aan boord te hebben, waarvan het gebruik anderszins niet door het gemeenschapsrecht wordt verboden, en zo ja, onder welke omstandigheden?
2 ) a ) Is artikel 19 van verordening nr . 171/83 geldig binnen het stelsel van het gemeenschapsrecht?
b ) Zo ja, valt een maatregel als omschreven in vraag 1 daadwerkelijk onder de werking van artikel 19?
11 . Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de in geding zijnde bepalingen van gemeenschapsrecht, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De geldigheid van artikel 19 van verordening nr . 171/83
12 . Marshall heeft voor de nationale rechter betoogd, dat artikel 19 van verordening nr . 171/83 ongeldig is voor zover dit de Lid-Staten de bevoegdheid verleent om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen te nemen die in strijd zouden kunnen zijn met de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht . Die stelling was voor de nationale rechter aanleiding tot het stellen van een vraag over de geldigheid van die bepaling .
13 . Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt, dat de in het kader van artikel 19 van verordening nr . 171/83 getroffen nationale instandhoudingsmaatregelen volgens de bewoordingen van dit artikel verenigbaar moeten zijn met het gemeenschapsrecht, waaronder uiteraard ook de grondbeginselen van dat recht vallen .
14 . Artikel 19 van verordening nr . 171/83 kan derhalve niet ongeldig zijn op grond dat het de vaststelling van met die beginselen strijdige nationale maatregelen zou toestaan .
15 . Op grond van bovenstaande overwegingen moet op de vraag van de nationale rechter derhalve worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die twijfel kunnen doen rijzen aan de geldigheid van artikel 19 van verordening nr . 171/83 van de Raad .
Het toepassingsgebied van artikel 19, lid 2, van verordening nr . 171/83
16 . De High Court of Justiciary wenst voorts te vernemen, of een nationale maatregel als de Order binnen het toepassingsgebied van artikel 19, lid 2, van verordening nr . 171/83 van de Raad valt .
17 . Een maatregel als de Order is een maatregel als bedoeld in artikel 19 van verordening nr . 171/83 . In de eerste plaats is hij strikt lokaal, daar hij slechts betrekking heeft op een deel van de wateren van de Lid-Staat die de maatregel heeft getroffen . Voorts geldt hij alleen voor de eigen vissers, daar hij slechts betrekking heeft op schepen die onder de vlag van de betrokken Lid-Staat varen . Ten slotte betreft het hier een technische maatregel, daar hij alleen het gebruik van een bepaald type visnet verbiedt .
18 . Derhalve moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat een nationale maatregel als de Order binnen het toepassingsgebied van artikel 19, lid 2, van verordening nr . 171/83 van de Raad valt .
De verenigbaarheid van een nationale maatregel als de Order met de grondbeginselen van het Verdrag
19 . Voor de nationale rechter heeft Marshall voorts betoogd, dat de Order op verschillende gronden onwettig is . In de eerste plaats zou hij discrimineren op grond van nationaliteit, doordat hij de Britse vissers in een minder gunstige positie brengt dan de andere vissers van de Gemeenschap . In de tweede plaats zou hij meer in het bijzonder de vanuit Schotse havens opererende vissers dicrimineren, aangezien die, anders dan de overige Britse vissers, de betrokken netten niet kunnen gebruiken in wateren waar het gebruik ervan wel is toegestaan . In de derde plaats zou de Order een schending van het evenredigheidsbeginsel vormen, daar hij het aan boord hebben van de netten verbiedt, terwijl het zou volstaan het gebruik ervan te verbieden . Ten slotte zou hij het recht op vrije beroepsuitoefening aantasten .
20 . In verband hiermee heeft de verwijzende rechter het Hof de vraag gesteld, of artikel 7 of artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag dan wel de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat het vervoer van een bepaald type visnet verbiedt op alle aldaar geregistreerde schepen die in de aan zijn kust grenzende wateren varen .
21 . Aangaande artikel 7 EEG-Verdrag moet worden opgemerkt, dat deze bepaling de Lid-Staten niet verplicht om hun eigen onderdanen gelijk te behandelen . Discriminatie tussen vanuit een Schotse haven opererende vissers en andere Britse vissers kan derhalve geen schending van artikel 7 opleveren . De bestreden maatregel kan evenmin in strijd met artikel 7 worden geacht op grond dat hij vanuit een Schotse haven opererende vissers in een minder gunstige positie zou brengen dan vissers uit andere Lid-Staten . Gelet op de vereisten in verband met het behoud van de zalmbestanden, bevinden die twee categorieën vissers zich immers niet in een vergelijkbare situatie .
22 . Aangaande artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag volgt uit het arrest van 26 april 1988 ( zaak 207/86, Apesco, Jurispr . 1988, blz . 2151, r.o . 23 ), dat de Lid-Staten rekening moeten houden met het gelijkheidsbeginsel, wanneer zij maatregelen ter uitvoering van een communautaire verordening houdende ordening der landbouwmarkten treffen, die enkel hun eigen onderdanen raken .
23 . In dat verband moet worden opgemerkt, dat de Order vissers die vanuit een Schotse haven opereren zwaarder treft dan andere Britse vissers : de eersten kunnen zelfs geen monofilament kieuwnetten gebruiken op plaatsen waar dat gebruik is toegestaan, aangezien zij die netten in de wateren rond hun thuishaven niet aan boord mogen hebben .
24 . Zulk een verschil in behandeling kan evenwel slechts een bij artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verboden discriminatie vormen indien het willekeurig is, dat wil zeggen indien er geen voldoende rechtvaardiging voor bestaat en het niet op objectieve criteria berust .
25 . In dat verband moet worden opgemerkt, dat zalm door de in de Order bedoelde zeewateren moet zwemmen om de rivieren te bereiken waar hij gaat paaien . Voor het behoud van deze vissoort is het derhalve van essentieel belang, dat een bepaalde hoeveelheid de paaigronden bereikt .
26 . Gezien de bijzondere doeltreffendheid van monofilament kieuwnetten, moet het gebruik ervan derhalve worden verboden . Om de naleving van die maatregel te verzekeren was het objectief gerechtvaardigd, het aan boord hebben van netten van dat type in de betrokken wateren te verbieden . Controles zijn in de betrokken zeewateren bijzonder moeilijk wegens de uitgestrektheid van de kustlijn . Het kan dan ook niet willekeurig worden geacht, dat de nationale autoriteiten aan een verbod op het aan boord hebben van die netten de voorkeur hebben gegeven boven een intensivering van de controles om aan te tonen, dat de netten voor onwettige doeleinden werden gebruikt . Uit deze overwegingen volgt tevens, dat de in geding zijnde maatregel niet onevenredig is aan de beoogde doeleinden .
27 . Wat ten slotte de schending van het recht op vrije beroepsuitoefening betreft, moet worden herinnerd aan het arrest van het Hof van 8 oktober 1986 ( zaak 234/85, Keller, Jurispr . 1986, blz . 2897, r.o . 8 ), volgens hetwelk dit recht aan beperkingen mag worden onderworpen wanneer deze hun rechtvaardiging vinden in de door de Gemeenschap nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, voor zover aan het wezen van dat recht geen afbreuk wordt gedaan .
28 . In casu worden de beperkingen van het recht om te vissen gerechtvaardigd door het algemeen belang, daar zij tot doel hebben, de instandhouding van de betrokken vissoort te verzekeren . Voorts doen zij geen afbreuk aan het wezen van het recht om te vissen, daar de vrijheid om te vissen blijft bestaan, mits van toegestane netten gebruik wordt gemaakt .
29 . Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat noch artikel 7 noch artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag noch de grondbeginselen van gemeenschapsrecht eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat het vervoer van een bepaald type net verbiedt op alle aldaar geregistreerde vaartuigen die in de aan zijn kusten grenzende wateren varen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 . De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie en de Raad van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
uitspraak doende op de door de High Court of Justiciary bij beschikking van 23 november 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die twijfel kunnen doen rijzen aan de geldigheid van artikel 19 van verordening ( EEG ) nr . 171/83 van de Raad .
2 ) Een nationale maatregel als de Order valt binnen het toepassingsgebied van artikel 19, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 171/83 van de Raad .
3 ) Noch artikel 7 noch artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag noch de grondbeginselen van gemeenschapsrecht staan eraan in de weg, dat een Lid-Staat het vervoer van een bepaald type net verbiedt op alle aldaar geregistreerde vaartuigen die in de aan zijn kusten grenzende wateren varen .
Full & Egal Universal Law Academy