CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 8 november 1989 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Finanzgericht van Berlijn heeft het Hof gevraagd hoe kunstfoto's van Robert Mapplethorpe in het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT) moeten worden ingedeeld. De verwijzende rechters geven drie mogelijke indelingen op: ofwel onder post 99.02 „Originele gravures, originele etsen en originele litho's”, ofwel als kunstzeefdrukken (serigrafieën) beoogd door post 49.11 B ofwel als foto's eveneens beoogd door post 49.11 B ( 1 ).
Situering
2.
Deze vraag werd gesteld in het kader van een geschil tussen mevrouw Raab, eigenares van een kunstgalerij te Berlijn, en het Hauptzollamt Berlin-Packhof. Mevrouw Raab had in maart 1987 36 foto's van Mapplethorpe uit de Verenigde Staten ingevoerd. Zij had deze foto's voor de prijs van 66783,30 DM gekocht en was voornemens ze in haar galerij voor een eenheidsprijs van zowat 4000 DM voort te verkopen.
De douaneautoriteiten hebben de foto's ingedeeld onder post 49.11 B van het GDT. Overeenkomstig deze indeling was een invoerrecht van 5,8% en een omzetbelasting bij invoer van 14% verschuldigd. Mevrouw Raab kwam hiertegen in het verweer. Naar haar mening dienden de foto's te worden ingedeeld onder post 99.02 van het GDT. De goederen onder deze post waren vrijgesteld van invoerrechten; een omzetbelasting bij invoer van 7% was hiervoor verschuldigd. In ondergeschikte orde deed zij gelden dat de foto's als kunstzeefdrukken kunnen worden aangemerkt die onder post 49.11 B worden ingedeeld. Voor kunstzeefdrukken was het invoerrecht tijdelijk tot op het nultarief geschorst krachtens verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 ( 2 ); alleen een omzetbelasting bij invoer van 14% was hiervoor verschuldigd.
Zijn kunstfoto's in post 99.02 in te delen ?
3.
In deze zaak wordt niet betwist dat de foto's van de op 9 maart 1989 overleden fotograaf Robert Mapplethorpe kunstfoto's zijn. De vraag die deze zaak oproept bestaat er in te weten of kunstfoto's, precies omwille van hun artistiek karakter, anders in het GDT moeten worden ingedeeld dan (gewone) foto's die in post 49.11 uitdrukkelijk worden vermeld.
4.
Mevrouw Raab beantwoordt deze vraag bevestigend. Haar betoog, zoals dat is weergegeven in de verwijzingsbeslissing, is er in hoofdzaak op gericht aan te tonen dat de ingevoerde kunstfoto's onder hoofdstuk 99 „Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten” van het GDT moeten worden ingedeeld. Daartoe voert ze een aantal argumenten aan, die ik als volgt begrijp. De in de posten van hoofdstuk 99 omschreven goederen zijn vrijgesteld van invoerrechten. Hieruit zou de bedoeling van de auteurs van de nomenclatuur blijken om de produktie van originele kunstwerken te bevorderen. Mevrouw Raab wijst eveneens op aantekening 4 in hoofdstuk 99 volgens welke, in geval een artikel onder meer dan één post van de nomenclatuur kan worden ingedeeld, indeling moet plaatsvinden in een van de posten van het hoofdstuk inzake kunstvoorwerpen. Ten slotte merkt zij op, zoals het Hof dat in het arrest van 15 mei 1985 in zaak-Onnasch heeft gedaan ( 3 ), dat toepassing van het voor het gebezigde materiaal geldende tarief op een douanewaarde die is gekoppeld aan het feit dat het om een kunstwerk gaat, ertoe zou leiden dat de belasting in geen verhouding staat tot de kostprijs van het materiaal.
5.
Mevrouw Raab beseft uiteraard dat een voorwerp niet zonder meer onder een algemene hoofding kan worden gebracht, maar in een specifieke post moet worden ingedeeld. De enige post van hoofdstuk 99 die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt is post 99.02. Haar betoog is er dan ook op gericht kunstfoto's onder de begrippen „originele gravures, originele etsen en originele litho's” te doen vallen. Daartoe, zo blijkt uit de verwijzingsbeslissing, gebruikt zij als argument dat de foto's van Mapplethorpe op een beperkte oplage worden getrokken vertrekkend van een originele en artistiek uitgewerkte plaat. Zou men, zo voegt zij eraan toe, kunstfoto's niet onder post 99.02 brengen, dan zou dit in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel omdat dit zou betekenen dat de wetgever dan aan bepaalde kunstwerken een minder goede behandeling dan aan andere zou hebben gegeven. De door haar aangehouden interpretatie zou dan ook moeten worden verkozen, omdat zij het meest in overeenstemming is met de ratio van de teksten.
6.
In het arrest van 14 december 1988 in zaak-Volker Huber ( 4 ) heeft het Hof verklaard dat de vrijstelling van invoerrechten voor in hoofdstuk 99 in te delen goederen, tot doel heeft de artistieke produktie te bevorderen. Hieruit kan mijns inziens echter niet worden afgeleid dat een goed onder dit hoofdstuk kan worden ingedeeld van zodra het om een kunstvoorwerp gaat.
Met de Commissie ben ik het eens dat het opschrift van de hoofdstukken slechts als aanwijzing geldt. Dit wordt uitdrukkelijk in de eerste algemene bepaling voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT gesteld. Dezelfde bepaling stelt verder dat de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de hoofdstukken bepalend zijn voor de indeling in het GDT. Welnu, aantekening 2 op hoofdstuk 99 omschrijft wat als „originele gravures, etsen en litho's” in de zin van post 99.02 moet worden aangemerkt. Het zijn die
„welke rechtstreeks in het zwart of in kleuren zijn afgedrukt van één of meer door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde platen, ongeacht het materiaal waarop dit afdrukken is geschied en ongeacht de gevolgde techniek, met uitzondering van de mechanische en van de fotomechanische reproduktietechniek.”
7.
In het voornoemde arrest in de Volker Huber-zaak heeft het Hof het begrip „originele litho” gepreciseerd. Het heeft benadrukt dat dit begrip — en dit geldt eveneens voor de begrippen „originele gravure” en „originele ets” — steeds een reproduktie is van een met de hand door de kunstenaar vervaardigd werk (r. o. 17). In aantekening 2 op hoofdstuk 99 is er zelfs sprake van een geheel met de hand vervaardigde plaat.
Een foto is geen reproduktie van een geheel met de hand vervaardigde afbeelding. Ongetwijfeld kan de fotograaf, door de keuze van het onderwerp, zijn persoonlijke visie en de aangewende technieken, inclusief het aanbrengen van retouches, aan de gemaakte foto een enig karakter geven zodat het als een kunstwerk kan worden aangemerkt. Maar ook in die omstandigheden komt de oorspronkelijke „plaat” wezenlijk door een technisch procédé met behulp van licht tot stand en wordt zij zeker niet volledig manueel door de fotograaf vervaardigd.
Bovendien sluit aantekening 2 op hoofdstuk 99 de via een mechanische of fotomechanische reproduktietechniek vervaardigde werken buiten de toepassingssfeer van post 99.02. In Volker Huber heeft het Hof in dat verband verduidelijkt dat de uitsluiting van mechanische of fotomechanische technieken betrekking heeft op het vervaardigen van de originele plaat en niet op het afdrukken ervan (r. o. 18).
8.
In die omstandigheden komt het mij als duidelijk voor dat de communautaire wetgever wel degelijk de (volledig) manuele vervaardiging door de kunstenaar en in ondergeschikte orde het gebruik van (foto-)mechanische technieken als relevante onderscheidingscriteria heeft gekozen die toelaten kunstwerken verschillend in de nomenclatuur in te delen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel als interpretatiecriterium is dan ook niet dienend.
Uit al wat voorafgaat volgt dat kunstfoto's niet onder post 99.02 van het GDT kunnen worden gebracht maar dat zij, zoals andere foto's, onder post 49.11 vallen, meer bepaald onder post 49.11 B „Andere (prenten, gravures, foto's en ander drukwerk, ongeacht de wijze waarop zij zijn vervaardigd)”.
Zijn kunstfoto's als kunstzeefdrukken aan te merken ?
9.
In bijkomende orde voert mevrouw Raab de stelling aan dat kunstfoto's, indien zij in post 49.11 B moeten worden ingedeeld, dan toch als kunstzeefdrukken zijn aan te merken zodat zij, overeenkomstig voornoemde verordening nr. 1945/86 van de Raad, van invoerrechten zouden zijn vrijgesteld.
Deze stelling overtuigt mij evenmin. In het arrest van 27 oktober 1977 in zaak-Westfälischer Kunstverein ( 5 ) heeft het Hof bevestigd dat kunstzeefdrukken onder post 49.11 B van het GDT moeten worden ingedeeld. In de uiteenzetting van de feiten bij dit arrest, vindt men een klare, door de Commissie gegeven omschrijving van de manier waarop een kunstzeefdruk wordt vervaardigd:
„Serigrafie is een drukprocédé waarbij gebruik wordt gemaakt van een bedrukte matrijs die bestaat uit een op hout of metaal gespannen speciaal weefsel van natuurlijke (zijde) of synthetische (nylon, enz.) textieldraden of metaaldraden (roestvrij staal, enz.). Dit drukprocédé bestaat uit twee fasen: de voorbereiding van het doek, ‚overbrenging’ op het doek van de originele te reproduceren tekening (spanning van het doek op het raam) en de reproduktie op de beelddrager (het eigenlijke drukken).”
Deze omschrijving volstaat mijns inziens om aan te tonen dat kunstfoto's, omwille van een totaal verschillend vervaardigingsprocédé, niet als kunstzeefdrukken kunnen worden aangemerkt.
Conclusie
10.
Samenvattend geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Post 99.02 van het gemeenschappelijk douanetarief kan niet in die zin worden uitgelegd dat kunstfoto's daaronder vallen. Zij vallen, zoals andere foto's, onder post 49.11 B van dit tarief. Kunstfoto's kunnen niet worden aangemerkt als kunstzeefdrukken waarvan sprake in nr. ex 49.11 B van de tabel gevoegd bij verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) De nummering verwijst naar de bijlage van verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1968, L 172, biz. 1) die op het ogenblik van de feiten toepasselijk was, met name de bijlage zoals vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 (PB 1986, L 345, blz. 1).
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten (PB 1986, L 174, blz. 1).
( 3 ) Arrest van 15 mei 1985 (zaak 155/84, Orinaseli, Jurispr. 1985, blz. 1449, r. o. 11).
( 4 ) Arrest van 14 december 1988 (zaak 291/87, Volker Huber, Jurispr. 1988, blz. 6449, r. o. 16).
( 5 ) Arrest van 27 oktober 1977 (zaak 23/77, Westfälischer Kunstverein, Jurispr. 1977, biz. 1985).
Full & Egal Universal Law Academy