CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 8 april 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige drie beroepen zijn door de Commissie ingesteld krachtens artikel 169 EEG-Verdrag en betreffen het in Italië, Griekenland en Frankrijk geldende verbod op de invoer en het in het verkeer brengen van kaas waaraan bij de vervaardiging nitraat is toegevoegd.
De Commissie heeft in deze drie zaken geconcludeerd, dat de betrokken Lid-Staten, door de invoer te verbieden van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in het verkeer gebrachte kaas waaraan tijdens de vervaardiging nitraat is toegevoegd binnen het door de internationale wetenschappelijke kringen toegestane maximum (50 mg per kg), niet hebben voldaan aan de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hen rustende verplichtingen.
In de zaak tegen Frankrijk heeft Spanje geïntervenieerd aan de zijde van de Commissie.
De drie Lid-Staten hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.
De wettelijke regelingen van de drie Lid-Staten zijn in de rapporten ter terechtzitting uiteengezet. Samenvattend kan het volgende worden vastgesteld:
—
in de drie Lid-Staten is het verboden met gebruikmaking van additieven levensmiddelen te vervaardigen en deze in het verkeer te brengen, tenzij die additieven uitdrukkelijk zijn toegestaan;
—
geen van de drie Lid-Staten heeft het gebruik van nitraat bij de vervaardiging van kaas toegestaan, en het in het verkeer brengen van kaas met nitraat is dan ook in de drie Lid-Staten verboden;
—
dit verbod wordt volgens door de Lid-Staten verstrekte inlichtingen ten aanzien van ingevoerde kaas enkel toegepast, indien het nitraatgehalte een bepaalde tolerantiedrempel overschrijdt, die overeenkomt met wat naar het oordeel van de betrokken Lid-Staat het natuurlijk residu van nitraat in kaas is, namelijk volgens Italië 2 mg per kg, volgens Griekenland 10 mg per kg ( 1 ), en volgens Frankrijk 15 mg per kg.
De harmonisatierichtlijnen ter zake
3.
Nitraat wordt genoemd in de bijlage bij richtlijn 64/54/EEG van de Raad van 5 november 1963 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake conserveermiddelen die mogen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren. ( 2 ) Het Hof heeft richtlijn 64/54 reeds meerdere malen aldus uitgelegd, dat indien een additief voorkomt op de lijst in de bijlage bij de richtlijn, de Lid-Staat het gebruik van deze stof kan toestaan, maar daartoe niet verplicht is. Laatstelijk overwoog het Hof in het arrest Belion ( 3 ):
„Volgens haar considerans vormt de richtlijn slechts een eerste stadium van de aanpassing van de nationale wetgevingen op dit gebied. In dit stadium zijn de Lid-Staten dus niet verplicht, het gebruik van alle in de bijlage bij de richtlijn vermelde stoffen toe te staan. Hun bevoegdheid om regels inzake de toevoeging van conserveermiddelen aan levensmiddelen vast te stellen, kan echter slechts worden uitgeoefend op de dubbele voorwaarde, dat het gebruik van ieder niet in de bijlage bij de richtlijn vermeld conserveermiddel niet wordt toegestaan, en dat het gebruik van een conserveermiddel dat erin voorkomt, niet volledig wordt verboden, behalve, wanneer het gaat om op hun eigen grondgebied voortgebrachte en geconsumeerde levensmiddelen, in de bijzondere gevallen waarin voor het gebruik van een dergelijk middel geen enkele technologische noodzaak bestaat (...)” (r. o. 9). ( 4 )
Laat ik meteen opmerken, dat de voorwaarde dat nitraat niet volledig wordt verboden, in de onderhavige zaken geen probleem oplevert, daar de drie Lid-Staten de toevoeging van nitraat aan vleeswaren toestaan.
Zoals uit de aangehaalde rechtsoverweging blijkt, acht het Hof het van belang, dat richtlijn 64/54 slechts een eerste stadium van de aanpassing van de wetgevingen inzake conserveermiddelen vormt. Een volledige harmonisatie van deze materie heeft nog niet plaatsgevonden. De door de Raad op 21 december 1988 vastgestelde richtlijn 89/107/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt ( 5 ), is slechts een kaderrichtlijn. Zij vergt de vaststelling van richtlijnen met de lijsten van toegestane additieven, de levensmiddelen waarin deze additieven mogen worden gebruikt, en de voorwaarden voor dit gebruik.
Het uitgangspunt is derhalve, dat de Lid-Staten, totdat deze harmonisatie is voltooid, de toevoeging van nitraat aan levensmiddelen zelf mogen regelen.
4.
Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt evenwel ook, dat het bestaan van harmonisatierichtlijnen de toepassing van artikel 30 EEG-Verdrag niet uitsluit, en dat het beroep op artikel 36 eerst dan niet meer gerechtvaardigd is, wanneer op gemeenschapsniveau is voorzien in een volledige harmonisatie van alle ter bescherming van de gezondheid noodzakelijke maatregelen en in communautaire procedures voor het toezicht op de naleving ervan. ( 6 )
Een nationale wettelijke regeling inzake het in het verkeer brengen van kaas waaraan nitraat is toegevoegd, is derhalve slechts geldig, indien zij de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag in acht neemt.
Vormen de nationale bepalingen handelsbelemmeringen in de zin van artikel 30?
5.
Blijkens door de Commissie verstrekte gegevens staan acht andere Lid-Staten de toevoeging van nitraat bij de vervaardiging van bepaalde kaassoorten toe. ( 7 ) In de meeste gevallen is een maximum van 50 mg per kg kaas vastgesteld, maar in sommige gevallen wordt een nitraatgehalte van maximaal 150 mg per kg kaas toegestaan.
Het in geding zijnde verbod kan dan ook de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde kaas belemmeren, en vormt derhalve een maatregel die „de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren”. ( 8 ) De nationale bepalingen vallen derhalve onder het in artikel 30 EEG-Verdrag geformuleerde verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in de handel tussen de Lid-Staten,
6.
Frankrijk en Griekenland hebben in dit verband gesteld, dat de tolerantiedrempel de invoer van de meeste kaassoorten mogelijk maakt. Dit is volgens vaste rechtspraak van het Hof van geen belang wanneer kan worden vastgesteld, dat de bepalingen van het invoerland de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde goederen belemmeren. Frankrijk heeft er voorts op gewezen, dat de invoer uit Nederland, ook die van kaas die volgens de Nederlandse productievoorschriften mag worden vervaardigd onder toevoeging van nitraat, in Frankrijk is gestegen, hetgeen zou bewijzen, dat het in geding zijnde verbod geen belemmering van de handel tussen Lid-Staten oplevert. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk, dat hieraan geen betekenis mag worden gehecht. ( 9 )
Worden de nationale bepalingen gerechtvaardigd door de bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 36?
7.
Het gaat in deze zaken dus uiteindelijk om de vraag, in hoeverre het verbod op het in het verkeer brengen van kaas waaraan nitraat is toegevoegd, gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag.
Het Hof heeft in een reeks arresten de grondbeginselen vastgesteld voor de beoordeling, in hoeverre een verbod om produkten in het verkeer te brengen die met gebruikmaking van additieven zijn vervaardigd, in overeenstemming is met artikel 36 EEG-Verdrag. ( 10 ) Het meest recente arrest van het Hof, dat van 13 december 1990 in de zaak Belion ( 11 ), geeft de rechtspraak van het Hof weer als volgt:
„Voor zover bij de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek onzekerheden blijven bestaan, staat het volgens vaste rechtspraak van het Hof (...) aan de Lid-Staten om, bij ontbreken van volledige harmonisatie, te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen, waarbij zij echter rekening dienen te houden met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap.
Uit 's Hofs rechtspraak (...) blijkt bovendien, dat in die omstandigheden het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een nationale regeling die voor het gebruik van additieven een toelating vooraf vereist, die bij handeling met algemene strekking voor bepaalde additieven wordt verleend en al die produkten, sommige daarvan of bepaalde gebruiksdoeleinden betreft. Een dergelijke regeling strookt met de legitieme doelstelling van gezondheidsbeleid, de ongecontroleerde opneming van additieven met het voedsel te beperken.
De toepassing op ingevoerde produkten van het verbod om produkten in het verkeer te brengen die additieven bevatten die in de Lid-Staat van vervaardiging zijn toegelaten, doch in de Lid-Staat van invoer zijn verboden, is echter slechts toelaatbaar voor zover dat in overeenstemming is met de eisen van artikel 36 EEG-Verdrag, zoals dit door het Hof is uitgelegd.
Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat het Hof in voornoemde arresten 174/82 (Sandoz), 247/84 (Motte), 304/84 (Muller) en 178/84 (Commissie/Duitsland) uit het aan de laatste volzin van artikel 36 ten grondslag liggende evenredigheidsbeginsel heeft afgeleid, dat het verbod om produkten te verhandelen die additieven bevatten die in de Lid-Staat van vervaardiging zijn toegelaten, doch in de Lid-Staat van invoer zijn verboden, niet verder mag gaan dan wat noodzakelijk is ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van gezondheidsbescherming. Het Hof leidde er ook uit af, dat het gebruik van een bepaald in een andere Lid-Staat toegelaten additiefin geval van invoer van een produkt uit die Lid-Staat moet worden toegelaten, wanneer het, rekening houdend met de resultaten van het internationale wetenschappelijk onderzoek en in het bijzonder de studies van het communautaire Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding en van de commissie van de Codex alimentarius van de FAO en van de Wereldgezondheidsorganisatie, alsook met de voedingsgewoonten van de Lid-Staat van invoer, geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid en aan een werkelijke, met name technologische behoefte voldoet” (r. o. II-14, eigen cursivering).
Hieruit kan worden geconcludeerd, dat het in het verkeer brengen van kaas waaraan nitraat is toegevoegd, moet worden toegestaan, indien dit nitraat voldoet aan een werkelijke behoefte en geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid.
8.
Uit het hierna volgende zal blijken, dat er in het internationaal wetenschappelijk onderzoek een stevige grondslag te vinden is voor de stelling, dat nitraat inderdaad voldoet aan een werkelijke behoefte bij de produktie van bepaalde soorten kaas en dat toevoeging van nitraat binnen bepaalde grenzen geen gevaar voor de gezondheid oplevert.
De drie onderhavige zaken lijken op het eerste gezicht dan ook geen grote problemen op te leveren. Bij nadere beschouwing van de zaken blijkt evenwel, dat in elk geval op drie punten een standpunt moet worden geformuleerd over vragen waarop in de rechtspraak van het Hof tot dusverre geen duidelijk antwoord te vinden is.
In hoeverre voldoet nitraat aan een werkelijke, met name technologische, behoefte?
9.
De Commissie heeft gesteld, dat de toevoeging van nitraat bij de vervaardiging van bepaalde soorten kaas noodzakelijk is om de ontwikkeling van anaërobische organismen van het type „Clostridium tyrobutyricum” te voorkomen. Deze bacteriën verstoren het rijpingsproces en leiden tot „zwelling” van de kaas, dat wil zeggen dat gassen en een onaangename geur ontstaan. Die bacteriën komen voornamelijk voor in de melk van koeien die met kuilvoer zijn gevoederd. Dit probleem doet zich voor bij kaas met een middellange en lange rijping, bij voorbeeld gouda, edam, tilsit, samsø, enzovoort. Het gebruik van nitraat is dan ook vooral nodig in Noord-Europa, waar gedurende een groot deel van het jaar kuilvoer moet worden gegeven en kaas van dit type wordt vervaardigd. ( 12 )
10.
Verweersters hebben niet betwist, dat er een technologische noodzaak kan bestaan voor het doden van de bacteriën die „late zwelling” veroorzaken, of dat nitraat een geschikt middel is om dit doel te bereiken. Zij hebben evenwel gesteld, dat het gebruik van nitraat technologisch niet noodzakelijk is, omdat er andere, minder schadelijke, methoden bestaan om „late zwelling” te voorkomen.
Dienaangaande heeft de Commissie gesteld, dat het voor de beoordeling, of een additief aan een technologische behoefte voldoet, niet van belang is, na te gaan of er vervangende, minder schadelijke, methoden bestaan, aangezien enkel beslissend is, of het additief aan de betrokken technologische behoefte kan voldoen. Subsidiair heeft de Commissie gesteld, dat de door de Lid-Staten bedoelde methoden niet doeltreffend genoeg zijn.
11.
Het Hof heeft zich nog niet eerder uitgesproken over de vraag, in hoeverre de Lid-Staten het in het verkeer brengen van een produkt kunnen weigeren op grond dat het gebruikte additief niet noodzakelijk is om aan de technologische behoefte te voldoen, omdat bet beoogde doel ook op andere wijze kan worden bereikt.
Mijns inziens blijkt uit de eerdere rechtspraak van het Hof ( 13 ), dat
—
het Hof door het stellen van de eis van een technologische beho efte, de Lid-Staten de mogelijkheid heeft willen geven, de invoer te beletten van additieven die als overbodig moeten worden beschouwd omdat er geen werkelijke behoefte bestaat waaraan deze kunnen voldoen;
—
het Hof zich heeft geconcentreerd op de vraag, in hoeverre er een werkelijke behoefte bestaat waarin het betrokken additief kan voorzien, en niet is ingegaan op de vraag, of het mogelijk was andere methoden aan te wenden dan het gebruik van het additief, en
—
het Hof de wens om een bepaalde kwaliteit na te streven, geredelijk als „werkelijke behoefte” wil erkennen.
Naar verder kan worden vastgesteld, heeft het Hof in geen van zijn arresten een invoerverbod aanvaard op de enkele grond dat er geen technologische behoefte bestond, en heeft het in zijn arresten om voor de hand liggende redenen steeds het meeste gewicht gehecht aan de gevaren voor de gezondheid.
12.
In de onderhavige zaken rijst de vraag, in hoeverre aan het vereiste van het voldoen aan een technologische behoefte een andere, ruimere inhoud moet worden gegeven dan die welke uit de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid. Dekt de in artikel 36 voorziene mogelijkheid om invoerverboden te rechtvaardigen op grond dat het produkt gevaarlijk is voor de gezondheid, niet enkel het verhinderen van de invoer van additieven die geen enkel doel dienen, maar ook het verhinderen van de invoer van additieven die kunnen worden vervangen door andere stoffen waarvan voorshands kan worden aangenomen dat zij „minder schadelijk” zijn?
13.
Voor een bevestigend antwoord op deze vraag zijn goede gronden aan te voeren.
Het gemeenschapsrecht erkent de beperking van het gebruik van additieven in levensmiddelen als algemene doelstelling van gezondheidspolitiek. Dit blijkt onder meer uit de mogelijkheid, een algeheel verbod op additieven in te stellen of de invoer van overbodige additieven te weigeren, ook al worden deze niet als een gevaar voor de gezondheid aangemerkt. Dit strookt met de doelstelling, het gebruik van vervangende methoden te bevorderen. Richtlijn 89/107 erkent dan ook uitdrukkelijk, dat bij de beoordeling van de technische noodzaak van een bepaald additief moet worden nagegaan, of er geen vervangende methoden bestaan. Bijlage II bij de richtlijn bevat de „algemene criteria voor het gebruik van levensmiddelenadditieven”, die moeten worden gehanteerd bij de opneming van additieven in de lijst (cf. artikel 2, lid 3, van de richtlijn). Punt 1 van de bijlage bepaalt: „Levensmiddelenadditieven mogen alleen worden goedgekeurd: (...) indien er voldoende technische noodzaak kan worden aangetoond en het nagestreefde doel niet met andere economisch en technisch bruikbare methoden kan worden bereikt.” ( 14 )
14.
De kernvraag is evenwel, in hoeverre de Lid-Staat van invoer de mogelijkheid moet hebben, erop toe te zien, dat de Lid-Staat van produktie enkel additieven toelaat, die niet door andere methoden kunnen worden vervangen.
Ofschoon een dergelijke oplossing ongetwijfeld een stap in de richting van de bevordering van genoemde algemene doelstelling van gezondheidspolitiek zou vormen, ben ik van mening, dat zij zou leiden tot een rechtssituatie die, zonder voldoende grondslag te vinden in overwegingen van gezondheidspolitiek, de doeltreffende toepassing van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag in gevaar zou kunnen brengen.
Indien deze ruime opvatting van het vereiste van technische noodzaak zou worden aanvaard, ligt het voor de hand, dat de Lid-Staten in veel gevallen een invoerverbod zullen trachten te rechtvaardigen met het argument, dat er huns inziens alternatieve methoden bestaan. Verder zal een aldus gemotiveerd invoerverbod ongetwijfeld leiden tot protesten van de Lid-Staat van produktie, die zal stellen, dat hij reeds bij de toelating van het additief heeft onderzocht, of de eventuele vervangende methoden toereikend zijn. Dit zal leiden tot een reeks beroepen, waarin het Hof voor de keuze tussen verschillende mogelijke produktiemethoden zal worden gesteld. Het is in dit verband van belang, dat de vraag van de vervangende produktiemethoden enkel betekenis heeft wanneer reeds is vastgesteld, dat het betrokken additief kan voorzien in een geconstateerde technologische noodzaak en geen gevaar voor de gezondheid oplevert. Ook zal het typisch gaan om zaken die technisch ingewikkelde vragen betreffen en waarvoor er in het internationaal wetenschappelijk onderzoek vaak geen antwoord zal zijn te vinden op de vraag, welke methode moet worden geacht enerzijds het minst schadelijk voor de gezondheid te zijn en anderzijds toereikend voor het concrete gebruiksdoel.
De uiteindelijke keuze tussen verschillende bruikbare en in beginsel voor de gezondheid niet gevaarlijke produktiemethoden is naar mijn mening een keuze die moet worden gemaakt bij wege van vaststelling van harmonisatievoorschriften. Bij de huidige stand van de harmonisatie moet de volksgezondheid worden geacht voldoende te zijn beschermd door de mogelijkheid voor de Lid-Staten, de invoer te weigeren van additieven die een gevaar voor de volksgezondheid opleveren en niet voorzien in een werkelijke, met name technologische, behoefte.
Derhalve geef ik het Hof dienaangaande in overweging, het door de Commissie primair aangevoerde middel, namelijk dat het volstaat, aan te tonen dat er bij de produktie van bepaalde soorten kaas een technologische behoefte bestaat waarin door de toevoeging van nitraat op adequate wijze kan worden voorzien, te aanvaarden.
15.
Aangezien verweersters, zoals hierboven uiteengezet, niet hebben betwist, dat de toevoeging van nitraat in de geconstateerde technologische behoefte kan voorzien, kan mijns inziens worden vastgesteld, dat het door deze Lid-Staten ingestelde verbod niet aldus kan worden gemotiveerd, dat er geen technologische behoefte bestaat voor de toevoeging van nitraat aan bepaalde soorten kaas.
16.
Volledigheidshalve merk ik evenwel op, dat de in casu voorhanden zijnde gegevens, voor zover ik deze kan beoordelen, geen grond opleveren voor de stelling, dat in de geconstateerde technologische behoefte volledig kan worden voorzien door het gebruik van andere additieven of andere produktiemethoden.
17.
De drie Lid-Staten hebben gesteld, dat „late zwelling” kan worden tegengegaan door toevoeging van lysozym, een enzym dat uit eiwit wordt gewonnen, door bactofugering, dat wil zeggen centrifugering van de melk, door verbetering van het voeder van de koeien, dat wil zeggen door kuilvoer te mijden of kuilvoer van betere kwaliteit te voederen, en door verbetering van de melkhygiëne.
De Commissie heeft aangevoerd, dat
—
een deel van de te vernietigen bacteriën resistent is tegen lysozym en bepaalde kaassoorten geen enkele vorm van bacteriënontwikkeling verdragen;
—
bactofugering slechts bruikbaar is voor de vervaardiging van bepaalde soorten kaas en bovendien slechts een deel van de bacteriën verwijdert;
—
het gebruik van melk van betere kwaliteit niet mogelijk is in streken waar de koeien met kuilvoer worden gevoederd; in de noordelijke Lid-Staten gedurende een vrij groot deel van het jaar kuilvoer moet worden gegeven; het moeilijk is kwaliteitsnormen voor kuilvoer vast te stellen;
—
een betere melkhygiëne nooit geheel kan verhinderen, dat er bacteriën in de melk voorkomen.
De Lid-Staten betwisten niet, dat een deel van de bacteriën resistent is tegen lysozym, noch dat bactofugering op zichzelf geen voldoende of in alle gevallen bruikbaar alternatief is. Zij stellen echter, dat het gebruik van melk van betere kwaliteit, eventueel gecombineerd met de twee genoemde methoden, volstaat om de besmettingsgraad onder het niveau te brengen dat „late zwelling” veroorzaakt.
18.
Mijns inziens biedt het arrest van het Hof van 12 maart 1987 in de zaak betreffende het „Reinheitsgebot” ( 15 ) steun voor afwijzing van de stelling, dat kaas moet worden vervaardigd uit een andere grondstof dan de gebruikte, dat wil zeggen uit melk van koeien die niet met kuilvoer of met kuilvoer van betere kwaliteit zijn gevoederd.
Een afwijzing van dit middel komt mij ook in deze zaak redelijk voor, niet in het minst omdat blijkens de stukken zowel de noodzaak van het gebruik van kuilvoer als de kwaliteit van het kuilvoer samenhangen met de geografische omstandigheden,
Wat de verbetering van de melkhygiëne betreft, wordt in het rapport van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding gesteld, dat „zelfs onder goede hygiënische omstandigheden een zekere microbiologische besmetting van melk niet volledig is te vermijden”. Het is niet zeker, dat een verbetering van de melkhygiëne op zich — dat wil zeggen, wanneer het voeder van de koeien niet wordt gewijzigd — de besmettingsgraad van de melk tot een zodanig niveau kan verlagen, dat de toevoeging van lysozym volstaat om „late zwelling” te voorkomen. Men kan gevoeglijk aannemen, dat lysozym de laatste 10 % bacteriën niet opruimt, en dat bepaalde kaassoorten slechts een zeer laag bacteriegehalte verdragen.
Derhalve ben ik van mening, dat de Lid-Staten geen gegevens hebben verstrekt op grond waarvan kan worden aangenomen, dat de toevoeging van nitraat kon worden vermeden door het gebruik van vervangende methoden.
Levert nitraat gevaar op voor de volksgezondheid?
19.
Aan het Hof is uitvoerige documentatie overgelegd, bestaande uit onderzoeken en beoordelingen van de eventueel voor de gezondheid schadelijke gevolgen van nitraat, waaronder verschillende wetenschappelijke rapporten, uittreksels uit de vakliteratuur, enzovoort. Ik acht het niet noodzakelijk, al deze documenten te bespreken. Zoals uit het eerder aangehaalde arrest in de zaak Belion blijkt, heeft het Hof in zijn rechtspraak vastgesteld, dat de kwestie van het gevaar voor de gezondheid moet worden beoordeeld op basis van het internationaal wetenschappelijk onderzoek, en dat vooral belang moet worden gehecht aan de bevindingen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding ( 16 ) en de commissie van de Codex alimentarias van de FAO en de Wereldgezondheidsorganisatie.
Naar ik meen, moet in de onderhavige zaken vooral belang worden gehecht aan het door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding opgestelde rapport inzake nitraat en nitriet. Het rapport is uitgebracht op 19 oktober 1990 en is gebaseerd op een groot aantal artikelen en monografieën van de laatste jaren. Voorts blijkt uit het rapport, dat het Comité zowel bij daartoe aangezochte experts als bij de Lid-Staten informatie over de toepassing van nitraat en nitriet heeft verzameld. Ook moet erop worden gewezen, dat het rapport de eenstemmige opvatting van het Comité weergeeft. ( 17 )
20.
Uit het rapport kan het volgende worden afgeleid:
Nitraten vormen geen rechtstreeks gevaar van betekenis voor de gezondheid. De gevaren voor de gezondheid die aan de opname van nitraat kunnen zijn verbonden, houden verband met het feit dat dit, hetzij vóór de consumptie, hetzij in vivo, kan uiteenvallen in nitriet. Nitriet in bepaalde hoeveelheden levert rechtstreeks gevaar voor de gezondheid op. Voorts kan er een verband bestaan tussen de toegevoegde hoeveelheden nitraat en de vorming van vluchtige nitrosaminen, die kankerverwekkend zijn.
Het voornaamste wetenschappelijke probleem is de vaststelling van de „toelaatbare dagelijkse dosis”, dat wil zeggen de hoeveelheid die dagelijks kan worden opgenomen zonder schade te berokkenen aan het menselijk organisme.
De jongste onderzoeken met ratten hebben uitgewezen, dat er geen toxicologisch effect van de opname van nitraat in hoeveelheden tot 2500 mg per kg lichaamsgewicht kan worden aangetoond. Voorzichtigheidshalve acht het Comité het aangewezen, een veiligheidsfactor 500 toe te passen bij de berekening van de toelaatbare dagelijkse dosis nitraat, zodat deze op 5 mg per kg lichaamsgewicht kan worden gesteld. ( 18 ) Een persoon van 60 kg zal dus dagelijks 300 mg nitraat kunnen opnemen zonder dat dit gevaar voor zijn gezondheid oplevert.
Het Comité heeft geen gegevens ontvangen over de opname van nitraat in de gehele Gemeenschap, maar neemt aan, dat de opname van nitraat in alle onderzochte gebieden „in het algemeen ruim onder de respectieve waarden voor de toelaatbare dagelijkse dosis ligt, behalve in streken waaide groenten een hoog nitraatgehalte hebben en het nitraatgehalte in het drinkwater de communautaire grenswaarden overschrijdt”.
Het gebruik van nitraat als additiefin levensmiddelen levert een vrij geringe bijdrage aan de totale opname, daar het grootste deel afkomstig is van het „natuurlijk gehalte” aan nitraat van groenten en drinkwater. Nitraat wordt gebruikt als additief in vleeswaren, kaas, melk en visprodukten. Wat de toevoeging van nitraat aan kaas betreft, concludeert het Comité onder punt 3.1.2 van zijn rapport het volgende:
„(...) Blijkens de gegevens waarover het Comité beschikt, volstaat de toevoeging van 150 mg nitraat (in de vorm van natriumzout) per liter kaasmelk voor dit doel (dat wil zeggen voor de bestrijding van Clostridium tyrobutyricum) en zal dit in het eindprodukt een restconcentratie van niet meer dan 50 mg nitraat per kg opleveren. Normaal gesproken komt er geen nitriet voor in hoeveelheden van meer dan 1 mg per kg. Het Comité acht dit uit toxicologisch oogpunt aanvaardbaar en de potentiële opname van nitraat uit deze bron kan ten opzichte van de vastgestelde toelaatbare dagelijkse dosis verwaarloosbaar worden geacht.
Ofschoon er geen verband is aangetoond tussen de toevoeging van nitraat en de vorming van vluchtige N-nitroseverbindingen in kaas, wijzen recente onderzoeken op een mogelijk verband tussen nitraat en het totale gehalte aan N-nitroseverbindingen. (...) Op grond daarvan beveelt het Comité aan, het gebruik van nitraat in melk voor de vervaardiging van kaas te beperken tot 150 mg totdat de toxicologische gevolgen van deze gegevens zijn vastgesteld. Uit het oogpunt van controle wordt aanbevolen, een maximale restconcentratie van nitraat in het eindprodukt kaas van 50 mg per kg vast te stellen.” (eigen cursivering).
21.
Volgens verweersters mag bij de beoordeling van het gevaar voor de gezondheid van nitraat niet worden uitgegaan van een algemeen vastgestelde toelaatbare dagelijkse dosis, aangezien daarbij geen rekening wordt gehouden met groepen van personen met een grotere gevoeligheid zoals ouderen, zwangere vrouwen en kinderen. Wat met name kinderen betreft, hebben de Lid-Staten aangevoerd, dat deze als gevolg van de hogere zuurgraad van hun maag meer nitraat in nitriet omzetten.
Mijns inziens moeten deze argumenten worden verworpen, omdat uit het rapport van het Wetenschappelijk Comité blijkt, dat dit in zijn conclusie rekening heeft gehouden met die groepen met een grotere gevoeligheid. Met betrekking tot zijn beoordeling van het gevaar voor de gezondheid dat aan de toevoeging van nitriet aan levensmiddelen is verbonden, wijst het Comité er uitdrukkelijk op, dat bepaalde bevolkingsgroepen, bij voorbeeld zuigelingen, zwangere vrouwen, enzovoort, door nitriet in het voedsel een groter risico kunnen lopen. Een overeenkomstig algemeen voorbehoud wordt niet gemaakt bij de bespreking van de toxicologische risico's van nitraat. In dit verband doet het Comité wel de volgende aanbeveling:
„Daar zuigelingen waarschijnlijk meer exogeen nitraat in nitriet omzetten en gevoeliger zijn voor de acute werking van nitriet, behoort nitraat niet te worden gebruikt als additief in babyvoeding.” ( 19 )
22.
Samenvattend kan de vraag, in hoeverre nitraat, gelet op het internationaal wetenschappelijk onderzoek, een gevaar voor de volksgezondheid oplevert, dan ook worden beantwoord als volgt:
—
een dagelijkse opname van maximaal 5 mg nitraat per kg lichaamsgewicht levert geen gevaar voor de gezondheid op,
—
een restconcentratie van nitraat in kaas tot 50 mg is uit toxicologisch oogpunt aanvaardbaar, daar de potentiële opname van nitraat uit deze bron verwaarloosbaar is ten opzichte van de toelaatbare dagelijkse dosis.
23.
Zoals uit het eerder aangehaalde arrest Belion blijkt, moet bij de beoordeling van het gevaar voor de gezondheid van een additief ook rekening worden gehouden met de voedingsgewoonten van de Lid-Staat van invoer.
24.
De Lid-Staten voeren in dit verband vooral aan, dat de vastgestelde toelaatbare dagelijkse dosis wordt overschreden als gevolg van de voedingsgewoonten in hun land voor alle levensmiddelen, waaronder water, die nitraat bevatten.
De Italiaanse regering heeft gesteld, dat in Italië het verbruik van groenten en fruit, die van nature nitraat bevatten, hoger is dan in de andere Lid-Staten, en dat de gemiddelde dagelijkse opname van nitraat in Italië 312,75 mg bedraagt, hetgeen dus reeds hoger is dan de gemiddelde toelaatbare dagelijkse dosis van 300 mg. De Griekse regering heeft gesteld, dat in Griekenland meer groenten en fruit en meer kaas wordt gegeten dan in de andere Lid-Staten en dat de gemiddelde dagelijkse opname van nitraat in Griekenland ongeveer 1720,23 mg bedraagt. De Franse regering heeft gesteld, dat Frankrijk het hoogste kaasverbruik ter wereld kent, dat drinkwater en verse groenten in Frankrijk veel nitraat bevatten, en dat er vooral problemen zijn in bepaalde streken, waar het nitraatgehalte van het drinkwater de desbetreffende gemeenschapsnormen overschrijdt.
25.
De Commissie betwist de juistheid van verschillende van deze gegevens, maar redeneert op dit punt bovendien vanuit een ander oogpunt dan de Lid-Staten. De Commissie neemt namelijk als uitgangspunt de voedingsgewoonten inzake kaas. Volgens haar is doorslaggevend, dat zelfs ingeval alle kaas de maximaal toegestane hoeveelheid nitraat, dat wil zeggen 50 mg per kg zou bevatten, de consumptie van kaas slechts tot een verwaarloosbare stijging van het nitraatgehalte zou leiden, namelijk 2,1 mg of minder dan 1 % van de dagelijkse opname van nitraat. Aangezien lang niet aan alle kaas nitraat wordt toegevoegd en de restconcentratie van nitraat in kaas waarbij dit wel het geval is, doorgaans ver onder 50 mg per kg ligt, is de Commissie van mening, dat het toestaan van de toevoeging van nitraat aan kaas waarschijnlijk slechts tot een stijging van 0,5 mg van de dagelijkse inname leidt.
26.
Mijns inziens moet de opvatting van de Commissie worden gevolgd. Wanneer internationaal wetenschappelijk onderzoek heeft vastgesteld, dat het gebruik van een bepaald additief in een bepaald produkt in een bepaalde hoeveelheid geen gevaar voor de gezondheid oplevert, betekent het vereiste dat rekening moet worden gehouden met de voedingsgewoonten in de Lid-Staat van invoer, dat moet worden nagegaan, in hoeverre speciale voedingsgewoonten inzake het betrokken produkt in de Lid-Staat van invoer, in die Lid-Staat bijzondere problemen voor de gezondheid kunnen opleveren. Dit geldt in elk geval wanneer internationaal wetenschappelijk onderzoek heeft vastgesteld, dat de potentiële opname van nitraat uit deze bron verwaarloosbaar is ten opzichte van de vastgestelde toelaatbare dagelijkse dosis.
Het belang van andere bronnen van nitraatopname moet in de eerste plaats worden beoordeeld aan de hand van de vaststelling van de aanvaardbare maxima voor de verschillende produkten. Dat het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding dit heeft gedaan, blijkt juist uit de aangehaalde opmerking in het rapport, dat een nitraatgehalte van maximaal 50 mg per kg kaas uit toxicologisch oogpunt aanvaardbaar is, daar „de potentiële opname van nitraat uit deze bron ten opzichte van de toelaatbare dagelijkse dosis verwaarloosbaar kan worden geacht” (eigen cursivering).
Mijns inziens moet het Hof in de onderhavige zaken derhalve nagaan, of de toevoeging van nitraat aan kaas in de drie Lid-Staten een gevaar voor de gezondheid oplevert als gevolg van de in die landen bestaande voedingsgewoonten inzake dit levensmiddel, en dus niet of nitraat als zodanig in die Lid-Staten een gevaar voor de gezondheid oplevert als gevolg van de in die landen bestaande voedingsgewoonten in het algemeen.
27.
De Lid-Staten hebben geen gegevens verstrekt die twijfel kunnen doen rijzen omtrent de conclusie, dat gelet op de voedingsgewoonten inzake kaas in de drie Lid-Staten de dagelijkse hoeveelheid nitraat afkomstig uit deze bron verwaarloosbaar is. Derhalve moet worden aangenomen, dat de toevoeging van nitraat aan kaas in de drie Lid-Staten geen gevaar voor de gezondheid oplevert.
28.
Op grond van deze overwegingen ben ik van mening, dat de weigering van een vergunning voor de invoer van kaas waaraan wegens een technologische noodzaak nitraat is toegevoegd en die een restconcentratie aan nitraat bevat die niet groter is dan hetgeen volgens internationaal wetenschappelijk onderzoek aanvaardbaar is, geen rechtvaardiging vindt in overwegingen van gezondheid en derhalve in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag.
Zijn de Lid-Staten slechts verplicht vergunning te verlenen wanneer een marktdeelnemer daarom verzoekt?
29.
Volgens de rechtspraak van het Hof ( 20 ) is een wettelijke regeling die in het algemeen het gebruik van additieven verbiedt, tenzij hiervoor concreet vergunning is verleend, in overeenstemming met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag. Het Hof heeft evenwel als voorwaarde gesteld, dat de Lid-Staten een procedure instellen volgens welke de marktdeelnemers om vergunning voor het gebruik van additieven kunnen verzoeken. De vergunning moet worden verleend, indien aan bovengenoemde materiële voorwaarden is voldaan. Het staat aan de Lid-Staat, aan te tonen dat deze voorwaarden niet zijn vervuld en dat een eventuele afwijzing derhalve gerechtvaardigd is. ( 21 ) In zijn arrest Bellon ( 22 ) heeft het Hof voor recht verklaard:
„De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staan, dat een Lid-Staat de verhandeling verbiedt van een levensmiddel, ingevoerd uit een andere Lid-Staat waar het rechtmatig is vervaardigd en in het verkeer gebracht, waaraan een van de stoffen is toegevoegd die zijn genoemd in de bijlage bij richtlijn 64/54/EEG van de Raad van 5 november 1963 (...), mits de verhandeling in de Lid-Staat van invoer volgens een voor de marktdeelnemers gemakkelijk toegankelijke en binnen een redelijke termijn voltooide procedure wordt toegestaan wanneer de toevoeging van de betrokken stof aan een werkelijke, met name technologische behoefte Beantwoordt en geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Het staat aan de bevoegde nationale instanties om van geval tot geval aan te tonen dat, rekening houdend met de nationale voedingsgewoonten en gelet op de resultaten van het internationale wetenschappelijk onderzoek, hun regeling noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de in artikel 36 van het Verdrag bedoelde belangen.” (eigen cursivering).
30.
De Franse regering heeft gesteld, dat in Frankrijk een procedure bestaat volgens welke de marktdeelnemers om vergunning kunnen verzoeken voor de invoer van produkten bij de vervaardiging waarvan additieven zijn gebruikt, maar dat de Franse autoriteiten nooit een verzoek om vergunning voor de toevoeging van nitraat aan kaas hebben ontvangen. Daar het algemene verbod op toevoeging van nitraat aan kaas op zichzelf geen schending van artikel 30 oplevert, verzoekt de Franse regering om verwerping van het beroep, aangezien de Commissie geen schending van de bepalingen van het EEG-Verdrag in de vorm van een concrete afwijzing van een vergunningaanvraag heeft aangetoond.
31.
Het uitgangspunt van de Franse regering is mijns inziens ongetwijfeld juist.
De rechtspraak van het Hof is slechts aldus te verstaan, dat een Lid-Staat niet verplicht is een additief ambtshalve op zijn positieve lijst te plaatsen, enkel en alleen omdat het aan een technologische behoefte voldoet en geen gevaar voor de gezondheid oplevert. ( 23 ) Artikel 30 EEG-Verdrag kan slechts worden geschonden bij een concrete beslissing op een ingediende aanvraag om vergunning voor het gebruik van een additief.
32.
Er zijn goede gronden voor deze rechtssituatie. Afgezien daarvan dat deze situatie in overeenstemming is met het grondbeginsel van het gemeenschapsrecht inzake additieven — een algemeen verbod, verzacht door concrete vergunningen (systeem van positieve lijsten) — mag men ervan uitgaan, dat de autoriteiten van de Lid-Staten het best kunnen beoordelen, of aan de materiële voorwaarden voor een vergunning is voldaan, wanneer door een marktdeelnemer een aanvraag is ingediend met als bijlage de beschikbare gegevens over de technologische noodzaak voor het betrokken additief en het eventueel eraan verbonden gevaar voor de gezondheid. Enerzijds is de marktdeelnemer degene die het produkt het beste kent, en anderzijds wordt hiermee het concrete belang bij het in het verkeer brengen ervan aangetoond.
33.
De vraag is evenwel, of voor het ontstaan van de verplichting een additief toe te laten een verzoek van een marktdeelnemer is vereist, dan wel of deze verplichting, zoals de Commissie stelt, ook kan ontstaan naar aanleiding van een verzoek van de Commissie aan de betrokken Lid-Staat om bij de vervaardiging van een bepaald produkt een additief toe te laten.
34.
Aanvaarding van de rechtsopvatting van de Commissie zou een aantal voordelen opleveren. Hiermee zou de Commissie er, zo nodig, voor kunnen zorgen, dat de handel tussen de Lid-Staten in produkten die in sommige Lid-Staten rechtmatig worden geproduceerd, niet wordt belemmerd, wanneer de materiële voorwaarden voor de wettigheid van dergelijke handelsbelemmeringen niet zijn vervuld. De effectieve werking van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen zou hierdoor worden versterkt. Deze rechtsopvatting zou met name kunnen worden aanvaard in een situatie als de onderhavige, waar het gaat om een heel gebruikelijk levensmiddel en een additief dat reeds jaren bekend is en wordt gebruikt.
Dat de Lid-Staat in een situatie waarin het verzoek van de Commissie en niet van een marktdeelnemer afkomstig is, een grotere zelfstandige activiteit zal moeten ontplooien om de nodige gegevens voor zijn beoordeling te verkrijgen, is niet als een onoverkomelijke hinderpaal te beschouwen.
35.
De vraag is evenwel, of het juist zou zijn, op dit punt de uit de rechtspraak van het Hof af te leiden beginselen te wijzigen. Het mag in elk geval niet zo zijn, dat de Commissie enkel op basis van de vaststelling, dat een Lid-Staat het gebruik van een bepaald additief in een produkt toestaat, zich kan wenden tot een Lid-Staat die dit gebruik niet toestaat, om deze Lid-Staat met een beroep op artikel 30 EEG-Verdrag te dwingen, aan te tonen dat de materiële voorwaarden voor de toelaatbaarheid van het verbod zijn vervuld. Een dergelijke gang van zaken zou kunnen leiden tot „harmonisatie” van de regelingen van de Lid-Staten, doch dat is een taak die de Commissie moet verrichten bij wege van algemene rechtshandelingen op gemeenschapsniveau.
Er is evenmin reden om aan te nemen, dat de effectieve werking van de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen niet afdoende kan worden verzekerd door de mogelijkheid voor de marktdeelnemers om vergunning aan te vragen en door de volgens de rechtspraak van het Hof openstaande wegen om eventuele afwijzingen van vergunningaanvragen door de rechter te laten toetsen. Het is duidelijk, dat de Commissie in dit verband de belangrijke taak heeft, in het kader van haar normale bevoegdheden krachtens artikel 169 EEG-Verdrag te waarborgen, dat de Lid-Staten het vergunningstelsel overeenkomstig de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende eisen toepassen.
Een voordeel van het volgen van de rechtsopvatting van Frankrijk is ontegenzeglijk ook, dat hiermee wordt gewaarborgd, dat de vergunningprocedure enkel wordt ingeleid, wanneer een marktdeelnemer te kennen heeft gegeven, dat er een concrete behoefte aan bestaat.
Op grond van het voorgaande ben ik van mening, dat het Hof moet vasthouden aan zijn opvatting, dat een algemeen verbod verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, terwijl de afwijzing van een concrete aanvraag van een marktdeelnemer hiermee in strijd is wanneer niet is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de wettigheid van die afwijzing.
36.
In het concrete geval lijkt het minder aangewezen, het beroep tegen Frankrijk te verwerpen. De Franse regering heeft zowel tijdens de precontentieuze procedure als tijdens de behandeling voor het Hof betoogd, dat het verbod op het gebruik van nitraat voldoet aan de materiële voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd. Men kan zich afvragen, of Frankrijk de mogelijkheid van een vergunning niet illusoir heeft gemaakt door duidelijk en categorisch uitdrukking te geven aan zijn afwijzende houding tegenover kaas waaraan nitraat is toegevoegd. Mijns inziens is dit feit op zich evenwel niet voldoende om Frankrijk te veroordelen, al was het maar omdat Frankrijk reeds in zijn antwoord op de ingebrekestelling en opnieuw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, dat het bereid was een aanvraag concreet te beoordelen tegen de achtergrond van het bestaande wetenschappelijke onderzoek.
Derhalve ben ik van mening, dat de verwerping van het beroep tegen Frankrijk een noodzakelijke en logische consequentie is van de door het Hof vastgestelde, in casu toepasselijke rechtsbeginselen, en zal ik het Hof in overweging geven, het beroep tegen Frankrijk te verwerpen.
37.
Opgemerkt zij, dat in de Italiaanse en de Griekse zaak evenmin stukken zijn overgelegd waaruit blijkt, dat de autoriteiten van deze Lid-Staten concrete vergunningaanvragen hebben afgewezen. De Griekse regering heeft niet gesteld, dat de Griekse autoriteiten nooit een vergunningaanvraag hebben ontvangen. De Italiaanse regering heeft dit argument wel aangevoerd, maar eerst in het kader van de mondelinge behandeling. Ik meen dan ook, dat dit argument moet worden afgewezen omdat het te laat is aangevoerd. Overigens zij erop gewezen, dat in deze zaken is komen vast te staan, dat de Commissie de niet-nakomingsprocedure tegen Italië en Griekenland heeft ingeleid na klachten van marktdeelnemers te hebben ontvangen.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, Italië en Griekenland te veroordelen overeenkomstig de conclusies van de Commissie.
Conclusie
38.
Op grond van het voorafgaande geef ik het Hof in overweging:
—
vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek en de Helleense Republiek, door de invoer te verbieden van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in het verkeer gebrachte kaas waaraan tijdens de vervaardiging nitraat is toegevoegd binnen het door internationale wetenschappelijke kringen aanvaarde maximum, niet hebben voldaan aan de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hen rustende verplichtingen;
—
de Italiaanse Republiek en de Helleense Republiek in de kosten van de respectieve procedures te verwijzen;
—
het beroep tegen de Franse Republiek te verwerpen en de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Volgens Griekenland Hgt deze grens in de praktijk op 15 mg. De Commissie betwist, dat Griekenland kan stellen dat een bij een uitdrukkelijke bepaling vastgestelde grens door de praktijk is overruled. Ik zie geen aanleiding nader op deze discussie in te gaan.
Vooral Ín de Griekse zaak is besproken, in hoeverre de tolerantiedrempel enkel geldt voor het van nature in kaas aanwezige nitraat, dan wel tevens voor toegevoegd nitraat.
De Griekse regering heeft gesteld, dat dit laatste het geval is, ook al wordt Ín de betrokken bepalingen uitdrukkelijk gezegd, dat de tolerantiedrempel enkel geldt voor „stoffen díe van nature voorkomen”. Volgens de Griekse regering is de reden daarvoor, dat het niet mogelijk is bij analyses de herkomst van de stof te bepalen. De Commissie heeft tegengeworpen, dat het mogelijk is op andere wijze te controleren of aan kaas nitraat is toegevoegd, en dat de tolerantiedrempel daarom moet worden geacht enkel te gelden voor van nature voorkomend nitraat. Ik acht het niet noodzakelijk, op deze discussie in te gaan. De vraag waarover het Hof zich in casu moet uitspreken is, of de dne Lid-Staten de invoer mogen beperken van kaas die onder toevoeging van maximaal 50 mg nitraat is vervaardigd. In dit verband is van ondergeschikt belang, of de Lid-Staten de invoer van kaas waaraan kleinere hoeveelheden nitraat zijn toegevoegd, toestaan, dan wel de invoer van kaas met toegevoegd nitraat geheel verbieden.
( 2 ) PB 1964, 12, blz. 161.
( 3 ) Arrest van 13 december 1990, zaak C-42/90, Jurispr. 1990, blz. I-4863.
( 4 ) Zie ook de arresten van 12 juni 1980, zaak 88/79, Grunert, Jurispr. 1980, blz. 1827, en 5 februari 1981, zaak 108/80, Kugelmann, Jurispr. 1981, blz. 433.
( 5 ) PD 1989, L 40, biz. 27.
( 6 ) Zie dc arresten van 10 december 1985, zaak 247/84, Motte, Jurispr. 1985, blz.3887, r. o. 16, 6 mei 1986, zaak 304/84, Muller, Jurispr. 1986, blz. 1511, r. o. 14, en 13 december 1990, Bellon, reeds aangehaald (zie voetnoot 3), r. o. 10.
( 7 ) Luxemburg verbiedt bet gebruik van nitraat bij de vervaardiging van kaas in Luxemburg, maar staat het in de handel brengen van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde kaas waaraan nitraat is toegevoegd, toe.
( 8 ) Zie arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonvillc, Jurispr. 1974, blz. 837.
( 9 ) Zie bij voorbeeld arrest van 20 februari 1975, zaak 12/74, Commissie/Duitsland, Jurispr, 1975, blz. 181, r. o. 14.
( 10 ) Arresten van 14 juli 1983, zaak 174/82, Sandoz, Jurispr. 1983, blz. 2445, 10 december 1985, Motte (zie voetnoot 6), 6 mei 1986, Muller (zie voetnoot 6), 12 maart 1987, zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1987, blz. 1227, hierna: „bierarrest”, en 13 december 1990, Belion (zie voetnoot 3).
( 11 ) Zie voetnoot 3.
( 12 ) Tot staving van haar stelling dat de toevoeging van nitraat aan bepaalde soorten kaas noodzakelijk Ís, wijst de Commissie erop, dat de door de FAO en de Wereldgezondheidsorganisatie opgestelde Codex alimentarias, die normen voor de vervaardiging van levensmiddelen bevat, de toevoeging van nitraat aan bepaalde soorten kaas toestaat in hoeveelheden tot 50 mg per kg kaas. Blijkens de stukken worden van de 34 kaassoorten waarvoor normen zijn vastgesteldj er 15 met toevoeging van nitraat vervaardigd.
Voorts beroept de Commissie zich op een rapport „Review of Italian position with respect to the ban on importation of cheeses prepared with the addition of nitrate”, dat op verzoek van de Commissie is opgesteld door professor Walker, hoofd van de afdeling Voeding en voedîngswetenschappen van de biochemische faculteit van de Universiteit van Surrey, Engeland. Professor Walker concludeert Ín zijn rapport, dat het gebruik van nitraat technologisch noodzakelijk is om te voorkomen dat bepaalde soorten kaas door anaë-robīsche organismen worden aangetast.
Ten slotte heeft de Commissie een rapport van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding van 19 oktober 1990 inzake nitraat en nitriet overgelegd. Onder punt 3.1.2. van dit rapport wordt het volgende gezegd:
„Het is het Comité gebleken, dat ook onder goede hygiënische omstandigheden een bepaalde microbiologische besmetting van melk niet geheel kan worden vermeden. Indien de koeien zijn gevoederd met kuüvoer, een in bepaalde streken veel gebruikt voeder, kan deze besmetting onder meer Clostridium tyrobutyrìcum omvatten. Ofschoon deze bacteriën geen gevaar voor de gezondheid opleveren, belemmeren zij de vervaardiging van bepaalde soorten kaas, en zijn er bepaalde maatregelen nodig om hun groei tijdens de rijping van de kaas onder controle te krijgen. Blijkens de informatie waarover het Comité beschikt, is toevoeging van 150 mg nitraat (Ín de vorm van natriumzout) per liter melk daartoe voldoende en levert dit een restconcentratie van niet meer dan 50 mg nitraat per kg in het eindprodukt op.”
( 13 ) Zie met name:
—
arrest van 14 juli 1983, Sandoz, r. o. 19 (zie voetnoot 10) en conclusie van advocaatgeneraal Mancini in die zaak, punt 7;
—
arrest van 10 december 1985, Motte, r. o. 24 (zie voetnoot 6) en conclusie van advocaatgeneraal Mancini in die zaak, punt 8;
—
arrest van 6 mei 1986, Muller, r. o. 24 (zie voetnoot 6) en conclusie van advocaatgeneraal Mancini in die zaak, punten 4 en 5;
—
arrest van 12 maart 1987, „bierarrest”, r. o. 52 (zie voetnoot 10) en conclusie van advocaatgeneraal Sir Gordon Slynn in die zaak (zie Ín het bijzonder Jurispr. 1987, blz. 1254-1255).
( 14 ) Opgemerkt zij overigens, dat de richtlijn de Lid-Statcn lijkt te verplichten, vooralsnog in hun nationale goedkeuringsbclcid de algemene criteria van de richtlijn in acht te nemen. Zo bepaalt artikel 12, lid 1, van de richtlijn: „De Lid-Statcn nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de Icvensmiddclenadditicvcn (...) slechts in de handel worden gebracht indien deze aan de voorschriften van deze richtlijn en de bijlagen voldoen.”
( 15 ) Zie voetnoot 10. In de rechtsoverwegingen 51 en 52 verklaart het Hof:
„Ter zake zij opgemerkt, dat een technologische noodzaak van het gebruik van bepaalde additieven niet reeds is uitgesloten, omdat bier ook zonder additieven kan worden bereid wanneer enkel de in de Bondsrepubliek Duitsland voorgeschreven grondstoffen worden gebruikt. Een dergelijke uitlegging van het begrip ‚technologische noodzaak’, waardoor uiteindelijk nationale produkticmethoden zouden worden bevoordeeld, vormt cen middel tot een verkapte belemmering van de handel tussen de Lid-Staten.
Het begrip ‚tcchnologischc noodzaak’ moet worden uitgelegd met inachtneming van de gebruikte grondstoffen en van het oordcel van de instanties van de Lid-Staat, waar het produkt rechtmatig is vervaardigd en ín het verkeer gebracht (...)”
( 16 ) Het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding is ingesteld bij besluit van de Commissie van 16 april 1974, PB 1974, L 136, biz. 1.
( 17 ) Volgens artikel 9 van het besluit van de Commissie tot instelling van een wetenschappelijk comité voor de menselijke voeding —zie voetnoot 16 —wordt er in geval van eenstemmigheid tussen de leden van het Comité een gemeenschappelijke conclusie opgesteld. Indien er daarentegen geen eenstemmigheid kan worden bereikt, worden de verschillende standpunten in een verslag vermeld, onder verantwoordelijkheid van de vertegenwoordiger van de Commissie.
( 18 ) De toelaatbare dagelijkse dosis voor nitraat is ook in eerdere onderzoeken — onder meer van de commissie van de Codex alimentarius — vastgesteld op 5 mg per kg lichaamsgewicht. Hier werd evenwel op basis van eerder onderzoek uitgegaan van een zogeheten nul-cffcctnivcau van 500 mg per kg lichaamsgewicht en een veilighcidsfactor 100.
( 19 ) Deze conclusie vindt steun in het door de Commissie overgelegde rapport van professor Walker (zie voetnoot 12). Deze stelt onder meer vast:
„Bij ‚in vitro’-proeven is niet gebleken, dat nitraat mutaties veroorzaakt, en bij reproduktieonderzoeken zijn geen specifieke verstoringen van het reproduktievermogen aangetoond (...) zodat nitraat geen bijzonder risico tijdens de zwangerschap oplevert. De hoeveelheden nitraat die met de moedermelk worden opgenomen, overschrijden in het algemeen niet de hoeveelheden die in het bloed van de moeder voorkomen. Zuigelingen worden dus door de moedermelk niet blootgesteld aan hoeveelheden nitraat van enige betekenis.
(...) Bij pasgeborenen bestaat de mogelijkheid, dat meer nitraat in nitriet wordt omgezet (...) Daarom geldt de toelaatbare dagelijkse dosis nitraat niet voor pasgeborenen. Aangezien kaas waaraan bij de vervaardiging nitraat wordt toegevoegd, niet tot de voedingsmiddelen van pasgeboren kinderen behoort, en de consumptie van dergelijke soorten kaas door de moeder niet leidt tot aanwijsbare veranderingen in het nitraatgehalte van de moedermelk, levert het gebruik van nitraat in kaas geen extra risico voor de gezondheid van pasgeboren kinderen op (...).”
( 20 ) Zie de hierboven onder punt 7 aangehaalde rechtsoverwegingen van het arrest Bellon.
( 21 ) De Commissie heeft zich voor haar uitlegging van de door het Hof geformuleerde eisen beroepen op de vergunningsprocedure in de „Mededeling betreffende het vrije verkeer van levensmiddelen binnen de Gemeenschap”, punten 36-40 (PB 1989, C 271, biz. 3).
( 22 ) Zie voetnoot 3.
( 23 ) Deze opvatting berust indirect op het arrest Bellon, waarin juist sprake was van cen importeur díe werd verweten gebak te hebben ingevoerd dat cen additief bevatte, waarvoor hij niet vooraf om vergunning had verzocht. Advocaatgeneraal Mischo verklaarde in zijn conclusie onder meer het volgende:
„Het is dus duidelijk, dat bij ontbreken van een toelating om in ‚panettoni’ sorbinczuur te gebruiken, cen Franse rechter het recht heeft het uit de wetgeving van zijn land voortvloeiende algemene verbod toe te passen en cen verdachte die het heeft overtreden, te veroordelen.” (punt 24). De overwegingen van het Hof bevatten geen uitdrukkelijke formulering van de probleemstelling, maar het zojuist aangehaalde dictum moet mijns inziens worden uitgelegd als cen bevestiging van dit standpunt.
Full & Egal Universal Law Academy