Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Met de onderhavige twee prejudiciële verwijzingen van het Tribunal administratif de Papeete ( Frans-Polynesië ) zijn bij het Hof voor het eerst zaken aanhangig gemaakt door een rechterlijke instantie van een met de Gemeenschap geassocieerd overzees gebied .
2 . Tevens wordt het Hof voor het eerst verzocht om uitlegging van de artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag en van artikel 176 van het krachtens artikel 136 EEG-Verdrag vastgestelde besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ( PB 1986, L 175, blz . 1 ).
3 . Wel heeft het Hof in zijn arrest van 24 november 1977 ( zaak 65/77, Razanatsimba, Jurispr . 1977, blz . 2229 ) reeds uitlegging gegeven aan artikel 62 van de Overeenkomst van Lomé van 28 februari 1975 tussen de Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan enerzijds en de Europese Economische Gemeenschap anderzijds (( gepubliceerd in bijlage bij verordening ( EEG ) nr . 199/76 van de Raad van 30 januari 1976, PB 1976, L 25, blz . 1 )).
4 . Dat artikel is voor de Overeenkomst van Lomé wat artikel 176 is voor besluit 86/283 van de Raad, ook al is de draagwijdte van deze twee bepalingen niet dezelfde . Bovendien was de hoofdvraag in de onderhavige zaak toen niet aan de orde .
5 . Wat de feiten betreft die tot de hoofdgedingen hebben geleid, kan ik volstaan met eraan te herinneren, dat P . Kaefer ( zaak C-100/89 ), van Duitse nationaliteit, als toerist Frans-Polynesië is binnengekomen en aldaar om een verblijfsvergunning heeft verzocht . De bevoegde overheid wees dat verzoek af op grond dat ingevolge de geldende wettelijke regeling "een toeristenvisum niet ter plaatse in een verblijfsvergunning kan worden omgezet ". Daarop heeft Kaefer bij het Tribunal administratif de Papeete beroep ingesteld, in hoofdzaak stellende dat hij aan artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad het recht ontleent om zich in het gebied te vestigen .
6 . A . Procacci ( zaak C-101/89 ) is met een Zwitsers paspoort Polynesië binnengekomen . Na het verstrijken van zijn toeristenvisum heeft hij niets gedaan om zijn situatie in overeenstemming te brengen met de geldende voorschriften . Naar zijn zeggen heeft hij in Polynesië verscheidene werkzaamheden uitgeoefend, met name als letterschilder . Hij werd opgespoord wegens diverse verkeersovertredingen en bij die gelegenheid tevens beschuldigd van een aantal andere overtredingen, met name onregelmatig verblijf, het niet bezitten van een verblijfs - en een arbeidskaart, het niet bezitten van een handelsvergunning en het niet ingeschreven zijn in het handelsregister . Toen de Hoge Commissaris van de Republiek zijn verwijdering van het grondgebied gelastte, stelde Procacci beroep in bij het Tribunal administratif, waar hij stelde dat hij ook de Italiaanse nationaliteit bezat en zich op het gemeenschapsrecht beriep .
7 . Alvorens in te gaan op de - in de twee zaken identieke - vraag van het Tribunal administratif de Papeete, dienen wij te onderzoeken of het Hof bevoegd is om die vraag te beantwoorden .
De bevoegdheid van het Hof
8 . Het Verenigd Koninkrijk stelt, dat het Tribunal administratif de Papeete niet een "rechterlijke instantie van een der Lid-Staten" in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag is, zodat het Hof in casu niet bevoegd is om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen .
9 . Het Verenigd Koninkrijk wijst op de verschillen tussen artikel 227, lid 3, betreffende de landen en gebieden overzee, en artikel 227, lid 2, betreffende de Franse overzeese departementen . Anders dan voor de Franse overzeese departementen, heeft het EEG-Verdrag en het daarvan afgeleide recht voor de landen en gebieden overzee geen algemene gelding . ( 1 ) In artikel 227, lid 3, heet het namelijk dat
"de landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage IV aan dit Verdrag is gehecht, het onderwerp vormen van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag ."
10 . Volgens het Verenigd Koninkrijk blijkt uit de bewoordingen van artikel 227, lid 3, en uit de artikelen 131 tot en met 136 bis duidelijk, dat het vierde deel van het EEG-Verdrag een lex specialis is, die voor de landen en gebieden overzee geldt, met uitsluiting van de andere verdragsbepalingen, behoudens wanneer deze bepalingen hun gelding ontlenen aan een verwijzing ( zoals het hoofdstuk inzake vestiging, dat door artikel 132, lid 5, onder bepaalde voorwaarden van toepassing is verklaard ). Volgens het Verenigd Koninkrijk geldt artikel 177 dus kennelijk niet voor de rechterlijke instanties van de landen en gebieden overzee .
11 . Ik ben het met de Commissie eens, dat men zich kan afvragen of een rechtbank van een land of gebied overzee prejudiciële vragen kan stellen, met name omdat in lid 2 van artikel 227 uitdrukkelijk is bepaald dat voor de overzeese departementen de "bijzondere en algemene bepalingen ... betreffende ... de instellingen" gelden, terwijl in lid 3 betreffende de landen en gebieden overzee niets dergelijks wordt gezegd .
Anderzijds moet worden vastgesteld dat dit voor de auteurs van het Verdrag geen beletsel was om bevoegdheden ter zake toe te kennen aan de Raad en aan de Commissie, zowel in het vierde deel van het Verdrag als in de Toepassingsovereenkomst in bijlage bij het Verdrag . Hierbij denk ik meer in het bijzonder aan artikel 136, tweede alinea, bepalende dat na afloop van de aan het Verdrag gehechte Toepassingsovereenkomst, waarin voor een eerste periode van vijf jaar de wijze van toepassing en de procedure van de associatie tussen de landen en gebieden overzee en de Gemeenschap wordt bepaald,
"de Raad op basis van de bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vaststelt voor een nieuwe periode ".
12 . Waren de auteurs van het Verdrag er werkelijk van uitgegaan, dat de verdragsbepalingen betreffende de instellingen zonder meer niet van toepassing waren op de "bijzondere associatieregeling" van de landen en gebieden overzee, dan zouden zij bepaald hebben dat voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 136, tweede alinea, bedoelde maatregelen door de Lid-Staten een nieuw verdrag of protocol moest worden gesloten, te bekrachtigen door de nationale parlementen .
13 . Ik herinner voorts aan de arresten van het Hof van 30 april 1974 ( zaak 181/73, Haegeman, Jurispr . 1974, blz . 449 ) en 30 september 1987 ( zaak 12/86, Demirel, Jurispr . 1987, blz . 3719, L 3750, r.o . 7 ), naar luid waarvan
"een door de Raad overeenkomstig de artikelen 228 en 238 van het Verdrag gesloten Overeenkomst wat de Gemeenschap betreft, een handeling is welke door een der instellingen van de Gemeenschap is verricht in de zin van artikel 177, eerste alinea, sub b, dat de bepalingen van een dergelijke overeenkomst vanaf de inwerkingtreding ervan een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde vormen en dat het Hof in het kader van deze rechtsorde bijgevolg bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging dier overeenkomst ."
14 . Dit dient a fortiori te gelden voor een door de Raad krachtens een verdragsbepaling, in casu artikel 136, eenzijdig vastgesteld besluit .
15 . Het moet dan echter wel om een prejudiciële vraag van een "rechterlijke instantie van een der Lid-Staten" ( artikel 177, tweede alinea ) gaan . Een rechtbank van een derde land, bij voorbeeld een land dat de Overeenkomst van Lomé heeft ondertekend, kan vanzelfsprekend geen prejudiciële vragen stellen . In casu is evenwel niet betwist, dat het Tribunal administratif de Papeete een dergelijke rechterlijke instantie is in de zin van het Franse recht . Dit volgt meer in het bijzonder uit de artikelen 2, 72 en 74 van de Grondwet van de Franse Republiek en uit de wet van 6 september 1984 houdende het statuut van het gebied Frans-Polynesië ( 2 ), waarvan artikel 1 bepaalt dat
"het gebied Frans-Polynesië een overzees gebied is met interne autonomie in het kader van de Republiek ."
Ingevolge artikel 3 van deze wet blijft de Franse Staat bevoegd inzake justitie en rechterlijke organisatie . Ten slotte is bij deze wet ook het Tribunal administratif de la Polynésie française te Papeete opgericht ( 3 ), dat kan worden vergeleken met een Tribunal administratif in Europees Frankrijk . ( 4 ) Beroep wegens overschrijding van bevoegdheid moet worden ingesteld bij de Conseil d' État, alle andere beroepen bij de Cour administrative d' appel te Parijs .
16 . Voorts ben ik het ook eens met de Commissie waar zij stelt, dat de vraag weliswaar afkomstig moet zijn van een "rechterlijke instantie van een der Lid-Staten", doch dat dit
"op zich evenwel niet volstaat om het Hof bevoegd te maken . Het begrip rechterlijke instantie van een Lid-Staat in de zin van artikel 177, tweede en derde alinea, moet namelijk worden uitgelegd in het licht van de opzet en het doel van dat artikel . Zo gezien kan dit begrip alleen de rechterlijke instanties omvatten die uitspraak doen in een geschil ontstaan in een deel van het grondgebied van een Lid-Staat waar het gemeenschapsrecht gelding heeft ... Ook al zijn de materiële bepalingen van het EEG-Verdrag toepasselijk op de landen en gebieden overzee, dit neemt niet weg, dat zij onder het Verdrag vallen voor zover het de specifieke regeling inzake de associatie van die landen en gebieden met de Gemeenschap betreft ."
17 . De vraag van de verwijzende rechter betreft precies de uitlegging van sommige bepalingen die deel uitmaken van deze specifieke associatieregeling, namelijk artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad van 30 juni 1986, en daarnaast de artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag .
18 . Op al deze gronden acht ik het Hof bevoegd om uitspraak te doen over de vraag van het Tribunal administratif de Papeete .
Ten gronde
19 . Voor het Tribunal administratif hebben Kaefer en Procacci gesteld, dat de weigering van een verblijfsvergunning respectievelijk het besluit tot uitwijzing in strijd is met de bepalingen van het gemeenschapsrecht, inzonderheid met artikel 176 van voormeld besluit van de Raad .
20 . De verwijzende rechter heeft het Hof in de twee zaken een identieke vraag gesteld :
"Strekt de werkingssfeer van voormelde bepalingen ( 5 ) van het besluit van 30 juni 1986 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, gelet op het bepaalde in de artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag, zich uit tot alle besluiten, van welke aard ook, van de nationale overheden die bij uitsluiting bevoegd zijn inzake de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van Frans-Polynesië van vreemdelingen die onderdaan zijn van Lid-Staten van de EEG? Zo ja, kunnen de betrokken bepalingen, gezien hun aard, opzet en bewoordingen, rechtstreekse werking hebben in de betrekkingen tussen de adressaten van de handeling en derden?"
21 . Ik zal achtereenvolgens de twee onderdelen van deze vraag bespreken .
A - De werkingssfeer "ratione materiae" van artikel 176
22 . Met het eerste onderdeel van de vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de bevoegde Franse autoriteiten, gelet op de artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag en artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad, ten aanzien van onderdanen van andere Lid-Staten maatregelen kunnen nemen als weigering van een verblijfsvergunning of uitwijzing .
23 . Over het antwoord op deze vraag ben ik het volkomen eens met de Britse en de Franse regering en de Commissie .
24 . Artikel 135 EEG-Verdrag luidt :
"Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare orde, zal het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de Lid-Staten en van werknemers uit de Lid-Staten binnen de landen en gebieden worden geregeld door later te sluiten overeenkomsten, waarvoor eenstemmigheid van de Lid-Staten is vereist ."
25 . Waar vaststaat dat een dergelijke overeenkomst niet tot stand is gekomen, kunnen de onderdanen van de Lid-Staten niet met een beroep op het gemeenschapsrecht aanspraak maken op een recht van binnenkomst en verblijf in een land of gebied overzee met het oog op de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit in loondienst .
26 . Artikel 132, lid 5, EEG-Verdrag bepaalt :
"In de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 136 vastgestelde bijzondere bepalingen ."
27 . Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding golden "krachtens artikel 136 vastgestelde bijzondere bepalingen", namelijk artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad, dat luidt als volgt :
"Wat de regeling inzake vestiging en dienstverlening betreft, behandelen de bevoegde instanties van de landen en gebieden de onderdanen en vennootschappen uit de Lid-Staten niet discriminerend . Indien een Lid-Staat voor een bepaalde werkzaamheid niet in staat is aan onderdanen of vennootschappen van de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland die in een land of gebied zijn gevestigd, alsmede aan de vennootschappen die onder de wetgeving van het betrokken land of gebied vallen en die aldaar zijn gevestigd, voordelen van dezelfde aard toe te kennen, is de bevoegde instantie van dit land of gebied evenwel niet gehouden deze behandeling toe te kennen ."
28 . Uit een en ander volgt, dat de onderdanen van de andere Lid-Staten in de landen en gebieden overzee alleen aanspraak kunnen maken op een recht van binnenkomst en verblijf met het oog op de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit en mits is voldaan aan de voorwaarden van voormeld artikel .
29 . De enige verplichting van de bevoegde instanties van de landen en gebieden is, dat zij onderdanen en vennootschappen uit de andere Lid-Staten "niet discriminerend" mogen behandelen, dat wil zeggen dat voor hen dezelfde voorwaarden dienen te gelden als voor personen en vennootschappen met de nationaliteit van de staat waarmee deze landen en gebieden bijzondere betrekkingen onderhouden .
30 . De bevoegde instanties kunnen dus van de onderdanen van andere Lid-Staten verlangen, dat zij alle beroepskwalificaties, en inzonderheid diploma' s, bezitten die worden verlangd van de eigen onderdanen die hetzelfde zelfstandige beroep uitoefenen of dezelfde diensten verrichten . Daarenboven kunnen bijzondere beperkingen of verbodsbepalingen die in een land of gebied gelden voor de toegang tot bepaalde beroepen of dienstverrichtingen van uit het Europees gedeelte van een staat afkomstige onderdanen, ook toepasselijk worden verklaard op de onderdanen van de andere Lid-Staten . Een van deze beperkingen kan hierin bestaan, dat de betrokkene al vóór zijn binnenkomst in het bezit moet zijn van een vestigingsvergunning .
31 . Het recht van de onderdanen van de andere Lid-Staten om zich in het land of gebied te vestigen of er diensten te verrichten, is overigens onderworpen aan de wederkerigheidsvoorwaarde waarvan sprake in artikel 176 in fine; daarover verder meer .
32 . Uit een en ander volgt ook, dat de richtlijn van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten ( richtlijn 73/148/EEG, PB 1973, L 172, blz . 14 ), niet van toepassing is in de landen en gebieden overzee .
33 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging het eerste onderdeel van de vraag te beantwoorden als volgt :
"De artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag noch artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad van 30 juni 1976 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap, kunnen worden geacht te gelden voor besluiten, van welke aard ook, van de inzake de toegang tot en het verblijf op een overzees grondgebied van onderdanen van andere Lid-Staten bevoegde overheden . De onderdanen van de andere Lid-Staten kunnen in de landen en gebieden overzee slechts aanspraak maken op een recht van toegang en verblijf met het oog op de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit en onder de in voormeld artikel 176 gestelde voorwaarden ."
B - Kent artikel 176 aan particulieren rechten toe waarop zij zich voor de rechter kunnen beroepen?
34 . Hoewel het tweede onderdeel van de vraag slechts is gesteld voor het geval van een bevestigend antwoord op het eerste onderdeel, lijkt het mij toch nuttig erop in te gaan, nu een van de verzoekers heeft verklaard dat hij in Frans-Polynesië een zelfstandige beroepsactiviteit wenste uit te oefenen .
35 . Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk volgt uit het arrest van 5 februari 1963 ( zaak 26/62, Van Gend en Loos, Jurispr . 1963, blz . 1, 23 ), dat het begrip rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht gebaseerd is op het doel van het Verdrag, namelijk de economische integratie verzekeren in het kader van een gemeenschappelijke markt; dit behoort evenwel niet tot de doelstellingen van het vierde deel van het Verdrag . Bijgevolg hebben dit vierde deel alsmede besluit 86/283 van de Raad geen rechtstreekse werking voor de rechterlijke instanties van Frans-Polynesië .
36 . Ik ben het met het Verenigd Koninkrijk eens, dat dit de redenering is die aan het arrest Van Gend en Loos ten grondslag ligt en die meer in het bijzonder in het rapport ter terechtzitting wordt toegelicht .
37 . In verband met de in 1963 tussen de Gemeenschap en Turkije gesloten associatieovereenkomst heeft het Hof nadien echter het volgende verklaard :
"Een bepaling van een door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomst moet worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is ." ( 6 )
38 . Ook al beoogt deze overeenkomst op termijn de totstandkoming van een douane-unie tussen de EEG en Turkije, toch kan niet worden gezegd dat zij - in de woorden van het arrest Van Gend en Loos -
"in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde beoogt te vormen ten bate waarvan de staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn ."
39 . Verder verklaarde het Hof in het reeds aangehaalde arrest Razanatsimba, betreffende de Overeenkomst van Lomé - een overeenkomst met derde landen, die niet bedoeld was om een douane-unie op te richten -, dat artikel 62 van deze Overeenkomst voor een onderdaan van een ACS-Staat niet het recht meebracht, zich met voorbijgaan aan een nationaliteitsvoorwaarde op het grondgebied van een Lid-Staat van de EEG te vestigen ter uitoefening van een beroep dat door de wetgeving van deze staat aan zijn eigen onderdanen is voorbehouden .
40 . Het Hof heeft in dat arrest een onderzoek ingesteld naar de strekking in concreto van het door de verzoeker in het hoofdgeding ingeroepen artikel en niet ambtshalve de mogelijkheid uitgesloten, dat de Overeenkomst van Lomé ten behoeve van particulieren ( zoals onderdanen van een ACS-Staat ) rechten in het leven roept die de rechterlijke instanties moeten vrijwaren .
41 . De conclusie dringt zich dus op, dat het arrest Van Gend en Loos in zijn specifieke context moet worden gezien . In dit arrest werd voor het eerst het beginsel van de rechtstreekse werking geformuleerd, en dan nog in verband met een verdragsbepaling . Sedertdien heeft het Hof de gelegenheid gehad zich over het vraagstuk van de rechtstreekse werking te buigen in verband met overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen . Het Hof heeft daarbij erkend, dat aan particulieren toekomende rechten ook kunnen voortvloeien uit sommige verplichtingen die aan de Lid-Staten worden opgelegd door een overeenkomst die geen nieuwe rechtsorde in het leven roept . Dit geldt a fortiori wanneer het niet om een overeenkomst met derde landen gaat, doch zoals in casu om een besluit van de Raad .
42 . Er zijn dus gronden aanwezig om na te gaan of artikel 176 aan de met name in het arrest Demirel vastgestelde criteria voldoet .
43 . De Franse regering en de Commissie herinneren aan de vele arresten waarin het Hof als voorwaarde voor rechtstreekse werking heeft gesteld, dat het om een duidelijke, voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke bepaling dient te gaan . De ingevolge artikel 176 op de bevoegde instanties van de landen en gebieden overzee rustende verplichting is evenwel niet onvoorwaardelijk, nu daaraan een wederkerigheidsbeding is verbonden .
44 . Mijns inziens verstond het Hof onder een "onvoorwaardelijke bepaling" evenwel een bepaling die aan degenen die ze moeten uitvoeren, geen enkele beoordelingsmarge laat waardoor zij het toepassingsgebied ervan afhankelijk zouden kunnen maken van voorwaarden dan wel beperken .
45 . Wanneer nu aan de voorwaarden van artikel 176, eerste volzin, van het besluit van de Raad is voldaan, rest de adressaten, namelijk de bevoegde instanties van de landen en gebieden overzee, in verband met de toepassing van het non-discriminatiebeginsel geen enkele beoordelingsmarge . Op de wederkerigheidsvoorwaarde hebben de bevoegde instanties geen vat : het zijn de andere Lid-Staten die er al dan niet aan voldoen .
46 . Anders gezegd, de afwijking van het non-discriminatiebeginsel, die een uitvloeisel kan zijn van de omstandigheid dat niet is voldaan aan het wederkerigheidsvereiste, is niet meer dan een "eventualiteit", die de rechtstreekse werking van het beginsel zelf niet in het gedrang brengt . Ik verwijs hier naar een analoog geval ( arrest van 17 oktober 1989, gevoegde zaken 231/87 en 129/88, Carpaneto Piacentino, Jurispr . 1989, blz . 3233, r.o . 32 ), waarin het Hof verklaarde, dat dezelfde redenering moet worden gevolgd ten aanzien van de afwijking - in artikel 4, lid 5, tweede alinea, van de Zesde BTW-richtlijn - van het beginsel dat publiekrechtelijke lichamen niet BTW-plichtig zijn voor de door hen als overheid verrichte werkzaamheden, voor het geval dat de niet-belastingplichtigheid tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden .
47 . In een geval als het onderhavige zou bij voorbeeld een Nederlands onderdaan mijns inziens voor de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties van Frans-Polynesië moeten kunnen aanvoeren, dat een uit dit gebied afkomstig persoon in Nederland het recht heeft om het zelfstandige beroep uit te oefenen dat hijzelf in Polynesië zou willen uitoefenen, voor zover die persoon voldoet aan de aan Nederlandse onderdanen gestelde voorwaarden ( met uitzondering uiteraard van de nationaliteit ).
48 . De bewijslast ter zake zou op de verzoeker rusten . Hij zou het bewijs bij voorbeeld kunnen leveren door overlegging van een document van de bevoegde instantie in Nederland, of door verwijzing naar een gemeenschapsrichtlijn betreffende de wederzijdse erkenning van diploma' s voor het betrokken beroep, wanneer in deze richtlijn, zoals meestal het geval lijkt te zijn, geen onderscheid wordt gemaakt tussen onderdanen van andere Lid-Staten naar gelang zij afkomstig zijn uit het Europese deel van een Lid-Staat dan wel uit een met die Lid-Staat verbonden land of gebied overzee .
49 . De Commissie nu heeft tegen Frankrijk een beroep wegens niet-nakoming ingesteld ( zaak C-263/88, Jurispr . 1990, blz . I-4611 ), omdat deze Lid-Staat na de vaststelling van de gemeenschapsrichtlijn inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van arts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, verloskundige, beoefenaar der tandheelkunde en dierenarts, niet de vereiste maatregelen had genomen om onderdanen van andere Lid-Staten die in het bezit van het ter zake vereiste Franse diploma zijn, in staat te stellen zich in het overzeese gebied Frans-Polynesië te vestigen of aldaar de genoemde beroepen uit te oefenen . De Commissie stelt niet, dat deze richtlijnen in dat gebied van toepassing zijn, doch dat eruit volgt, dat de andere Lid-Staten onder de ter zake vastgestelde materiële en formele voorwaarden gehouden zijn de Franse diploma' s te erkennen, zoals overigens ook de door een andere Lid-Staat aan een onderdaan van de Franse Republiek afgegeven diploma' s, zonder daaraan een voorwaarde te kunnen verbinden inzake de vestigingsplaats van de betrokken onderdaan .
50 . In mijn conclusie van vandaag in zaak C-263/88 heb ik in overweging gegeven, het beroep van de Commissie toe te wijzen .
51 . Ik herinner nogmaals aan de tekst van artikel 132, lid 5, EEG-Verdrag :
"In de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 136 vastgestelde bijzondere bepalingen ."
52 . De krachtens artikel 136 vastgestelde bijzondere bepalingen nu betreffen enkel het geval waarin een onderdaan van een Lid-Staat zich in een land of gebied overzee wenst te vestigen . Dit geval wordt geregeld door artikel 176, dat in casu in geding is .
53 . Artikel 132, lid 5, is tot op heden de enige bepaling inzake de vrijheid van vestiging van personen uit de landen en gebieden overzee in de Gemeenschap . Nu dit artikel verwijst naar de bepalingen en procedures van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, meen ik te mogen stellen dat de op deze grondslag vastgestelde richtlijnen, die personen die voorheen reeds in een land of gebied overzee gevestigd waren, niet van hun werkingssfeer uitsluiten, door de betrokkenen kunnen worden ingeroepen .
54 . Voor zover een dergelijke richtlijn is vastgesteld, kan een Frans onderdaan uit Polynesië zich dus in om het even welke andere Lid-Staat vestigen wanneer hij in het bezit is van een Frans diploma . Dit geldt a fortiori indien hij in het bezit is van het diploma dat verlangd wordt door de wetgeving van het land waar hij zich wenst te vestigen . (( Aangezien in artikel 132, lid 5, wordt verwezen naar het hoofdstuk betreffende de vrijheid van vestiging, kan men zich zelfs afvragen of in laatstbedoelde hypothese het recht van vestiging hem niet reeds toekomt sedert het einde van de overgangsperiode, zulks op basis van het arrest van 21 juni 1974 ( zaak 2/74, Reyners, Jurispr . 1974, blz . 631 ). In dit geval zou de wederkerigheidsvoorwaarde, die niet voorkwam in artikel 8 van de aan het Verdrag gehechte Toepassingsovereenkomst betreffende de associatie met de landen en gebieden overzee, bij vergissing in artikel 176 zijn opgenomen, wellicht enkel om een zeker parallellisme tot stand te brengen met de Overeenkomsten van Yaoundé en Lomé, welke overeenkomsten evenwel een totaal andere strekking hebben, zoals blijkt uit voormeld arrest Razanatsimba . Op deze vraag behoeft hier evenwel niet verder te worden ingegaan .))
55 . Zoals gezegd, kan anderzijds evenwel een onderdaan van een andere Lid-Staat slechts aanspraak maken op een vestigingsrecht in een overzees land of gebied dat bij voorbeeld van Frankrijk afhangt, indien hij in het bezit is van een Frans diploma .
56 . Anders dan de Franse regering stelt, is het recht van de in een overzees land of gebied gevestigde Franse onderdanen om zich op het grondgebied van andere Lid-Staten te vestigen, dus niet langer overgelaten aan het goeddunken van deze Lid-Staten, nu ter zake een richtlijn is vastgesteld . Dit recht kan dus niet naar gelang van het tijdstip en de wensen van deze Lid-Staten een andere inhoud krijgen .
57 . Kort samengevat ben ik dus van mening, dat een onderdaan van een Lid-Staat voor de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties van een overzees land of gebied het bewijs moet kunnen leveren, dat met betrekking tot de Lid-Staat waarvan hij de nationaliteit bezit, aan de wederkerigheidsvoorwaarde is voldaan, en dat hij zich bijgevolg op het non-discriminatiebeginsel van artikel 176 van besluit 86/283 van de Raad moet kunnen beroepen .
Conclusie
58 . Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Tribunal administratif de Papeete te beantwoorden als volgt ( 7 ):
"1 ) De artikelen 132, lid 5, en 135 EEG-Verdrag en artikel 176 van besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1976 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap, gelden niet voor de besluiten, van welke aard ook, van de inzake de toegang tot en het verblijf in een overzees grondgebied van onderdanen van andere Lid-Staten bevoegde instanties . De onderdanen van andere Lid-Staten kunnen slechts aanspraak maken op een recht van toegang tot en verblijf in landen en gebieden overzee met het oog op de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit, onder de voorwaarden van voormeld artikel 176 .
2 ) Artikel 176 van besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986, betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd, dat voor de bevoegde instanties van een land of gebied op het daarin neergelegde non-discriminatiebeginsel een beroep kan worden gedaan door een onderdaan van een andere Lid-Staat dan die waarmee het land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt, die aldaar een zelfstandige beroepsactiviteit wenst uit te oefenen dan wel zich daarheen wenst te begeven om er bepaalde diensten te verrichten, en dat dit verzoek moet worden toegewezen indien de betrokkene voldoet aan alle vereisten die ter zake van de zelfstandige beroepsactiviteit of de dienstverrichting gelden voor de niet in het land of gebied gevestigde onderdanen van de Lid-Staat waarmee het land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt, en indien vaststaat dat de Lid-Staat waarvan de betrokkene onderdaan is, een soortgelijke behandeling verzekert aan personen die tot op dat tijdstip in het betrokken land of gebied gevestigd zijn en de nationaliteit hebben van de Lid-Staat waarmee dit land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr . 1978, blz . 1787 .
( 2 ) Wet nr . 84-820 van 6 september 1984, houdende het statuut van het gebied Frans-Polynesië ( JORF van 7 september 1984, blz . 2831 ).
( 3 ) Artikelen 98 tot en met 102 van de wet van 6 september 1984, reeds aangehaald .
( 4 ) Zie Chapus, R .: Droit du contentieux administratif, Parijs, éd . Monchrestien, 1982, blz . 16 tot en met 20, en Schultz P .: Contentieux administratif français d' outre-mer, Juris-Classeur administratif d' outre-mer, deel 780, zoals bijgewerkt in 1989 .
( 5 ) Uit de aan de vraag voorafgaande alinea blijkt, dat het om artikel 176 gaat .
( 6 ) Arrest van 30 september 1987, zaak 12/86, Demirel, Jurispr . 1987, blz . 3752, r.o . 14 .
( 7 ) Aangezien het in het hoofdgeding om personen en niet om vennootschappen gaat, laat ik dit aspect van artikel 176 buiten beschouwing .
Full & Egal Universal Law Academy