Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In de onderhavige zaak gaat het om de vraag, of de Belgische anti-cumulatiebepalingen zich verzetten tegen de toekenning van een Belgisch vervroegd rustpensioen aan twee Italiaanse gewezen migrerende werknemers die in Italië reeds een invaliditeitspensioen ontvangen .
2 . Pian is geboren op 9 juni 1922 . Hij werkte in België van 1947 tot 1951 als mijnwerker en van 1951 tot 1971 in andere dienstbetrekkingen . Daarna keerde hij terug naar Italië, waar hij nog een tijdje werkte en op 1 maart 1974 in aanmerking kwam voor een Italiaans invaliditeitspensioen . Vanaf 1 maart 1978 ontving hij een Belgisch rustpensioen op basis van zijn tijdvak van tewerkstelling als mijnwerker, daar hij de bijzondere pensioenleeftijd voor mijnwerkers - 55 jaar - had bereikt . Op 4 juni 1982 verzocht hij om een vervroegd rustpensioen op grond van zijn andere tijdvakken van verzekering in België, doch zijn verzoek werd afgewezen door de Rijksdienst voor pensioenen ( hierna : RVP ).
3 . Bianchin is geboren op 20 februari 1920 . Van 1955 tot 1961 werkte hij in België . Daarna keerde hij terug naar Italië, waar hij nog een tijdje werkte en op 1 januari 1975 in aanmerking kwam voor een invaliditeitspensioen . Op 25 maart 1983 verzocht hij de RVP om een vervroegd rustpensioen op grond van in België vervulde tijdvakken van verzekering . Het verzoek werd afgewezen bij beschikking van 23 maart 1984 .
4 . De RVP baseerde zijn afwijzing van de verzoeken om een vervroegd rustpensioen op artikel 25 van het Koninklijk Besluit nr . 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust - en overlevingspensioen voor werknemers, juncto het ter uitvoering van dit artikel vastgestelde artikel 64 bis van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust - en overlevingspensioen voor werknemers . De RVP was van oordeel, dat ingevolge deze bepalingen het ontvangen van een Italiaans invaliditeitspensioen de toekenning van een vervroegd rustpensioen uitsloot .
5 . Bij vonnis van 9 mei 1985 verwierp de Arbeidsrechtbank te Luik het door Pian ingestelde beroep tegen de beschikking van de RVP . Bij vonnis van 11 juni 1986 aanvaardde diezelfde rechterlijke instantie het door Bianchin ingestelde beroep . Het Arbeidshof te Luik, dat kennis dient te nemen van het hoger beroep tegen de twee vonnissen in eerste aanleg, heeft het Hof de navolgende vragen voorgelegd :
"1 ) Wanneer een migrerend werknemer, zonder toepassing van de gemeenschapsverordeningen, in een Lid-Staat recht op een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat aanspraak maakt op een uitkering uit hoofde van zijn beroepswerkzaamheid, is het dan verenigbaar met de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag, dat het orgaan van laatstbedoelde Lid-Staat, dat het rustpensioen toekent, voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van zijn nationale wettelijke regeling het door eerstbedoelde Lid-Staat toegekende invaliditeitspensioen op dezelfde wijze in aanmerking neemt als de invaliditeitsuitkeringen die krachtens zijn eigen wettelijke regeling worden toegekend?
2 ) Zo ja : wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat de cumulatie van het krachtens die regeling toegekende rustpensioen met een invaliditeitsuitkering anders regelt dan de cumulatie van dat rustpensioen met een ouderdomsuitkering, moet het door een andere Lid-Staat toegekende en niet in een ouderdomspensioen om te zetten invaliditeitspensioen dan worden aangemerkt als een invaliditeitsuitkering of als een ouderdomsuitkering?
Moet eventueel onderscheid worden gemaakt naar gelang degene die het invaliditeitspensioen ontvangt, al dan niet de pensioenleeftijd heeft bereikt of een ouderdomsuitkering ontvangt?
Moet onderscheid worden gemaakt naar gelang het rustpensioen wordt aangevraagd bij het bereiken van de normale pensioenleeftijd dan wel vervroegd ( met vermindering van het bedrag )?
3 ) Naar gelang van het antwoord op de vragen 1 en 2, is de relevante pensioenleeftijd dan
a ) die welke is bepaald in de wettelijke regeling waarvan de cumulatieregeling deel uitmaakt, of
b ) die welke is bepaald in de wettelijke regeling krachtens welke de niet voor omzetting in aanmerking komende, aan de cumulatieregeling onderworpen uitkering is toegekend?"
6 . Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van de Lid-Staat wiens wettelijke regeling het recht op het ouderdomspensioen alleen doet ontstaan . De tweede en de derde vraag zijn in wezen erop gericht te vernemen, of, ingeval het gemeenschapsrecht zich niet tegen de toepassing van die anti-cumulatiebepalingen verzet, het ook toestaat dat voor de toepassing van die bepalingen de nationale bepalingen betreffende de kwalificatie van krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat toegekende uitkeringen en betreffende de pensioenleeftijd worden aangewend .
7 . Ofschoon deze vragen zijn geformuleerd met betrekking tot de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag, is het duidelijk dat zij moeten worden beantwoord met inachtneming van de ter uitvoering van artikel 51 vastgestelde bepalingen, inzonderheid verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad ( PB 1971, L 149, blz . 2; gewijzigde en bijgewerkte versie in PB 1983, L 230, blz . 8 ).
8 . Het is vaste rechtspraak, dat wanneer een werknemer alleen krachtens de nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, de bepalingen van verordening nr . 1408/71 niet in de weg staan aan een integrale toepassing van de nationale wettelijke regeling, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen ( zie gevoegde zaken 116/80, 117/80, 119/80, 120/80 en 121/80, Celestre, Jurispr . 1981, blz . 1737, r.o . 9; zaak 197/85, Stefanutti, Jurispr . 1987, blz . 3855, r.o . 10; zaak 128/88, Di Felice, Jurispr . 1989, blz . 923, r.o . 9 ).
9 . Het Hof heeft bij deze regel evenwel steeds een belangrijk voorbehoud geformuleerd, namelijk dat wanneer de toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling voor de werknemer minder gunstig is dan de toepassing van de regeling van artikel 46 van verordening nr . 1408/71, dat artikel moet worden toegepast ( zie de reeds aangehaalde arresten Celestre, r.o . 9, Stefanutti, r.o . 11, en Di Felice, r.o . 9 ). De nationale rechter moet derhalve nagaan, of de toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling dan wel de toepassing van de bepalingen van artikel 46 voor Pian en Bianchin het gunstigst is .
10 . Bij de toepassing van de bepalingen van de nationale wettelijke regeling is de nationale rechter zonder meer bevoegd die wettelijke regeling integraal toe te passen, dus niet alleen - zoals hierboven gezegd - met inbegrip van de anti-cumulatiebepalingen, maar ook met inbegrip van de bepalingen betreffende de kwalificatie van krachtens buitenlandse wettelijke regelingen verkregen uitkeringen of betreffende de pensioenleeftijd . Aangezien die punten in deze fase door het nationaal recht worden beheerst, rijst hier geen vraag van gemeenschapsrecht .
11 . Vervolgens moet nader worden ingegaan op de toepassing van artikel 46 . Wanneer, zoals in het onderhavige geval, voor het ontstaan van het recht op de uitkeringen geen beroep moet worden gedaan op in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering, zijn er twee grote fases bij de toepassing van artikel 46 . Eerst bepaalt de nationale rechter volgens zijn eigen wettelijke regeling "het uitkeringsbedrag in overeenstemming met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens deze wettelijke regeling in aanmerking moeten worden genomen" ( artikel 46, lid 1, eerste alinea ). Vervolgens bepaalt hij de uitkering die verschuldigd zou zijn volgens de in artikel 46, lid 2, sub a en b, vervatte regeling van samentelling en proratisering . Alleen het hoogste van de aldus berekende uitkeringsbedragen wordt aangehouden ( artikel 46, lid 1, tweede alinea ).
12 . Voor de toepassing van artikel 46, lid 1, eerste alinea, mag de nationale rechter uiteraard ook onderzoeken, of aan de in de Belgische wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor toekenning van een rustpensioen of een vervroegd rustpensioen is voldaan .
13 . Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk geoordeeld, dat met betrekking tot de toepassing van artikel 46 uit de laatste zin van artikel 12, lid 2, van de verordening volgt, dat de nationale anti-cumulatiebepalingen niet van toepassing zijn wanneer de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden geniet ( zie Celestre, r.o . 12; Stefanutti, r.o . 12 ). In geval van gelijksoortige uitkeringen is toepassing van de nationale anti-cumulatiebepalingen zelfs uitgesloten wanneer artikel 46, lid 1, eerste alinea, van toepassing is . In rechtsoverweging 16 van het na de onderhavige prejudiciële verwijzing gewezen arrest-Di Felice heeft het Hof geoordeeld, dat een krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat verkregen vervroegd rustpensioen en een krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat verkregen invaliditeitspensioen als gelijksoortige uitkeringen in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr . 1408/71 zijn te beschouwen .
14 . Bijgevolg dient de nationale rechter bij de berekening van het uitkeringsbedrag waarop Pian en Bianchin volgens artikel 46, lid 1, eerste alinea, recht zouden hebben, de in artikel 25 van het Koninklijk Besluit nr . 50 van 24 oktober 1967 en artikel 64 bis van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 vervatte anti-cumulatiebepalingen buiten beschouwing te laten . Het volgens die bepaling in aanmerking te nemen bedrag is dus het bedrag waarop zij krachtens de Belgische wettelijke regeling recht zouden hebben indien zij geen Italiaans invaliditeitspensioen ontvingen ( zie zaak 296/84, Sinatra, Jurispr . 1986, blz . 1047; en Celestre, r.o . 12 ). Aangezien alleen de Belgische wettelijke regeling in aanmerking is genomen en toepassing van de nationale anti-cumulatiebepalingen is uitgesloten, zijn de andere vragen van de nationale rechter, te weten die betreffende de pensioenleeftijd en de kwalificatie van buitenlandse uitkeringen, in deze fase niet aan de orde .
15 . Zoals gezegd, moet de nationale rechter vervolgens artikel 46, lid 2, sub a en b, toepassen en het hoogste uitkeringsbedrag voortvloeiend uit de respectieve toepassing van die bepalingen en artikel 46, lid 1, eerste alinea, aanhouden . Zo nodig, moet het aldus verkregen bedrag worden verminderd overeenkomstig artikel 46, lid 3, ingevolge hetwelk een werknemer ter zake van de in artikel 46 bedoelde uitkeringen maximaal recht heeft op het hoogste van de volgens artikel 46, lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen . Artikel 46, lid 3, is van toepassing met uitsluiting van de nationale anti-cumulatiebepalingen ( zie zaak 238/81, Van der Bunt-Craig, Jurispr . 1983, blz . 1385, r.o . 15; Di Felice, r.o . 9 ).
16 . Ten slotte dient de nationale rechter de uitkering voortvloeiend uit de integrale toepassing van de Belgische wettelijke regeling, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, te vergelijken met de uitkering voortvloeiend uit de toepassing van artikel 46 . Indien laatstgenoemde uitkering voor Pian en Bianchin gunstiger is, hebben zij recht op die uitkering . Aangezien de integrale toepassing van de Belgische wettelijke regeling, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, tot gevolg zou hebben dat Pian en Bianchin geen recht hebben op een Belgisch vervroegd rustpensioen, valt te verwachten dat de toepassing van artikel 46, volgens hetwelk die bepalingen niet mogen worden toegepast, voor hen het gunstigst zal zijn .
17 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt :
"1 ) Wanneer iemand een pensioen uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling ontvangt, verzetten de bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 zich er niet tegen, dat die wettelijke regeling volledig op hem wordt toegepast, dus met inbegrip van de nationale anti-cumulatiebepalingen en de bepalingen betreffende de kwalificatie van de uitkeringen die hij krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ontvangt, of betreffende de pensioenleeftijd . Indien de toepassing van die nationale wettelijke regeling voor hem evenwel minder gunstig uitvalt dan die van artikel 46 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, moeten de bepalingen van dat artikel worden toegepast . In dit laatste geval is artikel 46, lid 3, van toepassing met uitsluiting van de anti-cumulatiebepalingen van de nationale wettelijke regeling .
2 ) Een krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat verkregen vervroegd rustpensioen en een krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat verkregen invaliditeitspensioen zijn als gelijksoortige uitkeringen in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 te beschouwen . Bijgevolg mogen de nationale anti-cumulatiebepalingen niet worden toegepast voor het bepalen van het in artikel 46, lid 1, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 bedoelde bedrag ."
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy