Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het door het Bureau Européen des Unions de Consommateurs (Europees Bureau van Consumentenverenigingen; hierna: "BEUC") ingestelde beroep, waarop deze conclusie betrekking heeft, strekt tot nietigverklaring van een brief van de Commissie van 15 maart 1989, waarvan het mij nuttig lijkt de inhoud integraal weer te geven:
"In antwoord op uw per fax toegezonden brief van 13 maart 1989 moet ik u tot mijn spijt meedelen, dat op grond van artikel 7, lid 4, sub a, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad het recht om kennis te nemen van het dossier van de Commissie en van alle door de betrokken partijen verstrekte gegevens, is voorbehouden aan de klagers en aan de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede aan de vertegenwoordigers van de uitvoerende landen. Ik kan uw verzoek derhalve niet inwilligen.
Het kan echter nuttig zijn dat uw organisatie het door de consumenten in deze procedure ingenomen standpunt kenbaar maakt aan de diensten van de Commissie; daartoe zijn wij bereid elke schriftelijke verklaring uwerzijds in aanmerking te nemen en u in de gelegenheid te stellen te worden gehoord."
2. De door de Commissie uitdrukkelijk genoemde bepaling, te weten artikel 7, lid 4, sub a, van verordening nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (hierna: "basisverordening") (1) luidt als volgt:
"De klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land, worden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt, met uitzondering van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar Lid-Staten opgestelde interne documenten, voor zover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 8 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij richten daartoe een schriftelijk verzoek tot de Commissie met opgave van de gewenste gegevens."
3. De brief van de Commissie vormt het antwoord op het schriftelijke verzoek dat het BEUC op 13 maart 1989 heeft ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van het bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure betreffende bepaalde importen van complete audiocassettes en audiocassettebanden van oorsprong uit Japan, de Republiek Zuid-Korea en Hongkong (2), waarin de Commissie de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub a, van de basisverordening verzocht om binnen een termijn van hoogstens 30 dagen na de publikatie van het bericht hun standpunt schriftelijk bekend te maken en in voorkomend geval te verzoeken om te worden gehoord.
4. Volgens het BEUC is het de Commissie krachtens artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening niet verboden, zijn verzoek om de niet-vertrouwelijke documenten in te zien, in te willigen, en is het artikel, indien het wel dit verbod behelst, onwettig en moet het op grond van artikel 184 EEG-Verdrag buiten toepassing worden verklaard. Tot staving van zijn stelling beroept het BEUC zich primair op een grondbeginsel van gemeenschapsrecht volgens hetwelk
"het bevoegde gezag, alvorens dit maatregelen of beslissingen neemt welke de belangen van iemand rechtstreeks kunnen raken, de betrokkenen hoort",
en ditzelfde beginsel meebrengt dat
"de betrokkene, ten einde dat recht te kunnen uitoefenen, mag verlangen op de hoogte te worden gebracht van de feiten en overwegingen welke bedoelde gezagsorganen aan hun beslissingen ten grondslag leggen".
Subsidiair stelt het BEUC dat de Commissie, door de toegang tot de niet-vertrouwelijke documenten te weigeren, het beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van coherente toepassing van het communautaire procesrecht heeft geschonden.
Ontvankelijkheid
5. De Commissie is om te beginnen van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is, op grond dat haar brief van 15 maart 1989 niet een voor beroep tot nietigverklaring vatbare beschikking is, maar enkel een mededeling omtrent de bestaande rechtssituatie. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke een handeling op grond van artikel 173 EEG-Verdrag slechts kan worden bestreden, indien zij
"een maatregel is die bindende rechtsgevolgen in het leven roept, welke de belangen van verzoeksters kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen". (3)
6. Er moet evenwel worden vastgesteld, dat de vraag of de bestreden brief rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen, welke de belangen van het BEUC aantasten doordat zij zijn rechtspositie wijzigen, onlosmakelijk is verbonden met het onderzoek naar de precieze draagwijdte van de betrokken gemeenschapsrechtelijke bepaling: indien de stelling van het BEUC juist blijkt, staat het buiten kijf dat de brief van de Commissie rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen ten aanzien van het BEUC, doordat hierin het BEUC een in het gemeenschapsrecht voorzien recht wordt ontzegd. Bijgevolg moet nu mijns inziens de zaak ten gronde worden onderzocht.
Eerbiediging van het recht van verweer
7. Ter terechtzitting is duidelijk gebleken dat het grondbeginsel waarop het BEUC zich wilde baseren, het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer is, dat het Hof beschouwt als een grondbeginsel van de communautaire rechtsorde. (4)
8. In zijn arresten van 10 juli 1986 (zaak 234/84, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2263, r.o. 27, en zaak 40/85, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2321, r.o. 28) overwoog het Hof dat
"de eerbiediging van de rechten der verdediging in iedere procedure tegen een persoon, die tot een voor deze laatste nadelige handeling kan leiden, is te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij gebreke van enig voorschrift omtrent de te volgen procedure in acht moet worden genomen".
Het overwoog verder dat
"(v)olgens vaste rechtspraak (...) de eerbiediging van de rechten van de verdediging mee(brengt), dat de persoon tegen wie de Commissie een administratieve procedure heeft ingeleid, tijdens die procedure behoorlijk in staat moet zijn geweest zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie der gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het gemeenschapsrecht heeft gestaafd".
9. In casu is evenwel de anti-dumpingprocedure niet "tegen" het BEUC ingeleid en kan deze niet tot een voor het BEUC "nadelige" handeling leiden. Er zijn derhalve geen stukken waarmee de Commissie eventueel een of andere door haar gestelde inbreuk van het BEUC op het gemeenschapsrecht zou kunnen denken te staven. Enerzijds moet dus worden vastgesteld dat een beroep op de eerbiediging van het recht van verweer, in de eigenlijke betekenis van de term, het BEUC niet van nut kan zijn, en anderzijds dat artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening niet het recht van verweer schendt, omdat de Commissie uit hoofde van deze bepaling niet verplicht is niet-vertrouwelijke documenten ter inzage te geven aan organisaties als het BEUC.
10. De argumentatie van het BEUC volgt een geheel eigen logica. Nadat het BEUC in punt 24 van zijn verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze verklaart dat aan het grondbeginsel waarop het zich beroept, dat is ontleend aan de conclusie van advocaat-generaal Warner in zaak 113/77 (NTN Toyo Bearing, Jurispr. 1979, blz. 1212, 1261), uitvoering wordt gegeven door artikel 7, lid 4, sub b, van de basisverordening, volgens hetwelk in het kader van een anti-dumpingprocedure de exporteurs en importeurs slechts het recht hebben
"op de hoogte te worden gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen instelling van definitieve rechten of definitieve inning van de door een voorlopig recht gewaarborgde bedragen aan te bevelen",
stelt het in punt 28 van zijn verzoekschrift, dat
"het recht van een persoon om in kennis te worden gesteld van hetgeen hem wordt verweten, niet kan worden beperkt tot de na afloop van het onderzoek definitief door de Commissie vastgestelde feiten",
waarna het ten slotte in punt 31 van het verzoekschrift vaststelt, dat elke belanghebbende partij, en niet alleen de klager en de importeurs en exporteurs, het in artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening bedoelde recht moet hebben om elk willekeurig document dat op elk willekeurig tijdstip van de procedure aan het niet-vertrouwelijke dossier is toegevoegd, in te zien.
11. Men kan zich trouwens afvragen, of het BEUC, omdat het vermoedde dat het recht van verweer sensu stricto zich niet uitstrekte tot zijn situatie, niet heeft getracht de discussie te verbreden door te betogen dat het, ten einde het grondbeginsel te kunnen inroepen, moet aantonen dat de vaststelling van een anti-dumpingmaatregel betreffende importen van complete audiocassettes en audiocassettebanden uit Japan, de Republiek Zuid-Korea en Hongkong een individuele maatregel is die zijn belangen rechtstreeks kan aantasten. Het heeft zich daartoe voornamelijk gebaseerd op de artikelen 11, lid 1, en 12, lid 1, van de basisverordening, die de instelling van voorlopige of definitieve anti-dumpingrechten afhankelijk stellen van de voorwaarde dat "de belangen van de Gemeenschap een optreden noodzakelijk maken"; verder heeft het betoogd dat, aangezien de belangen van de consumenten deel uitmaken van de belangen van de Gemeenschap, de Commissie het belang van de Gemeenschap niet op de juiste wijze kan vaststellen zonder consumenten in de gelegenheid te stellen hun wettelijke belangen in de loop van de procedure uiteen te zetten en te verdedigen.
12. Zelfs indien men in de context van de onderhavige zaak - die geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tegen een niet tot hem gerichte beschikking - geen rekening houdt met de rechtspraak van het Hof, dat een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, niet kan worden geacht individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft (5), moet worden geconstateerd dat het betoog van het BEUC met betrekking tot het feit dat zijn belangen rechtstreeks worden getroffen, een cirkelredenering is. (6) Het BEUC baseert immers het recht dat hem zou toekomen om te interveniëren in de procedure en inzage te verkrijgen in de documenten, op rechtspraak van het Hof, volgens welke het feit dat iemand een dergelijk recht heeft of het feit dat de betrokkene een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de procedure, juist een wezenlijke voorwaarde is om vast te stellen dat diens wettelijke belangen rechtstreeks worden geraakt. In zijn arrest van 28 januari 1986 (zaak 169/84, Cofaz, Jurispr. 1986, blz. 391, r.o. 23 en 24) heeft het Hof deze rechtspraak weergegeven als volgt:
"(...) het Hof heeft herhaaldelijk verklaard, dat wanneer een verordening aan ondernemingen die een klacht hebben ingediend processuele waarborgen biedt waaraan zij het recht ontlenen de Commissie te verzoeken een inbreuk op het gemeenschapsrecht vast te stellen, die ondernemingen ter bescherming van hun wettelijke belangen moeten kunnen beschikken over een beroepsmogelijkheid (arresten van 25 oktober 1977, nr. 26/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875; 5 oktober 1983, zaak 191/82, Fediol, Jurispr. 1983, blz. 2913; 11 oktober 1983, zaak 210/81, Demo-Studio Schmidt, Jurispr. 1983, blz. 3045).
In zijn arrest van 20 maart 1985 (zaak 264/82, Timex, Jurispr. 1985, blz. 849) heeft het Hof voorts verklaard, dat hiervoor de rol van de onderneming in het kader van de administratieve procedure moet worden onderzocht. Als factoren op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de betrokken handeling de onderneming raakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, heeft het Hof aanvaard, het feit dat deze onderneming de klacht heeft ingediend naar aanleiding waarvan de onderzoeksprocedure is geopend, dat zij tijdens het onderzoek is gehoord, en dat haar opmerkingen in ruime mate bepalend zijn geweest voor het verloop van de procedure."
13. Daargelaten dat het BEUC niet de hoedanigheid van klager bezit, ben ik van mening dat het BEUC derhalve niet op basis van deze rechtspraak aanspraak kan maken op het recht om actief deel te nemen aan de anti-dumpingprocedure.
14. Hetzelfde geldt voor het arrest van 2 februari 1988 (gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Van der Kooy, Jurispr. 1988, blz. 219), dat het BEUC heeft aangevoerd tot staving van zijn stelling dat
"er (...) bepaalde omstandigheden zijn waarin een collectieve belangenorganisatie rechtstreeks en individueel kan worden geraakt door een procedure op grond waarvan de Commissie een beschikking moet nemen na de belangen van verschillende partijen tegen elkaar te hebben afgewogen" (zie het rapport ter terechtzitting, blz. I-5715).
Zoals door het BEUC zelf is erkend, kon het Hof in het arrest Van der Kooy evenwel vaststellen, dat het Landbouwschap rechtstreeks en individueel werd geraakt door een beschikking van de Commissie op basis van artikel 93 EEG-Verdrag, omdat het had onderhandeld over de gastarieven in het belang van de tuinders, actief had deelgenomen aan de procedure op de grondslag van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, en de overeenkomst had ondertekend waarbij het door de Commissie bestreden tarief is vastgesteld.
15. Het BEUC heeft niet aangetoond dat het zich in de onderhavige zaak in een in wezen identieke situatie bevond. Wat meer bepaald zijn deelneming aan de procedure betreft, eist het slechts een rol op die vergelijkbaar is met die welke het Landbouwschap daadwerkelijk heeft gespeeld, omdat het in geen enkel opzicht een dergelijke rol heeft vervuld.
16. Met betrekking tot artikel 7, lid 4, sub a, kan dus worden vastgesteld, dat de Commissie op grond van deze bepaling niet verplicht is een vereniging die de kenmerken van het BEUC bezit, in de gelegenheid te stellen in een anti-dumpingprocedure "kennis te nemen van het niet-vertrouwelijke dossier van de Commissie en van de door de partijen verstrekte gegevens".
17. Ik ben het evenwel met het BEUC eens, dat het de Commissie op grond van de betrokken bepaling niet is verboden, het BEUC niet-vertrouwelijke stukken ter beschikking te stellen. De Commissie kan dan ook niet worden gekritiseerd wegens het feit dat zij het BEUC een niet-vertrouwelijk afschrift van de klacht heeft verstrekt, zoals het BEUC vermeldt in punt 10 van zijn verzoekschrift.
Het recht om te worden gehoord en de daaraan verbonden consequenties
18. In repliek stelt het BEUC eveneens dat het gerechtigd is om te worden gehoord en derhalve om in het bezit te worden gesteld van de stukken van het dossier op grond van artikel 7, lid 5, van de basisverordening, dat luidt als volgt:
Ter terechtzitting heeft het BEUC echter bevestigd, dat het zijn beroep nog steeds baseert op het aangevoerde grondbeginsel en dat het in feite enkel naar artikel 7, lid 5, heeft verwezen als antwoord op hetgeen de Commissie in haar verweerschrift heeft verklaard, namelijk dat verzoeker hooguit een "belanghebbende partij" is in de zin van de eerste zin van deze bepaling, die de Commissie kan horen.
19. Er moet inderdaad worden vastgesteld, dat de formele conclusies van het BEUC slechts betrekking hebben op de inzage in documenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening, en niet op een of andere verplichting tot inzage, die zou voortvloeien uit het recht om te worden gehoord op grond van artikel 7, lid 5.
20. Daarnaast ben ik hoe dan ook van mening, dat het BEUC er in de loop van de procedure niet in is geslaagd aan te tonen, dat het als een "belanghebbende partij waarvoor de resultaten van de procedure gevolgen kunnen hebben" had moeten worden beschouwd en dat "het bijzondere redenen heeft om te worden gehoord".
21. Om te beginnen kan het argument dat het BEUC deel uitmaakt van de in artikel 7, lid 5, bedoelde categorie van partijen, omdat het individueel en rechtstreeks zou worden geraakt door de anti-dumpingprocedure, om bovengenoemde redenen niet worden aanvaard.
22. Verder wordt door het feit dat het BEUC krachtens artikel 2 van zijn statuten tot doel heeft, het standpunt van zijn leden (nationale consumentenverenigingen) te verwoorden en dat het zijn bestaansrecht zelf ontleent aan de omstandigheid dat het de belangen van de consumenten op doelmatige wijze bij de gemeenschapsinstellingen kan vertegenwoordigen, niet aangetoond dat het wordt geraakt door het resultaat van een anti-dumpingprocedure van de Commissie. Het feit dat vertegenwoordigers van het BEUC zitting hebben in het Raadgevend Comité van verbruikers, dat is opgericht bij besluit 73/306/EEG van de Commissie van 25 september 1973 (PB 1973, L 283, blz. 18), zoals onder meer gewijzigd bij besluit 80/1087/EEG van 16 oktober 1980 (PB 1980, L 320, blz. 33), doet hieraan niet af: het is de taak van dit Comité, waarvan de leden door de Commissie worden benoemd en dat door de Commissie wordt bijeengeroepen,
"de belangen van de verbruikers te vertegenwoordigen bij de Commissie: het Comité moet aan deze laatste advies uitbrengen betreffende de problemen inzake de opvatting en de toepassing van het beleid en de acties op het gebied van bescherming en informatie van de verbruikers" (artikel 2).
Hieronder vallen niet de door de Commissie getroffen maatregelen in het kader van de anti-dumpingregeling, die deel uitmaakt van het handelsbeleid.
23. Bovendien is de stelling dat individuele consumenten in een te zwakke positie verkeren om bij de gemeenschapsinstellingen voor hun belangen op te komen, mijns inziens geen "bijzondere reden" in de zin van artikel 7, lid 5, van de basisverordening, op basis waarvan het BEUC het recht heeft om in casu te worden gehoord: volgens mij is slechts een specifiek met de betrokken anti-dumpingprocedure verband houdende reden een "bijzondere reden" in de zin van deze bepaling en zijn redenen van volkomen algemene aard, die gelden voor elke procedure, ongeacht het voorwerp ervan, dat niet.
24. Ten slotte ben ik er van overtuigd, dat het recht om te worden gehoord in de zin van artikel 7, lid 5, geen inzage behelst van het gehele niet-vertrouwelijke dossier waarover de Commissie beschikt, zoals door het BEUC wordt gevorderd. In de eerste plaats wordt zelfs in artikel 7, lid 4, sub a, waarop het BEUC zich beroept, bepaald dat enkel kennis mag worden genomen van dié niet-vertrouwelijke gegevens, die voor de behartiging van de belangen van de betrokken personen van betekenis zijn en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt, en kunnen aan artikel 7, lid 5, niet nog ruimere rechten worden ontleend. Het arrest van 20 maart 1985 (zaak 264/82, Timex, Jurispr. 1985, blz. 849) biedt geen enkel argument voor de tegenovergestelde opvatting. Weliswaar heeft het Hof in dit arrest een ruime uitlegging gegeven aan artikel 7, lid 4, sub a, en heeft het overwogen dat
"alle niet-vertrouwelijke inlichtingen (...) ter beschikking (moeten) worden gesteld van de klager die daarom verzoekt, ongeacht of zij door een onderneming uit de Gemeenschap dan wel door een onderneming uit een derde land zijn verstrekt",
maar heeft het niettemin duidelijk aangegeven dat het hierbij dient te gaan om inlichtingen
"die de Commissie bij het onderzoek heeft gebruikt en die haar beslissing ten aanzien van het anti-dumpingrecht hebben bepaald" (r.o. 25).
In het arrest Timex behoefde overigens niet te worden bepaald, welke partijen inzage konden krijgen in de betrokken documenten, maar diende te worden uitgemaakt, welke de "bij het onderzoek betrokken partijen" waren, waarvan de gegevens moeten worden meegedeeld aan de tot inzage gerechtigde partijen en in het bijzonder aan de klagers: ten einde te waarborgen dat deze klagers hun standpunt op zinvolle wijze kunnen verdedigen, heeft het Hof overwogen dat zij ook toegang moeten hebben tot de inlichtingen die door ondernemingen uit een derde land zijn verstrekt, tegen wie het onderzoek niet is gericht.
25. Ten slotte is het in deze context wellicht niet overbodig een kort uitstapje te maken op het gebied van het mededingingsrecht, ook al is de bij verordening nr. 17 van de Raad (7) ingestelde onderzoeksprocedure niet in alle opzichten vergelijkbaar met de anti-dumpingprocedure. In het arrest van 17 januari 1984 (gevoegde zaken 43/82 en 63/82, VBVB en VBBB, Jurispr. 1984, blz. 19, r.o. 25) heeft het Hof uitdrukkelijk verklaard, dat
"de eerbiediging van de rechten van de verdediging weliswaar eist dat de betrokken onderneming (in die zaak ging het om ondernemingen tegen wie de procedure was gericht) in staat is gesteld om op passende wijze haar standpunt kenbaar te maken over de documenten die de Commissie in aanmerking heeft genomen voor de stellingen die haar beschikking dragen, doch dat er geen voorschriften bestaan die de Commissie verplichten haar dossiers aan de betrokken partijen te doen toekomen".
Bovendien is volgens het arrest van het Hof van 17 november 1987 (gevoegde zaken 142/84 en 156/84, BAT en Reynolds, Jurispr. 1987, blz. 4487) een onderzoek dat door de Commissie is ingesteld in de uitoefening van het haar opgedragen toezicht op de naleving van de mededingingsbepalingen, geen contradictoire procedure tussen de klagers en de ondernemingen tegen wie de procedure is ingeleid (zie r.o. 19). Het Hof bracht vervolgens (r.o. 20) in herinnering, dat
"de procedurele rechten van de klagers (...) echter niet zover (gaan) als het recht van verweer van de ondernemingen tegen wie het onderzoek van de Commissie is gericht",
en dat zij
"in elk geval (...) hun grenzen vinden daar waar zij het recht van verweer van deze ondernemingen in gevaar beginnen te brengen".
Hetzelfde moet a fortiori gelden wanneer de personen in kwestie geen klagers zijn, maar enkel belanghebbende partijen (gesteld dat dit het geval is met het BEUC).
26. Mijns inziens is er overigens geen reden om deze beginselen niet ook toe te passen op een procedure als die welke is ingesteld bij verordening nr. 2423/88, die in het algemeen op klachte wordt ingeleid. Daargelaten dat uit hoofde van een algemeen beginsel dat gedurende de gehele administratieve procedure van toepassing is (8), andere belanghebbende partijen dan klagers net zo min als deze laatsten, inzage kunnen krijgen in documenten die zakengeheimen bevatten, kan uit deze beginselen op zijn minst worden afgeleid, dat wanneer een belanghebbende de toegang wordt geweigerd tot alle niet-vertrouwelijke stukken van het onderzoek, met inbegrip van die welke mogelijkerwijs geen verband houden met de belangen van die partij, geen enkel recht van verweer en geen enkel wettelijk belang wordt geschonden.
27. Uit het voorgaande volgt dat, zelfs indien het BEUC diende te worden beschouwd als een "belanghebbende partij waarvoor de resultaten van de procedure gevolgen kunnen hebben" in de zin van artikel 7, lid 5, van de basisverordening, het daaraan niet het recht zou kunnen hebben ontleend om, zoals het in zijn conclusies vordert,
"in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende importen van complete audiocassettes en audiocassettebanden van oorsprong uit Japan, de Republiek Zuid-Korea en Hongkong, het niet-vertrouwelijke dossier van de Commissie en de door de partijen verstrekte gegevens te raadplegen".
28. Aangezien het in casu om een rechtstreeks beroep handelt en de conclusies van het BEUC op bovenstaande wijze zijn geformuleerd, hoeft het Hof niet na te gaan, of een belanghebbende partij die het recht heeft om te worden gehoord, uit dien hoofde ook gerechtigd is kennis te nemen van bepaalde stukken uit het dossier van de Commissie (in tegenstelling tot het gehele niet-vertrouwelijke dossier).
29. De enkele opmerkingen die thans volgen zijn van zuiver subsidiaire aard.
30. Er moet een verschil bestaan tussen de in artikel 7, lid 4, sub a, bedoelde partijen en die bedoeld in artikel 7, lid 5. De eerste categorie betreft de klagers en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn. Zij mogen enkel kennis nemen van de gegevens die voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn. Dit betekent mijns inziens, dat de importeurs en exporteurs waarvan niet bekend is dat zij betrokken zijn, dit recht ontberen, stellig omdat hun belangen niet op dezelfde rechtstreekse wijze worden getroffen. Belangenverenigingen van consumenten worden echter nog minder rechtstreeks geraakt dan deze laatsten. Zij kunnen derhalve niet over meer rechten beschikken dan importeurs en exporteurs.
31. Ten einde de "belanghebbende partijen waarvoor de resultaten van de procedure gevolgen kunnen hebben" op zo zinvol mogelijke wijze te consulteren, kan de Commissie het evenwel opportuun achten hun een document te doen toekomen. Dat heeft zij in casu gedaan. Maar mijns inziens handelde zij daarbij uit hoofde van een discretionaire bevoegdheid.
32. Overigens zij opgemerkt, dat de klacht waarschijnlijk het document was waarover een belangenvereniging van consumenten het best in staat was opmerkingen te maken. Normaliter bevat de klacht immers gegevens omtrent prijs- en verkoopontwikkeling, vervaardigde produkten en over de concurrentiepositie op de markt van de Gemeenschap, ten aanzien van welke punten het BEUC in het verzoekschrift (punten 11 tot en met 14) heeft verklaard dat zij een belangrijke bijdrage kan leveren aan het onderzoek. Het is immers a priori niet erg waarschijnlijk, dat een dergelijke vereniging bijzonderheden kan verschaffen over het bestaan van dumping, dat wil zeggen over de vraag of de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt (artikel 2, lid 2, van de basisverordening). Anders dan het BEUC blijkbaar meent (punt 13 van het verzoekschrift), dient de vergelijking in feite niet plaats te vinden tussen de "prijs van de importeur" en de "prijs van de producent uit de Gemeenschap".
Het beginsel van behoorlijk bestuur
33. Subsidiair beroept het BEUC zich op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het beginsel van coherente toepassing van de communautaire procedurele voorschriften.
34. Ten aanzien van het eerste beginsel volstaat de vaststelling, dat het argument van het BEUC is gebaseerd op een premisse, waarvan het BEUC niet heeft aangetoond, dat deze juist is, ook al beroept het zich daarbij op een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, namelijk dat het hetzelfde recht als exporteurs, importeurs en klagers zou moeten hebben om toegang te hebben tot gegevens, aangezien het hetzelfde recht zou hebben om bij het Hof op te komen tegen de uitkomst van de procedure.
35. Met zijn beroep op het tweede beginsel doelt het BEUC op het feit, dat het in zijn hoedanigheid van interveniënt in een geding voor het Hof toegang zou kunnen hebben tot de door de partijen in het geding verstrekte niet-vertrouwelijke gegevens. Mijns inziens is het echter volstrekt logisch en coherent dat in twee verschillende procedures die voor twee verschillende instanties worden gevoerd, een bepaalde partij niet hetzelfde recht heeft op inzage van de stukken, te meer daar de stukken zelf niet noodzakelijkerwijze dezelfde gegevens bevatten. Het feit dat het BEUC is toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in het kader van de gevoegde zaken 229/82 en 228/82 R alsmede 228/82 en 229/82 (Ford, Jurispr. 1982, blz. 3091, inz. blz. 3097, en Jurispr. 1984, blz. 1129, inz. blz. 1137) betreffende een verzoek tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag, betekent bovendien niet noodzakelijkerwijze, dat het moet worden toegelaten tot interventie in een geschil in het kader van een anti-dumpingprocedure. De rol van het BEUC is in de twee soorten van procedures niet dezelfde: het is immers niet uitgesloten dat het BEUC als lichaam dat de belangen van consumenten vertegenwoordigt, kan behoren tot de "natuurlijke of rechtspersonen die aantonen hierbij een redelijk belang te hebben" die op grond van artikel 3, lid 2, sub b, van bovengenoemde verordening nr. 17 uitdrukkelijk bevoegd worden verklaard tot het indienen van een klacht bij de Commissie. Overigens is de beschikking waarbij het Hof het BEUC toeliet als interveniënt in de gevoegde zaken 228/82 en 229/82, met name gebaseerd op het feit dat het reeds had geïntervenieerd in de voorafgaande fases van het geschil. Het had daarbij mijns inziens een rol gespeeld die vergelijkbaar was met die van een klager.
36. Het subsidiaire middel van het BEUC moet derhalve eveneens worden verworpen.
37. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep te verwerpen en verzoeker in de kosten te verwijzen, met uitzondering van de kosten van de Raad, die heeft geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, doch geen vergoeding van de kosten heeft gevorderd.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) PB 1988, L 209, blz. 1.
(2) PB 1989, C 11, blz. 9.
(3) Zie met name het arrest van 24 juni 1986 (zaak 53/85, AKZO Chemie Jurispr. 1986, blz. 1965, r.o. 16).
(4) Zie met name de arresten van 21 september 1989 (gevoegde zaken 46/87 en 227/88, Hoechst, Jurispr. 1989, blz. 2859, r.o. 14) en 18 oktober 1989 (zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283, r.o. 32).
(5) Zie met name de beschikking van 5 november 1986 (zaak 117/86, UFADE, Jurispr. 1986, blz. 325, r.o. 12).
(6) Dit blijkt overduidelijk uit de punten 60 en 62 van het verzoekschrift.
(7) Verordening van 6 februari 1962 (PB 1962, no. 13, blz. 204).
(8) Zie in deze zin r.o. 21 van het arrest van 17 november 1987, reeds aangehaald, dat verwijst naar het arrest van 24 juni 1986 (zaak 53/85, AKZO Chemie, Jurispr. 1986, blz. 1965, r.o. 28).
Full & Egal Universal Law Academy