Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderhavige zaak heeft betrekking op de vraag, of het Hof van Justitie dan wel de Franse rechter bevoegd is om kennis te nemen van in de gebouwen van het Europees Parlement te Straatsburg gepleegde handelingen waarvan wordt gesteld dat zij onrechtmatig zijn .
2 . De ontstaansgeschiedenis van de zaak gaat terug tot 1984, toen het Europees Parlement op instigatie van de socialistische fractie een commissie instelde die belast was met een onderzoek naar de toeneming van het fascisme en het racisme in Europa . Een verzoek van de Europese rechtse fractie, vertegenwoordigd door haar voorzitter J.-M . Le Pen, om het besluit tot instelling van de commissie nietig te verklaren, werd bij beschikking van het Hof van 4 juni 1986 ( zaak 78/85, Europese rechtse fractie/Parlement, Jurispr . 1986, blz . 1753 ) niet-ontvankelijk verklaard . Op grond van het door deze Commissie neergelegde rapport namen het Europees Parlement, de vertegenwoordigers van de Lid-Staten in de Raad bijeen en de Commissie op 11 juni 1986 een verklaring aan waarin zij racisme en xenofobie veroordeelden ( PB 1986, C 158, blz . 1 ).
3 . Ten einde bekendheid te geven aan die verklaring en de werkzaamheden van de parlementaire commissie liet de socialistische fractie een Duitse journalist, D . Puhl, een brochure opstellen met de titel "Gegen Faschismus und Rassismus in Europa ". De Franse vertaling was getiteld "Non au racisme et au fascisme en Europe ". De Duitse versie bevatte een inleiding van R . Arndt, destijds lid van het Europees Parlement en voorzitter van de socialistische fractie . De Franse versie bevatte een inleiding die R . Arndt en E . Glinne, ondervoorzitter van de socialistische fractie, gezamenlijk hadden opgesteld . De omslag en de voorpagina van elke brochure bevatten, behalve de titel en de naam van Puhl, de naam en het embleem van de socialistische fractie . De achterpagina van de Duitse versie vermeldde de socialistische fractie als "uitgever" en Arndt als "verantwortlich ". De Franse versie vermeldde de socialistische fractie als "l' éditeur responsable ". De Duitse versie was gedrukt door Thoma Druck GmbH, de Franse versie door een Belgische drukker, Printéclair PVBA te Brussel .
4 . De opstelling van een Engelstalige brochure was opgedragen aan een Engelse journalist, A . Bell . Deze brochure, getiteld "Against racism and fascism in Europe", bevatte een inleiding geschreven door Arndt en A . Lomas, Brits lid van het Europees Parlement . De omslag en voorpagina vermeldden wederom de naam en het embleem van de socialistische fractie . Op de achterpagina stond vermeld, dat de brochure verkrijgbaar was bij de Labourfractie van het Europees Parlement of bij het hoofdkantoor van de socialistische fractie te Brussel . De brochure was gedrukt door Printéclair PVBA .
5 . Alle drie versies van de brochure werden in september en oktober 1986 in de gebouwen van het Europees Parlement te Straatsburg verspreid .
6 . Le Pen en de Franse politieke partij Front national, waarvan Le Pen voorzitter is, waren van oordeel dat de brochures beledigend voor hen waren en maakten de zaak aanhangig bij het Tribunal de grande instance te Straatsburg . Zij vorderden schadevergoeding ten bedrage van 500 000 FF wegens belediging, uit hoofde van artikel 1382 van de Franse Code civil en artikel 29 van de Franse wet van 29 juli 1881 inzake de persvrijheid . Hun actie was gericht tegen de twee journalisten, Puhl en Bell, Arndt, de twee drukkers en tegen dertien individuele socialistische en sociaal-democratische partijen van de diverse Lid-Staten van de EEG .
7 . Het Tribunal de grande instance verklaarde zich onbevoegd ter zake van de vordering tegen Arndt, overwegende dat deze ingevolge de artikelen 8 en 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het Protocol ) immuniteit genoot in procedures voor de nationale rechter en dat op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag alleen het Hof van Justitie bevoegd was om kennis te nemen van schadevergoedingsacties wegens handelingen van de gemeenschapsinstellingen of hun personeelsleden . Het verklaarde zich bevoegd om kennis te nemen van de overige vorderingen . De omstandigheid dat de brochures in de gebouwen van het Parlement waren verspreid, deed volgens het tribunal niet af aan zijn bevoegdheid . Het wees de vorderingen niettemin af met de overweging, dat ingevolge artikel 42 van de Franse wet van 29 juli 1881 de aansprakelijkheid van de overige verweerders ondergeschikt was aan die van de uitgever van de brochure, waarvan de identiteit bekend was - de socialistische fractie -, maar die geen eigen rechtspersoonlijkheid bezat en derhalve niet in rechte kon worden aangesproken .
8 . In hoger beroep oordeelde de Cour d' appel te Colmar ( tweede burgerlijke kamer ), dat een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht noodzakelijk was . Hij heeft het Hof de volgende vraag voorgelegd :
"Is het Hof van Justitie bevoegd om kennis te nemen van de hiervoor bedoelde feiten, wanneer deze zich hebben voorgedaan in de gebouwen van het Europees Parlement te Straatsburg ?"
9 . Om te beginnen moet de strekking van de vraag worden bepaald . Zij is namelijk niet als een uitleggingsvraag gesteld en verwijst niet naar bepalingen van gemeenschapsrecht . Zoals geformuleerd, strekt zij er alleen toe te vernemen, of de bevoegdheid van het Hof voortvloeit uit de enkele omstandigheid, dat de litigieuze handelingen in de gebouwen van het Europees Parlement hebben plaatsgevonden . Dit is een directe vraag, waarop het antwoord mijns inziens duidelijk is .
10 . Evenwel blijkt bij onderzoek van de argumenten van partijen en van het in het verwijzingsarrest samengevatte standpunt van het Tribunal de grande instance, dat de Cour d' appel ook wenst te vernemen of de bevoegdheid van de nationale rechter is uitgesloten om een andere reden, te weten de omstandigheid dat een fractie van het Europees Parlement ( die geen partij is in de procedure voor de nationale rechter ) de hoofdaansprakelijkheid voor de publikatie op zich neemt . De nationale rechter redeneert kennelijk aldus, dat de betrokkenheid van de socialistische fractie de aansprakelijkheid van het Europees Parlement of de Gemeenschappen zou kunnen meebrengen, in welk geval het Hof van Justitie bevoegd zou zijn . In dat geval zou het gevolg kunnen zijn, dat noch individuele leden van het Europees Parlement, noch de politieke partijen die de socialistische fractie vormen, noch de andere bij de publikatie betrokken personen voor de Franse rechter kunnen worden gedaagd, op grond dat de uitoefening van jurisdictie van de Franse rechter over die verweerders wellicht onverenigbaar is met de uitsluitende bevoegdheid van het Hof in zaken betreffende niet-contractuele aansprakelijkheid .
11 . Ik wil hier wijzen op nog een ander bevoegdheidsaspect, te weten de omvang van de immuniteit die leden van het Europees Parlement op grond van het Protocol in procedures voor de nationale rechter genieten . Nu de Cour d' appel kennelijk geen uitspraak over deze vraag wenst en aangezien noch partijen in het hoofdgeding noch de Commissie argumenten dienaangaande hebben aangevoerd, ben ik van oordeel dat zij buiten de prejudiciële verwijzing valt .
12 . De eerste vraag is, of de bevoegdheid van het Hof voortvloeit uit de enkele omstandigheid, dat de litigieuze handelingen hebben plaatsgevonden in de gebouwen van het Europees Parlement . Ingevolge artikel 28 Fusieverdrag "(( genieten )) de Europese Gemeenschappen, overeenkomstig de bepaling van het aan dit Verdrag gehechte Protocol, op het grondgebied van de Lid-Staten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak ". Artikel 1 van het Protocol bepaalt het volgende :
"De gebouwen en terreinen van de Gemeenschappen zijn onschendbaar . Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening . De eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard ."
13 . Volgens verweerders in het hoofdgeding volgt uit deze bepalingen, dat de autoriteiten van de Lid-Staten, de nationale rechter daaronder begrepen, geen jurisdictie hebben over de gebouwen van de gemeenschapsinstellingen, met als resultaat dat het Hof uitsluitend bevoegd is met betrekking tot handelingen die in die gebouwen hebben plaatsgevonden .
14 . Dat standpunt is onaanvaardbaar . Bovenstaande bepalingen verlenen het Hof van Justitie geenszins bevoegdheid op de enkele grond, dat de handelingen in de gebouwen van de gemeenschapsinstellingen zijn verricht . De plaats waar de handelingen hebben plaatsgevonden, is evenmin van belang ingevolge enige andere relevante bepaling van gemeenschapsrecht houdende toekenning van bevoegdheid aan het Hof van Justitie .
15 . Bijgevolg is er geen relevante bepaling van gemeenschapsrecht houdende uitsluiting of beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter ten aanzien van in de gebouwen van een gemeenschapsinstelling verrichte onrechtmatige handelingen . Artikel 1 van het Protocol heeft tot gevolg, dat de nationale rechter eerst toestemming van het Hof moet vragen alvorens een bevel te geven op grond waarvan de nationale autoriteiten gebouwen van de Gemeenschappen mogen betreden of aan huiszoeking onderwerpen, of bezittingen van de Gemeenschappen in beslag mogen nemen . Van een dergelijke dwangmaatregel is in casu evenwel geen sprake .
16 . De tweede vraag is, of de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag in casu aan de orde is . Op grond van artikel 178 EEG-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd kennis te nemen van geschillen over vergoeding van de in artikel 215, tweede alinea, bedoelde schade . Ingevolge artikel 183 EEG-Verdrag betreft het hier een uitsluitende bevoegdheid . Artikel 215, tweede alinea, luidt als volgt :
"Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar Instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt ."
17 . De kern van het probleem is, of handelingen van een fractie van het Parlement kunnen worden toegeschreven aan een gemeenschapsinstelling - het Europees Parlement - op grond dat de fracties in zekere zin onderdelen van het Parlement zijn .
18 . Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord . Het Parlement heeft enkele permanente vertegenwoordigende organen, met name het bureau en het voorzitterschap, waarvan de handelingen, indien verricht binnen de grenzen van de bevoegdheden van het orgaan, handelingen van het Parlement als zodanig vormen ( zie zaak 294/83, Les Verts/Europees Parlement, Jurispr . 1986, blz . 1339, r.o . 20; zaak 34/86, Raad/Parlement, Jurispr . 1986, blz . 2155, r.o . 8 ). Artikel 26 van het reglement van het Europees Parlement ( PB 1981, C 90, blz . 49 ), vastgesteld overeenkomstig artikel 142 EEG-Verdrag, voorziet in de vorming van fracties . Een aantal bepalingen van dit reglement hebben gezamenlijk tot gevolg, dat de fracties een belangrijke rol spelen bij het functioneren van het Europees Parlement . Dat reglement bevat evenwel geen bepalingen op grond waarvan een fractie namens het Parlement mag optreden of waaruit kan worden afgeleid, dat handelingen van een fractie aan het Parlement als zodanig kunnen worden toegerekend .
19 . Het komt mij voor, dat handelingen van een fractie slechts als handelingen van het Parlement kunnen worden beschouwd, indien zij uitdrukkelijk zijn toegestaan of goedgekeurd door die instelling ( bij voorbeeld door een resolutie ), of bij besluit van een van haar vertegenwoordigende organen, handelend binnen de grenzen van zijn bevoegdheden . In casu is er echter geen reden om aan te nemen, dat die toestemming of goedkeuring was gegeven . De door de nationale rechter vastgestelde feiten tonen juist duidelijk aan, dat de publikatie van de brochures primair een handeling was van de socialistische fractie, handelend op eigen initiatief . Dit wordt ook bevestigd in de inleiding van de Duitse brochure, waar wordt verklaard dat de socialistische fractie "unabhaengig und in eigener Verantwortung" Puhl met het schrijven van de brochure heeft belast .
20 . Bijgevolg moet de gestelde vraag mijns inziens worden beantwoord als volgt :
"1 ) Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen verleent het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geen bevoegdheid om kennis te nemen van bepaalde handelingen op de enkele grond, dat deze hebben plaatsgevonden in de gebouwen van een gemeenschapsinstelling . Evenmin is de bevoegdheid van de nationale rechter ten aanzien van dergelijke handelingen op die grond uitgesloten of beperkt .
2 ) Artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de publikatie op eigen initiatief van een brochure door een fractie van het Europees Parlement niet kan worden beschouwd als een handeling van het Europees Parlement, die tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschappen kan leiden ."
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy