Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In zijn prejudiciële vraag betreffende de uitlegging van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief verzoekt het Bundesfinanzhof het Hof vast te stellen of een goed, dat voor 39,4 % uit sinaasappelsap en voor 60,6 % uit suiker bestaat als "vruchtesap met toegevoegde suiker" onder post 2009 van die nomenclatuur moet worden ingedeeld . Wegens de grote hoeveelheid suiker in het produkt is de nationale rechter gaan twijfelen of indeling van dit produkt onder genoemde post wel mogelijk is .
2 . Om te beginnen merk ik op, dat uit de samenhang tussen aanvullende aantekening nr . 5 bij hoofdstuk 20 van de gecombineerde nomenclatuur - erop neerkomend dat sinaasappelsap een natuurlijk suikergehalte van maximaal 13 % kan hebben - en de postonderverdelingen 2009 11 91 en 2009 19 91 - die uitdrukkelijk betrekking hebben op sinaasappelsap waarvan het gehalte aan toegevoegde suiker meer dan 30 gewichtspercenten bedraagt - blijkt dat sinaasappelsap met een suikergehalte van meer dan 43 % onder post 2009 valt . Verder wordt in de toelichtingen van de Internationale Douaneraad op hoofdstuk 20 uitdrukkelijk gezegd, dat sinaasappelsap waaraan suiker is toegevoegd, slechts als "vruchtesappen met toegevoegde suiker" kan worden ingedeeld, wanneer het zijn oorspronkelijk karakter heeft behouden .
3 . De Commissie is van mening, dat het in geding zijnde produkt niet onder post 2009 kan worden ingedeeld, aangezien het meer dan 50 % suiker bevat, maar wel onder post 2106, "produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen ". Ik kan het hiermee niet eens zijn, en wel om de volgende redenen .
4 . Ook wanneer in de omschrijving van de post een maximaal suikergehalte niet uitdrukkelijk wordt genoemd, kan men natuurlijk toch menen dat er een grens moet zijn waarboven het sinaasappelsap moet worden geacht zijn oorspronkelijk karakter te hebben verloren . Ik kom hierop nog terug . Maar de door de Commissie genoemde grens van 50 % lijkt mij verre van overtuigend .
5 . Laat ik er in de eerste plaats op wijzen, dat in de toelichtingen de toevoeging van andere zoetstoffen dan suiker weliswaar uitdrukkelijk wordt beperkt tot de hoeveelheid die nodig is voor het normaal zoeten van vruchtesappen, maar dat een dergelijke voorwaarde voor suiker juist niet wordt gesteld . Dit is des te opmerkelijker omdat, naar de nomenclatuur uitdrukkelijk bepaalt, vruchtesap dat meer dan 43 % suiker bevat, onder de post "vruchtesappen ..." moet worden ingedeeld . Anders gezegd, het is duidelijk dat ook wanneer vruchtesap een veel grotere hoeveelheid suiker bevat dan nodig is om het zijn normale smaak te geven, het produkt onder de post "vruchtesappen (...) met toegevoegde suiker" valt . De nomenclatuur verbindt dus aan de toevoeging van suiker andere gevolgen dan aan de toevoeging van andere zoetstoffen . Vruchtesap met suiker kan dus, vergeleken met zijn normale smaak, "te zoet" zijn en toch onder post 2009 vallen, terwijl deze indeling niet mogelijk is wanneer er "te veel" andere zoetstoffen zijn toegevoegd .
6 . De Commissie meent echter, dat het produkt te veel suiker bevat om zonder meer, dat wil zeggen zonder aanlengen, te worden geconsumeerd, zelfs niet door iemand die erg op zoet is gesteld, en concludeert daaruit dat het dus niet om een vruchtesap in de zin van post 2009 gaat .
7 . Deze redenering kan mij niet overtuigen . In de eerste plaats, aldus ook verzoekster in het hoofdgeding zeer terecht, "moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen over het algemeen worden gezocht in hun kenmerken en objectieve eigenschappen, zoals deze zijn omschreven in de tekst van de post van het gemeenschappelijk douanetarief en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken ". ( 1 )
8 . In casu bevat geen van die bepalingen echter ook maar de minste aanwijzing dat de produkten van post 2009 als zodanig geschikt moeten zijn voor rechtstreekse consumptie . Integendeel, in de IDR-toelichtingen wordt uitdrukkelijk gezegd, dat vruchtesappen in de vorm van in water oplosbare kristallen of poeder onder post 2009 moeten worden ingedeeld . Meer nog, uit de omstandigheid dat vruchtesappen die meer dan 43 % suiker kunnen bevatten, onbetwistbaar onder deze post vallen, blijkt duidelijk dat produkten die voor een normale smaak te zoet zijn om zonder aanlengen te worden geconsumeerd, juist wel als "vruchtesappen (...) met toegevoegde suiker" moeten worden ingedeeld .
9 . Voorts lijkt de verwijzing van de Commissie naar punt 3 van de *lgemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur nauwelijks relevant voor haar opvatting . Zeker, wanneer het produkt meer dan 50 % suiker bevat, is suiker rekenkundig het voornaamste bestanddeel ervan . Moet het dan toch worden ingedeeld naar de stof waaraan het zijn "wezenlijk karakter" ontleent? Zo ja, verleent de suiker het produkt zijn wezenlijk karakter? En zelfs wanneer men deze vraag bevestigend zou kunnen beantwoorden - wat overigens zeer twijfelachtig is -, zou men het produkt dan niet moeten indelen onder hoofdstuk 17, "suiker en suikerwerk"? Wanneer we de redenering van de Commissie op dit punt volgden, zou dat leiden tot weinig gelukkige consequenties, die bovendien sterk zouden afwijken van wat zijzelf voor ogen heeft .
10 . In elk geval lijkt de door de Commissie voorgestelde grens van 50 %, en waaraan zij overigens, doch pas ter terechtzitting, lijkt te twijfelen, onlogisch . Wanneer immers sinaasappelsap "met zeer veel toegevoegde suiker" - dat wil zeggen meer dan 43 % - "vruchtesap (...) met toegevoegde suiker" in de zin van het douanetarief is, waarom zou de fatale drempel dan bij 50 % moeten liggen . Deze limiet is zuiver willekeurig, omdat daarmee tussen twee produkten die beide "te zoet" zijn ten opzichte van de normale smaak van het produkt, een verschil in tariefindeling wordt ingevoerd, ofschoon de duidelijke omschrijving van de post niet rept van enige bovengrens voor de hoeveelheid suiker . Door vruchtesappen waaraan meer dan 43 % suiker is toegevoegd, onder post 2009 in te delen, heeft de nomenclatuur een keuze gemaakt die wellicht discutabel is in het licht van het gangbare begrip vruchtesappen of van de omschrijvingen hiervan op andere gebieden dan het douanerecht, maar die in elk geval met betrekking tot het in deze post bedoelde soort produkt ondubbelzinnig is .
11 . Niet zonder belang is hier de zaak Hauptzollamt Hamburg-Ericus ( 2 ), waarin het ging om de indeling van een produkt dat praktisch identiek was aan dat waarmee wij ons thans bezig houden, namelijk sinaasappelsap dat volgens de door advocaat-generaal Warner ( 3 ) vermelde gegevens een suikergehalte van 63 % had . De juistheid van de indeling van het betrokken produkt onder de vroegere post 20.07, "vruchtesappen (...) ook indien met toegevoegde suiker" ( 4 ), ( thans post 2009 ) is evenwel noch door de Commissie in haar opmerkingen, noch door de advocaat-generaal, en blijkbaar evenmin in het hoofdgeding door de nationale administratie ooit in twijfel getrokken . In het onderdeel betreffende "De feiten en het procesverloop" van het arrest wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd : "Voor de tariefindeling van sinaasappelsiroop geldt volgens de in het gemeenschappelijk douanetarief overgenomen nomenclatuur van bijlage B bij verordening ( EEG ) nr . 455/69 van de Raad van 11 maart 1969 ( 5 ) (...)". ( 6 ) Hieraan kan een zeker belang niet worden ontzegd, want het werd toen blijkbaar voor evident gehouden, dat vruchtesap met een zeer hoge suikerconcentratie weliswaar een sinaasappelsiroop was, doch als zodanig onder de post "vruchtesappen (...) ook indien met toegevoegde suiker" viel, dat wil zeggen de huidige post 2009 . Deze oplossing wil ik in elk geval in overweging geven voor het onderhavige geval .
12 . Ik besef uiteraard, dat de door mij aanbevolen uitlegging weinig ruimte laat voor de voorwaarde, dat het produkt zijn oorspronkelijk karakter moet hebben behouden . Deze voorwaarde kan mijns inziens echter slechts gelden voor de gevallen waarin de hoeveelheid suiker zo groot is, dat het sinaasappelsap alleen maar dient om de suiker een kleur en een smaak te geven . Ik denk hierbij bij voorbeeld aan gevallen waarin het produkt voor 90 % of meer uit suiker zou bestaan . Dit is in casu echter niet het geval en het Hof behoeft zich er dan ook niet over uit te spreken .
13 . Bijgevolg geef ik in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt :
"Post 2009 van het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook een produkt valt dat voor 39,4 % uit sinaasappelsap en voor 60,6 % uit suiker bestaat ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Arrest van 8 december 1977, zaak 62/77, Carlsen-Verlag, Jurispr . 1977, blz . 2343 .
( 2 ) Arrest van 10 juni 1975, zaak 91/74, Jurispr . 1975, blz . 643 .
( 3 ) Conclusie bij het arrest van 10 juni 1975, Jurispr . 1975, blz . 652, 653 .
( 4 ) Zie verordening ( EEG ) nr . 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 met betrekking tot het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1968, L 172, blz . 90 ).
( 5 ) PB 1969, L 64; bij deze verordening werd juist post 20.07 gewijzigd .
( 6 ) Arrest van 10 juni 1975, reeds aangehaald, blz . 644 .
Full & Egal Universal Law Academy