CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LCNZ
van 4 mei 1993 ( *1 )
Inhoudsoverzicht
A — Inleiding
B — Beoordeling rechtens
I. De bevoegdheid van verzoekster om in rechte op te treden
1. De hoedanigheid van rechtspersoon van verzoekster
a) De status van Gibraltar
b) De door Spanje en de Raad aangevoerde middelen
c) De door het Verenigd Koninkrijk aangevoerde middelen
2. De vraag betreffende de wettigheid van de vertegenwoordiging van verzoekster
II. De grief van verzoekster
III. De vraag of verzoekster door de bestreden bepaling rechtstreeks wordt geraakt
IV. Het middel, ontleend aan „de aard van de bestreden rechtshandeling”
1. De betekenis van het feit dat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een richtlijn
2. Het karakter van beschikking van de bestreden bepaling als beschikking
V. De vraag of verzoekster door de bestreden bepaling individueel wordt geraakt
1. De betekenis van dit criterium en de belangen waarop verzoekster zich beroept
2. De vraag of verzoekster, gelet op de belangen waarop zij zich beroept individueel wordt geraakt
a) Verzoekster als eigenares van de terminal
b) Verzoekster als autoriteit die bevoegd is om belastingen te heffen
c) Verzoekster als autoriteit die belast is met de zorg voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar
C — Conclusie
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — Inleiding
1.
De onderhavige conclusie heeft betrekking op de ontvankelijkheid van een rechtstreeks beroep waarmee de regering van Gibraltar opkomt tegen een bepaling van richtlijn 89/463/EEG van de Raad tot wijziging van richtlijn 83/416/EEG betreffende de toelating van geregelde interregionale Iuchtdiensten voor het vervoer van reizigers, post en goederen tussen de Lid-Staten. ( 1 )
2.
Richtlijn 83/416 ( 2 ), die is gewijzigd bij bovengenoemde richtlijn, vormde een eerste stap op de weg naar de liberalisatie van de voorwaarden voor de toegang tot de markt in de sector geregelde luchtdiensten. Volgens het in de artikelen 3 en 6 van deze richtlijn geponeerde beginsel kan de vergunning voor het onderhouden van de interregionale luchtdienst die door de staat van vestiging van de betrokken luchtvaartmaatschappij is goedgekeurd, slechts in een aantal limitatief opgesomde gevallen door de andere betrokken staat worden geweigerd.
3.
Aan de draagwijdte van deze regeling waren echter in drie opzichten strikte grenzen gesteld. In de eerste plaats was de regeling in de regel slechts van toepassing op vluchten die verlopen in etappes die elk meer dan 400 km bedragen (artikel 1, sub a), en in de tweede plaats was de regeling beperkt tot luchtvaartuigen met een capaciteit van niet meer dan 70 passagiers of een maximum Startgewicht van niet meer dan 30 ton (artikel 1, sub b). Ten slotte gold de regeling onder het voorbehoud dat er geen indirecte verbindingen ( 3 ) of verbindingen met nabijgelegen luchthavens bestonden (artikel 3, lid 2, tweede alinea), en zelfs onder die voorwaarde kon de andere betrokken Lid-Staat, die niet de staat van vestiging van de luchtvaartmaatschappij was, de vergunning weigeren indien de betrokken verkeersverbinding in kwalitatief en kwantitatief opzicht reeds op bevredigende wijze werd onderhouden door bestaande directe luchtdiensten tussen de twee betrokken luchthavens (artikel 6, lid 1, sub c).
4.
Dit is ook zo gebleven na de eerste wijziging van de richtlijn bij richtlijn 86/216/EEG ( 4 ), die enkel de consequenties uit de toetreding van Portugal heeft getrokken, met name door het opnemen van een classificatie van de Portugese luchthavens.
5.
De drie hierboven genoemde beperkingen zijn daarentegen ingetrokken bij de richtlijn die hier in geding is, aangezien uit de ervaring was gebleken dat slechts voor enkele luchtdiensten een vergunning was afgegeven in het kader van de richtlijn in haar oorspronkelijke versie. ( 5 ) Bovendien werden de voorschriften betreffende de verdeling van de passagierscapaciteit van de artikelen 3 en 4 van beschikking 87/602/EEG ( 6 ), die in de tussentijd in het kader van de zogenoemde eerste reeks van maatregelen ter liberalisatie van het luchtverkeer was vastgesteld ( 7 ), uitgebreid tot luchtdiensten die onder richtlijn 83/416 vallen.
6.
Artikel 2 van de op deze manier gekarakteriseerde litigieuze richtlijn bevat evenwel bijzondere bepalingen betreffende de luchthaven van Gibraltar. Hierin wordt rekening gehouden met een geschil tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven is gelegen.
7.
Lid 1 van dit artikel bevat een algemene vrijwaringsclausule waaraan de toepassing van deze richtlijn op genoemde kwestie is onderworpen. Deze clausule luidt als volgt:
„De toepassing van deze richtlijn op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven is gelegen, onverlet.”
8.
In lid 2 wordt gepreciseerd op welke datum de richtlijn van toepassing wordt op de luchthaven van Gibraltar:
„De toepassing van het bepaalde in deze richtlijn op de luchthaven van Gibraltar wordt opgeschort totdat de regelingen welke vervat zijn in de Gezamenlijke Verklaring van de Ministers van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk van 2 december 1987 in werking zijn getreden. De Regeringen van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk zullen de Raad hiervan op die datum kennis geven.”
9.
Deze clausule vormt het voorwerp van het onderhavige geding.
10.
In de Gezamenlijke Verklaring waarvan deze clausule gewaagt ( 8 ), wordt gerefereerd aan de lopende onderhandelingen teneinde het geschil betreffende Gibraltar te regelen ( 9 ), en de op korte termijn vast te stellen eerste reeks van maatregelen ( 10 ) (die overigens vanwege dit geschil vertraging heeft opgelopen ( 11 )). De door de partijen in dit verband redelijk geachte maatregelen behelsden de bouw door de Spaanse autoriteiten van een terminal ten noorden van de bestaande grensafrastering. Passagiers van en naar plaatsen ten noorden van deze grensafrastering dienden rechtstreeks toegang te hebben tot deze nieuwe terminal. De andere passagiers moesten gebruik maken van de bestaande terminal die, zoals alle andere installaties op de luchthaven, is gelegen op het grondgebied waarop het geschil betrekking heeft. Volgens punt 3.3 van de Gezamenlijke Verklaring moesten de passagiers in voorkomend geval worden onderworpen aan douane- en immigratiecontroles op de desbetreffende terminal.
11.
De toepassing van de bepalingen van de Gezamenlijke Verklaring, waarvan de bestreden bepaling de toepassing van richtlijn 89/463 op de luchthaven van Gibraltar laat afhangen, wordt geregeld in punt 8 van die verklaring. Het verwijst naar punt 3.3 (reeds aangehaald) en luidt als volgt:
„Bovengenoemde akkoorden zullen in werking treden wanneer de Britse autoriteiten de Spaanse autoriteiten kennis hebben gegeven van de inwerkingtreding van de noodzakelijke wetgeving ten aanzien van bovengenoemd punt 3.3, of van de voltooiing van de bouw van de Spaanse terminal, al naar gelang de vraag welke van deze twee gebeurtenissen als laatste wordt afgerond, doch in elk geval uiterlijk één jaar na bovengenoemde kennisgeving.”
12.
Vaststaat dat de aldus omschreven voorwaarden voor de inwerkingtreding van de Gezamenlijke Verklaring zich nog niet hebben voorgedaan.
13.
Deze uiteenzetting van de relevante gegevens toont aan, dat de rechtssituatie van de regionale luchtdiensten van en naar Gibraltar wordt bepaald door de hier bestreden clausule uit richtlijn 83/416, zoals gewijzigd bij richtlijn 86/216.
14.
Hierin is ook geen wijziging gekomen door de ontwikkeling van het recht in de loop van deze procedure. Richtlijn 83/416 is weliswaar ingetrokken door verordening (EEG) nr. 2343/90 ( 12 ), die op haar beurt door verordening (EEG) nr. 2408/92 is ingetrokken ( 13 ), maar artikel 1, lid 3 van verordening nr. 2343/90 bevat een clausule waarvan de inhoud identiek is aan de hier bestreden clausule. Voor zover volgens deze clausule „de toepassing van de bepalingen van deze verordening” op de luchthaven van Gibraltar wordt „opgeschort” totdat de Gezamenlijke Verklaring in werking is getreden, geldt dit ook voor de intrekking van richtlijn 83/416 overeenkomstig artikel 16 van de verordening. Deze intrekking moet dus onder dezelfde voorwaarden als de andere bepalingen van de verordening als opgeschort worden beschouwd. Wegens de regeling die op luchtdiensten van en naar Gibraltar toepasselijk was, bevatte verordening nr. 2343/90 dus in feite een verwijzing naar richtlijn 83/416. Bij deze verwijzing knoopt op haar beurt verordening nr. 2408/92 aan, waarvan de artikelen 1, lid 3, en 15 overeenkomen met de artikelen 1, lid 3, en 16 van verordening nr. 2343/90. Vanuit laatstgenoemde verordening leidt bijgevolg een keten van verwijzingen uiteindelijk naar richtlijn 83/416.
15.
Er dient nog te worden vermeld, dat artikel 1, lid 6, van beschikking 87/602 (reeds aangehaald) die in het kader van de eerste reeks van maatregelen is vastgesteld, reeds een clausule bevatte, die overeenkomt met de hier bestreden bepaling. Niemand, zelfs niet verzoekster, heeft dit artikel 1, lid 6, ter discussie gesteld. Daarentegen zijn artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2343/90, alsook artikeli, lid 3, van verordening nr. 2408/92 bestreden, de eerste bepaling door de Gibraltar Development Corporation ( 14 ), waaraan verzoekster in de onderhavige zaak op 28 juni 1990 de eigendom van de bestaande terminal zou hebben overgedragen, en de tweede bepaling door dezelfde Corporation, samen met de regering van Gibraltar. ( 15 ) Bovendien zijn deze twee partijen opgekomen tegen artikeli, lid 3, van verordening (EEG) nr. 294/91 ( 16 ), dat uitsluitend op luchtvracht betrekking had. ( 17 ) Deze bepaling bevatte op haar beurt eveneens een soortgelijke clausule als waarvan in deze zaak sprake is. ( 18 )
16.
In de onderhavige zaak concludeert de verzoekende regering dat het den Hove behage:
—
artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/463 nietig te verklaren, althans voor zover dit artikel op verzoekster betrekking heeft;
—
elke andere maatregel te gelasten, die het in goede justitie vermeent te behoren;
—
de Raad in de kosten te verwijzen.
17.
De Raad heeft (evenals in de andere drie zaken) een exceptie van nict-ontvankelijkheid opgeworpen en concludeert dat het den Hove behage:
—
het beroep niet-ontvankclijk te verklaren;
—
verzoekster in de kosten te verwijzen.
18.
Plet Koninkrijk Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben zich bij deze exceptie aangesloten.
19.
De verzoekende regering concludeert op haar beurt, dat het den Hove behage, deze exceptie van niet-ontvankclijkheid te verwerpen, de Raad en de intervenienten in de kosten te verwijzen, en subsidiair het verzoek met de zaak ten gronde te voegen.
20.
Bij beschikking heeft het Hof besloten, over de exceptie van niet-ontvankelijkhcid een afzonderlijke mondelinge behandeling te openen. Mijn conclusie beperkt zich derhalve tot de vraag over de ontvankelijkheid.
B — Beoordeling rechtens
21.
In zijn verzoek heeft de Raad de ontvankelijkheid van het verzoekschrift bestreden vanuit vier gezichtspunten:
—
Verzoekster is niet „bevoegd” beroep in te stellen.
—
Het beroep is niet-ontvankelijk wegens de aard van de bestreden handeling.
—
Verzoekster wordt door deze handeling niet rechtstreeks geraakt.
—
Verzoekster wordt niet individueel geraakt.
22.
Al deze middelen zijn terecht gebaseerd op het feit, dat de ontvankelijkheid van het verzoekschrift op grond van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag en niet op grond van de eerste alinea van deze bepaling moet worden beoordeeld. Verzoekster zelf heeft haar beroep op artikel 173, tweede alinea, gebaseerd. Bovendien zijn alle partijen het erover eens, dat verzoekster geen Lid-Staat in de zin van de eerste alinea van deze bepaling is. ( 19 )
23.
I. 1. Het eerste middel dat op deze basis is aangevoerd en dat is ontleend aan de onbevoegdheid van verzoekster om in rechte op te treden, betreft in de eerste plaats de voorwaarde van artikel 173, tweede alinea, dat verzoekster een natuurlijke of rechtspersoon moet zijn.
24.
De Raad en Spanje enerzijds en het Verenigd Koninkrijk anderzijds bestrijden elk vanuit verschillende standpunten, dat verzoekster de hoedanigheid van rechtspersoon bezit.
25.
a) Voor een goed begrip van dit argument dient te worden herinnerd aan enkele onomstreden bijzonderheden betreffende de status van Gibraltar en de door het Verenigd Koninkrijk voor dit grondgebied vastgestelde regelingen.
26.
Gibraltar maakt deel uit van Her Majesty's „dominions”. Volgens een door de rechtsleer gegeven definitie ( 20 ) zijn dit al dan niet onafhankelijke grondgebieden, die onder de soevereiniteit van de Kroon vallen. Dit komt in het gemeenschapsrecht tot uitdrukking in het feit dat Gibraltar als een Europees grondgebied in de zin van artikel 227, lid 4, van het Verdrag wordt beschouwd, waarvan de buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat (in casu: het Verenigd Koninkrijk) worden behartigd. ( 21 )
27.
Zoals reeds gezegd, is de grootte van dit gebied, wat het gedeelte van Gibraltar waarop dc luchthaven is gelegen betreft, tussen Spanje en Groot-Brittannië in geschil. ( 22 )
28.
Bij een Order in Council, de „Gibraltar Constitution Order 1969”, heeft Her Majesty bepaalde regels betreffende de uitoefening van het openbaar gezag in deze dominion vastgesteld, die in bijlage 1 bij deze Order (hierna: „grondwet van 1969”) gedetailleerd worden uiteengezet. De hoofdstukken van deze tekst zijn getiteld: „Bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van het individu”, „De gouverneur en de vice-gouverneur”, „De wetgevende macht”, „De uitvoerende macht”, „De rechterlijke macht”, „De financiën”, „Het overheidsapparaat” (en „Diversen”).
29.
Door deze bepalingen worden onder meer bepaalde organen ingesteld, waarvan de taken gedetailleerd worden beschreven. De gouverneur is een van hen. Volgens artikel 18 vertegenwoordigt hij de koningin. In artikel 45, lidi, dat deel uitmaakt van het hoofdstuk over de uitvoerende macht, staat dat „de uitvoerende macht van de regering van Gibraltar in naam van Her Majesty wordt uitgeoefend door de gouverneur”. Tot de organen van de uitvoerende macht behoren daarnaast de ministerraad, met een Chief Minister en verscheidene andere ministers (minimaal vier, maximaal acht). Ingevolge artikel 48, lid 1, van de grondwet van 1969 kan de gouverneur aan elk lid van de ministerraad de verantwoordelijkheid voor een ambtsgebied van de regering van Gibraltar (daaronder begrepen het bestuur van elk departement) met betrekking tot een welbepaalde binnenlandse aangelegenheid toevertrouwen. Ingevolge artikel 50, lid 1, dient de gouverneur, behoudens de in dit artikel genoemde uitzonderingen, advies in te winnen van de ministerraad en zijn instructies op te volgen zowel bij de formulering van elk beleid betreffende een welbepaalde binnenlandse aangelegenheid als bij het uitoefenen van elke bevoegdheid die hem door de grondwet of door andere wetten is opgedragen, voor zover deze bevoegdheid betrekking heeft op welbepaalde binnenlandse aangelegenheden.
30.
Ingevolge artikel 55 bepaalt de gouverneur, in overleg met de koningin door tussenkomst van een Secretary of State, welke de „welbepaalde binnenlandse aangelegenheden” zijn. Nochtans is bij de grondwet van 1969 een „mededeling” van de Foreign and Commonwealth Office gevoegd die een lijst van „welbepaalde binnenlandse aangelegenheden” bevat, welke door de partijen als bindend wordt beschouwd. Deze lijst wordt voorafgegaan door een toelichting volgens welke alle kwesties die geen „welbepaalde binnenlandse aangelegenheden” zijn, bij voorbeeld buitenlandse betrekkingen, rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de gouverneur vallen.
31.
Bovendien wordt in de grondwet van 1969, bij voorbeeld in de bovengenoemde artikelen 45 en 48, de term „regering (van Gibraltar)” gebruikt, zonder dat deze evenwel uitdrukkelijk wordt gedefinieerd.
32.
b) De Raad ( 23 ) en Spanje ( 24 ) twijfelen of verzoekster rechtspersoon is, omdat zij ten onrechte de „regering van Gibraltar” zou gelijkstellen met de ministerraad. Spanje preciseert dat, indien het beroep alleen op instructie van de Chief Minister is ingesteld, niet kan worden gesteld, dat het door de regering van Gibraltar is ingesteld. Hooguit zou het kunnen worden geacht, door de ministerraad te zijn ingesteld. Alle beweringen van verzoekster betreffende haar rechtspersoonlijkheid zouden derhalve niet relevant zijn.
33.
Naar mijn mening kunnen deze middelen betreffende de identiteit van verzoekster niet worden gevolgd. Reeds in haar verzoekschrift ( 25 ), maar in het bijzonder ook in haar antwoord op een uitdrukkelijke vraag van het Hof ( 26 ), heeft verzoekster duidelijk gemaakt, dat zij onder „regering van Gibraltar” alle in de grondwet van 1969 genoemde organen verstaat (ofschoon andere verklaringen van verzoekster op dit punt minder duidelijk zijn ( 27 )). Ik dien mij te houden aan deze aanduiding van verzoekster (zie artikel 38, lid 1, sub a, van het Reglement voor de procesvoering).
34.
c) Anders dan de Raad en Spanje, baseert het Verenigd Koninkrijk zijn twijfel betreffende de rechtspersoonlijkheid van verzoekster op een beoordeling van het orgaan dat door de grondwet van 1969 als de „regering van Gibraltar” wordt aangeduid.
35.
Verzoekster is van mening, dat dit orgaan een rechtspersoon in de zin van artikel 173, tweede alinea, is. De betrokken regering heeft namelijk de bevoegdheid om belastingen te heffen en in te houden, over roerende en onroerende zaken te beschikken als huurder of als eigenaar, onroerende zaken te verhuren, overeenkomsten te sluiten, in rechte op te treden voor de rechtbanken van Gibraltar en het Verenigd Koninkrijk en akkoorden te sluiten met de regering van het Verenigd Koninkrijk, zoals bij voorbeeld is gebeurd met betrekking tot de activiteiten van de scheepswerven en de pensioenen van de Spaanse arbeiders.
36.
In haar antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Raad heeft verzoekster dienaangaande gesteld, dat de juiste naam van de betrokken rechtspersoon „de Kroon van Gibraltar” („The Crown in right of Gibraltar”) is. In haar antwoord op de vragen van het Hof heeft zij verklaard, dat de regering van Gibraltar zich in dezelfde situatie bevindt als de regering van elke andere Britse kolonie, waarvan de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid naar nationaal recht nooit in twijfel is getrokken. De wijze waarop die rechtspersoonlijkheid wordt aangeduid, of het nu gaat om „de Kroon van Gibraltar” of „de Kroon van de Bermudaeilanden”, doet niets af aan het feit dat elke rechtspersoon onderscheiden is van de ander.
37.
Het Verenigd Koninkrijk is dienaangaande van mening, dat artikel 173 onderscheid maakt tussen het beroep van Lid-Staten en communautaire organen enerzijds, en het beroep van natuurlijke en rechtspersonen anderzijds, voor zover alleen de laatstgenoemden aan de bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarden van de tweede alinea moeten voldoen. Een en hetzelfde rechtssubject kan derhalve niet tegelijkertijd een bevoorrecht verzoeker (als Lid-Staat) en een rechtspersoon zijn. Daarom moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de in artikel 173, tweede alinea, bedoelde rechtspersonen en de autoriteiten, die de centrale instanties van de betrokken staat vormen of waarvan de activiteiten zo nauw verbonden zijn met die van de centrale overheid, dat zij van het toepassingsgebied van artikel 173, tweede alinea, moeten worden uitgesloten. Doch de regering van Gibraltar is slechts een uitvloeisel van de Kroon, die bepaalde bevoegdheden van dc uitvoerende macht in Gibraltar uitoefent voor de Kroon. De mogelijkheid van deze regering om over de grond te beschikken en in rechte op te treden of voor de rechter te worden gedaagd, dient enkel de procedures waarbij de Kroon verzoekster of verweerster is te vergemakkelijken. De regering van Gibraltar wordt hierdoor nog geen rechtspersoon in de zin van artikel 173, tweede alinea, omdat die omstandigheden haar niet onderscheiden van de centrale overheid van de staat. Het begrip rechtspersoon in het gemeenschapsrecht komt niet noodzakelijkerwijs overeen met dit begrip in het nationale recht.
38.
Met betrekking tot dit verschil van mening dient te worden vastgesteld, dat het in feite niet de uitlegging van het begrip „rechtspersoon” van artikel 173, tweede alinea, betreft.
39.
Verzoekster en het Verenigd Koninkrijk zijn het er over eens, dat het in dit artikel om een begrip van het gemeenschapsrecht gaat. Vervolgens lijken beide partijen, in het bijzonder verzoekster, ervan uit te gaan, dat een orgaan dat slechts een niet-autonoom deel van het bestuur van een ander orgaan vormt, niet als rechtspersoon in de zin van artikel 173, tweede alinea, kan worden aangemerkt. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak. Zo heeft het Hof in de zaak Algemeen Vakverbond ( 28 ) naar aanleiding van de grief van de Commissie, dat het verzoekende vakverbond de bevoegdheid miste om in rechte op te treden, vastgesteld:
„dat, volgens zijn statuten, zijn interne structuur geëigend is het de nodige autonomie te verlenen om in rechtsbetrekkingen als een verantwoordelijke eenheid op te treden”. ( 29 )
40.
Deze voorwaarde geldt voor alle organen, ongeacht of zij privaatrechtelijk dan wel publiekrechtelijk zijn. De voorwaarde is namelijk heel nauw verbonden met het feit dat artikel 173, tweede alinea, het karakter draagt van instrument voor de bescherming van belangen die een verzoeker op basis van eigen rechten kan doen gelden. Volgens deze gedachtengang kan een verzoeker die geen natuurlijk persoon is, slechts als rechtspersoon worden beschouwd, indien hij de nodige autonomie bezit om eigen rechten te kunnen hebben.
41.
Het antwoord op de vraag of het verzoekende orgaan in een concreet geval aan deze voorwaarden voldoet, is afhankelijk van de objectieve juridische kenmerken ervan, zoals ze in het algemeen voortvloeien uit het nationale recht (daaronder begrepen het overeenkomstenrecht), zonder dat het gemeenschapsrecht en het nationale recht noodzakelijkerwijs dezelfde gevolgen aan deze kenmerken moeten verbinden. De autonomie van het verzoekende orgaan kan zich dienaangaande beperken tot bepaalde rechten, zonder dat dit noodzakelijkerwijs een belemmering vormt voor zijn hoedanigheid van rechtspersoon in de zin van artikel 173, tweede alinea. ( 30 )
42.
In het onderhavige geval komt als bron van een dergelijke autonome status van de „regering van Gibraltar” de grondwet van 1969 in aanmerking. In dezelfde gedachtengang zijn verzoekster en het Verenigd Koninkrijk het in wezen niet eens over de gevolgen die deze bepalingen voor de toepassing van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag hebben.
43.
Onder deze omstandigheden zou het Hof, om uitspraak te doen over de rechtspersoonlijkheid van verzoekster, een uitlegging van het nationale constitutionele recht moeten geven. Dit blijkt allesbehalve gemakkelijk te zijn:
—
De precieze verhouding tussen de „regering van Gibraltar” en het centraal bestuur van de Kroon wordt, als ik goed ben geïnformeerd, in geen enkele juridische tekst gedefinieerd.
—
Volgens de definitie van verzoekster ( 31 ) maken zowel organen die de belangen van de centrale overheid vertegenwoordigen (de gouverneur), als organen die het belang van een autonoom plaatselijk bestuur belichamen (de ministerraad), deel uit van de regering van Gibraltar.
—
Het relatief gewicht van deze twee elementen is niet gemakkelijk te beoordelen. De praktijk zou doorslaggevend kunnen zijn in het geval dat een en dezelfde vraag op het eerste gezicht tegelijkertijd kan worden beschouwd als een welbepaalde binnenlandse aangelegenheid en als een kwestie die uitsluitend onder de bevoegdheid van de gouverneur valt (bij voorbeeld op het gebied van buitenlandse zaken). ( 32 ) Het Verenigd Koninkrijk vestigt dienaangaande terecht de aandacht op het probleem van het overlappen van bevoegdheidsdomeinen.
44.
Anderzijds zij opgemerkt, dat niet kan worden gesteld dat verzoekster kennelijk geen rechtspersoonlijkheid bezit. De argumenten van het Verenigd Koninkrijk laten dienaangaande bepaalde tegenstrijdigheden zien. Het Verenigd Koninkrijk baseert zich in zijn argumenten over de rechtspersoonlijkheid van verzoekster met name op het feit, dat een beroep zoals in deze zaak, gelet op het voorwerp ervan, tot de bevoegdheid van de gouverneur behoort. ( 33 ) Dit lijkt mij een probleem betreffende de regelmatige vertegenwoordiging te zijn. Betekent dit, dat de juridische onafhankelijkheid van de verzoekende regering voldoende is voor de toepassing van artikel 173, tweede alinea, en dat in feite alleen de vraag van de regelmatige vertegenwoordiging rijst? ( 34 )
45.
Het Verenigd Koninkrijk heeft in zijn antwoord op de vragen van het Hof over de eigendom van de verschillende installaties op de luchthaven ook verklaard, dat het terrein waarop de terminal is gelegen, op 26 september 1990„door de Secretary of State for Defence aan de regering van Gibraltar is overgedragen, dat wil zeggen, dat de terminal door de Kroon van het Verenigd Koninkrijk is overgedragen aan de Kroon van Gibraltar”. ( 35 ) Ik vraag me af, hoc eigendom op deze manier kan worden overgedragen, indien de cedent en de cessionaris slechts aspecten van een en dezelfde (rcchts)persoon zijn.
46.
Gezien deze moeilijkheden stel ik voor, op dit punt alleen in te gaan indien het absoluut noodzakelijk is voor de beslissing van onderhavige zaak. Ik raad eveneens af zonder absolute noodzaak de opgeworpen vraag te beantwoorden op basis van beginselen betreffende de bewijslast. In geval van rechtstreekse beroepen dient een verzoeker weliswaar de omstandigheden uiteen te zetten en te bewijzen, waarvan de ontvankelijkheid van zijn verzoek, gelet op de vereiste voorwaarden (in casu artikel 173, tweede alinea), afhangt ( 36 ), maar ik ben van mening, dat de bevoegdheid van het Hof om de ontvankelijkheid van een verzoekschrift ambtshalve te onderzoeken (artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering) de aanvullende bevoegdheid met zich meebrengt, de informatie in te winnen, die eventueel voor dit onderzoek noodzakelijk is, zelfs bij gebreke van een bewijsaanbod van de partij die de bewijslast draagt. In het onderhavige geval zouden (nadere) adviezen van gerenommeerde universiteiten kunnen worden ingewonnen.
47.
Zoals ik in het vervolg van mijn beoordeling rechtens zal aantonen, ben ik nochtans van mening, dat de problematiek van de rechtspersoonlijkheid van verzoekster niet uitputtend behoeft te worden onderzocht.
48.
2. Ik stel voor op dezelfde manier te werk te gaan met betrekking tot de in geding zijnde vraag of ter fine van dit beroep het bevoegde orgaan van de regering van Gibraltar heeft gehandeld. Het beroep is volgens het verzoekschrift op instructie van de Chief Minister ingesteld. Volgens verzoekster is door de ministerraad tot het beroep besloten ( 37 ), en heeft de Chief Minister, op verzoek van de ministerraad, de advocaten die verzoekster vertegenwoordigen, belast met het instellen van een beroep namens de regering van Gibraltar. ( 38 ) Dienaangaande is verzoekster van mening, dat de ministerraad als bevoegd orgaan voor de regering van Gibraltar heeft gehandeld, omdat de onderhavige zaak betrekking heeft op vragen die in de mededeling als „welbepaalde binnenlandse aangelegenheden” zijn gedefinieerd, namelijk in de hoofdstukken „Passagiersterminal” ( 39 ) en „Toerisme”, met als subrubriek: „Bevordering van toerisme in Gibraltar” en „Economische ontwikkeling (tot nu toe)”. ( 40 ) Volgens verzoekster is niet van belang, dat het onderhavige geding tot op zekere hoogte ook verband houdt met de buitenlandse betrekkingen van Gibraltar (de uitvoering van een akkoord met Spanje), omdat vrijwel elke „welbepaalde binnenlandse aangelegenheid” ook in verband kan worden gebracht met buitenlandse betrekkingen. In ieder geval heeft de gouverneur, hoewel hij op de hoogte was gesteld van het voornemen het beroep in te stellen, niets ondernomen om zich hiertegen te verzetten of ingevolge artikel 55 van de grondwet van 1969 te beslissen, dat het voorwerp van het beroep geen „welbepaalde binnenlandse aangelegenheid” is.
49.
De Raad — die zich dienaangaande eveneens baseert op het ontbreken van de „bevoegdheid” van verzoekster om in rechte op te treden — en het Verenigd Koninkrijk bestrijden daarentegen de bevoegdheid van de ministerraad als orgaan van de regering van Gibraltar. Zij zijn van oordeel, dat de aangelegenheid, binnen de regeringsorganen, onder de bevoegdheid van de gouverneur valt, die immers voor de buitenlandse betrekkingen bevoegd is. Het onderhavige geding raakt de activiteiten van de Gemeenschap, de toepassing van het EEG-Verdrag op Gibraltar, het internationale luchtvervoer en de betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en Spanje, ook al lijkt de onderhavige zaak in eerste instantie een „binnenlandse” aangelegenheid. Het Verenigd Koninkrijk merkt verder op, dat de gouverneur voor dit beroep geen toestemming heeft gegeven.
50.
Ter terechtzitting heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk evenwel erkend, dat zij zich slechts op het verband tussen dit geding en de buitenlandse betrekkingen van Gibraltar beroept voor zover de verzoekende regering zich baseert op overheidsbelangen, maar daarentegen niet voor zover verzoekster haar belangen als eigenares van de terminal verdedigt. Dit is voor mij nog een reden om de vragen over de regelmatige vertegenwoordiging niet nader te onderzoeken.
51.
II. Aangenomen derhalve, ter fine van de redenering, dat verzoekster de hoedanigheid van rechtspersoon heeft en dat de ministerraad (vertegenwoordigd door de Chief Minister) op grond van de grondwet van 1969 voor de regering van Gibraltar heeft gehandeld, dienen de andere grieven van de Raad en intervenienten betreffende de ontvankelijkheid nog te worden onderzocht.
52.
Deze zijn in de eerste plaats gebaseerd op het feit dat verzoekster door de bestreden maatregel niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Naar aanleiding van dit argument moeten enkele opmerkingen worden gemaakt over de aard van de belangen waarop verzoekster zich beroept. Middels deze opmerkingen kan ik de aard en omvang van de grief van verzoekster verduidelijken.
53.
De belangen waarop verzoekster zich beroept, kunnen in twee groepen worden verdeeld: in de eerste plaats de belangen van verzoekster die verband houden met de economische exploitatie van de eigendom van de bestaande terminal, waarover zij ten tijde van het instellen van het beroep beschikte; in de tweede plaats haar belangen als draagster van soevereine rechten, namelijk als autoriteit die betrokken is bij de procedure voor de toelating van interregionale luchtvaartdiensten, als autoriteit belast met de zorg voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar, en als autoriteit die belastingen en heffingen in verband met het luchtvervoer en nevenactiviteiten int. ( 41 )
54.
De argumenten van verzoekster betreffende haar belangen als draagster van soevereine rechten zijn niet irrelevant enkel vanwege het feit dat zij deze belangen als soeverein kwalificeert. Het is namelijk niet principieel uitgesloten, dat met overheidsbevoegdheden uitgeruste publiekrechtelijke lichamen van de Gemeenschap, die geen Lid-Staat zijn, ook met betrekking tot hun belangen van publiekrechtelijke aard de rechtsbescherming van artikel 173, tweede alinea, genieten. ( 42 ) Zij moeten echter kunnen aantonen, dat zij door de bestreden maatregel rechtstreeks en individueel worden geraakt. ( 43 )
55.
Wat nu de grief van verzoekster betreft, dient een element te worden vermeld dat de gemeenschappelijke noemer vormt van de belangen waarop verzoekster zich beroept. Verzoekster is namelijk van mening, dat zij op al deze punten zou profiteren van de toename van het luchtverkeer waartoe de toepassing van richtlijn 89/463 op de luchthaven van Gibraltar zou leiden. De meest interessante verbindingen zijn immers pas winstgevend als ze door luchtvaartuigen met meer dan 70 stoelen worden uitgevoerd. De Raad en intervenienten lijken niet te willen bestrijden dat de toepassing van richtlijn 89/463 een reële kans op een toename van het verkeer op deze luchthaven zou creëren. De Commissie heeft enkel betoogd (zonder een goed gestaafd tegenargument aan te voeren), dat verzoekster haar beweringen op dit punt niet heeft bewezen. Dit argument van de Commissie is des te minder relevant, daar de Gezamenlijke Verklaring van 2 december 1987 en de in geding zijnde clausule juist aantonen, dat Spanje en het Verenigd Koninkrijk rekenden op een toename van het verkeer.
56.
Daarentegen staat vast, dat de bestreden bepaling ten aanzien van geen van de belangen waarop zij zich beroept, leidt tot een verslechtering van de situatie van verzoekster. In feite is haar grief gebaseerd op het feit dat zonder deze bepaling haar situatie zou zijn verbeterd, in dezelfde mate als de door de onderhavige richtlijn nagestreefde vooruitgang in de liberalisatie van de regelingen betreffende het interregionale luchtvervoer.
57.
Zo gezien, kan de door verzoekster aangevoerde grief als volgt worden samengevat.
58.
In haar hoedanigheid van eigenares van de terminal acht verzoekster zich voornamelijk benadeeld door het feit dat haar de voordelen zijn onthouden, die voor de economische waarde van haar eigendom uit de toename van het verkeer zouden zijn voortgevloeid.
59.
Vrijwel hetzelfde geldt voor de inkomsten van belastingen en heffingen die haar zouden zijn ontnomen. De grief van verzoekster komt er op dit punt op neer, dat de plaatselijke gemeenschap die zij vertegenwoordigt, de kans wordt onthouden de op deze manier gerealiseerde inkomsten te verhogen.
60.
Aangaande haar belangen als autoriteit die bij de procedure voor de toelating van interregionale luchtdiensten betrokken is, geeft verzoekster te kennen dat zij ingevolge de tussen het Verenigd Koninkrijk en Gibraltar gesloten staatsrechtelijke akkoorden de Civil Aviation Authorithy (CAÁ) kan meedelen of zij voor of tegen de instelling van een transportdienst van en naar Gibraltar is. Aldus is zij in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 83/416 noodzakelijkerwijs medeverantwoordelijk voor elke vergunning van de staat van vestiging van de betrokken luchtvaartmaatschappij. Voor verzoekster is derhalve een toename van het aantal gevallen waarin zij haar invloed kan doen gelden, van belang.
61.
De argumenten betreffende de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar zijn onduidelijk. Verzoekster beroept zich eensdeels op het feit dat dit recht de ontwikkeling van luchtvaartverbindingen betreft. Dienaangaande verschilt dit aspect niet van dat van de betrokkenheid bij de procedure voor de toelating van interregionale luchtdiensten. Zij beroept zich eveneens op haar bevoegdheid om de belangen van haar bewoners te vertegenwoordigen in haar hoedanigheid van publiekrechtelijk lichaam. Zij beroept zich mitsdien op het economisch belang van deze bewoners, dat hierin bestaat dat hen de voordelen van een verbetering van de luchtdiensten en een toename van het verkeer niet worden onthouden.
62.
Maar in welke mate is verzoekster werkelijk benadeeld?
63.
Aangaande haar status als eigenares van de terminal, als fiscale autoriteit en als vertegenwoordigster van de economische belangen van de inwoners, kan de grief niet worden ontkend. Deze economische belangen kunnen immers worden begunstigd door de algemene economische groei die verzoekster als gevolg van de toename van het verkeer verwacht, of door de toename van bepaalde nauwkeurig omschreven inkomsten. In dit stadium van de overwegingen kan evenwel niet worden uitgesloten, dat het in strijd is met algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, dat verzoekster deze verbetering wordt onthouden.
64.
Dit geldt daarentegen niet voor de belangen van verzoekster in haar hoedanigheid van autoriteit die bij de procedure voor de toelating van interregionale luchtdiensten is betrokken.
65.
Aan het op dit gebied verleende recht op inspraak, aangenomen dat dit bestaat ( 44 ), kan namelijk geen afbreuk worden gedaan enkel omdat het aantal tocpassingsgevallen niet toeneemt. Dit recht beschermt immers het belang van verzoekster om in elk afzonderlijk geval invloed uit te oefenen op de beslissing van de CAA. Maar een mogelijke toename van het aantal vergunningsprocedures heeft op dit recht geen enkel effect.
66.
III. Op grond hiervan dient allereerst te worden onderzocht, of verzoekster door de bestreden maatregel rechtstreeks wordt geraakt.
67.
Naar mijn mening verduidelijkt de zaak Piraiki-Patraiki ( 45 ) het best de betekenis van deze voorwaarde. Volgens dit arrest dient de verzoeker rechtstreeks door de bestreden handeling te worden geraakt en dus niet door een latere handeling van de Commissie of van de betrokken Lid-Staat, die steunt op een discretionaire beslissing. Indien deze discretionaire bevoegdheid bestaat, kan de verzoeker in afwijking van het bovengenoemde beginsel rechtstreeks worden geraakt, indien vaststaat op welke wijze deze discretionaire bevoegdheid zal worden uitgeoefend, en indien de zaak zich derhalve voordoet alsof reeds door de bestreden maatregel over de benadeling van de verzoeker is beslist.
68.
Voor de toepassing van dit criterium op het onderhavige geval is van belang, dat de bepalingen van richtlijn 89/463 ten aanzien van de luchthavens die niet van haar werkingssfeer zijn uitgesloten, een verplichting voor de Lid-Staten inhouden. Zij moeten in hun nationale recht de in deze richtlijn neergelegde liberalisatiemaatregelen voor de regionale diensten tussen deze luchthavens vaststellen en toepassen. De in casu bestreden bepaling bevat — totdat de Gezamenlijke Verklaring van 2 december 1987 in werking treedt— een uitzondering op deze verplichting: de Lid-Staten behoeven met betrekking tot de luchthaven van Gibraltar geen maatregelen te nemen. Daarentegen bestaat er dienaangaande geen formeel verbod. Evenmin is het de Lid-Staten verboden, met betrekking tot deze luchthaven (bilaterale) akkoorden te sluiten over de luchtdiensten die in overeenstemming zijn met de in geding zijnde richtlijn. Dit blijkt uit artikel 10, lid 1, van richtlijn 83/416, waarnaar de Commissie terecht verwijst. Dit luidt:
„De Staat van vestiging en de betrokken Staat kunnen, onder inachtname van het bepaalde in deze richtlijn, in onderlinge overeenstemming minder strenge bepalingen toepassen.”
69.
Uit deze overwegingen volgt, dat de discretionaire bevoegdheid van de Lid-Staten op verscheidene punten eraan in de weg kan staan, dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt.
70.
Een van deze punten betreft de vrijheid van de Lid-Staten om, ondanks de bestreden clausule, richtlijn 89/634 — althans wat haar resultaat betreft— op de luchthaven van Gibraltar toe te passen. De Commissie heeft zich op deze omstandigheid beroepen teneinde te bestrijden dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt.
71.
Dit argument dient evenwel te worden verworpen. De aangevoerde mogelijkheid bestaat immers slechts in theorie. In het algemeen moet worden opgemerkt, dat de opname van de in geding zijnde clausule waarop Spanje en het Verenigd Koninkrijk ( 46 ) hebben aangedrongen, in de Raad als compromis is aanvaard teneinde rekening te houden met het conflict inzake de soevereiniteit over het grondgebied van de luchthaven. De clausule staat bovendien in een context waarin de bevoegdheden van de Lid-Staten op het gebied van het luchtvervoer door de gemeenschapsregels worden beperkt. Men kan dus niet verwachten dat de Lid-Staten de regeling van richtlijn 89/463 op de luchthaven van Gibraltar toepassen. Dit geldt in het bijzonder voor Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Er is overigens geen enkel argument aangevoerd voor een dergelijke handelwijze van de Lid-Staten. Men kan evenmin verwachten, dat de Britse luchtvaartautoriteiten, in hun hoedanigheid van bevoegde instantie van de „betrokken Lid-Staat” — in geval van aanvragen van andere staten in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 83/416 — stelselmatig overeenkomstig richtlijn 89/463 luchtdiensten zouden toestaan via bilaterale akkoorden. ( 47 ) Een dergelijke verwachting is des te minder gerechtvaardigd, daar het Verenigd Koninkrijk zich op deze manier zou bloot stellen aan het gevaar, zo niet de letter, dan toch de strekking van de met Spanje gesloten overeenkomsten te overtreden.
72.
Dan kom ik nu toe aan de discretionairc bevoegdheid die volgens de tekst van richtlijn 83/416, zoals gewijzigd bij richtlijn 89/463, aan de Lid-Staten is toegekend. Wat de „betrokken staat” betreft, deze heeft geen enkele noemenswaardige discretionairc bevoegdheid meer ter zake van de aanvragen van de staat van vestiging, aangezien artikel 6, lid 1, sub c, van de oorspronkelijke versie van richtlijn 83/416 niet meer voorkomt in de door richtlijn 89/463 gewijzigde versie.
73.
Daarentegen wordt de bevoegdheid van de staat van vestiging om aan de betrokken luchtvaartmaatschappij een vergunning te verlenen — die er enkel toe kan leiden, dat de betrokken staat een vergunning dient te verlenen — door de richtlijn niet beperkt. ( 48 )
74.
Dienaangaande kan mèt de Spaanse regering worden gesteld, dat tussen het door verzoekster nagestreefde voordeel en de richtlijn de discretionaire bevoegdheid van een derde is komen te staan.
75.
Naar mijn oordeel betekent dit evenwel niet, dat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt. De grief van verzoekster bestaat immers hierin, dat haar de — ontegenzeglijk realistische — kans dat het luchtverkeer toeneemt, wordt ontnomen. De discretionaire bevoegdheid van de Lid-Staten als staten van vestiging vormt naast het commerciële beleid van de luchtvaartmaatschappijen één van de factoren die ertoe leiden, dat het bij het aldus aan verzoekster ontnomen voordeel slechts om een kans gaat. Dit bepaalt derhalve de aard van de grief, maar niet het feit dat verzoekster wordt geraakt. Dit feit is rechtstreeks terug te voeren op de bestreden clausule, zonder dat dit effect van andere maatregelen afhangt waartegen verzoekster kan opkomen. Het zou inderdaad onbegrijpelijk zijn rechtsbescherming tegen een maatregel te weigeren enkel vanwege het feit dat het voordeel dat door deze maatregel niet is toegekend en waarop verzoekster zich beroept, niet nauwkeurig is bepaald. Immers, het feit dat het voordeel niet kan worden gerealiseerd, is juist het gevolg van de bestreden weigering. Tot staving van dit standpunt kan het arrest in de zaak Cofaz worden aangevoerd. In deze zaak waren de verzoeksters, concurrenten van bedrijven die overheidssteun genoten, opgekomen tegen de beschikking van de Commissie om de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag te beëindigen. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld:
„Wat de vraag betreft of verzoeksters rechtstreeks zijn geraakt, volstaat de opmerking dat de beschikking van de Commissie tot beëindiging van de procedure alle gevolgen van de ingevoerde tariefregeling onverminderd laat voortbestaan, terwijl de procedure waarom verzoeksters hebben verzocht, tot een besluit tot opheffing of wijziging van de bedoelde regeling zou leiden. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de litigieuze beschikking verzoeksters rechtstreeks raakt.” ( 49 )
76.
Zo ziet men, dat het onbepaalde karakter van de gevolgen van het voortzetten van een procedure het Hof niet heeft belet vast te stellen, dat verzoeksters in die zaak rechtstreeks werden geraakt. Een vergelijking met onderhavige zaak ligt voor de hand.
77.
De Raad en de Commissie betogen eveneens, dat wegens de aard van de aangevoerde belangen niet kan worden gesteld, dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt. Zij beroepen zich dienaangaande op het hypothetische en indirecte karakter van de door toepassing van richtlijn 89/463 verwachte financiële voordelen. Bovendien kan het vermeende recht om zorg te dragen voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar niet in aanmerking worden genomen, daar het slechts gaat om een verzameling van rechtsposities waaraan in de toekomst indirect afbreuk kan worden gedaan (volgens de Commissie), of omdat het om een onbepaalde politieke situatie gaat (volgens de Raad).
78.
Dit argument kan niet worden aanvaard. De voorwaarde dat een verzoeker rechtstreeks moet worden geraakt door de bestreden maatregel betekent niet, dat bepaalde categorieën van belangen niet langer de rechtsbescherming van artikel 173, tweede alinea, genieten. Het dient veeleer beroepen tegen maatregelen uit te sluiten die het aan latere discretionaire beschikkingen, die dan het voorwerp van een beroep kunnen zijn, overlaten het beginsel en de draagwijdte van de ingreep in de aangevoerde belangen — van welke aard ook— vast te stellen. ( 50 ) Deze negatieve voorwaarden doen zich nochtans met betrekking tot de belangen waarop verzoekster zich beroept, niet voor. Het vermeende „indirecte” karakter van deze belangen is evenmin beslissend. Voor zover verzoekster hiermee wordt verweten, dat zij zich in haar beroep in feite baseert op belangen van derden (te weten die van de bewoners van Gibraltar), kan dit slechts betekenen dat zij eventueel niet individueel wordt geraakt. ( 51 ) Voor zover dit argument is gebaseerd op het feit dat de door verzoekster geleden nadelen te wijten zijn aan een leemte in de liberalisatie van de op luchtvaartmaatschappijen toepasselijke regelingen, is dat evenmin relevant. De mogelijke grief van deze ondernemingen is van geheel andere aard en doet zich in het algemeen slechts voor, wanneer een concrete aanvraag voor een vergunning voor een interregionale luchtdienst van en naar Gibraltar wordt afgewezen. Deze afwijzing kan door de luchtvaartmaatschappij worden bestreden. Daarentegen ligt de enige mogelijkheid voor verzoekster om het in casu geldend gemaakte specifieke bezwaar voor de rechter af te wenden, in dit beroep. ( 52 )
79.
De Spaanse regering heeft bovendien betoogd, dat de bestreden clausule geen effect meer heeft zodra de Gezamenlijke Verklaring in werking treedt. Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat deze omstandigheid niet de inwerkingtreding, maar de beëindiging van de effecten van de clausule bepaalt. Deze omstandigheid verandert niets aan het feit dat de gevolgen die de bestreden bepaling voor verzoekster met zich brengt, rechtstreekse gevolgen zijn. ( 53 )
80.
Concluderend dient derhalve te worden vastgesteld, dat zij door deze bepaling rechtstreeks wordt geraakt.
81.
IV. Vervolgens dien ik het tot staving van de niet-ontvankelijkhcid aangevoerd middel dat aan „de aard van de bestreden rechtshandeling” is ontleend, te onderzoeken. Dit middel bestaat uit twee delen: in de eerste plaats de aard van de bestreden bepaling, voor zover deze deel uitmaakt van een richtlijn; in de tweede plaats, de omstandigheid dat deze bepaling niet het karakter van een beschikking heeft.
82.
Terwijl het eerste deel van dit middel betrekking heeft op de vorm van de rechtshandeling, is het tweede deel gebaseerd op zijn materiële karakter.
83.
1. Laat ik allereerst bezien welke betekenis moet worden gehecht aan het feit dat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een richtlijn.
84.
Het staat vast, dat volgens de tekst van artikel 173, tweede alinea, particulieren geen beroep tegen richtlijnen kunnen instellen. Maar volstaat dit om dit beroep nict-ontvankclijk te verklaren?
85.
Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over deze vraag. De rechtstreekse beroepen ( 54 ) van particulieren tegen bepalingen van richtlijnen zijn tot op heden niet-ontvankelijk verklaard wegens andere redenen: de beroepstermijn was verstreken ( 55 ), de bestreden maatregel was geen beschikking ( 56 ), ofwel de verzoeker was niet individueel geraakt. ( 57 )
86.
Of het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op basis van de tekst van artikel 173, tweede alinea, hangt naar mijn mening af van de ratio legis op grond waarvan de opstellers van deze bepaling richtlijnen niet onder de voor beroep vatbare handelingen hebben opgenomen. Als mocht blijken, dat deze reden in casu niet rechtvaardigt, dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de tekst van deze bepaling niet als een belemmering voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift worden beschouwd. In dat geval zou het feit dat de bestreden bepaling in een richtlijn voorkomt, slechts een kenmerk van haar vorm zijn. Volgens vaste rechtspraak kan de gemeenschapswetgever de in artikel 173, tweede alinea, beoogde rechtsbescherming niet enkel door de keuze van de vorm uitsluiten. ( 58 ) Een verzoeker rechtsbescherming weigeren enkel op grond van het feit dat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een richtlijn, en daarbij eraan voorbij gaan, dat de materiële reden waarom richtlijnen niet in artikel 173, tweede alinea, worden genoemd, mogelijkerwijs in een concreet geval geen rol speelt ( 59 ), zou bovendien onverenigbaar zijn met de in artikel 164 van het Verdrag omschreven taak van het Hof.
87.
Laat ik dus eerst onderzoeken waarom de opstellers van het Verdrag in artikel 173, tweede alinea, richtlijnen niet als voor beroep vatbare handelingen hebben vermeld. Daartoe dient deze bepaling te worden onderzocht in het licht van artikel 189 van het Verdrag, dat in de derde alinea een richtlijn als rechtshandeling omschrijf in de volgende bewoordingen:
„Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.”
88.
Volgens deze omschrijving laat de bepaling van de richtlijn een discretionaire bevoegdheid toe, die in het bijzonder de omzetting door de adressaten — de Lid-Staten— betreft. Hierin ligt, volgens het door artikel 189 vastgestelde stelsel, het verschil tussen deze handelingen en de tot de Lid-Staten gerichte beschikkingen. Mijns inziens is dit de enige verklaring voor het feit dat tot de Lid-Staten gerichte beschikkingen wel deel uitmaken van de voor beroep vatbare rechtshandelingen in de zin van artikel 173, tweede alinea, doch de richtlijnen niet. Wat de bepalingen van richtlijnen betreft, lijken de opstellers van het Verdrag namelijk ervan te zijn uitgegaan, dat deze bepalingen, ook wanneer zij beogen communautaire burgers een last op te leggen, een particulier niet rechtstreeks raken vanwege de specifieke discretionaire implementatiebevoegdheid van de Lid-Staten.
89.
Deze premisse blijkt evenwel onjuist, indien deze discretionaire implementatiebevoegdheid ontbreekt.
90.
Dit is bij voorbeeld het geval, wanneer de betrokken bepaling van een richtlijn een verbod uitvaardigt dat, gezien de inhoud ervan en de kring van degenen die kunnen worden geraakt, zo strikt is, dat deze bepaling door de Lid-Staten niet nader kan worden gepreciseerd. De omzcttingsmaatregclen van de Lid-Staten zouden, wat hun beginsel en hun essentiële bijzonderheden betreft, dus slechts het noodzakelijk gevolg van de communautaire bepaling zijn.
91.
Het Hof heeft zich over een dergelijke situatie gebogen in zaak 160/88. ( 60 ) In deze zaak hadden fabrikanten van stoffen met hormonale werking in de veehouderij (en een vereniging van die fabrikanten) krachtens artikel 173, tweede alinea, beroep ingesteld tot nietigverklaring van bepalingen van een richtlijn, die het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking die zij fabriceerden, verbood. Dit beroep is niet-ontvankclijk verklaard omdat de bestreden bepalingen van normatieve aard waren en derhalve niet als een „beschikking” konden worden beschouwd (volgens de beschikking van de president van het Plof in de procedure in kort geding), respectievelijk omdat verzoeksters in die zaak niet individueel werden geraakt door de in geding zijnde verboden (volgens het Hof in de procedure in de hoofdzaak).
92.
Mitsdien heeft het Hof vermeden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren enkel op grond dat de bestreden bepalingen in een richtlijn voorkwamen. Bovendien wordt in de beschikking van de president in de procedure in kort geding te kennen gegeven, dat er een direct causaal verband tussen de bestreden bepaling en de grief van verzoekster bestaat. De omzcttingsmaatregclen van de Lid-Staten werd namelijk geen andere functie toegeschreven, dan de duidelijke inhoud van de bepaling van de richtlijn aan de betrokken ondernemers kenbaar te maken. Volgens rechtsoverweging 28 van de beschikking zijn de voorschriften van richtlijnen immers
„door middel van de nationale wettelijke bepalingen die de Lid-Staten ter voldoening aan de richtlijn hebben vastgesteld, van toepassing op objectief omschreven situaties; zij sorteren rechtsgevolgen voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen (...)”.
93.
In het onderhavige geval kan het in geding zijnde punt niet anders worden behandeld dan in de zaak van de stoffen met hormonale werking. In laatstgenoemde zaak ging het om een verbod binnen het toepassingsgebied van de richtlijn, dat voldoende duidelijk was om een discretionaire implemcntaticbcvocgdheid van de Lid-Staten uit te sluiten. In het onderhavige geval wordt de luchthaven van Gibraltar bij voorbaat uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn. Logischerwijs kan hier, wat deze luchthaven betreft, mitsdien geen sprake zijn van een discretionaire bevoegdheid voor de implementatie van de richtlijn. Zoals blijkt uit hetgeen ik eerder heb gezegd ( 61 ), is de discretionaire bevoegdheid van de Lid-Staten betreffende luchtdiensten van en naar deze luchthaven de discretionaire bevoegdheid die zij door het ontbreken van communautaire bepalingen in het algemeen nog hebben op het gebied van vervoer, en niet de specifieke discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikken voor de implementatie van de richtlijn.
94.
Deze overwegingen volstaan reeds om de bestreden clausule te behandelen alsof ze in een tot de Lid-Staten gerichte beschikking staat. ( 62 )
95.
Volledigheidshalve zij er evenwel nogmaals aan herinnerd, dat zelfs de discretionaire bevoegdheid waarover de Lid-Staten onafhankelijk van de richtlijn beschikken, slechts theoretisch van invloed is op de regeling die op de luchthaven van Gibraltar van toepassing is. ( 63 )
96.
Ten slotte staat het feit dat de in geding zijnde bepaling voorkomt in een richtlijn, op zich niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep.
97.
2. Het tweede deel van het thans onderzocht middel van niet-ontvankelijkheid steunt, zoals gezegd, op het feit dat de bestreden bepaling niet het karakter van een beschikking, maar van een norm met algemene strekking heeft. Zoals ik evenwel reeds uitvoerig in mijn conclusie in de zaak Codorniu ( 64 ) heb uiteengezet, is deze omstandigheid op zich niet voldoende om een beroep in de zin van artikel 173, tweede alinea, niet-ontvankelijk te verklaren. Het vereiste van een „beschikking” valt in feite samen met de nadere voorwaarde van dit artikel, dat een verzoeker door de bestreden bepaling individueel moet worden geraakt. ( 65 ) In het volgende punt zal ik op deze voorwaarde ingaan.
98.
V. 1. Ter beantwoording van de vraag, of verzoekster door de bestreden bepaling individueel wordt geraakt, dient allereerst het algemeen belang van dit criterium te worden benadrukt. Het is bekend, dat alleen personen die door de beschikking „worden geraakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat” ( 66 ), door een maatregel individueel worden geraakt.
99.
Dit criterium moet derhalve waarborgen, dat een verzoeker met betrekking tot de bestreden maatregel een positie heeft die vergelijkbaar is met die van een adressaat. Dienaangaande volstaat het niet dat een verzoeker deel uitmaakt van een besloten categorie van betrokken personen. ( 67 ) Daarentegen dient er een specifiek verband te bestaan tussen de situatie (in ruime zin) van de verzoeker en de bestreden maatregel, waarbij dit specifiek verband door uiteenlopende omstandigheden tot stand kan komen. ( 68 )
100.
Bij de toepassing van deze beginselen uit de rechtspraak op het onderhavige geval dient evenwel rekening te worden gehouden met twee bijzonderheden van dit geval. De eerste ligt in het feit, dat verzoekster, zoals reeds is aangetoond ( 69 ), geen bezwaar maakt tegen een aantasting van een bestaande rechtspositie, maar de Raad verwijt dat de bestreden bepaling haar had uitgesloten van bepaalde voordelen. De tweede bijzonderheid heeft te maken met de belangen waarop verzoekster zich beroept, die met haar verschillende functies zijn verbonden. Zij beroept zich in de eerste plaats op haar hoedanigheid van eigenares van de terminal, maar daarnaast beroept zij zich eveneens op (andere) „geldelijke” belangen die samenhangen met haar hoedanigheid van fiscale autoriteit van Gibraltar. ( 70 ) Wat daarentegen de positie van verzoekster als autoriteit die betrokken is bij de procedure voor de toelating van interregionale luchtvaartdiensten betreft, kan er geen sprake zijn van een grief, zodat dit belang in dit verband niet meer behoeft te worden onderzocht. ( 71 ) Voor zover verzoekster zich dienaangaande beroept op haar bevoegdheid om zorg te dragen voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar, behoeft dit ook niet verder te worden onderzocht. ( 72 ) De door haar aangevoerde bevoegdheid om de belangen van de bevolking te behartigen dient daarentegen in het hierna volgende onderzoek in aanmerking te worden genomen.
101.
2. a) Laat ik thans allereerst de belangen onderzoeken die verzoekster ontleent aan haar hoedanigheid van eigenares van de terminal. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt, dat dit belang verband houdt met de belastingheffing voor het verhuren van de installaties op deze terminal. Toen het beroep werd ingesteld, werden deze installaties verhuurd door de Gibraltar Airport Services Limited (GASL), waarin verzoekster een deelneming van 50 % had. Het gaat om een van de rechtsposities ten aanzien waarvan de grief van verzoekster erop neerkomt, dat haar de kans is ontnomen haar inkomsten te vermeerderen. ( 73 )
102.
Op grond van de zojuist uiteengezette beginselen kan verzoekster niet als individucel geraakt worden beschouwd op de enkele grond dat er op de luchthaven van Gibraltar slechts één terminal is en dat verzoekster daarvan eigenares is: dat een verzoeker tot een besloten categorie van betrokken personen behoort, vormt slechts één van de vereisten om hem als individueel geraakt te kunnen beschouwen. De vraag die in feite rijst is of er, gezien dit belang dat verzoekster heeft bij een verhoging van de inkomsten, een bijzonder verband bestaat tussen haar situatie en de bestreden maatregel, zodat verzoekster als een adressaat van deze maatregel moet worden beschouwd.
103.
Deze vraag dient mijn inziens ontkennend te worden beantwoord.
104.
Tot de omstandigheden die zulk een bijzonder verband tot stand kunnen brengen, behoort in de eerste plaats het causaal verband tussen de situatie van een verzoeker en de bestreden maatregel. ( 74 ) Tot deze categorie van casusposities behoren eveneens de arresten Töpfer ( 75 ) en Bock ( 76 ), waarnaar verzoekster in dit verband verwijst. Eerstgenoemd arrest had betrekking op de met terugwerkende kracht aan een Lid-Staat verleende toestemming om vrijwaringsmaatregelen te nemen, waardoor de door verzoeksters in deze zaak tevoren aangevraagde invoervergunningen konden worden afgewezen. Er bestond aldus een causaal verband tussen de bestreden maatregel en de situatie van verzoeksters als aanvragers. Hetzelfde geldt voor de zaak Bock, waarin de Lid-Staat werd toegestaan, bepaalde produkten van oorsprong uit de Volksrepubliek China, die zich in de Benelux-landen in het vrije verkeer bevonden, van de communautaire behandeling uit te sluiten. Deze beslissing was juist genomen in verband met een door verzoekster in deze zaak aangevraagde invoervergunning. ( 77 ) Aan het aldus omschreven vereiste van een causaal verband wordt in casu evenwel niet voldaan. De bestreden maatregel heeft niets te maken met de bijzondere situatie van de ondernemers die belang hebben bij de economische exploitatie van de terminals. Dienaangaande is het van weinig belang, of men uitgaat van de doelstellingen van de richtlijn in haar geheel, of van de specifieke doelstellingen die aan de bestreden bepaling zelf ten grondslag liggen.
105.
Dienaangaande zij opgemerkt, dat richtlijn 83/416 twee economische doelstellingen nastreeft. De eerste vloeit voort uit de eerste overweging van de considerans van deze richtlijn, die bepaalt:
„Overwegende dat een gemeenschappelijke procedure voor de toelating van geregelde interregionale luchtdiensten tussen de Lid-Staten voor het vervoer van passagiers, al dan niet samen met post en/of goederen, tussen bepaalde luchthavens in de Gemeenschap de luchtvaartmaatschappijen een grotere gelegenheid biedt om hun markten te ontwikkelen en derhalve kan bijdragen tot de ontwikkeling van het verkeersnet binnen de Gemeenschap.”
106.
In dezelfde geest wordt in de vierde overweging van de considerans van richtlijn 89/463 verklaard:
„Overwegende dat uit de ervaring is gebleken dat slechts voor enkele diensten een vergunning is afgegeven overeenkomstig de richtlijn; dat het bijgevolg wenselijk zou zijn de luchtvaartmaatschappijen meer mogelijkheden te bieden om hun markten uit te breiden en zodoende tot de ontwikkeling van het luchtverkeersnet binnen de Gemeenschap bij te dragen.”
107.
In eerste instantie was dus de situatie van de luchtvaartmaatschappijen bepalend voor de redactie van de oorspronkelijke tekst en voor de hier in geding zijnde wijziging van deze richtlijn. Verzoekster behoort evenwel zelfs niet tot deze — overigens open — categorie van ondernemers wier situatie doorslaggevend is geweest voor de gemeenschapswetgever.
108.
Vergelijkbare overwegingen gelden voor de doelstellingen betreffende het regionaal beleid van richtlijn 83/416. Dienaangaande staat in de vierde overweging van de considerans te lezen:
„Overwegende dat het interne luchtvervoer in de Gemeenschap op regionale routes dient te worden ontwikkeld teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van de regio's in de Gemeenschap.”
109.
Ook ten aanzien van deze doelstellingen kan niet worden vastgesteld, dat nu juist de situatie van de eigenaars van de civiele terminals van belang was voor de regelingen van de richtlijn. In feite worden alle ondernemers in benadeelde regio's, die van een betere bereikbaarheid van hun regio kunnen profiteren, door deze doelstellingen geraakt.
110.
Wat ten slotte de bestreden bepaling zelf betreft, deze berust, zoals blijkt uit de achtste overweging van de considerans van richtlijn 89/463, op de omstandigheden die het voorwerp van de Gezamenlijke Verklaring van 2 december 1987 vormen. Deze verklaring zelf is het gevolg van het geschil tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het terrein van de luchthaven en de moeilijkheden die volgens de Raad hieruit voortvloeien voor de toepassing van de richtlijn op de luchthaven van Gibraltar, en zij berust niet op de situatie van verzoekster als eigenares van de terminal.
111.
Aan deze conclusie wordt ook niet afgedaan door het feit dat de Gezamenlijke Verklaring voorziet in de bouw van een andere terminal door de Spaanse autoriteiten. Zoals blijkt uit de Gezamenlijke Verklaring, dient deze maatregel het de Spaanse autoriteiten immers mogelijk te maken, rechtstreeks douane- en immigraticcontrolcs te verrichten met betrekking tot passagiers van en naar plaatsen ten noorden van de grensafrastcring. De maatregel ligt dan ook in de lijn van het volkenrechtelijke geschil tussen de twee betrokken Lid-Statcn en staat in geen enkel objectief verband met de economische belangen van verzoekster als eigenares van de bestaande terminal.
112.
Om al deze redenen kan niet worden gesteld, dat de situatie van verzoekster — alleen of als deel van een besloten categorie van personen— doorslaggevend is geweest in de bestreden bepaling. Dit aspect is derhalve niet voldoende om verzoekster als individucel geraakt te beschouwen.
113.
Een verzoeker kan zich evenwel ook in een situatie bevinden waarbij hij individueel wordt geraakt door andere omstandigheden, die een bijzonder verband tussen hem en de bestreden bepaling creëren. Zulk een relevante omstandigheid doet zich voor, wanneer een verzoeker door bijzondere modaliteiten in de rechtsgrondslag van de bestreden bepaling wordt beschermd. Deze rechtsfiguur is met name bekend bij de gemeenschappelijke regels inzake mededinging ( 78 ), maar is ook toegepast in zaken betreffende het gemeenschappelijke landbouwbeleid. ( 79 ) Dit is in het bijzonder van belang in situaties, waarin een verzoeker met zijn beroep tot nietigverklaring, zoals in het onderhavige geval, een verbetering van zijn situatie beoogt en niet de verslechtering van een (krachtens grondrechten beschermde) situatie tracht te voorkomen. Een beschermende norm in de rechtsgrondslag kan dit belang rechtvaardigen en zo een bijzonder verband tussen de situatie van de verzoeker en de bestreden maatregel tot stand brengen.
114.
Ook aan deze voorwaarde is evenwel in het onderhavige geval niet voldaan. De litigieuze richtlijn is volgens het eerste visum rechtstreeks op artikel 84, lid 2, van het Verdrag gebaseerd. Deze bepaling staat de Raad toe, „passende bepalingen (...) voor de zeevaart en de luchtvaart” te nemen. In een bijzondere bescherming voor afzonderlijke groepen van ondernemers wordt hier niet voorzien.
115.
Ten slotte kan verzoekster ook niet als individueel geraakt worden beschouwd volgens de beginselen van het arrest Extramet. ( 80 ) Dit arrest had betrekking op een geval waarbij een anti-dumpingrecht was ingesteld voor produkten die door verzoekster in deze zaak waren geïmporteerd en verwerkt. Dienaangaande overwoog het Hof (r. o. 17):
„Verzoekster heeft een reeks feiten aangetoond die een dergelijke bijzondere situatie vormen die haar voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer karakteriseert. Zij is namelijk de belangrijkste importeur van het produkt waarvoor de antidumpingmaatregel is ingesteld en tevens is zij eindverbruikster van dit produkt. Haar economische activiteiten zijn bovendien grotendeels van deze import afhankelijk en worden door de bestreden verordening ernstig getroffen, gelet op het beperkt aantal producenten van het betrokken produkt en op het feit dat zij moeilijkheden ondervindt om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap die bovendien haar belangrijkste concurrent voor het verwerkte produkt is.”
116.
Het ging derhalve om een geval waarbij verzoekster in deze zaak wilde voorkomen dat een bestaande positie werd aangetast en niet, zoals in het onderhavige geval, om een beroep met het doel deze positie te verbeteren. ( 81 ) Mijns inziens kan de rechtspraak Extramet in een geval als het onderhavige slechts worden toegepast, indien de verzoeker aannemelijk maakt dat hij een juridisch beschermd belang heeft bij de verbetering van zijn situatie. Indien hem ondanks deze bescherming het voordeel is geweigerd, kan dit in voorkomend geval worden beschouwd als een aantasting van een bestaande positie en kan dit de toepassing van het in het arrest Extramet ontwikkelde „impact”-criterium rechtvaardigen. ( 82 )
117.
Een dergelijke bescherming kan voortvloeien uit het feit dat de verzoeker deel uitmaakt van een nauwkeurig omschreven groep van marktdeelnemers die door de communautaire handeling (bij voorbeeld in het geval van communautaire steun) dienden te worden bevoordeeld. De rechtsbescherming van het aangevoerde belang vloeit dan voort uit het beginsel van gelijke behandeling. In dit verband is het voor de toepassing van de Extramet-rechtspraak niet noodzakelijk, dat de betrokken groep van marktdeelnemers een besloten groep is, aangezien de individualisering van de verzoeker binnen die groep in voorkomend geval uit de beginselen van deze rechtspraak zelf volgt.
118.
In het onderhavige geval zouden de luchtvaartmaatschappijen als een dergelijke groep van marktdeelnemers kunnen worden beschouwd ( 83 ), waarvan verzoekster evenwel geen deel uitmaakt.
119.
Uit de gekozen rechtsgrondslag blijkt evenmin een specifieke bescherming van de belangen waarop verzoekster zich in haar hoedanigheid van eigenares van de terminal beroept. ( 84 )
120.
Verzoekster heeft ook geen andere aanknopingspunten aangevoerd, waarop de rechtsbescherming van haar belangen kan v/orden gebaseerd.
121.
Verzoekster kan mitsdien niet als individueel geraakt worden beschouwd, voor zover zij zich beroept op haar status van eigenares van de terminal.
122.
b) Verder beroept verzoekster zich op haar hoedanigheid van autoriteit die verscheidene belastingen en heffingen int: belasting op brandstof voor vliegtuigen, douanerechten over vracht die Gibraltar binnenkomt, belasting op de verkoop van artikelen in de taxfree-winkel, luchthavenbelasting voor passagiers, belasting op vracht die op de luchthaven is opgeslagen, fiscale inkomsten van marktdeelnemers die een activiteit uitoefenen op de luchthaven en die uit dien hoofde onder de bevoegdheid van verzoekster vallen.
123.
Dienaangaande gelden hoofdzakelijk dezelfde overwegingen als voor de vraag, of verzoekster individueel wordt geraakt in haar hoedanigheid van eigenares van de terminal. Er dient nog op te worden gewezen, dat in het geval van belastingen die verband houden met economische activiteiten van derden, die belangrijker worden naarmate het verkeer toeneemt, verzoekster niet beter kan worden behandeld dan de marktdeelnemers zelf, die deze activiteiten uitoefenen. Dit argument geldt voor de belasting op de brandstof voor vliegtuigen en op de verkoop van artikelen in de taxfree-winkel, voor de belasting op de opslag en voor de fiscale inkomsten afkomstig van marktdeelnemers die een activiteit op de luchthaven uitoefenen. Dienaangaande kan geen onderscheid worden gemaakt tussen verzoeksters status als fiscale autoriteit en haar status als eigenares van de terminal.
124.
Volgens de beschrijving van verzoekster lijken de luchthavenbelastingen een bijdrage van de passagiers voor het gebruik van de installaties op de luchthaven te zijn, die door de GASL worden ontwikkeld en uitgebreid, waarbij de inkomsten van deze belasting worden verdeeld tussen de GASL en verzoekster. Ook op dit punt kan verzoekster niet anders worden behandeld dan elke andere marktdeelnemer die een activiteit op de luchthaven uitoefent.
125.
De douanerechten over vracht die Gibraltar binnenkomt, lijken niet rechtstreeks verband te houden met een economische activiteit van derden, maar met de fysieke binnenkomst van goederen op het grondgebied van Gibraltar. Dienaangaande is verzoekster evenwel evenmin vergelijkbaar met een adressaat van de maatregel. Hier zou een vergelijking kunnen worden getrokken met andere marktdeelnemers die belang hebben bij een toename van de invoer van goederen in Gibraltar, bij voorbeeld transportondernemingen.
126.
Al deze conclusies zijn ten slotte in overeenstemming met de argumenten van verzoekster, die haar belangen als fiscale autoriteit en als eigenares van de terminal „geldelijke” belangen heeft genoemd.
127.
c) Nu dient nog het belang van verzoekster om zorg te dragen voor het welzijn van de bewoners van Gibraltar te worden onderzocht. In dit verband rest mij dienaangaande slechts vast te stellen, of verzoekster individueel wordt geraakt voor zover zij zich op de economische belangen van de bewoners van Gibraltar beroept. Daaromtrent dient verder nog te worden gepreciseerd, dat verzoekster — zo leg ik althans haar argumenten uit — zich niet op een aantasting van haar bevoegdheden op het gebied van het economisch leven in Gibraltar beroept. Het is overigens onduidelijk waaruit deze aantasting zou bestaan. Verzoekster heeft evenmin argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat haar bevoegdheden hun praktische inhoud verliezen door het feit dat het economisch leven in Gibraltar tot stilstand komt, omdat het luchtverkeer zich niet in de verwachte mate zou ontwikkelen.
128.
Tot staving van haar standpunt, dat zij de belangen van de bewoners van Gibraltar kan vertegenwoordigen, beroept verzoekster zich op de uitspraak van het Hof in de zaak Chris International Foods. ( 85 )
129.
Het ging in deze zaak om een beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding van een ondernemer betreffende een beschikking van de Commissie waarbij een Lid-Staat op grond van artikel 115 EEG-Verdrag werd gemachtigd om bananen van oorsprong uit bepaalde landen van de dollarzone die in de overige Lid-Staten in het vrije verkeer waren gebracht, van de communautaire behandeling uit te sluiten. Dominica, een van de staten waarvan de produktie kennelijk door deze maatregel werd begunstigd, had op grond van artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG verzocht om te mogen interveniëren. Aan het slot van deze beschikking overwoog het Hof dienaangaande:
„Het Hof is van oordeel, dat Dominica overeenkomstig artikel 37, tweede alinea, van het Statuut van het Hof moet worden beschouwd als een persoon die aannemelijk heeft gemaakt belang te hebben bij de beslissing van het geding, en dat haar tussenkomst bijgevolg moet worden toegestaan.”
130.
Naar mijn mening blijkt hier echter niet uit, dat verzoekster in het onderhavige geval als individueel geraakt kan worden beschouwd. De beschikking van het Hof toont in feite slechts twee dingen aan, te weten,
—
dat het belang van de bananenproducenten van Dominica kan worden aangevoerd ter fine van de tussenkomst van de betrokken staat;
—
dat dit belang een belang in de zin van artikel 37, tweede alinea, van het Statuut is.
131.
Wat het eerste punt betreft, ware het inderdaad denkbaar om derde staten en andere publiekrechtelijke lichamen op grond van hun taak om het gemeenschappelijk belang te bevorderen, bevoegd te achten om zich ook ter fine van artikel 173, tweede alinea, niet alleen op hun eigen belangen te beroepen, maar ook op die van marktdeelnemers die activiteiten op hun grondgebied uitoefenen. Bij deze zienswijze zou de betrokken verzoeker dan worden behandeld alsof de belangen waarop hij zich beroept, op zijn eigen rechten berusten. Zelfs als men zulk een mogelijkheid erkent, zou een verzoeker in dit verband evenwel slechts bevoegd zijn in rechte op te treden voor zover de marktdeelnemers op wier belangen hij zich beroept, zelf bevoegd zijn in rechte op te treden.
132.
Hieruit volgt, dat een dergelijke verzoeker, voor zover hij zich niet op een specifiek eigen belang beroept, moet aantonen dat de betrokken marktdeelnemers of althans enigen van hen, zelf individueel worden geraakt. ( 86 )
133.
Dan kom ik thans tot het tweede punt van de beschikking Chris International Foods. Inderdaad moet worden vastgesteld, dat een intervenient alleen aannemelijk moet maken belang te hebben bij de beslissing van het geding. Gezien de zeer milde praktijk van het Hof, waarmee de aangehaalde beschikking volledig in overeenstemming is, worden er op dit gebied veel geringere eisen gesteld dan voor het individueel geraakt zijn ( 87 ), misschien juist omdat de voorwaarden voor het instellen van een rechtstreeks beroep door particulieren zeer strikt wordt omschreven in artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag.
134.
Derhalve blijkt uit de door verzoekster aangevoerde beschikking niet, dat zij bevoegd is in het onderhavige geval in rechte op te treden. Daartoe zou zij daarentegen moeten aantonen, dat de marktdeelnemers die zij vertegenwoordigt, of althans enigen van hen, individueel worden geraakt. Dienaangaande zijn geen aanwijzingen te vinden.
135.
VI. Uiteindelijk voldoet het onderhavige beroep dus niet aan de voorwaarden van artikel 173, tweede alinea, aangezien verzoekster door de bestreden bepaling niet individueel wordt geraakt. Mijns inziens leidt dit resultaat ook niet tot een rechtsweigering, zonder dat de ter terechtzitting gestelde vraag betreffende de nationale rechtswegen behoeft te worden beantwoord. Stellig kan niet worden betwist, dat verzoekster, in het bijzonder in haar hoedanigheid van eigenares van de terminal, een groot belang heeft bij de uitbreiding van de luchtdiensten naar Gibraltar, maar de in geding zijnde maatregel tast op geen enkele wijze haar huidige situatie aan en evenmin kon worden vastgesteld, dat de verlangde verbetering van haar situatie een specifieke rechtsbescherming geniet. Derhalve kan niet worden gesteld, dat inbreuk is gemaakt op een recht van verzoekster en dat de bescherming van dit recht verzoekster is ontzegd.
C — Conclusie
136.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
verzoekster ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen, met uitzondering van de kosten van intervenienten, die zij ingevolge lid 4 van dit artikel zelf dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) PB 1989, L 226, biz. 14.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 25 juli 1983 betreffende de toelating van geregelde interregionale luchtdiensten voor het vervoer van reizigers, post en goederen tussen de Lid-Staten (PB 1983, L 237, biz. 19).
( 3 ) Bedoeld zijn: vluchten met een tussenlanding, zoals blijkt uit de tekst van de bepaling.
( 4 ) Richtlijn van de Raad van 26 mei 1986 tot wijziging, in verband met de toetreding van Portugal, van richtlijn 83/416/EEG betreffende de toelating van geregelde interregionale luchtdiensten voor het vervoer van reizigers, post en goederen tussen de Lid-Statcn (PB 1986, L 152, biz. 47).
( 5 ) Zie vierde overweging van de considerans van richtlijn 89/463.
( 6 ) Beschikking van de Raad van 14 december 1987 betreffende e verdeling van de passagierscapaciteit tussen luchtvaartmaatschappijen in geregelde luchtdiensten tussen Lid-Statcn en de toegang van luchtvaartmaatschappijen tot geregelde luchtdiensten tussen Lid-Staten (PB 1987, L 374, biz. 19).
( 7 ) Zie eveneens de andere teksten die in PB 1987, L 374 (voorafgaande voetnoot), zijn gepubliceerd, en 's Hofs arrest van 11 april 1989 (zaak 66/86, Ahmed Saccd Flugreisen, Jurispr. 1989, blz. 803).
( 8 ) Bijlage 3 van het verzoekschrift.
( 9 ) Tweede alinea van de considerans van de Gezamenlijke Verklaring.
( 10 ) Derde alinea van de considerans van de Gezamenlijke Verklaring.
( 11 ) Zie Bulletin EG nr. 6, 1987, punten 2.1.221 en 2.1.227, evenals Bulletin EG nr. 12, 1987, punten 2.1.272 en 2.1.280.
( 12 ) Verordening van de Raad van 24 juli 1990 betreffende de toegang van luchtvaartmaatschappijen tot geregelde intracommunautaire luchtdiensten en de verdeling van de passagierscapaciteit tussen luchtvaartmaatschappijen op geregelde luchtdiensten tussen Lid-Statcn (PB 1990, L 217, bíz. 8).
( 13 ) Verordening van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutcs (PB 1992, L 240, biz. 8).
( 14 ) Beschikking van 12 juli 1993, zaak C-336/90, Jurispr. 1993, biz. I-3961.
( 15 ) Beschikking van 12 juli 1993, zaak C-397/92, Jurispr. 1993, biz. I-3971.
( 16 ) Verordening van de Raad van 4 februari 1991 inzake het onderhouden van luchtvrachldicnslcn tussen Lid-Statcn (PB 1991, L 36, biz. 1); deze verordening is eveneens ingetrokken bij verordening nr. 2408/92.
( 17 ) Beschikking van 12 juli 1993, zaak C-128/91, Jurispr. 1993, biz. I-3981.
( 18 ) Aan deze reeks is voorlopig een eind gekomen door het beroep dat enkele dagen geleden door de regering van Gibraltar en de Gibraltar Development Corporation is ingesteld in zaak C-168/93 (Jurispr. 1993, blz. I-4009). Het heeft betrekking op artikel 1, lid 3, van verordening (LEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor Je toewijzing van „slots” op communautaire luchthavens (PB 1993, L 14, biz. 1,).
( 19 ) Zie eveneens hierna punten 25 c. v.
( 20 ) Halsbttry's Laws of England, vierde druk, deel 6, paragraaf 803.
( 21 ) De standpunten van Spanje (zie punt 2.4, tweede alinea, van haar memorie in interventie) en het Verenigd Koninkrijk (zie blz. 22 van het procesverbaal ter terechtzitting) stemmen dienaangaande overeen.
( 22 ) Voor zover hierna wordt ingegaan on de rechten en de belangen waarop verzoekster zich heeft beroepen, gebeurt dit op basis van de verklaringen van verzoekster. Hel ligt derhalve niet in mijn bedoeling — en het ís niet noodzakelijk — in deze conclusie een standpunt in te nemen inzake het geschil tussen de twee betrokken Lid-Stalen.
( 23 ) Blz. 6-8 en 11 van zijn opmerkingen.
( 24 ) Blz. 36 van zijn opmerkingen.
( 25 ) Bk. 25, punten IV.4 en 5.
( 26 ) Blz. 6 van het gezamenlijk advies van Sir W. Wade en E. Lauterpacht, dat deel uitmaakt van de antwoorden op de vragen van het Hof.
( 27 ) Zie blz. 3 van het advies van K. W. Harris, en blz. 1, sub A en B, van het gezamenlijk advies van Sir W. Wade en E. Lauterpacht, beide als bijlage bij de opmerkingen van verzoekster betreffende de exceptie van nict-ontvankclijkhcid gevoegd.
( 28 ) Arrest van 8 oktober 1974 (zaak 18/74, Algemeen Vakverbond, Jurispr. 1974, blz. 933).
( 29 ) R. o. 7j cursivering van mij.
( 30 ) Zie de conclusie van 11 juni 1986 van advocaat-generaal Mancini in zaak 282/85 (DEFI, Jurispr. 1986, blz. 2469, 2470, in het bijzonder, blz. 2471, punt 2).
( 31 ) Punt 33 hiervoor.
( 32 ) Bovengenoemde mededeling (voetnoot 30 hiervoor) lijkt in dit geval in punt 4 een regelten gunste van de bevoegdheid van de gouverneur vast te stellen:
„Het verdient aanbeveling (...) de aandacht te vestigen op enkele algemene uitzonderingen die aan de lijst van welbepaalde binnenlandse aangelegenheden moeten worden toegevoegd, in die zin dat overwegingen van hogere orde vereisen dat bepaalde verantwoordelijkheden uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de gouverneur vallen, zelfs indien de kwestie in eerste instantie ‚binnenlands’lijkt te zijn. Mijns inziens dienen tot deze uitzonderingen te worden gerekend alle kwesties die Her Majesty aangaan: (bij voorbeeld onderscheidingen, vlaggen, enz.), de toepassing op Gibraltar van internationale overeenkomsten, de uitvoering van internationale verplichtingen in Gibraltar en de deelname van Gibraltar aan gespecialiseerde internationale organisaties (...)”
Nochtans lijkt tegenwoordig in de praktijk de centrale overheid de bevoegdheden van het gedecentraliseerd bestuur ongemoeid te laten [zie de verklaring die de Britse vertegenwoordiger op 6 augustus 1979 heeft afgelegd voor een commissie van de V. N., aangehaald op blz. 9 van het gezamenlijk advies (zie voetnoot 26 hiervoor) en ter terechtzitting (blz. 39 van het procesverbaal van de terechtzitting); zie eveneens het antwoord van de Britse regering op de vraag waarom de gouverneur in het onderhavige geval niets heeft ondernomen om zich te verzetten tegen het beroep (blz. 60 van het procesverbaal van de terechtzitting)]. Met een dergelijke algemene praktijk —die bovendien kan worden veranderd — is het evenwel niet mogelijk precieze conclusies te trekken over de juridische status van de „regering van Gibraltar”.
( 33 ) Zie punt 5.5 van de opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk Dctrcffcnde de exceptie van nict-ontvankclijkhcid.
( 34 ) Zie eveneens punt 7 van de antwoorden van het Verenigd Koninkrijk op de vragen van het Hof.
( 35 ) Zie punt 38 van de antwoorden van liet Verenigd Koninkrijk op de vragen van het Hof.
( 36 ) Zie bij voorbeeld de beschikking van 8 december 1987 (zaak 152/87, Montgomery, Jurispr. 1987, blz. 4899, r. o. 9). De bewijslast is in bijzondere gevallen omkeerbaar, met name wat hel bewijs inzake bet begin van de beroepstermijn betreft, als deze afhankelijk is van een kennisgeving van de verweerder (zie bij voorbeeld het arrest van 13 juli 1989, -zaak 58/88, Olbrcchts, Jurispr. 1989, blz. 2643).
( 37 ) Punten 6 en 7 van het gezamenlijk advies (voetnoot 26 hiervoor).
( 38 ) Zie bl'z. 21, sub II.8, van de opmerkingen van verzoekster betreffende de exceptie van nict-ontvankcüjklieid.
( 39 ) Onder de rubriek: „Overheidsdiensten”.
( 40 ) Onder de rubriek: „Diensten die inkomsten opleveren”.
( 41 ) Zie voor meer details de bladzijden 31-33 van het verzoekschrift. Het is merkwaardig dat verzoekster geen enkel verband legt tussen de aangevoerde belangen die verband houden met haar ovcrhcidsbcvocgdhcdcn, en de „welbepaalde binnenlandse aangelegenheden” die door het beroep zouden zijn getroffen.
( 42 ) Zie mijn conclusie van 19 januari 1988 in de gevoegde zaken 62/87 en 72/87 (Waalse Gcwcstcxecuticve, Jurispr. 1987, blz. 1573, 1581, in het bijzonder, blz. 1582, punt 13).
( 43 ) Zie vorige voetnoot, evenals het arrest van 11 juli 1984 (zaak 222/83, Gemeente Diffcrdange, Jurispr. 1984, bla. 2889).
( 44 ) De door verzoekster en het Verenigd Koninkrijk overgelegde bepalingen voorzien volgens de tekst slechts voor de Secretary of State in het recht om te worden geraadpleegd (zie artikel 16 van de CAA Regulations van 1983 en artikel 21 van de CAA Regulations van 1991). Volgens de door verzoekster overgelegde brieven (bijlagen B en C bij de antwoorden op de vragen van het Hol), lijkt er evenwel cen vaste praktijk te bestaan om verzoekster eveneens te horen.
( 45 ) Arrest van 17 januari 1985 (zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr. 1985, blz. 207).
( 46 ) Zie bijlage S, in fine, bij de opmerkingen van de Spaanse regering.
( 47 ) Hetzelfde geldl voor de Spaanse luchtvaartautoriteiten in het kader van hun bevoegdheden. De verdeling van de bevoegdheden tussen Britse en Spaanse luchtvaartautoriteiten betreffende de vluchten van en naar Gibraltar, lijkt het voornaamste doel van de Gezamenlijke Verklaring te zijn.
( 48 ) Zie derde overweging van de considerans van richtlijn 83/416.
( 49 ) Arrest van 28 januari 1986 (zaak 169/84, Cofaz, Jurispr. 1986, blz. 391, r. o. 30); cursivering van mij.
( 50 ) Zie in deze zin de conclusie van advocaatgeneraal Warner van 13 december 1978 (gevoegde zaken 103/78-109/78, Société des usines de Bcauport, Jurispr. 1979, blz. 17, 26, in het bijzonder blz. 31).
( 51 ) Zie voetnoot 41 hiervoor.
( 52 ) Hierover is ter terechtzitting gediscussieerd, zonder dat partijen een concrete nationale bcrocpsmogclijkheid konden aanwijzen.
( 53 ) Het Hof heeft reeds een argument dat vergelijkbaar is met dat van de Spaanse regering verworpen in zijn arrest van 1 juli 1965 (gevoegde zaken 106/63 en 107/63, Topfer, Jurispr. 1965, blz. 508); zie enerzijds de analyse van het Hof (blz. 515-517) en anderzijds de analyse van advocaatgeneraal Locntcr (blz. 524-526).
( 54 ) Zie eveneens, naast de in de volgende drie voetnoten genoemde beschikkingen, beschikking van 8 april 1987 (zaak 65/87 R, Pfizer, Jurispr. 1987, blz. 1691). In deze beschikking heeft de president van het Hof uitspraak gedaan op een verzoek in kort geding en heeft hij het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak uitdrukkelijk niet behandeld (r. o. 15 van de beschikking).
( 55 ) Beschikking van het Hof van 27 april 1988 (zaak 352/87, Farzoo en Kortmann, Jurispr. 1987, blz. 2281).
( 56 ) Beschikking van de president van het Hof van 13 juli 1988 (zaak 160/88 R, FEDESA, Jurispr. 1988, blz. 4121).
( 57 ) Beschikkingen van het Hof van 7 december 1988 (zaak 138/88, Flourez, Jurispr. 1988, blz. 6393, en zaak 160/88, FEDESA, Jurispr. 1988, blz. 6399).
( 58 ) Vaste rechtspraak in zaken waar de bestreden bepaling in een verordening voorkwam: zie bij voorbeeld arrest van 5 mei 1977 (zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr. 1977, blz. 797, r. o. 6).
( 59 ) Zie arrest van 22 mei 1990 (zaak C-70/88, Parlement/Raad „Tsjernobyl”, Jurispr. 1990, blz. I-2041, r. o. 26).
( 60 ) Zie voetnoten 56 en 57 hiervoor.
( 61 ) Zie punten 68-7Û hiervoor.
( 62 ) Dit wil nog niet zeggen, dat tegen de in geding zijnde clausule beroep openstaat zoals tegen een „beschikking gericht tot een andere persoon” in de zin van artikel 173, tweede alinea. Volgens de gedachtengang in zaak 160/88 R kan een richtlijn, hoewel deze tot Lid-Staten is gericht, gevolgen van normatieve aard hebben middels nationale implementatiebepalingen. De bepalingen van een tot de Lid-Staten gerichte beschikking ontkomen ook niet aan deze logica, aie zeker problematisch is. Mijns inziens behoeft nochtans op deze vraag niet nader te worden ingegaan, omdat, en ik zal hierop terugkomen (punt 97 hierna), de in artikel 173, tweede alinea, gestelde voorwaarde van de beschikking opgaat in de nadere voorwaarde dat de verzoeker door de bestreden bepaling individueel moet zijn geraakt. De toepassing van dit beginsel garandeert tegelijkertijd, dat voor de vatbaarheid voor beroep van bepalingen van afgeleid recht altijd dezelfde objectieve criteria gelden, en dit onafhankelijk van de plaats waar ze zijn te vinden (een verordening, een richtlijn of een beschikking),
( 63 ) Zie punt 71 hiervoor.
( 64 ) Conclusie van 27 oktober 1992 (zaak C-309/89, Codorniu, Jurispr. 1994, blz. I-1853, 1856, punten 22-37.
( 65 ) Het in de tussentijd gewezen arrest in de zaak Buckl 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl, Jurispr. 1992, blz. I-6061) is mijns inziens in overeenstemming met deze gedachte. Het Hof Iaat zich in dit arrest weliswaar aanvankelijk leiden door het karakter van de door verzoekster gevraagde maatregel, kennelijk een „verordening van algemene strekking”, maar de daaropvolgende overwegingen (r, o. 27-30) gaan, nader beschouwd, over de vraag of verzoeksters individueel worden geraak_ door de door hen bestreden weigering deze maatregel te treffen,
( 66 ) Arrest van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 207, in het bijzonder blz. 232).
( 67 ) Zie arrest van 16 maart 1978 (/.aak 123/77, UNICME, Jurispr. 1978, blz. 845, r. o. 16).
( 68 ) Zie voor meer bijzonderheden mijn conclusie in de zaak Codornfu, voetnoot 64, punten 39 e. v.
( 69 ) Punten 55 en 56 hiervoor.
( 70 ) Zie voor meer bijzonderheden punt 122 hierna.
( 71 ) Zie punten 64 en 65 hiervoor.
( 72 ) Zie punten 61, 64 en 65 hiervoor.
( 73 ) Punten 58 en 59 hiervoor.
( 74 ) Zie bij voorbeeld arrest van 17 januari 1985 (Piraiki-Palraiki, reeds aangehaald, r. o. 28-31); zie eveneens mijn conclusie in de zaak Codorniu, reeds aangehaald (voetnoot 64), punt 40.
( 75 ) Arrest Töpfer, reeds aangehaald in voetnoot 53.
( 76 ) Arrest van 23 november 1971 (zaak 62/70, Bock, Jurispr. 1971, blz. 897).
( 77 ) Zie punt 1.2. van de feiten van het arrest.
( 78 ) Zie mijn conclusie van 17 september 1992 bij het arrest in zaak C-313/90 (C1RFS, Jurispr. 1992, biz. I-1125, punten 83-86 en 88-90).
( 79 ) Zie arrest van 26 juni 1990 (zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477), evenals het arrest Buckl, voetnoot 65 liicrvoor.
( 80 ) Ancst van 16 mei 1991 (zaak C-358/89, Extramet, Jurispr. 1991, blz. I-2501).
( 81 ) In de zaak Codorni'u ging het eveneens om een geval van aantasting van een bestaande positie, aangezien de mogelijkheid, die tot dan toe door verzoekster in die zaak was gebruikt, om de vermelding „crémant” voor haar mousserende wijnen te gebruiken, haar werd ontnomen. Deze inbreuk had bovendien, evenals in de zaak Extramet, een rechtstreeks gevolg voor de situatie van verzoekster ten opzichte van de concurrentie (zie punten 49-51 van mijn conclusie in de zaak Codorniu, voetnoot 64).
( 82 ) Naar mijn mening pleit het arrest Buckl (zie voetnoot 65 hiervoor), waarin werd vastgesteld dat verzoeker geen juridisch beschermd belang had bij de gevraagde beschermende maatregelen, hier eveneens voor. Terecht is de toepassing van het arrest Extramet op dit geval niet bespoken.
( 83 ) Punten 105-107 hiervoor.
( 84 ) Punt 114 hiervoor.
( 85 ) Beschikking van 23 februari 1983 (gevoegde zaken 91/82 en 200/82, Chris International Foods, lurispr. 1983, blz. 417).
( 86 ) Arrest van 10 juli 1986 (DEFI, reeds aangehaald in voetnoot 30, Jurispr. 1986, blz. 2469, r. o. 16).
( 87 ) Zie het overzicht dat Wolf geeft in: Von der Grocben, Thicsing, Ehlcrmann: Kommentar ¿um EWG-Vertrag, vierde druk 1991, ten aanzien van artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG.
Full & Egal Universal Law Academy