RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-1/89 ( *1 )
I — Feiten en procesverloop
1.
Op 24 maart 1987 liet verzoekster in het hoofdgeding, mevrouw I. Raab, die te Berlijn een kunstgalerie exploiteert, bij het douanekantoor Berlin-Tegel-Flughafen een uit de Verenigde Staten ingevoerde partij van 36 foto's van de kunstenaar Robert Mapplethorpe inklaren, die zij voor 66783,30 DM had aangekocht.
2.
Op 1 april 1987 deelde het douanekantoor de goederen in onder codenummer 4911 400 90 („foto's”) van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT) en hief het naast 14% BTW nog eens 5,8% invoerrecht.
3.
In haar bezwaar tegen deze beschikking voerde verzoekster aan, dat de foto's als „originele gravures, originele etsen en originele litho's” in de zin van tariefpost 99.02 van het GDT diende te worden aangemerkt, die van invoerrechten waren vrijgesteld en waarvoor een BTW-tarief van 7% gold; subsidiair voerde zij aan, dat deze foto's als „artistieke zeefdrukken” in de zin van tariefpost 49.11 B van het GDT dienden te worden aangemerkt, waarvoor ingevolge verordening nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten (PB 1986, L 174, biz. 1) de invoerrechten waren geschorst en waarvoor een BTW-tarief van 14% gold.
4.
Na afwijzing van haar bezwaarschrift ging verzoekster in beroep bij het Finanzgericht Berlin.
5.
a)
Tot staving van haar beroep voerde zij aan, dat de foto's „kunstfoto's” waren en onder hoofdstuk 99 van het GDT, dat onder meer kunstvoorwerpen omvat, dienden te worden ingedeeld. De wetgever wilde namelijk alle originele kunstzinnige produkten aan een voorkeursregeling onderwerpen. Mapplethorpe's foto's, waarvan slechts een beperkt aantal exemplaren wordt vervaardigd en waarvan de waarde veel hoger is dan die van het gebruikte materiaal, zijn afdrukken van een door de kunstenaar bewerkte originele plaat. Deze foto's waren dus aan te merken als grafische kunst in ruime zin en dienden bijgevolg als „originele gravures, originele etsen en originele litho's” onder tariefpost 99.02 van het GDT te worden ingedeeld. Dit blijkt enerzijds uit aantekening 4 bij hoofdstuk 99 van het GDT, volgens hetwelk, met inachtneming van het bepaalde in aantekeningen 1, 2 en 3, artikelen welke zowel onder de posten van dit hoofdstuk als onder andere posten van het tarief kunnen worden ingedeeld, onder één der posten van hoofdstuk 99 moeten worden ingedeeld. Anderzijds heeft het Hof van Justitie (arrest van 15 mei 1985, zaak 155/84, Onnasch, Jurispr. 1985, blz. 1449) „originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal, waarvan zij vervaardigd zijn” in de zin van post 99.03 zo ruim uitgelegd dat daaronder alle driedimensionele kunstwerken vallen, ongeacht de aangewende technieken en materialen. In het bijzonder heeft het Hof in deze zaak het standpunt van de Commissie bevestigd, dat het tot een onbillijk resultaat zou leiden, wanneer een als kunstwerk aangegeven voorwerp voor zijn volle waarde tegen het voor het gebruikte materiaal geldende tarief zou worden belast, ofschoon de waarde van het materiaal te verwaarlozen is in vergelijking met de artistieke waarde van het voorwerp.
b)
Voor het geval het tarief niet aldus kan worden uitgelegd, dat de kunstfoto's onder post 99.02 kunnen worden ingedeeld, betoogde verzoekster voor het nationale gerecht subsidiair, dat het in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, wanneer kunstfoto's niet op dezelfde wijze zouden worden behandeld als vergelijkbare kunstvoorwerpen. Toen de wetgever voor bepaalde, door kunstenaars niet volledig met de hand vervaardigde grafische kunstvoorwerpen een voorkeursregeling trof door de vaststelling van verordening nr. 1945/86, waarin een tijdelijke schorsing van de invoerrechten werd voorzien voor kunstzeefdrukken, had hij op grond van het gelijkheidsbeginsel dezelfde voorkeursregeling moeten laten gelden voor kunstfoto's, die met zeefdrukken gemeen hebben, dat het kunstwerken betreft die via een mechanisch of fotomechanisch afdrukprocédé worden vervaardigd. De leemte in de wet moet worden opgevuld door een wetsconforme uitlegging. Volgens verzoekster moeten derhalve kunstfoto's van Mapplethorpe, die in elk geval met kunstzeefdrukken zijn te vergelijken, evenals deze laatste van invoerrechten zijn vrijgesteld.
6.
Het Hauptzollamt Berlin-Packhof, verweerder in het hoofdgeding, concludeerde voor de nationale rechter tot verwerping van het beroep.
Verweerder was ter zake van mening, dat tariefindelingscriteria als het kunstzinnig karakter van een goed in de praktijk onbruikbaar zijn. Overigens konden de foto's op grond van de duidelijke tekst van de indelingsvoorschriften, ongeacht hun artistieke waarde, enkel onder codenummer 4911 400 90 worden ingedeeld. Ten slotte was de rechtspraak van het Hof (arrest van 15 mei 1985, reeds aangehaald) slechts in twijfelgevallen van toepassing, doch niet wanneer de bewoordingen van het GDT zoals in casu duidelijk waren.
7.
Daar volgens het Finanzgericht Berlin in casu het probleem was, hoe de betrokken gemeenschapsregeling, onder meer gelet op het arrest van het Hof van 15 mei 1985 (reeds aangehaald), moest worden uitgelegd, heeft het bij beschikking van 8 november 1988 krachtens artikel 177 EEGVerdrag besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de navolgende vraag:
„Moeten 36 foto's van de kunstenaar Robert Mapplethorpe, die te zamen voor 66783,30 DM zijn aangekocht, worden ingedeeld onder codenummer 4911 400 90 (foto's) of onder codenummer 9902 000 00 (originele gravures, originele etsen en originele litho's), dan wel subsidiair onder codenummer 4911 500 10 (douanevrijstelling voor artistieke zeefdrukken) van het gemeenschappelijk douanetarief ?”
8.
De beschikking van het Finanzgericht Berlin is op 3 januari 1989 ter griffie van het Hof ingeschreven.
9.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 7 april 1989 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack.
10.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
11.
Bij beschikking van 21 juni 1989 heeft het Hof krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar de Tweede kamer verwezen.
II — Voor het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De Commissie merkt vooraf op, dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag aldus dient te worden geherformuleerd, dat zij komt te luiden, of de tariefposten 49.11 en 99.02 van het GDT aldus moeten worden uitgelegd, dat kunstfoto's onder laatstgenoemde post moeten worden ingedeeld, dan wel als kunstzeefdrukken onder eerstgenoemde post.
Wat de grond van de zaak aangaat, is de Commissie van mening dat alle foto's, met inbegrip van kunstfoto's, onder post 49.11 B van het GDT vallen.
a)
De Commissie staaft dit standpunt met het argument, dat de fotografie als een zelfstandige kunstvorm is aan te merken en dat foto's niet in hoofdstuk 99 van het GDT worden genoemd. Mitsdien kunnen zij niet onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof in vorengenoemde zaak 155/84 via een interpretatie onder een post van dit hoofdstuk worden ingedeeld.
Verder kunnen de voorschriften van hoofdstuk 99 van het GDT niet analoog worden toegepast, aangezien het uitdrukkelijk is geregeld, dat foto's onder post 49.11 B worden ingedeeld. Om dezelfde reden kan geen beroep worden gedaan op aantekening 4 bij hoofdstuk 99 van het GDT.
Verder wordt volgens algemene bepaling nr. 1 voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT de tekst van de opschriften van de afdelingen, de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken geacht slechts als aanwijzing te gelden, zodat verzoekster in het hoofdgeding zich tot staving van haar standpunt niet kan beroepen op de tekst van hoofdstuk 99 van het GDT, dat in het algemeen betrekking heeft op „kunstvoorwerpen”.
Ten slotte kan verordening nr. 1945/86 in de zaak in het hoofdgeding niet worden toegepast, omdat zij niet geldt voor foto's, alsmede omdat zij een uitzonderingsregeling is op het algemene stelsel van het GDT, zodat ook een analogie ongeoorloofd is.
b)
Subsidiair is de Commissie van mening, dat de duidelijke regeling van het GDT betreffende de indeling van foto's niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Hoofdstuk 99 van het GDT is slechts van toepassing op kunstwerken die door. de kunstenaar met de hand zijn vervaardigd, doch niet op werken die, zoals foto's, zelfs in het origineel met behulp van technische apparaten worden vervaardigd, ook al vertonen kunstfoto's uiteindelijk veel verwantschap met de werken van de beeldende kunst, die in hoofdstuk 99 worden genoemd.
Terwijl verder de onder hoofdstuk 99 van het GDT vallende voorwerpen bijna uitsluitend kunstvoorwerpen zijn, geldt dit niet voor foto's. Integendeel, in de meeste gevallen zijn zij niet als artistiek aan te merken. Bovendien is het zeer moeilijk, zuiver commerciële foto's af te grenzen van foto's met artistieke waarde, daar deze hoedanigheid voornamelijk op basis van subjectieve en veranderlijke criteria wordt bepaald. De Commissie leidt daaruit af, dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden, wanneer de wetgever alle foto's, ongeacht hun kunstzinnig karakter, gelijk behandelt door deze immer onder post 49.11 van het GDT in te delen.
Ten slotte zijn er geen termen aanwezig om kunstfoto's op dezelfde wijze te behandelen als kunstzeefdrukken. Bij een zeefdruk is de kunstenaar aan het begin manueel werkzaam en eerst bij de reproduktie gebruikt hij technische reproduktiemiddelen, terwijl foto's direct in een mechanisch procédé worden vervaardigd.
Concluderend geeft de Commissie in overweging, de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
„De bepalingen van het GDT dienen aldus te worden uitgelegd, dat alle soorten foto's, met inbegrip van foto's die als kunstwerken zijn aan te merken, onder tariefpost 49.11 B dienen te worden ingedeeld.”
F. A. Schockweiler
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaai: Duits.
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
13 december 1989 ( *1 )
In zaak C-1/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht te Berlijn, in het aldaar aanhangig geding tussen
I. Raab, eigenares van een kunstgalerie te Berlijn,
en
Hauptzollamt Berlin-Packhof,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de tariefposten 49.11 B, „foto's”, en 99.02, „originele gravures, originele etsen en originele litho's”, van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, blz. 1), alsmede van tariefpost 49.11 B, „kunstzeefdrukken” in tabel II in bijlage bij verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten (PB 1986, L 174, biz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en T. F. O'Higgins, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen, ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 11 oktober 1989,
gehoord de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 november 1989,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikking van 8 november 1988, ingekomen ten Hove op 3 januari 1989, heeft het Finanzgericht Berlin krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de tariefposten 49.11 B „foto's” en 99.02 „originele gravures, originele etsen en originele litho's” van de bijlage bij verordening nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 tot wijziging van verordening nr. 3331/85 tot wijziging van verordening nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, blz. 1; hierna: GDT), alsmede van tariefpost 49.11 B „kunstzeefdrukken” van tabel II in bijlage bij verordening nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van een aantal industriële produkten (PB 1986, L 174, blz. 1).
2
Deze vraag is gerezen in een geding tussen I. Raab, eigenares van een kunstgalerie te Berlijn, en het Haupzollamt Berlin-Packhof (hierna: Hauptzollamt) betreffende de tariefindeling van een partij van 36 foto's van de kunstenaar Robert Mapplethorpe, die Raab voor een totaalbedrag van 66783,30 DM had gekocht en in maart 1987 vanuit de Verenigde Staten in de Bondsrepubliek Duitsland had ingevoerd.
3
Raab klaarde de foto's in bij het douanekantoor Berlin-Tegel-Flughafen, waarbij zij deze aangaf als „originele gravures, originele etsen en originele litho's” in de zin van codenummer 9902 000 00 van het GDT, die van invoerrechten zijn vrijgesteld.
4
Het douanekantoor deelde deze goederen in onder codenummer 4911400 90 („foto's”) van het GDT en hief een invoerrecht van 5,8%.
5
Raab stelde tegen de betrokken beschikking beroep in bij het Finanzgericht Berlin en betoogde dat de betrokken foto's, waarvan een beperkt aantal afdrukken werd gemaakt van een door de kunstenaar bewerkte originele plaat, en waarvan de waarde veel hoger was dan die van het gebruikte materiaal, moesten worden aangemerkt als kunstvoorwerpen in de zin van hoofdstuk 99 van het GDT en onder post 99.02 dienden te worden ingedeeld wegens hun verwantschap met het gebied van de grafische kunst.
6
Voor het geval het GDT niet aldus kan worden uitgelegd, dat kunstfoto's onder post 99.02 vallen, stelde Raab subsidiair dat op grond van het beginsel dat alle via een mechanisch of fotomechanisch procédé tot stand gekomen kunstwerken op gelijke wijze moeten worden behandeld, kunstfoto's dienden te worden gelijkgesteld met kunstzeefdrukken die, hoewel zij evenals foto's onder post 49.11 B van het GDT vielen, op grond van de schorsing van invoerrechten bij verordening nr. 1945/86 vrij van rechten konden worden ingevoerd.
7
Daarentegen betoogde het Hauptzollamt, dat op grond van de duidelijke tekst van de bepalingen van het GDT en vanwege het feit dat een op het kunstzinnig karakter van een goed gebaseerd indelingscriterium in de praktijk niet bruikbaar was, de foto's, ongeacht hun artistieke waarde, enkel onder codenummer 4911 400 90 van het GDT konden worden ingedeeld.
8
Van oordeel dat het geding een probleem van uitlegging van de betrokken gemeenschapsverordening opwierp, heeft het Finanzgericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moeten 36 foto's van de kunstenaar Robert Mapplethorpe, die te zamen voor 66783,30 DM zijn aangekocht, worden ingedeeld onder codenummer 4911 400 90 (foto's) of onder codenummer 9902 000 00 (originele gravures, originele etsen en originele litho's), dan wel subsidiair onder codenummer 4911 500 10 (douanevrijstelling voor artistieke zeefdrukken) van het gemeenschappelijk douanetarief ?”
9
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10
Met zijn vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de bepalingen van het GDT aldus moeten worden uitgelegd, dat kunstfoto's als originele gravures, etsen en litho's moeten worden ingedeeld onder post 99.02 van het GDT dan wel, subsidiair, kunnen worden beschouwd als kunstzeefdrukken in de zin van tariefpost 49.11 B van tabel II in bijlage bij verordening nr. 1945/86. Wordt deze vraag ontkennend beantwoord, dan vraagt de nationale rechter vervolgens nog, of alle foto's, ongeacht hun eventuele artistieke waarde, onder post 49.11 B van het GDT moeten worden ingedeeld.
11
Alvorens deze vraag wordt beantwoord, dient te worden opgemerkt dat tariefpost 99.02 voorkomt in hoofdstuk 99 van het GDT, met als opschrift „kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten” en betrekking heeft op „originele gravures, originele etsen en originele litho's”.
12
Vooraf zij opgemerkt dat de in hoofdstuk 99 van het GDT bedoelde goederen weliswaar van invoerrechten zijn vrijgesteld om aan voortbrengselen van kunst een voorkeursbehandeling te geven (zie arrest van 14 december 1988, zaak 291/87, Huber, Jurispr. 1988, blz. 6449, r. o. 16), doch dat daaruit niet volgt, dat alle voorwerpen waaraan een kunstzinnig karakter kan worden toegekend, onder dit hoofdstuk moeten worden ingedeeld. Immers, volgens algemene bepaling nr. 1 voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT geldt de tekst van de opschriften van de afdelingen, de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken slechts als aanwijzing en zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken bepalend voor de indeling in het GDT.
13
Volgens aantekening 2 op hoofdstuk 99 van het GDT worden als „originele gravures, etsen en litho's”, in de zin van post 99.02, aangemerkt, die, welke „rechtstreeks in het zwart of in kleuren zijn afgedrukt van één of meer door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde platen, ongeacht het materiaal waarop dit afdrukken is geschied en ongeacht de gevolgde techniek, met uitzondering van de mechanische en van de fotomechanische reproduktietechniek”.
14
Wat dit aangaat, heeft het Hof reeds geoordeeld (zie vorengenoemd arrest van 14 december 1988, r. o. 17 en 18), dat de in post 99.02 van het GDT bedoelde werken altijd een reproduktie zijn van een door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde tekening, waarbij de originele plaat waarvan de afdrukken worden gemaakt, niet met een mechanisch of fotomechanisch procédé kan zijn vervaardigd.
15
Volgens deze rechtspraak is het kenmerkende van de originele gravures, etsen en litho's in de zin van post 99.02 van het GDT de eigen en handmatige arbeid van de kunstenaar bij de vervaardiging van het origineel, terwijl enkel de afdruk met behulp van een mechanisch drukprocédé mag zijn vervaardigd.
16
Foto's, en ook foto's met een kunstzinnig karakter, voldoen niet aan deze voorwaarde. Ofschoon namelijk een foto door de keuze van het onderwerp en de gebruikte technieken het werk een artistieke waarde kan geven, komt het origineel altijd tot stand via een technisch procédé waarbij door de werking van het licht de afbeelding van de voorwerpen op een gevoelig oppervlak wordt vastgelegd. Dit origineel kan dus niet worden geacht geheel met de hand te zijn vervaardigd in de zin van aantekening 2 op hoofdstuk 99 van het GDT.
17
Zo gezien kunnen foto's niet worden ingedeeld onder post 99.02 van het GDT.
18
Met betrekking tot de vraag of kunstfoto's voor de tariefindeling als kunstzeefdrukken kunnen worden beschouwd, zij opgemerkt dat het procédé voor het vervaardigen van een kunstzeefdruk in het „feitelijk” deel van het arrest van 27 oktober 1977 (zaak 23/77, Westfälischer Kunstverein, Jurispr. 1977, blz. 1985) door het Hof als volgt is omschreven: „serigrafie is een drukprocédé waarbij gebruik wordt gemaakt van een bedrukte matrijs die bestaat uit een op hout of metaal gespannen speciaal weefsel van natuurlijke (zijde) of synthetische (nylon, enz.) textieldraden of metaaldraden (roestvrijstaal enz.). Dit drukprocédé bestaat uit twee fasen: de voorbereiding van het doek,‚overbrenging’ op het doek van de originele te reproduceren tekening (spanning van het doek op het raam) en de reproduktie op de beelddrager (het eigenlijke drukken)”.
19
Hoewel het procédé voor het drukken van kunstzeefdrukken zich dus onderscheidt van het procédé dat wordt gebruikt voor de reproduktie van originele gravures, etsen en litho's in de zin van post 99.02 van het GDT, hebben kunstzeefdrukken met de in deze tariefpost bedoelde werken gemeen, dat de af te drukken originele tekening door de kunstenaar met de hand wordt vervaardigd.
20
Voor de tariefindeling kunnen kunstfoto's dus niet worden gelijkgesteld met kunstzeefdrukken in de zin van tariefpost 49.11 B in tabel II in bijlage bij verordening nr. 1945/86, en wel om dezelfde redenen als waarom zij niet onder post 99.02 van het GDT kunnen worden ingedeeld.
21
Vervolgens dient dan te worden onderzocht, of alle foto's, ongeacht hun eventueel kunstzinnig karakter, onder post 49.11 B van het GDT moeten worden ingedeeld.
22
Zoals hierboven reeds is opgemerkt (r. o. 12), behoeven niet alle voorwerpen waaraan een kunstzinnig karakter kan worden toegekend, noodzakelijkerwijs onder hoofdstuk 99 van het GDT te worden ingediend en zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen bepalend voor de indeling in het GDT.
23
Foto's worden uitdrukkelijk genoemd in post 49.11 B van het GDT. Deze tariefpost maakt voor foto's geen onderscheid tussen foto's met een kunstzinnig karakter en foto's zonder een dergelijk karakter, en is volgens de rechtspraak van het Hof (vorengenoemd arrest van 27 oktober 1977, r. o. 5) een restpost die alle niet onder een andere post van het GDT genoemde of opgenomen produkten van grafisch drukwerk omvat.
24
Ofschoon volgens algemene bepaling nr. 1 voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT de tekst van de opschriften van de hoofdstukken als aanwijzing kan gelden voor de tariefindeling, is het eventueel kunstzinnig karakter van een voorwerp geen argument om het betrokken artikel dat onder een bepaalde tariefpost is genoemd, onder een post in een ander hoofdstuk van het GDT in te delen.
25
Dit geldt te meer waar, zoals het Hof heeft opgemerkt (zie vorengenoemd arrest van 27 oktober 1977, r. o. 3), de eventuele artistieke waarde van een voorwerp in wezen wordt bepaald naar subjectieve en onbestendige criteria, terwijl de tariefindeling moet zijn gebaseerd op objectieve maatstaven die in het GDT worden gehanteerd zowel voor zijn doeltreffende werking als ter wille van de rechtszekerheid.
26
Bijgevolg vallen foto's waaraan een kunstzinnig karakter kan worden toegekend, evenals andere foto's onder post 49.11 B van het GDT.
27
Uit het voorgaande volgt dat op de vraag van de nationale rechter dient te. worden geantwoord dat de bepalingen van het GDT aldus moeten worden uitgelegd, dat kunstfoto's niet als „originele gravures, originele etsen en originele litho's” moeten worden ingedeeld onder post 99.02 van het GDT, noch beschouwd kunnen worden als kunstzeefdrukken in de zin van tariefpost 49.11 B van tabel II in bijlage bij verordening nr. 1945/86. Ongeacht hun eventueel kunstzinnig karakter moeten alle foto's worden ingedeeld onder post 49.11 B van het GDT.
Kosten
28
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Berlin bij beschikking van 8 november 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief moeten aldus worden uitgelegd, dat kunstfoto's niet als „originele gravures, originele etsen en originele litho's” moeten worden ingedeeld onder post 99.02 van het gemeenschappelijk douanetarief, noch beschouwd kunnen worden als kunstzeefdrukken in de zin van tariefpost 49.11 B van tabel II in bijlage bij verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten. Ongeacht hun eventueel kunstzinnig karakter moeten alle foto's worden ingedeeld onder post 49.11 B van het gemeenschappelijk douanetarief.
Schockweiler
Mancini
O'Higgins
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Tweede kamer
F. A. Schockweiler
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy