Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Granen - Speciale interventiemaatregelen - Zachte broodtarwe - Vaststelling van ten opzichte van speciale interventieprijs toe te passen korting bij tarwe van andere dan gemiddelde kwaliteit - Bevoegdheid van Commissie
( Verordening nr . 2727/75 van de Raad, artikel 8; verordening nr . 400/86 van de Commissie )
2 . Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Verordeningen
( EEG-Verdrag, artikel 190 )
Samenvatting
1 . Waar de Commissie ingevolge artikel 8, lid 4, van verordening nr . 2727/75 bevoegd is, volgens de procedure van het beheerscomité te besluiten over de aard en de toepassing van de speciale interventiemaatregelen voor zachte broodtarwe, ligt het noodzakelijkerwijs op haar weg om, met inachtneming van de eisen van de markt, de korting vast te stellen die moet worden toegepast op een kwaliteit broodtarwe die weliswaar beneden de gemiddelde kwaliteit ligt, maar ten aanzien waarvan de Commissie krachtens de haar door de Raad verleende machtiging niettemin speciale interventiemaatregelen kan vaststellen .
Bij de uitoefening van die bevoegdheid was de Commissie gerechtigd, in het kader van een beleid dat erop gericht was de overschotten te verminderen, strengere kwaliteitseisen te stellen en daarbij tegelijkertijd de speciale interventieprijs te verlagen en een hogere korting toe te passen, zelfs indien het zachte broodtarwe van betere kwaliteit betrof .
2 . De door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering moet aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden . De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen . Evenwel kan bij verordeningen geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen .
Partijen
In zaak C-27/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal administratif te Versailles, in het aldaar aanhangig geding tussen
Société coopérative agricole de Rozay-en-Brie, Provins et environs ( Scarpe ), te Rozay-en-Brie,
verzoekster,
ondersteund door
Association générale des producteurs de blé et autres céréales ( AGPB ) en Fédération Française des coopératives agricoles de céréales ( FFCAC ), te Parijs,
interveniënten,
en
Office national interprofessionnel des céréales ( ONIC ),
verweerster,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van gemeenschapsverordeningen op landbouwgebied,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
samengesteld als volgt : F . A . Schockweiler, kamerpresident, G . F . Mancini en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- interveniënten in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door N . Coutrelis, advocaat te Parijs,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Delmoly als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P . Hetsch als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 8 februari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 december 1988, ingekomen bij het Hof op 2 februari 1989, heeft het Tribunal administratif te Versailles krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van gemeenschapsvorderingen op landbouwgebied .
2 Deze vraag is gerezen naar aanleiding van een verzoekschrift waarin de Société coopérative agricole de Rozay-en-Brie, Provins et environs ( hierna : Scarpe ), ondersteund door twee interveniërende verenigingen, de nationale rechter heeft verzocht om nietigverklaring van het besluit van het Office national interprofessionnel des céréales ( hierna : ONIC ), waarbij de zachte broodtarwe die Scarpe in het kader van een door de Commissie vastgestelde speciale maatregel betreffende interventieaankopen ter interventie had aangeboden, gedeeltelijk werd overgenomen .
3 Artikel 3, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen ( PB 1975, L 281, blz . 1 ), zoals nadien gewijzigd bij de verordeningen ( EEG ) nrs . 1143/76 van 17 mei 1976 ( PB 1976, L 130, blz . 1 ), 1151/77 van 17 mei 1977 ( PB 1977, L 136, blz . 1 ) en 1018/84 van 31 maart 1984 ( PB 1984, L 107, blz . 1 ), bepaalt, dat de Gemeenschap jaarlijks voor granen een gemeenschappelijke uniforme interventieprijs vaststelt en, voor zachte broodtarwe, een referentieprijs die hierboven ligt, ten einde de produktie van deze graansoort aan te moedigen . Ingevolge artikel 3, lid 2, van genoemde verordening wordt de referentieprijs vastgesteld voor zachte tarwe die voldoet aan de criteria van de standaardkwaliteit en aan de eisen die voor een gemiddelde voor de broodbereiding geschikte kwaliteit worden gesteld .
4 Artikel 8, lid 2, van verordening nr . 2727/75 bepaalt, dat wanneer de marktsituatie voor zachte broodtarwe in de Gemeenschap dit vereist, voor deze graansoort speciale interventiemaatregelen kunnen worden genomen ten einde de marktontwikkeling voor zachte broodtarwe te ondersteunen ten opzichte van de referentieprijs . Deze maatregelen kunnen evenwel betrekking hebben op andere kwaliteiten zachte broodtarwe dan waarvoor de referentieprijs is vastgesteld . Dergelijke maatregelen kunnen onder meer worden overwogen voor zachte tarwe die aan de minimumeisen gesteld voor de broodbereiding voldoet, via toepassing van een rafactie .
5 Volgens artikel 7, lid 5, van verordening nr . 2727/75 worden de minimumkwaliteit en minimumhoeveelheid waaraan iedere graansoort moet voldoen om voor interventie in aanmerking te komen, alsmede de bij interventie geldende tabellen met toeslagen en kortingen, vastgesteld volgens de procedure van het Comité van beheer .
6 Nadat de Raad voor elk verkoopseizoen de referentieprijs voor zachte broodtarwe had vastgesteld op achtereenvolgens een met de minimumkwaliteit en de gemiddelde kwaliteit overeenkomend niveau - in het laatste geval werd er voor zachte tarwe van minimumkwaliteit een, eveneens door de Raad vastgestelde, forfaitaire korting toegepast -, overwoog hij vervolgens, in verordening ( EEG ) nr . 1019/84 van 31 maart 1984 tot vaststelling van de prijzen in de sector granen voor het verkoopseizoen 1984/1985 ( PB 1984, L 107, blz . 4 ), dat het niet wenselijk was in die verordening de prijs vast te stellen die in het kader van bijzondere interventiemaatregelen zou worden toegepast voor zachte broodtarwe van minimumkwaliteit; de hoogte van deze prijs zou op het ogenblik van de eventuele toepassing van dergelijke maatregelen moeten worden bepaald .
7 Aangezien de Raad voor het verkoopseizoen 1985/1986 de gemeenschappelijke uniforme interventieprijs voor granen noch de referentieprijs voor zachte broodtarwe had vastgesteld, stelde de Commissie verordening ( EEG ) nr . 2124/85 van 26 juli 1985 vast houdende conservatoire maatregelen in de sector granen andere dan durumtarwe ( PB 1985, L 198, blz . 31 ). Mede gelet op de in de Raad naar voren gebrachte standpunten stelde deze verordening voor het verkoopseizoen 1985/1986 een gemeenschappelijke uniforme interventieprijs vast die 1,8% lager lag dan die voor het seizoen 1984/1985 .
8 Vervolgens stelde de Commissie verordening ( EEG ) nr . 400/86 van 21 februari 1986 vast houdende toepassing van een bijzondere interventiemaatregel voor zachte tarwe van bakkwaliteit ( PB 1986, L 45, blz . 22 ). Krachtens deze verordening kopen de nationale interventiebureaus de hun aangeboden hoeveelheden zachte broodtarwe tot een bepaald maximum - dat bij voorbeeld voor de Bondsrepubliek Duitsland 1 000 000 ton bedraagt en voor de Franse Republiek 200 000 ton -, onder voorbehoud van een door de Lid-Staten op de ontvangen offertes toe te passen verlagingspercentage indien de totale aangeboden hoeveelheid de vastgestelde hoeveelheid overschrijdt .
9 Rekening houdend met de in de verordening voor zachte broodtarwe vastgestelde kwaliteitseisen, hield de Commissie bij de toepassing van de betrokken speciale interventiemaatregel een prijs aan die 5% hoger lag dan de in haar verordening nr . 2124/85 vastgestelde gemeenschappelijke uniforme interventieprijs .
10 Aangezien de Franse producenten in totaal 1 699 740 ton hadden aangeboden, moest het ONIC op grond van verordening nr . 400/86 een op alle offertes toe te passen verlagingspercentage van 88,23% vaststellen . Voor de in de Bondsrepubliek Duitsland aangeboden hoeveelheden stelde het Duitse interventiebureau daarentegen een verlagingspercentage van 2,55% vast .
11 Op grond van voornoemd besluit van het ONIC aanvaardden de regionale diensten van dit bureau in het kader van de speciale interventiemaatregel bij beschikking van 19 maart 1986 de overname van 1 560 ton van de door Scarpe aangeboden hoeveelheid zachte broodtarwe van 13 250 ton .
12 Scarpe stelde bij het Tribunal administratif te Versailles beroep tot nietigverklaring van die beschikking in . Zij voerde aan dat verordening nr . 400/86, op basis waarvan de bestreden beschikking was gegeven, in tweeërlei opzicht onwettig was . Doordat deze verordening voorzag in naar de Lid-Staten gedifferentieerde maximumhoeveelheden voor interventieaankopen, zou zij in de eerste plaats een schending opleveren van artikel 8, lid 2, van verordening nr . 2727/75, het discriminatieverbod van de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag, alsmede de in artikel 190 EEG-Verdrag voorgeschreven motiveringsplicht . Voor het geval de bestreden verordening in overeenstemming met de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening der markten voor granen mocht worden geacht, zou bovendien de vraag rijzen, of deze bepalingen niet in strijd zijn met het discriminatieverbod .
13 In de tweede plaats zou de Commissie voor de in geding zijnde zachte broodtarwe abusievelijk en zonder motivering een speciale interventieprijs hebben vastgesteld die lager was dan de in het verkoopseizoen 1984/1985 voor zachte broodtarwe van mindere kwaliteit aangehouden prijs . Ten opzichte van de theoretische referentieprijs, die moest worden bepaald door op de referentieprijs voor het verkoopseizoen 1984/1985 het verlagingspercentage van 1,8% toe te passen, dat op grond van de in de Raad voor het verkoopseizoen 1985/1986 naar voren gebrachte standpunten was vastgesteld, zou de Commissie met de bestreden verordening de speciale interventieprijs met meer dan dit percentage hebben verlaagd . Daarmee zou zij haar bevoegdheden op prijsgebied hebben overschreden : bij gebreke van een besluit van de Raad voor het verkoopseizoen 1985/1986 zouden die bevoegdheden beperkt blijven tot het nemen van conservatoire maatregelen .
14 Van oordeel dat het om een serieuze betwisting ging, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof zich zal hebben uitgesproken over de vraag
"of verordening nr . 400/86 van de Commissie van 21 februari 1986, alsook de verordeningen nrs . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975, 1146/76 van de Raad van 17 mei 1976 en 1629/77 van de Commissie van 20 juli 1977 in strijd zijn met de bepalingen van de artikelen 7, 40, lid 3, en 190 EEG-Verdrag ."
15 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
16 In zijn arrest van 8 juni 1989 ( zaak 167/88, Association générale des producteurs de blé et autres céréales/Office national interprofessionnel des céréales, Jurispr . 1989, blz . 1653 ) heeft het Hof de naar Lid-Staten gedifferentieerde maximumhoeveelheden voor bijzondere interventieaankopen getoetst aan dezelfde communautaire bepalingen als die welke in casu door de nationale rechter zijn genoemd, en verklaard dat niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de in geding zijnde verordeningen konden aantasten .
17 In casu blijft dus enkel nog na te gaan, of verordening nr . 400/86 geldig is in het licht van de door de Commissie aangehouden speciale interventieprijs .
Het middel ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie
18 Blijkens de gezamenlijke bepalingen van artikel 7, leden 2 en 5, van verordening nr . 2727/75 heeft de Commissie tot taak, volgens de procedure van het Comité van beheer de tabellen met kortingen vast te stellen die gelden bij interventie wanneer de kwaliteit van het graan verschilt van de standaardkwaliteit waarvoor de interventieprijs is vastgesteld .
19 Uit de juridische context van de zaak blijkt bovendien, dat de Raad uitsluitend had gesteld, dat de hoogte van de prijs die in het kader van speciale interventiemaatregelen zou worden toegepast voor zachte broodtarwe van minimumkwaliteit, moest worden bepaald op het ogenblik van de eventuele toepassing van dergelijke maatregelen, dat wil zeggen door de Commissie .
20 Waar de Commissie ingevolge artikel 8, lid 4, van verordening nr . 2727/75 bevoegd is, volgens de procedure van het beheerscomité te besluiten over de aard en de toepassing van de speciale interventiemaatregelen, lag het noodzakelijkerwijs op haar weg om, met inachtneming van de eisen van de markt, de korting vast te stellen die moest worden toegepast op zachte broodtarwe van mindere dan de gemiddelde kwaliteit .
21 Deze bevoegdheid van de Commissie vloeit impliciet voort uit de haar door de Raad toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van speciale interventiemaatregelen voor de aankoop van zachte broodtarwe van andere dan de gemiddelde kwaliteit, welke bevoegdheid interveniënten in het hoofdgeding overigens niet hebben betwist .
22 In hun schriftelijke opmerkingen hebben interveniënten zelfs met zoveel woorden verklaard, dat de Commissie in het kader van haar beheersbevoegdheden ook speciale interventiemaatregelen kon vaststellen voor zachte tarwe van minimumkwaliteit, waarbij het haar taak was de hoogte van de prijs te bepalen .
23 Bijgevolg heeft de Commissie met de vaststelling van verordening nr . 400/86 haar bevoegdheden op prijsgebied niet overschreden .
Het middel ontleend aan de hoogte van de speciale interventieprijs
24 In casu staat vast, dat de Commissie rekening heeft gehouden met het door de Raad in verordening nr . 1019/84 aangekondigde en door haarzelf in gang gezette restrictievere beleid, dat ertoe strekte de met name op de markt voor zachte broodtarwe geconstateerde overschotten te verminderen .
25 In zoverre was de Commissie gerechtigd, in het ene verkoopseizoen strengere kwaliteitseisen te stellen dan in het andere, en daarbij tegelijkertijd de speciale interventieprijs te verlagen en een hogere korting toe te passen, zelfs indien het zachte broodtarwe van betere kwaliteit betrof .
26 Er zijn dus geen aanwijzingen, dat de Commissie bij de vaststelling van de in geding zijnde speciale interventieprijs een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt .
Het middel ontleend aan ontoereikende motivering van de speciale interventieprijs
27 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, met name bevestigd in het arrest van 22 januari 1986 ( zaak 250/84, Eridania, Jurispr . 1986, blz . 117 ), moet de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden . De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen . Evenwel kan bij verordeningen geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen .
28 Uit het voorgaande blijkt, dat de in de litigieuze verordening vastgestelde speciale interventieprijs past in het kader van de regeling betreffende de markt voor zachte broodtarwe en van de nieuwe beleidslijn op prijsgebied, zoals de gemeenschapsinstellingen die in het voorgaande verkoopseizoen hadden aangekondigd en in gang gezet en waarvan de marktdeelnemers in de betrokken sector dus op de hoogte waren .
29 Er zijn derhalve geen aanwijzingen, dat verordening nr . 400/86 onvoldoende met redenen is omkleed .
30 Gelet op het voorgaande moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de door de nationale rechter bedoelde verordeningen kunnen aantasten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
uitspraak doende op de door het Tribunal administratif te Versailles bij beschikking van 22 december 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de door de nationale rechter bedoelde verorderingen kunnen aantasten .
Full & Egal Universal Law Academy