Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Bedrag aan niet-geïnde rechten gelijk aan of hoger dan 2 000 ecu - Nationale autoriteiten die tot navordering willen overgaan - Geen verplichting, Commissie om uitspraak te verzoeken
( Verordening nr . 1697/79 van de Raad, artikel 5, lid 2; verordening nr . 1573/80 van de Commissie, artikel 4 )
2 . Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Vergissing van de administratie die belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken - Beoordelingscriteria
( Verordening nr . 1697/79 van de Raad, artikel 5, lid 2 )
Samenvatting
1 . Artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de niet-geïnde rechten gelijk is aan of hoger dan 2 000 ecu, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn de Commissie te verzoeken om een uitspraak over de vraag of van navordering van die rechten kan worden afgezien, indien zij van oordeel zijn dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2 .
2 . Om te beoordelen of er sprake is van "een vergissing die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken", als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer en bij uitvoer, dient met name te worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid . Het staat aan de nationale rechter, op basis van deze uitlegging te beoordelen, of de vergissing ten gevolge waarvan de douanerechten niet zijn geïnd, door de belastingschuldige kon worden ontdekt .
Partijen
In zaak C-64/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Hauptzollamt Giessen
en
Deutsche Fernsprecher GbmH, Hamburg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer ( PB 1979, L 197, blz . 1 ) en van artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 ( PB 1979, L 161, blz . 1 ), wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, waarnemend voor de president van de Vijfde Kamer, R . Joliet, J . C . Mointinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J . Conde de Saro en R . Silva de Lapuerta als gemachtigden,
- de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack als gemachtigde, bijgestaan door R . Kubicki, ambtenaar van het Ministerie van Justitie van de Bondsrepubliek Duitsland, ter beschikking gesteld van de juridische dienst van de Commissie,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Spaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 8 februari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 24 januari 1989, ingekomen ten Hove op 3 maart daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad ( PB 1980, L 191, blz . 1, hierna : de verordening van de Commissie ) en van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( PB 1979, L 197, blz . 1; hierna : de verordening van de Raad ).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen Deutsche Fernsprecher GbmH ( hierna : Deutsche Fernsprecher ) en het Hauptzollamt Giessen ( hierna : het Hauptzollamt ) over de rechtmatigheid van een navordering van invoerrechten voor bepaalde onderdelen van telefooninstallaties die een passieve veredeling hadden ondergaan .
3 In het passieve veredelingsverkeer kunnen communautaire goederen overeenkomstig de voorwaarden die zijn voorzien in verordening ( EEG ) nr . 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer ( PB 1986, L 212, blz . 1 ), tijdelijk buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd ten einde deze te laten veredelen, en kunnen de produkten die het resultaat zijn van deze veredeling ( zogenoemde "veredelingsprodukten ") weer in het vrije verkeer binnen het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht, met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten .
4 Tussen 10 juni 1981 en 27 mei 1982 liet Deutsche Fernsprecher bij een van de diensten van het Hauptzollamt onderdelen van telefooninstallaties inklaren, die in het kader van een eerdere passieve veredeling grotendeels waren vervaardigd uit goederen die te voren zonder vrijstelling of restitutie van douanerechten uit de Gemeenschap waren uitgevoerd .
5 In haar douaneaangifte had Deutsche Fernsprecher alle voor de heffing van de douanerechten van belang zijnde gegevens verstrekt, onder meer de materiaalwaarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten . Daarna werden over de goederen evenwel geen douanerechten geheven, doordat de douanewaarde van de veredelde produkten werd berekend naar het voor de veredeling betaalde bedrag, zonder dat de materiaalwaarde van de tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen werd meegerekend . Omdat zij twijfelde of deze vrijstelling juist was, vroeg Deutsche Fernsprecher het douanekantoor haar geval nog eens te bezien, waarop de directeur van het kantoor de juistheid van de douanevrijstelling bevestigde .
6 Bij twee wijzigingsbeschikkingen van 1 en 2 juli 1982 ging het Hauptzollamt over tot navordering van de douanerechten, waarvan het bedrag uiteindelijk, na een door Deutsche Fernsprecher ingediend bezwaarschrift, werd vastgesteld op 27 114,70 DM .
7 Daarop stelde Deutsche Fernsprecher beroep in bij het Finanzgericht, die deze beide beschikkingen vernietigde op grond dat artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad aan een dergelijke terugvordering in de weg stond . Volgens het Finanzgericht had verzoekster namelijk de vergissing van de douanedienst, welke vergissing berustte op een foutieve toepassing van de voorschriften inzake de bepaling van de douanewaarde van de betrokken goederen, niet kunnen ontdekken .
8 Het Hauptzollamt stelde tegen deze uitspraak "Revision" in . Het Bundesfinanzhof betwijfelde zowel, of de Duitse autoriteiten bevoegd waren zich uit te spreken over een eventuele navordering zonder tevoren de Commissie daarin te kennen, als de juistheid van de uitlegging die het Finanzgericht had gegeven aan artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad had gegeven . Mitsdien heeft het besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen te stellen :
"1 ) Moet het ter zake geldende gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 ( PB 1980, L 161, blz . 1 ), aldus worden uitgelegd, dat bij een navordering van douanerechten ten bedrage van 2 000 ecu of meer de Commissie niet om een uitspraak behoeft te worden verzocht omtrent de vraag of daarvan kan worden afgezien, wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de vergissing werd begaan, waardoor geen rechten zijn geheven, van mening zijn dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 ( PB 1979, L 197, blz . 1 ) is voldaan ?
2 ) Zo ja : Moet artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 aldus worden uitgelegd, dat aan de hand van een objectief criterium moet worden uitgemaakt of de belastingschuldige de vergissing van de autoriteiten had kunnen ontdekken en dat bijgevolg moet worden aangenomen dat hij de vergissing had kunnen ontdekken, wanneer hij deze met behulp van de relevante - openbaar gemaakte -, niet onduidelijke of onvolledige voorschriften had kunnen vaststellen, of dient ook te worden aangenomen dat de vergissing niet kon worden ontdekt, wanneer de douaneautoriteiten de betrokkene tot tweemaal toe de - juridisch niet bindende - foutieve opvatting meedeelden waarop zij hun tariefbehandeling baseerden ?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
10 In deze zaak gaat het in wezen om twee bepalingen :
- artikel 4 van de verordening van de Commissie, waarin het volgende is bepaald :
"Wanneer de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing werd begaan zich er niet met eigen middelen van kan verzekeren dat aan alle in lid 2 van artikel 5 van de basisverordening gestelde voorwaarden is voldaan, of wanneer het bedrag van de betrokken rechten gelijk is aan of groter is dan 2 000 ecu, verzoekt zij de Commissie zich hierover uit te spreken en verstrekt haar alle gegevens die nodig zijn om de situatie te beoordelen";
alsmede
- artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad, dat het volgende bepaalt :
"De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte ."
De uitlegging van artikel 4 van de verordening van de Commissie
11 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de nationale autoriteiten ingevolge artikel 4 van de verordening van de Commissie verplicht zijn, de Commissie om een uitspraak te verzoeken omtrent de vraag of kan worden afgezien van navordering van douanerechten wanneer het bedrag van de niet-geïnde rechten 2 000 ecu of meer bedraagt, ook al menen zij zelf, dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad is voldaan .
12 In de verordening van de Commissie worden de voorwaarden voor de toepassing van artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad vastgesteld, dat wil zeggen van de bepaling op grond waarvan in bepaalde gevallen niet tot navordering behoeft te worden overgegaan . Artikel 4 van de verordening van de Commissie betreft derhalve niet het geval waarin de nationale autoriteiten ervan overtuigd zijn, dat aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad is voldaan en zij dus menen tot navordering te moeten overgaan .
13 Deze uitlegging stemt overeen met de doelstelling van de verordening van de Commissie . Door de toekenning van een beslissingsbevoegdheid aan de Commissie op het gebied van de navordering van douanerechten dient een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te worden verzekerd . Deze uniforme toepassing zou in gevaar kunnen komen in de gevallen waarin een verzoek om van navordering af te zien, wordt ingewilligd . Omdat daartegen waarschijnlijk geen administratief beroep zal worden ingesteld, dreigt de beoordeling waarop een Lid-Staat een positieve beslissing zou kunnen baseren, zich in de praktijk te onttrekken aan een controle waarmee de uniforme toepassing van de door de communautaire wetgeving gestelde voorwaarden kan worden verzekerd . Zulks is evenwel niet het geval wanneer de nationale autoriteiten wel tot navordering overgaan, en wel ongeacht het bedrag waar het om gaat . Dan kan de betrokkene die beslissing namelijk aanvechten voor de nationale rechter . De uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht kan dan in voorkomend geval door het Hof van Justitie worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure .
14 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 4 van verordening nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de niet-geïnde rechten gelijk is aan of hoger dan 2 000 ecu, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn de Commissie te verzoeken om een uitspraak over de vraag of van navordering van die rechten kan worden afgezien, indien zij van oordeel zijn dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 .
De uitlegging van artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad
15 Met de tweede vraag wil de nationale rechter vernemen, volgens welke criteria moet worden beoordeeld, of een vergissing door de belastingschuldige redelijkerwijze kon worden ontdekt, als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad .
16 Het Bundesfinanzhof plaatst in dit verband vraagtekens bij het standpunt van het Finanzgericht, dat van de importeur niet meer kennis van zaken zou mogen worden verwacht dan van de douaneambtenaren zelf .
17 Dat standpunt kan inderdaad niet worden aanvaard . Zou dit als beginsel worden gesteld, dan zou dit, gelijk de Commissie en de Spaanse regering hebben opgemerkt, tot gevolg hebben, dat het praktisch onmogelijk zou worden tot navordering over te gaan, omdat een vergissing noodzakelijkerwijze altijd is begaan door een bevoegd ambtenaar die een bepaalde feitelijke of juridische situatie niet vanuit alle gezichtshoeken heeft bekeken . Artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad zou zinledig worden, omdat dit artikel van de logische vooronderstelling uitgaat, dat inning van de betrokken rechten achterwege is gebleven als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf .
18 Daarentegen dienen alle omstandigheden van het geval concreet te worden beoordeeld, om te beslissen of een vergissing door de betrokken ondernemer al dan niet kon worden ontdekt .
19 Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid .
20 Ter beoordeling van de aard van de vergissing moet telkens worden nagegaan of de betrokken regeling ingewikkeld is of integendeel zo eenvoudig dat bij onderzoek van de feiten een vergissing gemakkelijk kan worden ontdekt . In een geval als het onderhavige, waarin de ondernemer tot tweemaal toe de bevestiging kreeg dat de in feite onjuiste opvatting waarop de tariefbehandeling was gebaseerd, de juiste was, vormt deze herhaalde vergissing van de douaneautoriteit een aanwijzing dat het op te lossen probleem ingewikkeld was .
21 Met betrekking tot de beroepservaring van de ondernemer moet worden nagegaan of hij beroepsmatig voornamelijk op het gebied van de in - en uitvoer werkzaam is en of hij al een zekere ervaring heeft met de handel in de betrokken goederen, in het bijzonder of hij in het verleden al dergelijke transacties heeft verricht, waarbij de douanerechten wél correct waren berekend .
22 Wat de door de ondernemer betrachte zorgvuldigheid aangaat, zij opgemerkt, dat deze, zodra hij zelf twijfelt aan de juistheid van de berekening van de douanewaarde van de goederen, navraag heeft te doen en alle mogelijke opheldering moet zien te verkrijgen om te controleren of zijn twijfels al dan niet gerechtvaardigd zijn .
23 Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, aan deze criteria is voldaan .
24 Gezien het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat om te beoordelen of er sprake is van "een vergissing die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken", als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79, met name dient te worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid . Het staat aan de nationale rechter, op basis van deze uitlegging te beoordelen, of de vergissing ten gevolge waarvan de douanerechten niet zijn geïnd, door de belastingschuldige kon worden ontdekt .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door het Koninkrijk Spanje en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 24 januari 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de niet-geïnde rechten gelijk is aan of hoger dan 2 000 ecu, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn de Commissie te verzoeken om een uitspraak over de vraag of van navordering van die rechten kan worden afgezien, indien zij van oordeel zijn dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 .
2 ) Om te beoordelen of er sprake is van "een vergissing die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken", als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979, dient men met name te letten op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid . Het staat aan de nationale rechter, op basis van deze uitlegging te beoordelen, of de vergissing ten gevolge waarvan de douanerechten niet zijn geïnd, door de belastingschuldige kon worden ontdekt .
Full & Egal Universal Law Academy