Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Vrij verkeer van goederen - Produkten in vrij verkeer - Begrip
( EEG-Verdrag, artikelen 9 en 10 )
2 . Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Communautair karakter van goederen - Bewijsmiddelen - Vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen
( Verordening nr . 222/77 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr . 983/79, artikel 49 )
Samenvatting
1 . Goederen die uit een derde land in de Gemeenschap zijn ingevoerd, worden als zich bevindend in het vrije verkeer beschouwd, wanneer de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan, zonder dat een onderscheid behoeft te worden gemaakt tussen het geval van goederen die worden vervoerd in een Lid-Staat waar de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan, en het geval van de goederen die, nadat de invoerformaliteiten in een Lid-Staat op regelmatige wijze zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan, vervolgens in een andere Lid-Staat worden ingevoerd .
2 . De regeling inzake communautair douanevervoer, zoals neergelegd in verordening nr . 222/77, zoals gewijzigd bij verordening nr . 983/79, moet aldus worden uitgelegd, dat bij vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen de verklaring van de reiziger door wie zij worden medegevoerd of van wiens bagage zij deel uitmaken, volstaat om deze goederen als communautaire goederen te beschouwen . Wel moet de reiziger een document voor intern communautair douanevervoer overleggen, indien op objectieve gronden twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte .
Partijen
In zaak C-83/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hof van beroep te Antwerpen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Openbaar Ministerie en minister van Financiën
en
V . Houben
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van sommige bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende goederen die zich in het vrije verkeer bevinden,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen, ingediend door :
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door K . Lenaerts, advocaat te Brussel,
- de Commissie, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door I . Maselis, advocaat te Brussel, en van de Commissie, ter terechtzitting van 12 december 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 10 maart 1989, ingekomen ten Hove op 14 maart daaropvolgend, heeft het Hof van beroep te Antwerpen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van sommige bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende goederen die in de Gemeenschap worden vervoerd . Deze vragen hebben in het bijzonder betrekking op de betekenis van de uitdrukking "goederen welke zich in het vrije verkeer bevinden" in de zin van de artikelen 9, lid 2, en 10, lid 1, EEG-Verdrag, alsmede op de bewijslast betreffende de verrichting van de formaliteiten bij invoer van dergelijke goederen in de Gemeenschap en de betaling van de eventueel verschuldigde douanerechten .
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak die het Openbaar Ministerie en de vervolgende partij, de minister van Financiën van het Koninkrijk België, hebben ingeleid tegen V . Houben, die ervan wordt beschuldigd België vanuit Duitsland te zijn binnengekomen in het bezit van een in zijn auto ingebouwde stereo-installatie van Japans fabrikaat, zonder de wettelijk vereiste aangifte te hebben gedaan en zonder de over deze invoer verschuldigde invoerrechten te hebben betaald .
3 De Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, waarvoor Houben was gedaagd, verklaarde de feiten niet bewezen en sprak hem bij vonnis van 26 november 1986 vrij . Tegen dit vonnis stelden het Openbaar Ministerie en de vervolgende partij, de minister van Financiën, hoger beroep in voor het Hof van beroep te Antwerpen, dat met het oog op de beslechting van het geding de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende vragen heeft voorgelegd :
" Mag een goed dat is ingevoerd vanuit een derde land in een Lid-Staat worden beschouwd als zijnde 'in vrij verkeer' wanneer het wordt ingevoerd in een andere Lid-Staat, zelfs als de invoerbelasting in de eerste Lid-Staat niet werd vereffend?
Als wordt aangenomen dat er geen sprake kan zijn van 'vrij verkeer' tenzij de invoerformaliteiten regelmatig werden verricht en bovendien de douanerechten werden vereffend, dient dan te worden uitgegaan van het vermoeden dat aan deze verplichtingen is voldaan wanneer de goederen worden aangetroffen in een Lid-Staat of moet worden uitgegaan van het vermoeden dat aan deze verplichtingen niet is voldaan, tenzij de houder van de goederen het bewijs van het tegendeel levert?
Meer algemeen : dient de invoerder van goederen afkomstig uit een derde land, wanneer hij deze goederen uit een Lid-Staat invoert in een andere Lid-Staat, te bewijzen dat hij douanerechten in de eerste Lid-Staat betaald heeft om te doen aannemen dat de goederen in het vrij verkeer zijn in de EEG?"
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
5 De gestelde vragen kunnen in de twee navolgende vragen worden samengevat :
6 De eerste vraag : kunnen goederen die uit een derde land zijn ingevoerd, als zich bevindend "in het vrije verkeer" in de Gemeenschap worden beschouwd, ook al zijn de invoerformaliteiten niet verricht en de douanerechten niet voldaan, en zo ja, onder welke voorwaarden?
7 De tweede vraag : op wie rust bij invoer uit een Lid-Staat naar een andere de bewijslast, dat de goederen welke door reizigers worden medegevoerd of deel uitmaken van hun bagage, zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden?
De eerste vraag
8 Het antwoord op deze vraag is te vinden in artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag, naar luid waarvan "als zich bevindend in het vrije verkeer in een Lid-Staat worden beschouwd : de produkten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend ".
9 Zoals het Hof in zijn arrest van 15 december 1976 ( zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr . 1976, blz . 1921 ) heeft overwogen, zijn onder produkten in het vrije verkeer te verstaan de produkten uit derde landen die, in overeenstemming met de in artikel 10 gestelde voorwaarden, regelmatig in een der Lid-Staten zijn ingevoerd .
10 Deze bepaling maakt namelijk geen onderscheid tussen het geval van uit een derde land ingevoerde goederen die worden vervoerd in een Lid-Staat waar de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan, en het geval van goederen die, nadat de invoerformaliteiten in een Lid-Staat op regelmatige wijze zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan, vervolgens in een andere Lid-Staat worden ingevoerd .
11 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat goederen die uit een derde land in de Gemeenschap zijn ingevoerd, als zich bevindend in het vrije verkeer worden beschouwd, wanneer de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan .
De tweede vraag
12 Voor het antwoord op deze vraag zij opgemerkt dat ten tijde van de feiten van het hoofdgeding dit bewijsprobleem geregeld was in verordening ( EEG ) nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 1 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 983/79 van de Raad van 14 mei 1979 ( PB 1979, L 123, blz . 1 ). Dit is dus de regeling die thans moet worden uitgelegd .
13 Verordening nr . 222/77 voorziet twee regelingen voor communautair douanevervoer . De ene, de regeling voor extern communautair douanevervoer, betreft blijkens artikel 1, lid 2, van verordening nr . 222/77 hoofdzakelijk goederen die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag, dat wil zeggen goederen uit derde landen, welke zich in de Gemeenschap niet in het vrije verkeer bevinden . Ingevolge artikel 12, lid 1, van verordening nr . 222/77 moet voor deze goederen aangifte worden gedaan op een formulier T1 . Dit formulier, dat door het bevoegde douanekantoor wordt geviseerd, vormt het bewijs van het niet-communautaire karakter van de goederen .
14 De andere, de regeling voor intern communautair douanevervoer, betreft blijkens artikel 1, lid 3, van de verordening hoofdzakelijk goederen die wel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag, dat wil zeggen goederen welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten, dan wel goederen welke zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden : de "communautaire goederen ". Ingevolge artikel 39, lid 1, van de verordening moet voor deze goederen aangifte worden gedaan op een formulier T2 . Dit formulier, dat door het bevoegde douanekantoor wordt geviseerd, vormt het bewijs van het communautaire karakter van deze goederen .
15 Voorts zijn in sommige specifieke bepalingen van verordening nr . 222/77 gevallen voorzien waarin communautaire goederen niet met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd .
16 In verordening ( EEG ) nr . 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 20 ) wordt voor de communautaire goederen die niet met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd, wanneer deze regeling niet verplicht is, als bewijsmiddel het document T2 L voorzien, waarvan de inhoud overeenstemt met die van het document T2 voor intern communautair douanevervoer ( negende overweging van de considerans en artikel 1, lid 8, van verordening nr . 223/77 ).
17 Uit een en ander volgt dat in de verordeningen nrs . 222/77 en 223/77 als regel wordt gesteld, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, behoudens de in die verordeningen voorziene uitzonderingen, uitsluitend door middel van het document T2 of het document T2 L kan worden geleverd .
18 Bovendien heet het in artikel 49, leden 1 en 2, van verordening nr . 222/77, zoals gewijzigd bij vorengenoemde verordening nr . 983/79 :
"1 ) De regeling voor communautair douanevervoer is niet verplicht voor het vervoer van goederen welke door reizigers medegevoerd worden of deel uitmaken van hun bagage, indien deze goederen niet voor handelsdoeleinden zijn bestemd .
2 ) Op goederen die krachtens het bepaalde in lid 1 niet met toepassing van de regeling voor communautair douanevervoer worden vervoerd, zijn de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende het vrije verkeer van goederen van toepassing :
a ) wanneer wordt aangegeven dat het communautaire goederen betreft, zonder dat omtrent de juistheid van deze aangifte twijfel bestaat;
b ) in de andere gevallen : indien een document voor intern communautair douanevervoer wordt overgelegd, afgegeven ten bewijze van het communautaire karakter van deze goederen ."
19 Uit deze laatste bepaling volgt, dat bij het vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen, de goederen welke door een reiziger worden medegevoerd of deel uitmaken van zijn bagage, reeds als communautaire goederen kunnen worden beschouwd, zodra over de juistheid van de aangifte ter zake geen twijfel bestaat . Alleen wanneer de douane twijfelt, moet de reiziger een document voor intern communautair douanevervoer ( T2 of T2 L ) overleggen .
20 Ter zake zij evenwel opgemerkt, dat het feit dat het betrokken goed in een derde land is vervaardigd, op zichzelf nog geen grond is voor twijfels in de zin van voormelde bepaling . De twijfels van de douane omtrent de juistheid van de aangifte van de reiziger moeten een objectieve basis hebben en het gevolg zijn van bij voorbeeld de bijzondere omstandigheden waarin de betrokken invoer plaatsvindt of de omtrent die invoer ontvangen inlichtingen . Subjectieve meningen van de controlerende ambtenaren zijn geen toereikende grond om de reiziger te verplichten, een document voor intern communautair douanevervoer over te leggen .
21 Deze uitlegging is in overeenstemming met het doel van deze bepaling : het vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen die door reizigers worden medegevoerd of deel uitmaken van hun bagage, vergemakkelijken door de bewijslast af te wentelen van de reiziger, die zich anders genoopt zou zien de in de regeling voor intern communautair douanevervoer voorziene formaliteiten te verrichten .
22 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de gemeenschapsregeling aldus moet worden uitgelegd dat bij vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen de verklaring van de reiziger door wie zij worden medegevoerd of van wiens bagage zij deel uitmaken, volstaat om deze goederen als communautaire goederen te beschouwen . Wel moet de reiziger een document voor intern communautair douanevervoer overleggen, indien op objectieve gronden twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en door de regering van het Koninkrijk België wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 10 maart 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) De artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat goederen die uit een derde land in de Gemeenschap zijn ingevoerd, als zich bevindend in het vrije verkeer worden beschouwd, wanneer de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschillende rechten zijn voldaan .
2 ) De gemeenschapsregeling moet aldus worden uitgelegd, dat bij vervoer van niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen de verklaring van de reiziger door wie zij worden medegevoerd of van wiens bagage zij deel uitmaken, volstaat om deze goederen als communautaire goederen te beschouwen . Wel moet de reiziger een document voor intern communautair douanevervoer overleggen, indien op objectieve gronden twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte .
Full & Egal Universal Law Academy