Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Werknemers, onderworpen aan wettelijke regeling van een Lid-Staat - Gezinsleden woonachtig in andere Lid-Staat - Overgangsregeling, ingesteld bij artikel 60 van de Toetredingsakte Spanje, tot inwerkingtreding van voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing, bedoeld in artikel 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 - Analogische toepassing van artikel 73, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 - Door Hof vastgestelde ongeldigheid van artikel 73, lid 2 - Gevolgen - Algemene toepasselijkheid van bij artikel 73, lid 1, ingevoerde regeling die inwerkingtreding van eenvormige oplossing verwezenlijkt - Datum van toepassing van regeling van artikel 73, lid 1, op Spaanse werknemers
( EEG-Verdrag, artikel 51; Toetredingsakte van 1985, artikel 60; verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad, artikelen 73, leden 1 en 2, en 99 )
Samenvatting
De voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing inzake de betaling van gezinsbijslagen voor gezinsleden van een werknemer, die niet woonachtig zijn op het grondgebied van de bevoegde staat, bedoeld in artikel 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83, is op 15 januari 1986 in werking getreden als gevolg van het arrest van die datum, waarbij het Hof vaststelde dat artikel 73, lid 2, van die verordening van meet af aan ongeldig was geweest . Zolang de Raad geen nieuwe voorschriften heeft vastgesteld, die in overeenstemming zijn met artikel 51 EEG-Verdrag, houdt die ongeldigverklaring in, dat het in artikel 73, lid 1, van die verordening omschreven stelsel van betaling van gezinsbijslagen algemeen van toepassing is .
De inwerkingtreding van die eenvormige oplossing heeft tot gevolg gehad, dat op artikel 73, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte vanaf 15 januari 1986 een beroep kan worden gedaan door in een andere Lid-Staat dan Spanje werkzame Spaanse werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen .
Partijen
In zaak C-99/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Sozialgericht Frankfurt am Main, in het aldaar aanhangig geding tussen
F . Yáñez-Campoy
en
Bundesanstalt fuer Arbeit,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : G . F . Mancini, kamerpresident, T . F . O' Higgins, M . Díez de Velasco, C . N . Kakouris en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door
- F . Yáñez-Campoy, vertegenwoordigd door A . González Maeztu van de afdeling Sociale zaken van het Spaanse consulaat-generaal te Frankfurt am Main,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door H . Kaupper, Ministerialrat bij het Bundesministerium fuer Arbeit und Sozialordnung, als gemachtigde,
- de regering van het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J . Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie communautaire juridische en institutionele aangelegenheden, en door R . Silva de Lapuerta, Abogado del Estado, als gemachtigden,
- de regering van de Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L . Inêz Fernandes, directeur Juridische zaken bij het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen, en door S . Pizarro, adjunct-directeur-generaal van het departement Internationale betrekkingen en verdragen inzake sociale zekerheid, als gemachtigden,
- de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard als gemachtigde en door C . Chavance als plaatsvervangend gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Gouloussis en door J . Gruenwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden .
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van F . Yáñez-Campoy, de Franse regering vertegenwoordigd door P . Pouzoulet, de Portugese en Spaanse regering alsook de Commissie ter terechtzitting van 3 mei 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 13 maart 1989, ingekomen ten Hove op 24 maart daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 73, lid 1, en 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 Die vraag is gerezen in een geding over de beslissing van de Bundesanstalt fuer Arbeit om aan Yáñez-Campoy gezinsbijslagen te betalen overeenkomstig artikel 40 van het Duits-Spaanse Verdrag inzake sociale zekerheid van 4 december 1973 en niet overeenkomstig § 10 van het Bundeskindergeldgesetz, dat in aanzienlijk hogere bijslagen voorziet .
3 Artikel 73, leden 1 en 2, van verordening nr . 1408/71 luidde vóór de wijziging bij verordening ( EEG ) nr . 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 ( PB 1989, L 331, blz . 1 ) als volgt :
"1 ) De werknemer op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan Frankrijk van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden .
2 ) De werknemer op wie de Franse wettelijke regeling van toepassing is, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Frankrijk wonen, recht op de kinderbijslagen waarin voorzien is door de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen; de werknemer moet voldoen aan de voorwaarden inzake het verrichten van arbeid waarvan de Franse wettelijke regeling het recht op bijslagen afhankelijk stelt ."
4 Artikel 99 van verordening nr . 1408/71, dat bij artikel 1, sub 4, van verordening nr . 3427/89 is geschrapt, bepaalde :
"Vóór 1 januari 1983 beziet de Raad op voorstel van de Commissie het gehele vraagstuk van de uitbetaling der gezinsbijslagen aan de gezinsleden die niet op het grondgebied van de bevoegde Staat wonen opnieuw om te komen tot een voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing ."
5 Het Hof heeft in zijn arrest van 15 januari 1986 in zaak 41/84 ( Pinna, Jurispr . 1986, blz . 1 ) op een prejudiciële vraag van de Franse Cour de cassation voor recht verklaard :
"1 ) Artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 is ongeldig, doordat het uitsluit dat aan werknemers op wie de Franse wettelijke regeling van toepassing is, Franse gezinsbijslagen worden toegekend voor hun gezinsleden die in een andere Lid-Staat wonen .
2 ) Op de vastgestelde ongeldigheid van artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 kan geen beroep worden gedaan tot staving van aanspraken op uitkeringen over vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvakken, behalve door werknemers die reeds vóór deze datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaar hebben doen gelden ."
6 Na deze uitspraak heeft de Franse Cour de cassation, nog steeds in verband met hetzelfde cassatieberoep, de behandeling van de zaak nogmaals geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld over de gevolgen van dit arrest . In zijn arrest van 2 maart 1989 ( zaak 359/87, Pinna, Jurispr . 1989, blz . 585 ) heeft het Hof, uitspraak doende op dat verzoek om een prejudiciële beslissing, voor recht verklaard :
"Zolang de Raad geen nieuwe voorschriften heeft vastgesteld, die in overeenstemming zijn met artikel 51 EEG-Verdrag, houdt de ongeldigverklaring van artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 in, dat het in artikel 73, lid 1, van die verordening omschreven stelsel van betaling van gezinsbijslagen algemeen van toepassing is ."
7 Op 30 oktober 1989, na de sluiting van de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak, heeft de Raad bovengenoemde verordening nr . 3427/89 vastgesteld . Ingevolge artikel 1, lid 1, werd de op dat ogenblik geldende tekst van artikel 73 vervangen door de navolgende :
"Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden ."
8 Ingevolge artikel 3 van verordening nr . 3427/89 is de verordening in werking getreden op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, dat wil zeggen op 16 november 1989, en is zij van toepassing met ingang van 15 januari 1986 .
9 Artikel 60 van de bij het Verdrag van 12 juni 1985 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gevoegde Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen ( hierna : de Toetredingsakte ) bepaalt het volgende :
"1 ) Tot de inwerkingtreding van de voor alle Lid-Staten eenvormige oplossing, bedoeld in artikel 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en uiterlijk tot en met 31 december 1988 zijn artikel 73, leden 1 en 3, artikel 74, lid 1, en artikel 75, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, alsmede de artikelen 86 en 88 van verordening ( EEG ) nr . 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 niet van toepassing op Spaanse werknemers die werkzaam zijn in een andere Lid-Staat dan Spanje en wier gezinsleden in Spanje verblijven .
Artikel 73, lid 2, artikel 74, lid 2, artikel 75, lid 2, en artikel 94, lid 9, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, alsmede de artikelen 87, 89, 98 en 120 van verordening ( EEG ) nr . 574/72 zijn van overeenkomstige toepassing op deze werknemers .
Er wordt evenwel geen afbreuk gedaan aan de wettelijke bepalingen van een Lid-Staat die voorschrijven dat de gezinsbijslagen voor de gezinsleden verschuldigd zijn ongeacht het land van verblijf van de gezinsleden .
2 ) Niettegenstaande artikel 6 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 blijven de volgende bepalingen van onderstaande verdragen inzake sociale zekerheid gedurende de in lid 1 bedoelde periode van toepassing op Spaanse werknemers :
a ) ...
b ) Spanje-Duitsland
Artikel 40, lid 1, punten 1 tot en met 4, van het Verdrag van 4 december 1973, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de overeenkomst tot wijziging van dat Verdrag van 17 december 1975 .
..."
10 Verzoeker in het hoofdgeding, F . Yáñez-Campoy, is Spaans onderdaan . Hij woont en is in loondienst werkzaam in de Bondsrepubliek Duitsland . Zijn twee kinderen wonen in Spanje .
11 Hij kwam bij het Sozialgericht Frankfurt am Main op tegen genoemde beslissing van de Bundesanstalt fuer Arbeit, stellende dat hij de in § 10 van het Bundeskindergeldgesetz bepaalde kinderbijslag in plaats van de ingevolge artikel 40 van het Duits-Spaanse verdrag inzake sociale zekerheid betaalde gezinsbijslagen had moeten krijgen . Volgens verzoeker moest artikel 73, lid 1, van verordening nr . 1408/71 als gevolg van het arrest van het Hof van 15 januari 1986 in de zaak Pinna ( reeds aangehaald ) overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte vanaf januari 1986 ten gunste van de Spaanse werknemers worden toegepast .
12 Daarop heeft het Sozialgericht Frankfurt am Main het Hof de navolgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Is de voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing bedoeld in artikel 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, in januari 1986 in werking getreden en moet derhalve vanaf januari 1986 artikel 73, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 worden toegepast voor in Spanje wonende kinderen van in de Bondsrepubliek tewerkgestelde Spaanse werknemers?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
14 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing, bedoeld in artikel 99 van verordening nr . 1408/71, op 15 januari 1986 in werking is getreden en of bijgevolg artikel 73, lid 1, van die verordening overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte vanaf die datum van toepassing is op in een andere Lid-Staat dan Spanje werkzame Spaanse werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen .
15 Vooraf zij opgemerkt, dat bij artikel 60 van de Toetredingsakte een overgangsregeling is ingevoerd voor de kinderbijslag voor in een andere Lid-Staat dan Spanje werkzame Spaanse werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen . In het kader van die overgangsregeling is artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 van overeenkomstige toepassing op die werknemers .
16 Artikel 60 noemt twee omstandigheden waardoor die overgangsregeling kan eindigen en artikel 73, lid 1, van verordening nr . 1408/71 op de betrokken Spaanse werknemers en hun gezinsleden van toepassing kan worden, namelijk door de inwerkingtreding van de eenvormige oplossing bedoeld in artikel 99 van verordening nr . 1408/71, en bij gebreke daarvan, door het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 1988 .
17 Het onderhavige geding betreft de periode van 1 januari 1986, de datum van de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen, tot en met 31 december 1988, de datum waarop de overgangsperiode verstreek . De vraag is, of in die periode de eerste in artikel 60 van de Toetredingsakte genoemde omstandigheid zich heeft voorgedaan, dat wil zeggen de eenvormige oplossing, bedoeld in artikel 99 van verordening nr . 1408/71, in werking is getreden .
18 Artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 is als gevolg van het arrest van het Hof van 15 januari 1986 als van meet af aan ongeldig te beschouwen . Het Hof heeft evenwel de gevolgen van dat arrest in de tijd beperkt en voor recht verklaard, dat op de vastgestelde ongeldigheid van dat artikel geen beroep kan worden gedaan tot staving van aanspraken op uitkeringen over vóór de datum van het arrest gelegen tijdvakken, behalve door werknemers die reeds vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaar hebben doen gelden .
19 Vervolgens heeft het Hof in zijn arrest van 2 maart 1989 verklaard, dat zolang de Raad geen nieuwe voorschriften heeft vastgesteld, die in overeenstemming zijn met artikel 51 EEG-Verdrag, de ongeldigverklaring van artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 inhoudt, dat het in artikel 73, lid 1, van die verordening omschreven stelsel van betaling van gezinsbijslagen algemeen van toepassing is .
20 Gelet op deze uitspraak en op het feit dat het Hof de werking van zijn arrest van 15 januari 1986 in de tijd heeft beperkt, moet worden aangenomen, dat de voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing bedoeld in artikel 99 van verordening nr . 1408/71, als gevolg van het arrest van 15 januari 1986 in werking is getreden .
21 Daaruit volgt, dat in andere Lid-Staten dan Spanje werkzame werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen, zich vanaf de datum van dat arrest overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte op artikel 73, lid 1, van verordening nr . 1408/71 kunnen beroepen .
22 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing bedoeld in artikel 99 van verordening nr . 1408/71, op 15 januari 1986 in werking is getreden en dat bijgevolg artikel 73, lid 1, van verordening nr . 1408/71 overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte vanaf die datum van toepassing is op in een andere Lid-Staat dan Spanje werkzame Spaanse werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Duitse, de Spaanse, de Portugese en de Franse regering, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 13 maart 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De voor alle Lid-Staten geldende eenvormige oplossing, bedoeld in artikel 99 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale -zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, is op 15 januari 1986 in werking getreden en bijgevolg is artikel 73, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 overeenkomstig artikel 60 van de Toetredingsakte Spanje en Portugal vanaf die datum van toepassing op in een andere Lid-Staat dan Spanje werkzame Spaanse werknemers wier gezinsleden in Spanje wonen .
Full & Egal Universal Law Academy