Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Voorschot - Per abuis vrijgegeven waarborg - Gevolgen - Voortbestaan van verplichtingen van exporteur - Inaanmerkingneming van vergissing bij toestaan van aanvullende termijn aan exporteur voor indiening van bewijsstukken van uitvoer
( Verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie, artikel 25 )
2 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Overlegging van bewijsstukken - Overschrijding van voorgeschreven termijn - Toestaan van aanvullende termijn enkel mogelijk voor douanedocumenten - Van exporteur verlangde rechtvaardiging
( Verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie, artikel 31, lid 2 )
3 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Voorschot - Bewijsstukken van uitvoer - Overschrijding van indieningstermijn - Verbeurte van waarborg - Evenredigheidsbeginsel - Schending - Afwezigheid
( Verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie, artikel 31, leden 1 en 2 )
Samenvatting
1 . Wanneer het nationale interventiebureau de waarborg bedoeld in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, bij vergissing vrijgeeft, heeft dit niet tot gevolg dat de exporteur van zijn verplichtingen wordt ontslagen . Bij zijn beslissing over het toekennen van een aanvullende termijn voor het indienen van de voorgeschreven documenten, dient het interventiebureau rekening te houden met de gevolgen die zijn vergissing voor het gedrag van de exporteur kon hebben .
2 . Artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 moet aldus worden uitgelegd, dat een aanvullende termijn slechts mag worden toegestaan voor de overlegging van de douanedocumenten, maar niet voor de overlegging van de vervoerdocumenten . Dat verschil in behandeling vindt zijn rechtvaardiging in het feit, dat de documenten voor de betrokken ondernemer in het ene geval gemakkelijker te verkrijgen zijn dan in het andere .
Het verzoek om een aanvullende termijn kan ook nog na afloop van de normale termijn voor het indienen van de douanedocumenten in behandeling worden genomen, mits de exporteur bewijst dat hij zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten binnen deze termijn te verkrijgen, en hij elke vertraging bij de indiening van zijn aanvraag behoorlijk motiveert . Voor het toestaan van een aanvullende termijn geldt evenwel niet de voorwaarde, dat er sprake is van overmacht .
3 . Wanneer de documenten die nodig zijn om te bewijzen dat de uitvoer waarvoor een voorschot op de restitutie is verstrekt, heeft plaatsgevonden, niet binnen de in artikel 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 bedoelde termijn zijn ingeleverd, is de sanctie van verbeurte van de waarborg of van betaling van een daarmee overeenkomend bedrag indien de waarborg is vrijgegeven, niet onevenredig aan de doelen van de in geding zijnde regeling en aan de eisen van goed administratief beheer . Enerzijds is de invoering van een dwingende termijn voor het inleveren van de voorgeschreven documenten een noodzakelijke maatregel om te voorkomen dat aan de exporteur een ongerechtvaardigd voordeel toevalt, en anderzijds is het feit dat deze termijn op zes maanden is vastgesteld, niet onredelijk, in aanmerking genomen dat het in het belang van de marktdeelnemers zelf is dat de waarborg binnen de kortst mogelijke termijn wordt vrijgegeven, de interventiebureaus de afhandeling van dossiers inzake transacties waarvoor de Lid-Staat een voorschot op de restitutie heeft betaald, niet eindeloos kunnen opschorten, een aanvullende termijn is toegestaan voor het inleveren van de douanedocumenten die niet altijd probleemloos bij de autoriteiten van derde landen te verkrijgen zijn, en een uitzonderingsmogelijkheid bestaat voor het geval van overmacht .
Partijen
In zaak C-155/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour d' appel te Parijs, in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgische Staat
en
Philipp Brothers SA, vennootschap naar Frans recht met zetel te Parijs,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1979, L 317, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door B . Cambier en L . Cambier, advocaten te Brussel,
- Philipp Brothers SA, vertegenwoordigd door J . F . Bellis en J.-Y . Art, advocaten te Brussel, en F . Sage, advocaat te Parijs,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Sorasio als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Belgische Staat, Philipp Brothers SA en de Commissie ter terechtzitting van 27 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij tussenarrest van 3 februari 1989, ingekomen bij het Hof op 2 mei daaraanvolgend, heeft de cour d' appel te Parijs krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1979, L 317, blz . 1 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Belgische Staat en de Franse vennootschap Philipp Brothers SA ( hierna : "Philipp Brothers ") over de betaling van een bedrag gelijk aan de waarborgen die Philipp Brothers als zekerheid had gesteld voor de uitvoer van twee partijen zachte tarwe naar respectievelijk Noorwegen en Finland, welke waarborgen daarna waren vrijgegeven .
3 Ingevolge de ten tijde van de feiten toepasselijke versie van artikel 25, lid 1, van verordening nr . 2730/79 kan de restitutie door de Lid-Staten geheel of gedeeltelijk bij wijze van voorschot aan de exporteur worden uitgekeerd, op voorwaarde dat deze een waarborg stelt die gelijk is aan het voorschot, verhoogd met 15 %. Volgens lid 2 van dezelfde bepaling wordt die waarborg verbeurd naar evenredigheid van de hoeveelheid produkten waarvoor de in de verordening verlangde bewijsstukken niet binnen de voorgeschreven termijn worden ingediend . Indien de bewijzen door overmacht niet kunnen worden geleverd, wordt de verhoging van 15% niet geïnd .
4 Volgens artikel 20, lid 3, van dezelfde verordening moet het bewijs van invoer in het derde land, waarvoor de restitutie is vastgesteld, worden geleverd door overlegging van het douanedocument of van een kopie of voor eensluidend gewaarmerkte fotokopie daarvan, of door overlegging van het certificaat van inklaring . In lid 4 wordt een aantal vervangende documenten genoemd, die kunnen worden ingediend wanneer de in lid 3 bedoelde documenten niet kunnen worden overgelegd of niet voldoende worden geacht . Ingevolge lid 5 is de exporteur bovendien verplicht, in alle gevallen een kopie of fotokopie van het vervoerdocument over te leggen .
5 Volgens artikel 31, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 moet, behoudens in geval van overmacht, het dossier voor de betaling van de restitutie binnen een termijn van zes maanden worden ingediend . Die termijn is op twaalf maanden gebracht bij artikel 1, lid 4, van verordening ( EEG ) nr . 1663/81 van de Commissie van 23 juni 1981 houdende vijfde wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, houdende tweede wijziging van verordening ( EEG ) nr . 798/80 en tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 52/81 inzonderheid ten aanzien van de termijn voor de indiening van de voor bepaalde betalingen vereiste documenten ( PB 1981, L 166, blz . 9 ).
6 Ingevolge artikel 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 kan voorts, wanneer het douanedocument, het certificaat van inklaring of de vervangende documenten ( hierna : "de douanedocumenten ") niet binnen de voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, maar de exporteur zich nochtans de nodige moeite heeft gegeven ze tijdig te verkrijgen, een aanvullende termijn worden toegestaan om deze documenten over te leggen . Deze mogelijkheid is later ook geopend in geval van vertraging bij het indienen van het vervoerdocument, en wel bij artikel 1, sub 14, van verordening ( EEG ) nr . 568/85 van de Commissie van 4 maart 1985 houdende tiende wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 ( PB 1985, L 65, blz . 5 ), die in werking is getreden nadat de feiten van deze zaak zich hadden voorgedaan .
7 In januari 1981 verkreeg Philipp Brothers van het Belgische interventiebureau, de Centrale Dienst voor contingenten en vergunningen ( hierna : "CDCV "), twee certificaten voor de uitvoer van zachte tarwe naar Finland en Noorwegen . Op 18 maart daaraanvolgende betaalde de CDCV haar bij wijze van voorschot het gehele bedrag van de voor deze twee transacties vastgestelde restituties uit, namelijk 4 351 899 BFR respectievelijk 8 298 816 BFR, waarvoor Philipp Brothers via een bank de vereiste waarborgen stelde .
8 Op 24 april 1981 gaf de CDCV de waarborg voor de uitvoer naar Noorwegen vrij en op 3 februari 1982 die voor de uitvoer naar Finland . Later verklaarde de CDCV evenwel dat de vrijgifte een administratieve vergissing was . Van oordeel dat Philipp Brothers gehouden was te bewijzen dat de twee transacties inderdaad hadden plaatsgevonden, verzocht de CDCV haar op 10 augustus 1981, de voorgeschreven bewijsstukken in te dienen . Toen antwoord uitbleef, vorderde de CDCV op 27 augustus 1982 terugbetaling van de als voorschot uitbetaalde restituties, verhoogd met 15 %.
9 Op 17 september 1982 deed Philipp Brothers de CDCV het douanedocument betreffende de Noorse transactie in de vorm van een gewaarmerkte kopie toekomen alsmede dat betreffende de Finse transactie, doch dit laatste in de vorm van een gewone kopie . Op 24 december 1982 werden kopieën van de vervoerdocumenten naar de CDCV verzonden, met de aantekening dat de originelen op 19 augustus 1981 waren verstuurd . Op 22 maart 1983 herhaalde de CDCV haar verzoek om terugbetaling, op grond dat de documenten te laat waren binnengekomen en het Finse douanedocument bovendien niet in de vorm van een gewaarmerkte kopie was overgelegd . Op 15 april 1983 wees de CDCV het verzoek van Philipp Brothers om een aanvullende termijn voor het in orde brengen van de dossiers af . Aangezien de CDCV geen betaling van de teruggevorderde bedragen kon verkrijgen, wendde de Belgische Staat zich tot het tribunal de grande instance te Parijs en vervolgens, in beroep, tot de cour d' appel te Parijs .
10 Deze laatste rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd :
" 1 ) Brengt de vrijgifte van de in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van 29 november 1979 bedoelde waarborg door het nationaal interventiebureau van de Lid-Staat die het voorschot op de restitutie bij uitvoer heeft betaald, mee dat de exporteur geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn verplichtingen, inzonderheid met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen de voor toekenning van de restitutie verlangde bewijsstukken moeten worden overgelegd?
2 ) Kan op grond van een vergissing van de administratie de draagwijdte van het besluit tot vrijgifte van bedoelde waarborg weer in geding worden gebracht?
3 ) Moet het in artikel 31, lid 2, van de verordening bedoelde verzoek om een aanvullende termijn worden ingediend vóór het verstrijken van de gewone vervaltermijn?
4 ) Is op grond van artikel 31, lid 2, van de verordening de constatering van overmacht een voorwaarde voor de toekenning van een aanvullende termijn voor de overlegging van vervangende douanedocumenten?
5 ) Is artikel 31, lid 2, van overeenkomstige toepassing op de overlegging van de vervoerdocumenten van de uitgevoerde produkten?
6 ) Indien vraag 5 ontkennend wordt beantwoord, is artikel 31, lid 2, vanwege het daarin gemaakte onderscheid tussen de beide categorieën bewijsstukken dan geldig, gelet op het evenredigheidsbeginsel?
7 ) Zijn de artikelen 25 en 31 van de verordening, gelet op het evenredigheidsbeginsel, geldig voor zover zij bepalen dat de exporteur het bedrag van het voorschot op de restitutie, verhoogd met 15%, moet terugbetalen wanneer het bewijs van de uitvoer, het vervoer en de invoer tot verbruik niet tijdig is geleverd, hoewel de transactie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden?
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De gevolgen van de vrijgifte van de waarborg ( eerste en tweede vraag )
12 Met de eerste twee vragen wil de nationale rechter in wezen vernemen, of het bij vergissing vrijgeven van de in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 bedoelde waarborg door het nationale interventiebureau tot gevolg heeft dat de exporteur van zijn verplichtingen wordt ontslagen, inzonderheid met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen de voor de restitutie verlangde bewijsstukken moeten worden overgelegd .
13 Dienaangaande zij herinnerd aan het arrest van 5 december 1985 ( zaak 124/83, Corman, Jurispr . 1985, blz . 3777, r.o . 44 ), waarin het Hof heeft overwogen, dat het feit dat de waarborg is vrijgegeven, niet in de weg staat aan een rechtsvordering tegen degene die op de verkoop van boter door het interventiebureau heeft ingeschreven, wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen . Het Hof was namelijk van oordeel, dat de gemeenschapsregeling de inschrijver een persoonlijke aansprakelijkheid oplegde die los stond van de waarborg, waarvan de vrijgifte hem niet van zijn verplichtingen kon ontslaan .
14 Dit beginsel behoort ook toepassing te vinden in het geval waarin een exporteur een voorschot op de restitutie heeft ontvangen, maar niet bewijst dat de goederen daadwerkelijk in het derde land van bestemming zijn ingevoerd .
15 Evenwel moet in aanmerking worden genomen, dat wanneer de waarborg bij vergissing wordt vrijgegeven, dit de exporteur onder bepaalde omstandigheden in de waan kan brengen, dat het dossier definitief gesloten is omdat het nationale interventiebureau van mening was dat de goederen in het land van bestemming in het verkeer waren gebracht . In zulk een geval dient het nationale interventiebureau, dat moet beslissen over het al dan niet toestaan van een aanvullende termijn voor het inleveren van de vereiste documenten, rekening te houden met de gevolgen die zijn vergissing voor het gedrag van de exporteur kon hebben .
16 Op de eerste twee vragen moet derhalve worden geantwoord, dat wanneer het nationale interventiebureau de waarborg bedoeld in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1979, L 317, blz . 1 ), bij vergissing vrijgeeft, dit niet tot gevolg heeft dat de exporteur van zijn verplichtingen wordt ontslagen en dat het interventiebureau bij zijn beslissing over het toestaan van een aanvullende termijn voor het indienen van de voorgeschreven documenten, rekening dient te houden met de gevolgen die zijn vergissing voor het gedrag van de exporteur kon hebben .
De termijn voor het indienen van het verzoek om een aanvullende termijn ( derde vraag )
17 Volgens artikel 31, lid 2, van verordening nr . 2730/79 kan, "wanneer de vereiste documenten niet binnen de voorgeschreven termijn (( konden )) worden overgelegd", aan de exporteur een aanvullende termijn worden toegestaan "wanneer deze zich de nodige moeite heeft gegeven om ze binnen die termijn te verkrijgen ". Uit deze formulering blijkt duidelijk, dat om een aanvullende termijn kan worden verzocht ook nadat de termijn waarbinnen de documenten moeten worden ingeleverd, reeds is verstreken .
18 Voor deze uitlegging pleit ook de overweging, dat de exporteur eerst kort vóór afloop van de gestelde termijn tot de ontdekking zou kunnen komen, dat hij de vereiste documenten niet zal kunnen overleggen . In zulk een situatie is hij wellicht niet meer in staat, zijn verzoek nog voor afloop van die termijn in te dienen ( zie, in dezelfde zin, het arrest van 30 januari 1974, zaak 158/73, Kampffmeyer, Jurispr . 1974, blz . 101 ).
19 Bovendien wordt in artikel 31 voor het toestaan van een aanvullende termijn uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld, dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om de douanedocumenten binnen de normale termijn te verkrijgen . Het staat aan de importeur te bewijzen, dat aan deze voorwaarde is voldaan .
20 Uit de structuur van deze bepaling blijkt dat de exporteur verplicht is, bij het geldend maken van zijn aanspraken zo voortvarend mogelijk te werk te gaan ( zie ook het arrest van 28 mei 1974, zaak 3/74, Pfuetzenreuter, Jurispr . 1974, blz . 589 ), en dat hij dus elke vertraging bij de indiening van het verzoek om een aanvullende termijn moet motiveren .
21 Op de derde vraag moet dus worden geantwoord, dat een verzoek om een aanvullende termijn, als bedoeld in artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, ook nog na afloop van de voor het indienen van de douanedocumenten gestelde termijn kan worden ingediend, mits de exporteur bewijst dat hij zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten binnen deze termijn te verkrijgen, en hij elke vertraging bij de indiening van zijn aanvraag behoorlijk motiveert .
De voorwaarden voor toekenning van een aanvullende termijn ( vierde vraag )
22 Uit de bewoordingen van artikel 31, lid 2, blijkt duidelijk, dat het toestaan van een aanvullende termijn voor het inleveren van de douanedocumenten niet afhankelijk is van het bestaan van een overmachtssituatie, maar uitsluitend van de voorwaarde, dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten te verkrijgen .
23 Bij lezing van de eerste twee leden van artikel 31 in hun onderlinge samenhang blijkt trouwens geen andere interpretatie mogelijk . Lid 1 noemt zelf het geval van overmacht als uitzondering op de verplichting dat het dossier binnen zes maanden na het vervullen van de douaneformaliteiten moet worden ingediend, zodat lid 2 geen enkele praktische betekenis meer zou hebben, indien het slechts specifiek voor het douanedocument zou herhalen wat in het voorgaande lid in het algemeen is gesteld .
24 Op de vierde vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 voor het toestaan van een aanvullende termijn niet de voorwaarde stelt dat er sprake is van overmacht, doch enkel dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om de douanedocumenten binnen de gewone termijn te verkrijgen .
Het toestaan van een aanvullende termijn voor het overleggen van de vervoerdocumenten ( vijfde en zesde vraag )
25 Met de vijfde en zesde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het interventiebureau op grond van artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 niet alleen voor het inleveren van de douanedocumenten, maar ook voor het overleggen van de vervoerdocumenten een aanvullende termijn mag toestaan . Zo neen, dan vraagt de verwijzende rechter nog, of genoemde bepaling geldig is, gelet op het evenredigheidsbeginsel .
26 In artikel 31, lid 2, wordt uitsluitend gesproken van de douanedocumenten . Voor het overleggen van de vervoerdocumenten is dus, buiten het in lid 1 van artikel 31 bedoelde geval van overmacht, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een aanvullende termijn voorzien .
27 Zoals de Commissie en de Belgische Staat terecht hebben opgemerkt, is voor het hier gemaakte onderscheid tussen douanedocumenten en vervoerdocumenten een verklaring te vinden in de omstandigheid, dat het voor de exporteurs moeilijk kan blijken de douanedocumenten van de autoriteiten van het derde land van invoer te verkrijgen, omdat zij geen enkele druk op die autoriteiten kunnen uitoefenen . Bij de vervoerdocumenten evenwel kunnen dergelijke moeilijkheden zich niet voordoen, omdat de exporteur in het geval van verkoop cif als ladingbelanghebbende een kopie ervan behoudt, dan wel, in het geval van verkoop fob, gemakkelijk een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de koper kan eisen uit hoofde van de tussen hen bestaande contractuele betrekking .
28 Philipp Brothers stelt daartegenover, dat indien enkel het vervoerdocument in het dossier ontbreekt, noodzakelijkerwijs moet worden aangenomen dat de goederen naar het derde land zijn vervoerd om aldaar in het verkeer te worden gebracht, omdat dit juist wordt bewezen door het douanedocument . In dat geval zou verbeurte van de waarborg wegens te late overlegging van het vervoerdocument in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel . Omgekeerd zou het, wanneer de exporteur al een aanvullende termijn heeft verkregen voor het inleveren van de douanedocumenten, absurd zijn die verlenging niet te doen gelden voor het vervoerdocument, omdat de definitieve afwikkeling van de administratieve situatie hoe dan ook tot een later tijdstip wordt uitgesteld .
29 Volgens Philipp Brothers heeft de Commissie zelf erkend, dat de mogelijkheid om voor de vervoerdocumenten een aanvullende termijn toe te staan, niet uitgesloten was, toen zij bij verordening ( EEG ) nr . 568/85 de bepaling van artikel 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 in die zin heeft gewijzigd .
30 Wat dit laatste argument betreft, had de bij verordening ( EEG ) nr . 568/85 aangebrachte wijziging, naar de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft verklaard, tot doel, het administratieve beheer voor de nationale interventiebureaus te vereenvoudigen . Deze wijziging impliceert dus geenszins, dat het onderscheid tussen de twee categorieën documenten in de originele versie van artikel 31, lid 2, in strijd was met het evenredigheidsbeginsel .
31 Voorts is dat verschil in behandeling gebaseerd op objectieve redenen, die hierboven ( r.o . 27 ) reeds zijn genoemd, en die verband houden met het feit dat de documenten in het ene geval gemakkelijker zijn te verkrijgen dan in het andere .
32 Op de vijfde en zesde vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 31, lid 2, aldus moet worden uitgelegd, dat geen aanvullende termijn mag worden toegestaan voor het overleggen van de vervoerdocumenten, en dat bij onderzoek van de zesde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze bepaling kunnen aantasten .
De geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 in het licht van het evenredigheidsbeginsel ( zevende vraag )
33 Blijkens de motivering van het verwijzingsarrest kan het volgens de nationale rechter in strijd lijken met het evenredigheidsbeginsel, dat het niet binnen een dwingende termijn overleggen van het voorgeschreven bewijs van een transactie die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, wordt bestraft met verbeurte van het bedrag van de vooruitbetaalde restitutie, verhoogd met 15 %. De wezenlijke verplichting die de waarborg dient zeker te stellen, is immers de daadwerkelijke uitvoer en niet het inleveren van deze documenten .
34 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 27 juni 1990, zaak 118/89, Lingenfelser, Jurispr . 1990, blz . 2637 ) moet ter beoordeling van de vraag of een gemeenschapsbepaling zich met het evenredigheidsbeginsel verdraagt, worden nagegaan of de middelen waarmee de bepaling het gestelde doel tracht te bereiken, in een redelijke verhouding staan tot het belang van dat doel en of zij noodzakelijk zijn om het te bereiken .
35 In casu blijkt het doel dat met de regeling inzake de voorfinanciering van restituties en de daaraan verbonden waarborg wordt nagestreefd, uit de negentiende overweging van de considerans van de verordening . Daar wordt verklaard dat, "ten einde voor de exporteurs de financiering van hun uitvoertransacties te vergemakkelijken, de Lid-Staten gemachtigd dienen te worden hun, zodra de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, het geheel of een gedeelte van de restitutie voor te schieten op voorwaarde dat dan door het stellen van een waarborg de zekerheid wordt verkregen dat dit voorschot zal worden terugbetaald ingeval later mocht blijken dat de restitutie niet had mogen worden betaald ".
36 Het doel van de vaststelling van een dwingende termijn voor het inleveren van de douane - en vervoerdocumenten wordt voorts in de drieëntwintigste overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 toegelicht als volgt : "Met het oog op een goed administratief beheer dient te worden geëist, dat het verzoek en alle andere voor de uitbetaling van de restitutie nodige documenten binnen een redelijke termijn worden ingediend ."
37 De reden waarom het bedrag van de in artikel 25, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 bedoelde waarborg 15% hoger is dan het door de exporteur ontvangen voorschot, is dat moest worden verkomen dat de exporteur een ongerechtvaardigd financieel voordeel zou genieten gedurende de periode vanaf de uitbetaling van het voorschot tot de eventuele verbeurte van de waarborg in het geval dat de uitvoer niet zou plaatsvinden .
38 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd, dat de invoering van een dwingende termijn voor het inleveren van de documenten waarmee de uitvoer moet worden bewezen, een noodzakelijke maatregel is om te voorkomen dat aan de exporteur een ongerechtvaardigd voordeel toevalt .
39 Het feit dat deze termijn op zes maanden is vastgesteld, is niet onredelijk, in aanmerking genomen dat het in het belang van de marktdeelnemers zelf is dat de waarborg binnen de kortst mogelijke termijn wordt vrijgegeven, dat de interventiebureaus de afhandeling van dossiers inzake transacties waarvoor de Lid-Staat een voorschot op de restitutie heeft betaald, niet eindeloos kunnen opschorten, dat een aanvullende termijn is toegestaan voor het inleveren van de douanedocumenten die niet altijd probleemloos bij de autoriteiten van derde landen te verkrijgen zijn, en dat een uitzonderingsmogelijkheid bestaat voor het geval van overmacht .
40 Hieruit volgt, dat wanneer de voorgeschreven documenten niet binnen de termijn van zes maanden zijn ingeleverd, de sanctie van verbeurte van de waarborg of van betaling van een daarmee overeenkomend bedrag indien de waarborg is vrijgegeven, niet onevenredig is aan de doelen van de in geding zijnde regeling en aan de eisen die het administratieve beheer van de dossiers inzake de voorgefinancierde restituties stelt .
41 Aan de nationale rechter dient mitsdien te worden geantwoord, dat bij onderzoek van de zevende vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 kunnen aantasten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
42 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door de cour d' appel te Parijs bij tussenarrest van 3 februari 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Wanneer het nationale interventiebureau de waarborg bedoeld in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, bij vergissing vrijgeeft, heeft dit niet tot gevolg dat de exporteur van zijn verplichtingen wordt ontslagen . Bij zijn beslissing over het toekennen van een aanvullende termijn voor het indienen van de voorgeschreven documenten, dient het interventiebureau rekening te houden met de gevolgen die zijn vergissing voor het gedrag van de exporteur kon hebben .
2 ) Het verzoek om een aanvullende termijn, als bedoeld in artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, kan ook nog na afloop van de voor het indienen van de douanedocumenten gestelde termijn worden ingediend, mits de exporteur bewijst dat hij zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten binnen deze termijn te verkrijgen, en hij elke vertraging bij de indiening van zijn aanvraag behoorlijk motiveert .
3 ) Artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 stelt voor het toestaan van een aanvullende termijn niet de voorwaarde dat er sprake is van overmacht, doch enkel dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om de douanedocumenten binnen de gewone termijn te verkrijgen .
4 ) Artikel 31, lid 2, moet aldus worden uitgelegd, dat geen aanvullende termijn mag worden toegestaan voor de overlegging van de vervoerdocumenten . Bij onderzoek van de zesde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze bepaling kunnen aantasten .
5 ) Bij onderzoek van de zevende vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 kunnen aantasten .
Full & Egal Universal Law Academy