Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Werkloosheid - Werkloze die zich naar andere Lid-Staat begeeft - Handhaving van recht op uitkeringen - Bijzondere bepaling voor werklozen die onder Belgische wettelijke regeling vallen - Opnieuw verkrijgen van recht op uitkeringen - Voorwaarden
( Verordening van de Raad nr . 1408/71, artikel 69, leden 1, sub c, en 4 )
Samenvatting
Artikel 69 van verordening nr . 1408/71, dat de mobiliteit van werkzoekenden wil bevorderen, bevat in lid 4 een bijzondere bepaling voor werklozen ten aanzien van wie België de bevoegde staat is . Wanneer een dergelijke werkloze zich onder de regeling van dit artikel naar een andere Lid-Staat begeeft om aldaar werk te zoeken, en eerst na afloop van de in lid 1, sub c, van dat artikel gestelde termijn van drie maanden naar België terugkeert, krijgt hij ingevolge lid 4 opnieuw recht op werkloosheidsuitkeringen volgens de Belgische regeling, mits hij de hoedanigheid van gerechtigde ingevolge de Belgische wetgeving heeft behouden en na zijn terugkeer in België aldaar gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend .
Partijen
In zaak C-163/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeidshof ( Vijfde Kamer ) te Luik ( België ), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ( RVA )
en
A . Di Conti,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 69 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : R . Joliet, waarnemend kamerpresident, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : J.-G . Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, appellant in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G . Lewalle, advocaat te Luik,
- A . Di Conti, geïntimeerde in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R . Jamar, afgevaardigde in de zin van artikel 728 van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Gouloussis als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen, ter terechtzitting van 8 februari 1990, van Di Conti, vertegenwoordigd door M . Baiwir, van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gemachtigde in de zin van artikel 728 van het Belgisch Gerechtelijk wetboek, en van de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C . Séché als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 28 april 1989, ingekomen ten Hove op 9 mei daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 69 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ( hierna : RVA ) en A . Di Conti betreffende de weigering van werkloosheidsuitkeringen .
3 A . Di Conti, een Italiaans onderdaan die in België werkloosheidsuitkeringen genoot, verzocht op 27 april 1984 om toepassing van artikel 69 van verordening nr . 1408/71, daar hij verder uitkeringen wenste te ontvangen in Italië, waar hij zich wilde begeven om werk te zoeken . Daarop werd hem een formulier E 303 uitgereikt, waarin werd verklaard dat hij met ingang van 27 april 1984 gedurende een termijn van drie maanden recht op uitkeringen had .
4 Di Conti is na het verstrijken van de voorziene termijn naar België teruggekeerd, waar hij op 23 september 1985 zijn werkzaamheden hervatte, en een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering aanvroeg . Deze werd hem door de RVA geweigerd, op grond dat Di Conti weliswaar, overeenkomstig de in artikel 69, lid 4, van verordening nr . 1408/71 gestelde voorwaarde om in België opnieuw uitkeringsgerechtigd te worden, gedurende meer dan drie maanden in België werkzaamheden had uitgeoefend, doch niet de in de Belgische wettelijke regeling voorziene wachttijd had vervuld ( artikelen 118 tot en met 122 van het Koninklijk Besluit van 20.12.1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid ).
5 Di Conti kwam tegen dat besluit op voor de Arbeidsrechtbank te Luik, die zijn vordering ontvankelijk en gegrond verklaarde, daar aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 69, lid 4, van verordening nr . 1408/71 was voldaan . De RVA ging van dat vonnis in beroep bij het Arbeidshof te Luik, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld :
"Krijgt de werkloze ten aanzien van wie België de bevoegde staat is, en die naar dit land is teruggekeerd na het verstrijken van de in artikel 69, lid 1, sub c, van verordening nr . 1408/71 bedoelde termijn van drie maanden en hierdoor krachtens artikel 69, lid 2, elk recht op uitkering ten laste van België heeft verloren, opnieuw recht op uitkering van dit land op de enkele voorwaarde dat hij er gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend, of moet artikel 69, lid 4, integendeel aldus worden begrepen, dat deze werkloze bovendien opnieuw moet voldoen aan de in de Belgische wettelijke regeling, in casu het Koninklijk Besluit van 12 december 1963, gestelde voorwaarden inzake wachttijd?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Vooropgesteld zij, dat ingevolge artikel 69 van verordening nr . 1408/71 de werkloze werknemer, zonder verlies van het recht op werkloosheidsuitkeringen, gedurende een bepaalde periode kan worden ontslagen van de bij de wettelijke regeling van de bevoegde Lid-Staat opgelegde verplichting om zich ter beschikking te houden van de diensten voor arbeidsbemiddeling van die staat, ten einde in een andere Lid-Staat werk te zoeken . Volgens artikel 69, lid 1, is die mogelijkheid beperkt tot een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop de betrokkene niet langer ter beschikking staat van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde Lid-Staat .
8 In zijn arrest van 19 juni 1980 ( gevoegde zaken 41/79, 121/79 en 796/79, Testa, Jurispr . 1980, blz . 1979 ) heeft het Hof voor recht verklaard, dat de werknemer die na het verstrijken van de in artikel 69, lid 1, sub c, van verordening nr . 1408/71 bedoelde termijn van drie maanden naar de bevoegde staat terugkeert, ingevolge artikel 69, lid 2, eerste volzin, tegenover de bevoegde staat geen aanspraak meer kan doen gelden op uitkeringen, tenzij vorenbedoelde termijn krachtens artikel 69, lid 2, tweede volzin, wordt verlengd .
9 Artikel 69, lid 4, waarvan de nationale rechter om uitlegging heeft gevraagd, is een bijzondere bepaling inzake het herleven van het recht op uitkering van de werkloze die na de termijn van drie maanden naar de bevoegde staat terugkeert, die geldt voor de staat België .
10 Volgens de RVA is de in artikel 69, lid 4, gestelde voorwaarde, dat de werknemer die in België opnieuw uitkeringen wil genieten, aldaar na zijn terugkeer gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden moet hebben uitgeoefend, een bijkomende voorwaarde, die bovenop de voorwaarden komt waarvan in de Belgische wettelijke regeling in het algemeen het recht op uitkeringen afhankelijk is gesteld .
11 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard .
12 In de eerste plaats vindt zij geen steun in de bewoordingen van artikel 69, lid 4, dat alleen vereist dat de werkloze die naar België terugkeert, aldaar gedurende ten minste drie maanden opnieuw werkzaamheden moet uitoefenen voordat hij opnieuw recht op uitkeringen van die staat heeft . Deze bepaling heeft dus betrekking op het herleven en niet op het verkrijgen van het recht op uitkeringen .
13 Terwijl artikel 69 van verordening nr . 1408/71 de mobiliteit van de werkzoekenden wil bevorderen, zou de door de RVA voorgestane uitlegging deze daarentegen afremmen, door het behoud van werkloosheidsuitkeringen moeilijker te maken voor de werknemer die van de in artikel 69, lid 1, geboden mogelijkheid heeft gebruik gemaakt, dan voor iedere Belgische werknemer .
14 Artikel 69, lid 4, kan namelijk niet los van de bijzondere kenmerken van de Belgische wettelijke regeling worden uitgelegd .
15 Ingevolge artikel 123, lid 1, eerste alinea, sub 1, van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963, zoals gewijzigd bij artikel 2, sub 1, van het Koninklijk Besluit van 12 april 1983, behoudt de werkloos geworden werknemer de hoedanigheid van gerechtigde, wanneer zijn uitkeringen slechts gedurende een periode van ten hoogste drie jaar onderbroken werden .
16 Als tegenwicht voor die nogal lange handhaving van het uitkeringsrecht van werklozen zonder dat zij ter beschikking moeten blijven van de Belgische diensten voor arbeidsbemiddeling, vereist artikel 69, lid 4, dat zij, om na hun terugkeer naar België nog uitkeringen te genieten, eerst gedurende ten minste drie maanden moeten hebben gewerkt .
17 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 69, lid 4, van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de werkloze ten aanzien van wie België de bevoegde staat in de zin van dit artikel is en die zich onder de regeling van dit artikel naar een andere Lid-Staat begeeft om aldaar werk te zoeken, en eerst na afloop van de in lid 1, sub c, gestelde termijn van drie maanden naar België terugkeert, ingevolge lid 4 opnieuw recht op werkloosheidsuitkeringen volgens de Belgische regeling krijgt, mits hij de hoedanigheid van gerechtigde ingevolge de Belgische wetgeving heeft behouden en na zijn terugkeer in België aldaar gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arrest van 28 april 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Lid 4 van artikel 69 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat de werkloze ten aanzien van wie België de bevoegde staat in de zin van dit artikel is en die zich onder de regeling van dit artikel naar een andere Lid-Staat begeeft om aldaar werk te zoeken, en eerst na afloop van de in lid 1, sub c, gestelde termijn van drie maanden naar België terugkeert, ingevolge lid 4 opnieuw recht op werkloosheidsuitkeringen volgens de Belgische regeling krijgt, mits hij de hoedanigheid van gerechtigde ingevolge de Belgische wetgeving heeft behouden en na zijn terugkeer in België aldaar gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend .
Full & Egal Universal Law Academy