Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen - Fictief geding of verzoek om uitlegging van in hoofdgeding niet toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht - Uitlegging gevraagd wegens toepasselijkheid van bepaling van gemeenschapsrecht als gevolg van verwijzing in nationaal recht - Bevoegdheid om deze uitlegging te verstrekken
( EEG-Verdrag, artikel 177 )
2 . Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefposten - Criteria voor afbakening van posten 97.01 en 97.03
Samenvatting
1 . In het kader van de in artikel 177 van het Verdrag geregelde taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof dient het Hof voor het geven van zijn prejudiciële beslissing in beginsel niet te vragen naar de omstandigheden die de nationale rechterlijke instanties ertoe hebben aangezet die vragen te stellen, en evenmin naar de feiten waarop deze de bepaling van gemeenschapsrecht waarvan de uitlegging wordt gevraagd, willen toepassen .
De zaak zou slechts anders liggen wanneer vaststaat dat de procedure van artikel 177 oneigenlijk wordt gebruikt en in feite wordt aangewend om het Hof door middel van een fictief geding een uitspraak te ontlokken, of wanneer de aan het Hof ter uitlegging voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht kennelijk niet van toepassing is .
Dit is niet het geval wanneer het Hof wordt verzocht om uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht die de nationale rechter buiten haar door het gemeenschapsrecht bepaalde werkingssfeer moet toepassen omdat de nationale wettelijke regeling daarnaar verwijst .
2 . Het criterium voor de afbakening van post 97.01, "schilderijen, schilderingen en tekeningen, geheel met de hand vervaardigd; collages en dergelijke decoratieve platen", en 97.03, "originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal waarvan zij vervaardigd zijn", van het gemeenschappelijk douanetarief ligt hierin, dat uit artistiek oogpunt het wezenlijke kenmerk van standbeelden en beeldhouwwerken bestaat in het creëren van de driedimensionale vorm van het werk, terwijl het voor schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen bestaat in de compositie van het oppervlak van het werk . Een kunstwerk bestaande uit een staalplaat die zelf geen artistieke waarde heeft, bedekt met door de kunstenaar eigenhandig aangebrachte en vervolgens ingebrande emailglazuurverf, moet als een "geheel met de hand vervaardigd schilderij" in de zin van post 97.01 worden beschouwd .
Partijen
In zaak C-231/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
K . Gmurzynska-Bscher, in firma Galerie Gmurzynska,
en
Oberfinanzdirektion Koeln,
interveniënt : Bundesminister der Finanzen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van tariefposten 83.06 "andere versieringsvoorwerpen, van onedel metaal", 97.01 "schilderijen, geheel met de hand vervaardigd" of "dergelijke decoratieve platen" en 97.03 "originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal waarvan zij vervaardigd zijn" van de bijlage bij verordening ( EEG ) nr . 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief - en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1987, L 256, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, F . A . Schockweiler en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal, M . Darmon
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 22 mei 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 juni 1989, ten Hove ingekomen op 24 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de tariefposten 83.06 "andere versieringsvoorwerpen, van onedel metaal", 97.01 "schilderijen, geheel met de hand vervaardigd" of "dergelijke decoratieve platen" en 97.03 "originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal waarvan zij vervaardigd zijn" van de bijlage bij verordening ( EEG ) nr . 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief - en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1987, L 256, blz . 1 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen K . Gmurzynska-Bscher ( hierna : verzoekster ), galerijhoudster te Keulen ( Bondsrepubliek Duitsland ), en Oberfinanzdirektion Koeln over de toepassing van de Duitse wettelijke regeling inzake omzetbelasting bij de invoer van een kunstwerk .
3 Volgens de processtukken die de verwijzende rechter het Hof van Justitie heeft toegezonden, kocht verzoekster in 1988 in Nederland voor 400 000 USD een werk van de kunstenaar L . Moholy-Nagy . Het werk draagt de titel "Konstruktion in Emaille I ( Telefonbild )" en bestaat uit een staalplaat, bedekt met ingebrande emailglazuurverf .
4 Alvorens het kunstwerk uit Nederland in de Bondsrepubliek Duitsland in te voeren, vroeg verzoekster de Duitse douaneauto-riteiten een bindende tariefinlichting voor de toepassing van de Duitse wettelijke regeling inzake omzetbelasting bij invoer . Het Duitse belastingrecht verwijst voor de toekenning van vrijstelling of vermindering naar de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief ( hierna : het GDT ). Volgens het GDT geldt voor kunstwerken van de posten 97.01 en 97.03 een verlaagd tarief .
5 Op 7 juli 1988 verstrekte de Oberfinanzdirektion verzoekster een tariefinlichting, volgens welke het werk onder post 83.06 "andere versieringsvoorwerpen, van onedel metaal" moest worden ingedeeld . Deze tariefindeling betekende, dat bij invoer van het werk de Duitse omzetbelasting tegen het volle tarief zou worden toegepast .
6 Volgens verzoekster moest het werk evenwel worden aangemerkt als een "dergelijke decoratieve plaat" van post 97.01 van het GDT, waarvoor de omzetbelasting bij invoer tegen verlaagd tarief verschuldigd is .
7 Verzoeksters bezwaarschrift tegen de bindende tariefinlichting van de Oberfinanzdirektion werd afgewezen . Daarop stelde zij beroep in bij het Bundesfinanzhof .
8 In de motivering van zijn verwijzingsbeschikking heeft de nationale rechter uiteengezet, dat de beslissing in het bij hem aanhangige geding afhangt van de uitlegging van de tariefposten 83.06, 97.01 en 97.03 van het GDT .
9 Volgens de verwijzende rechter moet het begrip "originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk" in post 97.03 van het GDT volgens de rechtspraak van het Hof ( arrest van 15 mei 1985, zaak 155/84, Onnasch, Jurispr . 1985, blz . 1449 ) ruim worden uitgelegd, zodat alle driedimensionale kunstwerken, ongeacht de gebruikte technieken of materialen, daaronder vallen . Het valt evenwel te betwijfelen, of het betrokken werk onder deze post kan worden ingedeeld . Het werk is weliswaar een driedimensionaal voorwerp, doch het artistieke produkt bestaat uit de vormgeving van een vlak op een staalplaat .
10 Onzeker is ook, of het werk als een "dergelijke decoratieve plaat" in de zin van post 97.01 van het GDT kan worden aangemerkt . De nationale rechter verwijst daartoe naar de Toelichtingen bij het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen ( hierna : de GS -toelichtingen ), volgens welke een dergelijke plaat moet zijn samengesteld uit stukken van verschillende stoffen, en wel zo, dat - op een ondergrond - een afbeelding of siermotief ontstaat .
11 Volgens de verwijzende rechter is het betrokken voorwerp veeleer als een "schilderij, geheel met de hand vervaardigd" in de zin van post 97.01 van het GDT aan te merken, daar reeds het handwerk van de kunstenaar, bestaande in het opbrengen van de verf op een ondergrond, als het creëren van een dergelijk schilderij is aan te merken, ongeacht de verdere technische bewerking en inzonderheid ook wanneer, zoals in het onderhavige geval, de kleurcompositie eerst door het later te verrichten inbranden zichtbaar wordt .
12 Indien post 97.01 van het GDT niet in aanmerking komt, kan eraan worden gedacht het betrokken werk als "versieringsvoorwerp" in de zin van tariefpost 83.06 in te delen, ofschoon het niet voor binnenhuisinrichting is bestemd en aldus het wezenlijke kenmerk van de volgens de GS-toelichtingen onder deze post van het GDT vallende voorwerpen mist .
13 Van oordeel, dat het geding aldus een probleem van uitlegging van de betrokken gemeenschapsregeling doet rijzen, heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Moet het gemeenschappelijk douanetarief - gecombineerde nomenclatuur - aldus worden uitgelegd, dat een kunstvoorwerp als de in 1922 door L . Moholy-Nagy gemaakte 'Konstruktion in Emaille I ( Telefonbild )' , bestaande uit een ongeveer 955 x 610 mm grote staalplaat, bedekt met ingebrande emailglazuurverf, moet worden ingedeeld als
a ) 'origineel beeldhouwwerk' ( post 97.03 ) of als
b ) 'dergelijke decoratieve plaat' of 'schilderij, geheel met de hand vervaardigd' ( post 97.01 )?
Zo nee :
2 ) Moet het gemeenschappelijk douanetarief - gecombineerde nomenclatuur - aldus worden uitgelegd, dat een kunstvoorwerp als in vraag 1 beschreven, moet worden ingedeeld naar de stof waaruit het is vervaardigd, in casu dus als 'versieringsvoorwerp van onedel metaal' ( post 83.06 )?"
14 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De bevoegdheid van het Hof van Justitie
15 De aan het Hof van Justitie gevraagde uitlegging van genoemde bepalingen van het GDT dient de verwijzende rechter in staat te stellen een uitspraak te doen over de toepassing, niet van het GDT, maar van de Duitse wettelijke regeling inzake omzetbelasting, die naar de nomenclatuur van het GDT verwijst . In die omstandigheden rijst allereerst de vraag, of de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag kan worden toegepast, en derhalve, of het Hof van Justitie bevoegd is om de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden .
16 Ingevolge artikel 177 EEG-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitlegging van dit Verdrag en van de door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen .
17 Artikel 177, tweede en derde alinea, bepaalt, dat indien een vraag om uitlegging van een bepaling van het gemeenschapsrecht wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, deze instantie het recht en, ingeval zij in laatste uitleg uitspraak doet, de plicht heeft, zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien zij een beslissing over deze vraag noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis .
18 De procedure van artikel 177 EEG-Verdrag is dus een instrument van de samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties, via hetwelk het Hof van Justitie de nationale rechterlijke instanties alle gegevens betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaft die deze voor de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen nodig hebben .
19 Bijgevolg staat het uitsluitend aan de nationale rechterlijke instantie waarbij het geding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid voor het te wijzen vonnis draagt, om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van haar vonnis als de juridische relevantie van de aan het Hof van Justitie te stellen vragen te beoordelen .
20 Wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof van Justitie derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden .
21 Daar de bevoegdheid van het Hof van Justitie uit hoofde van artikel 177 EEG-Verdrag tot doel heeft, te verzekeren dat de bepalingen van het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten op dezelfde wijze worden uitgelegd, beperkt het Hof van Justitie zich ertoe, de betekenis van de betrokken gemeenschapsbepalingen uit de bewoordingen en de geest ervan af te leiden . Vervolgens staat het uitsluitend aan de nationale rechterlijke instantie om met inachtneming van de feitelijke en juridische omstandigheden van het bij haar aanhangige geding, de aldus uitgelegde bepalingen van gemeenschapsrecht toe te passen .
22 In het kader van de in artikel 177 van het Verdrag geregelde taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof van Justitie dient het Hof van Justitie derhalve voor het geven van zijn prejudiciële beslissing in beginsel niet te vragen naar de omstandigheden die de nationale rechterlijke instanties ertoe hebben aangezet die vragen te stellen, en evenmin naar de feiten waarop deze de bepaling van gemeenschapsrecht waarvan de uitlegging wordt gevraagd, willen toepassen .
23 De zaak zou slechts anders liggen wanneer vaststaat dat de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag oneigenlijk wordt gebruikt en in feite wordt aangewend om het Hof van Justitie door middel van een fictief geding een uitspraak te ontlokken, of wanneer de aan het Hof ter uitlegging voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht kennelijk niet van toepassing is .
24 Een dergelijke, uitzonderlijke situatie is evenwel niet aanwezig wanneer de aan het Hof voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht op grond van het recht van een Lid-Staat van toepassing is geworden, zij het buiten de door het gemeenschapsrecht afgebakende werkingssfeer . Gelijk de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof heeft beklemtoond, moet in dit geval namelijk worden verzekerd dat het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten van de Gemeenschap dezelfde werking heeft, ten einde een uiteenlopende uitlegging in gevallen van rechtstreekse toepassing van het gemeenschapsrecht te voorkomen .
25 Bovendien blijkt noch uit de bewoordingen van artikel 177 EEG-Verdrag noch uit het doel van de bij dit artikel gecreëerde procedure, dat volgens de bedoeling van opstellers van het Verdrag het Hof van Justitie niet bevoegd is ter zake van prejudiciële verwijzingen betreffende een bepaling van gemeenschapsrecht waarnaar het nationale recht van een Lid-Staat verwijst ter bepaling van de regels die op een louter interne situatie van die Lid-Staat van toepassing zijn .
26 Uit het voorgaande volgt, dat het Hof van Justitie bevoegd is om de door het Bundesfinanzhof gestelde vragen te beantwoorden .
De prejudiciële vragen
27 De vragen van de nationale rechter zijn in wezen erop gericht te vernemen, of het GDT aldus moet worden uitgelegd, dat een kunstwerk bestaande uit een staalplaat bedekt met ingebrande emailglazuurverf "een geheel met de hand vervaardigd schilderij" of een "dergelijke decoratieve plaat" in de zin van post 97.01 van het GDT dan wel een "origineel standbeeld of beeldhouwwerk" in de zin van post 97.03 van het GDT is, dan wel of dit voorwerp naar de stof waaruit het is vervaardigd, onder post 83.06 van het GDT, "versieringsvoorwerpen van onedel metaal", moet worden ingedeeld .
28 Blijkens de verwijzingsbeschikking twijfelt de verwijzende rechter er niet aan, dat het omstreden voorwerp een origineel kunstwerk is . Derhalve kan een dergelijk voorwerp niet worden aangemerkt als een voor binnenhuisinrichting bestemd voorwerp, hetgeen volgens de GS-toelichtingen het wezenlijke kenmerk is van voorwerpen die vallen onder de aanduiding "andere versieringsvoorwerpen van onedel metaal" van post 83.06, die behoort tot hoofdstuk 83 van het GDT, "allerlei werken van onedele metalen ". Het voorwerp valt veeleer onder hoofdstuk 97 van het GDT, dat "kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten" omvat .
29 Deze uitlegging is overigens in overeenstemming met aantekening 4 bij hoofdstuk 97 van het GDT, volgens welke bij twijfel over de tariefindeling van een voorwerp, de voorkeur moet worden gegeven aan indeling onder een van de posten van het hoofdstuk "Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten ".
30 Dit wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Justitie, volgens welke de posten van hoofdstuk 97 van GDT ruim moeten worden uitgelegd ( zie het arrest van 15 mei 1985, zaak 155/84, Onnasch, reeds aangehaald ) en de toepassing van het voor het gebezigde materiaal geldende tarief op een douanewaarde die is gekoppeld aan het feit dat het om een kunstwerk gaat, ertoe zou leiden dat de belasting in geen verhouding staat tot de kostprijs van het materiaal ( zie het arrest van 15 mei 1985, zaak 155/84, Onnasch, reeds aangehaald, r.o . 11 ).
31 Onder deze omstandigheden moet worden bepaald, of een werk als dat waar het in het hoofdgeding om gaat, onder post 97.01 dan wel onder post 97.03 van het GDT moet worden ingedeeld .
32 Ter beantwoording van deze vraag moet allereerst worden opgemerkt, dat post 97.01 volledig met de hand vervaardigde schilderijen, schilderingen en tekeningen alsmede collages en dergelijke decoratieve platen omvat, terwijl post 97.03 van het GDT betrekking heeft op originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd .
33 De posten 97.01 en 97.03 van het GDT omvatten weliswaar allebei zeer persoonlijke creaties waarmee een kunstenaar uitdrukking geeft aan een esthetisch ideaal, doch elk van die posten noemt een bepaalde categorie van kunstwerken . Post 97.01 omvat namelijk alle picturale werken die volledig met de hand zijn vervaardigd op een drager van om het even welk materiaal, terwijl post 97.03 van het GDT geldt voor alle driedimensionale afbeeldingen uit een materiaal waaraan de kunstenaar, ongeacht de aangewende techniek en het gebruikte materiaal, een bepaalde vorm heeft gegeven .
34 Het criterium ter afbakening van deze twee posten ligt dus hierin, dat uit artistiek oogpunt het wezenlijke kenmerk van standbeelden en beeldhouwwerken bestaat in het creëren van de driedimensionale vorm van het werk, terwijl het voor schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen bestaat in de compositie van het oppervlak van het werk .
35 Een werk als het litigieuze wordt uit artistiek oogpunt niet gekenmerkt door zijn driedimensionale vorm, maar door het feit dat de kunstenaar met de hand kleuren heeft aangebracht op een ondergrond van staal die zelf geen artistieke waarde heeft .
36 Derhalve moet een dergelijk werk onder post 97.01 van het GDT worden ingedeeld .
37 Hieraan staat niet in de weg, dat een dergelijk werk voornamelijk bestaat uit staal en email, materialen die normaliter voor de vervaardiging van beeldhouwwerken worden gebruikt, aangezien de onder post 97.01 van het GDT vallende werken volgens de GS-toelichtingen op ongeacht welk materiaal kunnen zijn uitgevoerd .
38 Hieraan staat evenmin in de weg, dat de kleuren, nadat zij door de kunstenaar met de hand op de gebruikte ondergrond zijn aangebracht, een behandeling - inzonderheid inbranden - hebben ondergaan om ze te bevestigen en om de kleur tot uiting te doen komen . Volgens de GS-toelichtingen zijn immers slechts uitgesloten de procédés waarmee het onderwerp en de kleuren anders dan door de hand van de kunstenaar op de ondergrond kunnen worden aangebracht .
39 Ten slotte valt een dergelijk werk ook dan onder post 97.01 van het GDT wanneer het oppervlak waarop de kleuren zijn aangebracht, een zeker reliëf vertoont, aangezien dit ook het geval is bij collages en dergelijke decoratieve platen, die eveneens onder deze post van het GDT vallen .
40 Ter beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet nog worden bepaald, of een werk als het litigieuze een "geheel met de hand vervaardigd schilderij" dan wel een "dergelijke decoratieve plaat" in de zin van post 97.01 van het GDT is .
41 Hiertoe behoeft slechts te worden vastgesteld, dat volgens de GS-toelichtingen een dergelijke decoratieve plaat van post 97.01 uit stukken van verschillende stoffen moet zijn samengesteld, en wel zo, dat - op een ondergrond - een afbeelding of een siermotief ontstaat .
42 Voor het werk waarop het hoofdgeding betrekking heeft is slechts één stof, namelijk gekleurd email, en geen enkele andere stof op de gebruikte ondergrond aangebracht, zodat een werk van dien aard niet als een dergelijke decoratieve plaat in de zin van post 97.01 van het GDT kan worden aangemerkt .
43 Gelet op het voorgaande, moet op de vragen van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat het GDT aldus moet worden uitgelegd, dat een kunstwerk bestaande uit een staalplaat bedekt met ingebrande emailglazuurverf, een geheel met de hand vervaardigd schilderij in de zin van tariefpost 97.01 is .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 6 juni 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat een kunstwerk bestaande uit een staalplaat bedekt met ingebrande emailglazuurverf, een geheel met de hand vervaardigd schilderij in de zin van tariefpost 97.01 is .
Full & Egal Universal Law Academy