Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationale regeling volgens welke aanduiding "vleeswaar" uitsluitend mag worden gebezigd voor produkten waarvan samenstelling aan bepaalde voorwaarden voldoet - Toepassing op uit andere Lid-Staat ingevoerde produkten - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikelen 30 en 36 )
Samenvatting
De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag staan in de weg aan de toepassing van een nationale regeling op uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, wanneer volgens die regeling de aanduiding "vleeswaar" uitsluitend mag worden gebezigd voor produkten waarbij de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet een bepaalde waarde niet overschrijdt, wanneer de ingevoerde produkten in de Lid-Staat van oorsprong rechtmatig onder een overeenkomstige benaming worden vervaardigd en in de handel gebracht en een behoorlijke informatie van de koper verzekerd is .
Partijen
In zaak C-269/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo, in de aldaar dienende strafzaak tegen
Bonfait BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Denekamp,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : J.A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Bonfait BV, vertegenwoordigd door R . J . M . Cremers, advocaat te Almelo,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B . R . Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bonfait BV, vertegenwoordigd door M . Hijmans, advocaat te Almelo, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T . Heukels, en de Commissie, ter terechtzitting van 2 mei 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij interlocutoir vonnis van 29 juni 1989, ingekomen bij het Hof op 5 september daaraanvolgende, heeft de Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag .
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak tegen Bonfait BV ter zake van het gebruik, voor door haar uit de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerde produkten, van een in Nederland wettelijk geregelde benaming zonder dat aan de voor dat gebruik gestelde voorwaarden was voldaan .
3 Het Nederlandse Vlees - en vleeswarenbesluit van 27 april 1987 stelt regels vast met betrekking tot de samenstelling en de benaming van vlees en vleeswaren . Een van die regels betreft het zogenoemde Federgetal, dat het quotiënt weergeeft van het procentuele watergehalte en het procentuele gehalte aan organisch niet-vet .
4 Volgens artikel 6, lid 1, sub d, van het besluit mag voor "vleeswaar" het Federgetal niet hoger zijn dan 4 .
5 Bonfait BV wordt strafrechtelijk vervolgd ter zake van in augustus en september 1988 als "vleeswaren" te hebben verkocht en afgeleverd zogenoemde boterhamworst (" Mosaikpastete ") en keizersjachtworst (" Kaiserjagdwurst "), die zij had ingevoerd uit de Bondsrepubliek Duitsland - alwaar die produkten rechtmatig als "Fleischware" in de handel waren gebracht - en waarbij het quotiënt van het procentuele watergehalte en het procentuele gehalte aan organisch niet-vet 4,7 respectievelijk 4,5 bedroeg .
6 In verband met deze feiten heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Zijn de bepalingen van het Nederlandse Vlees - en vleeswarenbesluit wel of niet van toepassing op uit andere Lid-Staten in Nederland ingevoerde vleesprodukten?
2 ) Zijn genoemde bepalingen maatregelen als bedoeld in artikel 30 van het EEG-Verdrag?
3 ) Dienen genoemde bepalingen tot bescherming van de volksgezondheid in Nederland?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Vooraf zij opgemerkt, dat het Hof niet bevoegd is, over deze vragen uitspraak te doen voor zover zij de uitlegging van nationale bepalingen betreffen .
9 Uit het verwijzingsvonnis blijkt evenwel dat de nationale rechter in wezen wenst te vernemen, of de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling op uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, wanneer volgens die regeling de aanduiding "vleeswaar" uitsluitend mag worden gebezigd voor produkten waarbij de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet een bepaalde waarde niet overschrijdt .
10 In de eerste plaats zij herinnerd aan de sinds het arrest van 11 juli 1974 ( zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837 ) vaste rechtspraak, dat het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, neergelegd in artikel 30 EEG-Verdrag, iedere handelsregeling der Lid-Staten omvat die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren .
11 Vervolgens moet worden beklemtoond, dat volgens vaste rechtspraak ( met name de arresten van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr . 1979, blz . 649; 10 november 1982, zaak 261/81, Rau, Jurispr . 1982, blz . 3961, en 12 maart 1987, zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1987, blz . 1227 ) bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling inzake de verhandeling van het betrokken produkt, belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard, voor zover dergelijke regelingen zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde produkten en hun rechtvaardiging kunnen vinden in dwingende vereisten, verband houdende met, onder meer, de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties . Die regelingen moeten echter ook evenredig zijn aan het beoogde doel . Heeft een Lid-Staat de keuze tussen verschillende middelen waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt, dan moet hij het middel kiezen dat het vrije handelsverkeer het minst belemmert .
12 Vastgesteld moet worden, dat de toepassing van de door de nationale rechter beschreven regeling op ingevoerde produkten die, ofschoon in het land van oorsprong rechtmatig als vleeswaar in de handel gebracht, niet voldoen aan het voorschrift inzake de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet, een belemmering vormt voor de invoer van die produkten .
13 Hieraan doet niet af, dat, zoals de Nederlandse regering aanvoert, de litigieuze regeling niet tot doel heeft, een bepaalde generieke aanduiding aan binnenlandse produkten voor te behouden .
14 Derhalve moet worden nagegaan, of de toepassing van de betrokken regeling rechtvaardiging kan vinden in dwingende vereisten in verband met de bescherming van de consument of de eerlijkheid van de handelstransacties, zoals de Nederlandse regering stelt, dan wel in overwegingen die verband houden met de gezondheid van personen .
15 Wat de bescherming van de consument betreft, zij opgemerkt, dat deze kan worden gewaarborgd door middelen die de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in het verkeer gebrachte produkten niet belemmeren, met name door het aanbrengen van een passend etiket waarop de eigenschappen van het verkochte produkt zijn vermeld ( arresten van 9 december 1981, zaak 193/80, Commissie/Italië, Jurispr . 1981, blz . 3019, en 12 maart 1987, zaak 178/84, reeds aangehaald ). Een etiket met de nodige informatie over de samenstelling van het produkt en over de verhouding tussen de diverse bestanddelen zou de consument in staat stellen, desgewenst te kiezen voor het produkt dat voldoet aan het voorschrift van het Vlees - en vleeswarenbesluit inzake de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet .
16 Met betrekking tot de eerlijkheid van de handelstransacties heeft het Hof verklaard in zijn arrest van 26 november 1985 ( zaak 182/84, Miro, Jurispr . 1985, blz . 3731 ), dat in een gemeenschappelijke markt belangen als de eerlijkheid van de handelstransacties moeten worden verzekerd met wederzijdse eerbiediging van de bonafide praktijken die in de verschillende Lid-Staten vanouds worden toegepast .
17 Vanuit dit standpunt bezien, is het niet als een wezenlijk vereiste voor de eerlijkheid van de handelstransacties te beschouwen, dat uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten waarbij de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet een bepaalde waarde overschrijdt, niet onder een bepaalde aanduiding (" vleeswaren ") mag worden verhandeld, wanneer die produkten in de Lid-Staat van oorsprong rechtmatig onder een overeenkomstige benaming (" Fleischware ") worden vervaardigd en in de handel gebracht en voorts een behoorlijke informatie van de koper verzekerd is .
18 Hieruit volgt, dat de toepassing op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten van een regeling als door de nationale rechter beschreven, niet gerechtvaardigd kan zijn uit hoofde van dwingende vereisten verband houdende met de bescherming van de consument of de eerlijkheid van de handelstransacties .
19 De toepassing van een dergelijke regeling op ingevoerde produkten kan evenmin gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid van personen . Gebleken is immers, dat produkten die niet aan de regeling voldoen, wel onder een andere dan de in de regeling omschreven aanduiding mogen worden verhandeld .
20 Op de vragen van de nationale rechter moet mitsdien worden geantwoord, dat de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling op uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, wanneer volgens die regeling de aanduiding "vleeswaar" uitsluitend mag worden gebezigd voor produkten waarbij de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet een bepaalde waarde niet overschrijdt .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door de Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo bij interlocutoir vonnis van 29 juni 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag staan in de weg aan de toepassing van een nationale regeling op uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, wanneer volgens die regeling de aanduiding "vleeswaar" uitsluitend mag worden gebezigd voor produkten waarbij de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet een bepaalde waarde niet overschrijdt .
Full & Egal Universal Law Academy