Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
Een Lid-Staat kan zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van in gemeenschapsrichtlijnen voorgeschreven verplichtingen en termijnen niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties.
Partijen
In zaak C-290/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van de richtlijnen 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1975, L 194, blz. 34) en 79/869/EEG van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1979, L 271, blz. 44), dan wel door die maatregelen niet mee te delen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, J. C. Moitinho de Almeida en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz,
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van de vertegenwoordigers van partijen ter terechtzitting van 22 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 september 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van de richtlijnen 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1975, L 194, blz. 34) en 79/869/EEG van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1979, L 271, blz. 44), dan wel door die maatregelen niet mee te delen.
2 Artikel 10 van richtlijn 75/440 en artikel 13 van richtlijn 79/869 bepalen, dat de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking doen treden om binnen een termijn van twee jaar na de kennisgeving aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Deze richtlijnen zijn respectievelijk op 18 juni 1975 en 19 oktober 1979 aan het Koninkrijk België ter kennis gebracht, zodat de vastgestelde termijn respectievelijk op 18 juni 1977 en 19 oktober 1981 is verstreken.
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
4 Artikel 8 van richtlijn 79/869 legt de Lid-Staten de verplichting op, de Commissie op haar verzoek alle relevante gegevens te verschaffen inzake de toegepaste analysemethodes en de frequentie van de analyses. Het Koninkrijk België heeft niet geantwoord op de vragen die de Commissie bij brief van 8 december 1986 dienaangaande heeft gesteld, en evenmin op andere in dezelfde brief gestelde vragen betreffende de uitvoering van de richtlijnen 75/440 en 79/869. Eerst ter terechtzitting heeft de Belgische regering aangegeven, hoe richtlijn 79/869 in de nationale rechtsorde is omgezet.
5 Daaruit volgt, dat het Koninkrijk België genoemd artikel 8 alsmede artikel 5 EEG-Verdrag heeft geschonden en dat het bezwaar inzake de niet-mededeling van de ter uitvoering van richtlijnen 75/440 en 79/869 vastgestelde maatregelen moet worden aanvaard.
6 Met betrekking tot het bezwaar inzake de niet-vaststelling van de nodige maatregelen ter uitvoering van de twee richtlijnen, zij allereerst opgemerkt, dat de Commissie het eens is met het door de Belgische regering in haar verweerschrift geformuleerde standpunt, dat er voor het Brusselse Gewest geen uitvoeringsmaatregelen behoeven te worden vastgesteld, daar er aldaar geen voor de produktie van drinkwater bestemd oppervlaktewater is.
7 Wat het Vlaamse Gewest betreft, zijn partijen het erover eens, dat de door de Belgische regering vastgestelde maatregelen de richtlijnen correct hebben omgezet, behalve voor wat artikel 4, lid 2, van richtlijn 75/440 betreft. Het Koninkrijk België heeft immers het door die bepaling voorgeschreven organisch actieplan met een tijdschema ter sanering van het oppervlaktewater niet vastgesteld.
8 Met betrekking tot het Waalse Gewest ontkent de Belgische regering niet, dat een aantal bepalingen van de richtlijnen niet zijn omgezet, doch zij betoogt, dat dit is toe te schrijven aan het ontbreken van de nodige financiële middelen.
9 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van in richtlijnen besloten liggende verplichtingen en termijnen niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties van juridische of financiële aard (zie onder meer het arrest van 3 oktober 1984, zaak 254/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 3395).
10 Uit het voorgaande volgt, dat het Koninkrijk België, door de ter uitvoering van de richtlijnen 75/440 en 79/869 vastgestelde maatregelen niet mee te delen en door voor het Vlaamse en het Waalse Gewest niet de nodige maatregelen ter uitvoering van die richtlijnen vast te stellen, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
Dictum
rechtdoende, verstaat:
1. Door de maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de richtlijnen 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten en 79/869/EEG van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten, niet mee te delen en door voor het Vlaamse en het Waalse Gewest niet de nodige maatregelen ter uitvoering van die richtlijnen vast te stellen, is het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2. Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy