Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleiding - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Mogelijkheid voor betrokken Lid-Staat om vóór vaststelling van beschikking zijn opmerkingen kenbaar te maken - Wezenlijk vormvoorschrift - Schending - Onwettigheid
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 6, lid 1)
Samenvatting
In het kader van de procedure voor toekenning door het Europees Sociaal Fonds van financiële bijstand aan beroepsopleidings- en beroepsoriënteringsacties in een Lid-Staat, staat alleen de betrokken Lid-Staat in betrekking tot het Fonds en stelt hij zich aansprakelijk, voor zover hij instaat voor de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de gegevens in de door de rechthebbenden ingediende aanvragen om betaling van het eindsaldo en voor zover hij zelfs kan worden verplicht, het goede verloop van de gefinancierde acties te garanderen. Gelet op de centrale rol van deze Lid-Staat en de grote verantwoordelijkheden die hij op zich neemt bij de indiening van de opleidingsacties en bij het toezicht op de financiering ervan, vormt de hem in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 geboden mogelijkheid om vóór de totstandkomng van een beschikking tot vermindering van de aanvankelijk toegekende financiële bijstand zijn opmerkingen kenbaar te maken, een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid van de beschikking tot vermindering leidt.
Partijen
In zaak C-304/89,
Estabelecimentos Isidoro M. Oliveira SA, vennootschap naar Portugees recht, vertegenwoordigd door J. Marques de Ascencão, advocaat te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Fonseca Artunes, advocaat aldaar, Rue de la Grève 12,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. Lima als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 27 juni 1989, inhoudende dat uitgaven tot een bedrag van 63 450 244 ESC en van 23 713 486 ESC, respectievelijk betrekking hebbende op de bij het Europees Sociaal Fonds ingediende aanvragen om bijstand nrs. 870708/P1 en 870708/P3, niet voor vergoeding in aanmerking komen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: T. F. O' Higgins, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 5 oktober 1989, heeft de vennootschap Estabelecimentos Isidoro M. Oliveira (hierna: Oliveira) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof verzocht om nietigverklaring van twee beschikkingen van de Commissie van 27 juni 1989 tot vermindering van de bijstand die het Europees Sociaal Fonds (hierna: het Fonds) aanvankelijk had toegekend voor twee voor rekening van verzoekster ingediende beroepsopleidingsprojecten.
2 Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 38) neemt het Fonds deel in de financiering van beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting.
3 Volgens artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG (PB 1983, L 289, blz. 1; hierna: "de verordening") brengt goedkeuring door het Fonds van een aanvraag om bijstand, uitkering van een voorschot van 50 % van toegekende steun met zich mee op de voor de aanvang van de acties vastgestelde datum. Volgens artikel 5, lid 4, moeten de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag omvatten over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie.
4 Artikel 6, lid 1, van de verordening bepaalt dat, indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, de Commissie deze bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken. Artikel 6, lid 2, bepaalt, dat overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, worden teruggevorderd en dat de Lid-Staat subsidiair aansprakelijk is voor terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde bedragen, wanneer het om acties gaat waarvan hij krachtens artikel 2, lid 2, van voornoemd besluit 83/516 de goede uitvoering heeft gegarandeerd.
5 Het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (ministerie belast met de aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds) (hierna: "DAFSE") te Lissabon diende namens de Portugese Republiek ten behoeve van verzoekster bij de diensten van het Fonds twee aanvragen om financiële bijstand in.
6 De twee opleidingsprojecten waarvoor om bijstand was verzocht, werden bij twee beschikkingen van de Commissie goedgekeurd onder voorbehoud van bepaalde wijzigingen met betrekking tot de hoogte van de bijstand. Deze besluiten werden aan het DAFSE medegedeeld, dat vervolgens verzoekster ervan in kennis stelde.
7 Na voltooiing van de opleidingsacties diende verzoekster bij het DAFSE de documenten in ten bewijze dat de acties waren uitgevoerd, alsmede de aanvragen om betaling van het eindsaldo en het in artikel 5, lid 4, van de verordening bedoelde verslag met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens.
8 Overeenkomstig deze bepaling bevestigde de Portugese Republiek de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvragen verstrekte gegevens en zond deze aan de Commissie.
9 Na onderzoek van de aanvragen om betaling van het saldo stelde de Commissie vast, dat bepaalde uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. In de twee bestreden beschikkingen, die aan het DAFSE werden medegedeeld en door deze instantie ter kennis van verzoekster werden gebracht, verminderde de Commissie bijgevolg de aanvankelijk verleende bijstand van het Fonds.
10 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van deze beschikkingen voert verzoekster vier middelen aan, die respectievelijk zijn ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van algemene rechtsbeginselen, niet-eerbiediging van verworven rechten en onvoldoende motivering van de bestreden beschikkingen.
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 De twee bestreden beschikkingen zijn door de Commissie aan de bevoegde Portugese autoriteiten medegedeeld in de vorm van met redenen omklede besluiten, waarin te kennen werd gegeven dat de bijstand van het Fonds krachtens artikel 6, lid 1, van de verordening werd verminderd tot een lager bedrag dan aanvankelijk was toegestaan.
13 In zoverre wordt verzoekster door de bestreden beschikkingen rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, ook al waren deze gericht tot de Portugese Republiek. Zij ontnemen verzoekster immers een gedeelte van de haar aanvankelijk toegekende bijstand, zonder dat de Lid-Staat dienaangaande over een eigen beoordelingsbevoegdheid beschikt.
14 Tot staving van het eerste middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, voert Oliveira aan, dat de bestreden beschikkingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 6, lid 1, van de verordening, omdat de Commissie, anders dan deze bepaling voorschrijft, de betrokken Lid-Staat niet vóór het geven van deze beschikkingen heeft gehoord.
15 De Commissie stelt, dat de bevoegde nationale autoriteiten de beschikkingen tot vermindering van de financiële bijstand hetzij kunnen aanvaarden en aan de uitvoerende instanties kunnen meedelen, hetzij op grond van genoemd artikel 6, lid 1, kunnen betwisten. In geval van betwisting wordt er tussen de diensten van het Fonds en de nationale autoriteiten opnieuw overleg gepleegd, na afloop waarvan de beschikkingen worden bevestigd of gewijzigd en definitief worden door kennisgeving ervan aan de uitvoerende instanties. In casu zouden de Portugese autoriteiten de door de Commissie aangebrachte verminderingen uitdrukkelijk hebben aanvaard en hebben ingestemd met kennisgeving van de bestreden beschikkingen aan verzoekster. In elk geval zou verzoekster geen beroep kunnen doen op een recht op raadpleging waarvan de wettelijk rechthebbende geen gebruik heeft gemaakt.
16 In de eerste plaats moet erop worden gewezen, dat de Commissie het belang van verzoekster om zich van dit middel te bedienen, niet kan betwisten.
17 Verzoekster heeft namelijk een wettig belang om zich te beroepen op eventuele niet-inachtneming van het in artikel 6, lid 1, van de verordening neergelegde vormvoorschrift, omdat een dergelijke onregelmatigheid van invloed heeft kunnen zijn op de wettigheid van de bestreden beschikkingen.
18 In elk geval kan het Hof volgens vaste rechtspraak ambtshalve onderzoeken, of wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden (zie de arresten van 21 december 1954, zaak 1/54, Frankrijk/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1954, blz. 7; zaak 2/54, Italië/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1954, blz. 79; en 20 maart 1959, zaak 18/57, Nold/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1959, blz. 93).
19 In casu wordt niet betwist dat de Commissie, in strijd met de haar in artikel 6, lid 1, van de verordening opgelegde duidelijke verplichting, de Portugese Republiek vóór het geven van de bestreden beschikkingen geen gelegenheid heeft geboden opmerkingen te maken.
20 Voorts staat vast, dat alleen de Lid-Staat in betrekking staat tot het Fonds (zie het arrest van 15 maart 1984, zaak 310/81, EISS, Jurispr. 1984, blz. 1341, r.o. 15) en dat hij zich aansprakelijk stelt voor zover hij instaat voor de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen om betaling van het eindsaldo verstrekte gegevens en voor zover hij zelfs kan worden verplicht, het goede verloop van de opleidingsacties te garanderen.
21 Gelet op zijn centrale rol en grote verantwoordelijkheden bij de indiening van de opleidingsprojecten en het toezicht op de financiering ervan, vormt de mogelijkheid voor de betrokken Lid-Staat om vóór de totstandkoming van een definitieve beschikking tot vermindering van de bijstand zijn opmerkingen kenbaar te maken, een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid van de bestreden beschikkingen leidt.
22 Het argument van de Commissie, dat de betrokken Lid-Staat met het Fonds in overleg kan treden wanneer hij van de beschikkingen tot vermindering in kennis is gesteld, kan niet slagen.
23 Het volstaat in dit verband erop te wijzen, dat zowel de rechthebbende op bijstand, die van het voeren van dit overleg in kennis wordt gesteld, als de betrokken Lid-Staat dan geen beroep tot nietigverklaring zouden kunnen instellen tegen beschikkingen tot vermindering van de bijstand, wanneer de Commissie, ondanks de door deze Lid-Staat ingebrachte bezwaren, haar aanvankelijke beschikkingen na het verstrijken van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn van twee maanden bevestigt.
24 In dat geval zouden de rechthebbende op bijstand en de Lid-Staat evenmin kunnen verzoeken om nietigverklaring van de beschikkingen waarbij de verminderingen van de bijstand worden bevestigd, omdat een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts een niet binnen de termijn bestreden beschikking bevestigt, niet-ontvankelijk is (zie beschikking van 21 november 1990, zaak C-12/90, Infortec, Jurispr. 1990, blz. I-4265, r.o. 10).
25 Hieruit volgt, dat de bestreden beschikkingen tot vermindering van de bijstand moeten worden nietigverklaard, zonder dat de overige door verzoekster aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de beschikkingen van de Commissie van 27 juni 1989, inhoudende dat uitgaven tot een bedrag van 63 450 244 ESC en 23 713 486 ESC, respectievelijk betrekking hebbende op de bij het Europees Sociaal Fonds ingediende aanvragen om bijstand nrs. 870708/P1 en 870708/P3, niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy