Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Werknemers - Gelijke behandeling - Toegang tot onderwijs van kinderen van werknemer - Opleiding in andere staat dan ontvangende staat - Recht op steun, door ontvangende staat aan eigen onderdanen toegekend bij opleiding in buitenland - Opleiding in Lid-Staat waarvan betrokkene onderdaan is - Geen invloed
( Verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad, artikel 12 )
Samenvatting
Artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 bevat een algemene regel die op onderwijsgebied iedere Lid-Staat verplicht, de gelijke behandeling te verzekeren van eigen onderdanen en kinderen van op zijn grondgebied gevestigde werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat . Wanneer een Lid-Staat derhalve zijn eigen onderdanen de mogelijkheid biedt van steun bij een opleiding in het buitenland, moet het kind van een migrerende werknemer, dat besluit buiten de ontvangende staat een opleiding te volgen, hetzelfde voordeel genieten .
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat het betrokken kind besluit, onderwijs te volgen in de Lid-Staat waarvan het onderdaan is . Noch het woonplaatsvereiste van artikel 12, noch de doelstelling van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 rechtvaardigen een dergelijke beperking, die overigens zou leiden tot een andere vorm van discriminatie van kinderen van communautaire werknemers ten opzichte van onderdanen van de ontvangende staat .
Partijen
In zaak C-308/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Darmstadt, in het aldaar aanhangig geding tussen
C . di Leo
en
Land Berlijn,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 2 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : G . F . Mancini, kamerpresident, T . F . O' Higgins en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, C . N . Kakouris en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E . Roeder en G . Leibrock van het Ministerie van Economische zaken, als gemachtigden,
- de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P.G . Ferri, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs J . Pipkorn en H . Lima als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van C . di Leo, vertegenwoordigd door V . Raschendorfer, advocaat te Gedern, en van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T . Heukels van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, ter terechtzitting van 28 juni 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 oktober 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 september 1989, ingekomen bij het Hof op 9 oktober 1989, heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 2 ).
2 De vraag is gerezen in het kader van een beroep van Carmina di Leo, van Italiaanse nationaliteit, tegen de weigering van de bevoegde Duitse autoriteiten om haar de steun bij opleiding krachtens het Bundesausbildungsfoerderungsgesetz ( hierna : BAfoeG ) toe te kennen, op grond dat de door haar aangevraagde steun bij opleiding alleen zou worden toegekend aan Duitsers in de zin van het Grundgesetz en aan staatloze of asielgerechtigde buitenlanders .
3 In de ten tijde van de feiten geldende versie van het BAfoeG kon voor een opleiding buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland slechts steun bij opleiding worden toegekend aan Duitsers in de zin van het Grundgesetz, staatloze of asielgerechtigde buitenlanders en vluchtelingen . Op grond van een sinds 1 juli 1988 geldende wijziging wordt de steun thans ook toegekend aan leerlingen die op grond van het gemeenschapsrecht als kinderen van communautaire onderdanen recht hebben op vrij verkeer of over een verblijfsrecht beschikken . Onderdanen van een Lid-Staat zijn evenwel van de steun uitgesloten, wanneer de opleiding wordt gegeven in een staat waarvan zij onderdaan zijn .
4 Blijkens het dossier is verzoekster in het hoofdgeding de dochter van een migrerend Italiaans werknemer die sedert vijfentwintig jaar in de Bondsrepubliek Duitsland werkzaam is . Zij volgde het lager en middelbaar onderwijs in Gedern ( Bondsrepubliek Duitsland ), waar zij ook haar voornaamste woonplaats heeft . Wegens de numerus clausus op de medische faculteiten van de Duitse universiteiten schreef zij zich in aan de medische faculteit van de universiteit te Siena in Italië . Voor die studie werd haar de steun bij opleiding van het BAfoeG geweigerd .
5 De aangezochte rechter is van oordeel, dat de rechtmatigheid van de beslissing van de Duitse autoriteiten mogelijkerwijze afhangt van de vraag, of artikel 12 van verordening nr . 1612/68 een Lid-Staat waarvan de wetgeving in steun voor een opleiding in het buitenland voorziet, gebiedt om die steun toe te kennen aan een persoon die zich in de situatie van verzoekster in het hoofdgeding bevindt .
6 Het Verwaltungsgericht Darmstadt heeft de behandeling van de zaak dan ook geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Moet artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 aldus worden uitgelegd, dat de onder die bepaling vallende kinderen voor de steun bij opleiding moeten worden gelijkgesteld met eigen onderdanen, niet alleen wanneer de opleiding in de ontvangende staat plaatsvindt, maar ook wanneer de kinderen een opleiding volgen in de staat waarvan zij onderdaan zijn?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van het rechtskader en de feiten in het hoofdgeding alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Artikel 12 van verordening nr . 1612/68 bepaalt, dat de kinderen van een communautair werknemer onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de ontvangende staat worden toegelaten tot het algemeen onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding, indien die kinderen op het grondgebied van die staat woonachtig zijn .
9 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat artikel 12 volgens de rechtspraak van het Hof ( zie arrest van 15 maart 1989, gevoegde zaken 389/87 en 390/87, Echternach, Jurispr . 1989, blz . 723 ) niet alleen de toelatingsregels in eigenlijke zin op het oog heeft, maar ook de algemene maatregelen om de deelneming aan het onderwijs te vergemakkelijken . Dienaangaande overwoog het Hof onder meer, dat de status van kind van een communautair werknemer heel in het bijzonder meebrengt, dat de betrokkene op grond van het gemeenschapsrecht in aanmerking dient te komen voor overheidssteun bij opleiding, ten einde aldus zijn integratie in het sociale leven van de ontvangende staat mogelijk te maken . Dit impliceert dat de kinderen van migrerende werknemers recht hebben op steun ter dekking van de kosten van onderwijs en levensonderhoud onder dezelfde voorwaarden als waaronder die voordelen aan onderdanen van de ontvangende staat worden toegekend .
10 De prejudiciële vraag werpt evenwel het probleem op, of dit recht op gelijke behandeling op het gebied van de opleiding door een kind van een communautair werknemer ook kan worden ingeroepen, wanneer de opleiding plaatsvindt in een andere staat dan de ontvangende staat, inzonderheid de staat waarvan het kind onderdaan is .
11 Dienaangaande hebben de Duitse en - ter terechtzitting - de Nederlandse regering betoogd, dat de in artikel 12 voorziene verplichting tot gelijke behandeling niet op een Lid-Staat rust, wanneer kinderen van een migrerende werknemer voor het volgen van onderwijs naar het buitenland vertrekken, met name omdat artikel 12 volgens zijn bewoordingen uitsluitend van toepassing is op kinderen die op het grondgebied van de ontvangende staat wonen . Bovendien zou artikel 12 tot doel hebben, de integratie van de werknemer en zijn gezin in de ontvangende staat te bevorderen . Wanneer het kind van een migrerend werknemer in een andere Lid-Staat een opleiding volgt, zou zulks zijn integratie in de ontvangende staat niet bevorderen .
12 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard . Artikel 12 heeft blijkens zijn bewoordingen niet alleen betrekking op onderwijs in de ontvangende staat . Het in artikel 12 van verordening nr . 1612/68 gestelde woonplaatsvereiste heeft immers tot doel, de gelijke behandeling op het gebied van de in dit artikel bedoelde voordelen te beperken tot de kinderen van migrerende werknemers, die in de staat van ontvangst van hun ouders wonen . Het impliceert echter niet, dat het recht op gelijke behandeling afhankelijk is van de plaats waar het betrokken kind onderwijs volgt .
13 Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat de doelstelling van verordening nr . 1612/68 - het vrije verkeer van werknemers - slechts met eerbiediging van de vrijheid en de waardigheid kan worden verzekerd, indien voor de integratie van het gezin van de communautaire werknemer in de ontvangende staat optimale voorwaarden gelden . Die integratie kan slechts slagen, indien het kind van de communautaire werknemer die met zijn gezin in de ontvangende staat woont, zijn opleiding kan kiezen onder dezelfde voorwaarden als een kind dat onderdaan is van die staat .
14 Bovendien volgt uit artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, bepalende dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van andere Lid-Staten dezelfde sociale voordelen geniet als nationale werknemers, dat een Lid-Staat die zijn nationale werknemers de mogelijkheid biedt, een opleiding te volgen in een andere Lid-Staat, die mogelijkheid ook moet bieden aan op zijn grondgebied gevestigde communautaire werknemers ( zie het arrest van 27 september 1988, zaak 235/87, Matteucci, Jurispr . 1988, blz . 5589 ).
15 Dit beginsel moet ook gelden voor kinderen van communautaire werknemers, die onder artikel 12 vallen . Dit artikel bevat immers, evenals artikel 7, lid 2, een algemene regel die op onderwijsgebied iedere Lid-Staat verplicht, de gelijke behandeling te verzekeren van eigen onderdanen en kinderen van op zijn grondgebied gevestigde werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat . Wanneer een Lid-Staat derhalve zijn eigen onderdanen de mogelijkheid biedt van steun bij een opleiding in het buitenland, moet het kind van een migrerende werknemer, dat besluit buiten de ontvangende staat een opleiding te volgen, hetzelfde voordeel genieten .
16 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat het betrokken kind besluit, onderwijs te volgen in de Lid-Staat waarvan het onderdaan is . Noch het woonplaatsvereiste van artikel 12, noch de doelstelling van verordening nr . 1612/68 rechtvaardigen een dergelijke beperking, die overigens zou leiden tot een andere vorm van discriminatie van kinderen van communautaire werknemers ten opzichte van onderdanen van de ontvangende staat .
17 Om bovenstaande redenen moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 12 van verordening nr . 1612/68 aldus moet worden uitgelegd, dat de in deze bepaling bedoelde kinderen voor de steun bij opleiding moeten worden gelijkgesteld met eigen onderdanen, niet alleen wanneer de opleiding in de ontvangende staat plaatsvindt, maar ook wanneer zij plaatsvindt in de staat waarvan zij onderdaan zijn .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Duitse regering, de Nederlandse regering, de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Darmstadt bij beschikking van 11 september 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap moet aldus worden uitgelegd, dat de in die bepaling bedoelde kinderen voor de steun bij opleiding moeten worden gelijkgesteld met eigen onderdanen, niet alleen wanneer de opleiding in de ontvangende staat plaatsvindt, maar ook wanneer zij plaatsvindt in de staat waarvan zij onderdaan zijn .
Full & Egal Universal Law Academy