Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Regeling inzake zondagsrust van werknemers in sector kleinhandel - Toelaatbaarheid - Verdragsbepalingen inzake vrij verrichten van diensten en mededinging - Niet-toepasselijkheid
( EEG-Verdrag, art . 3, sub f, 5, 30, 34, 59 tot en met 66 en 85 )
Samenvatting
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag na twaalf uur in kleinhandelszaken tewerk te stellen .
Een dergelijke regeling, die niet tot doel heeft de handel te beheersen en die de verkoop van nationale produkten evenzeer raakt als die van ingevoerde produkten, streeft immers een doel na dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is, aangezien zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden poogt te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften, en dus de neerslag vormt van bepaalde politieke en economische keuzen . De beperkende gevolgen voor het handelsverkeer die er eventueel uit kunnen voortvloeien, lijken niet buitensporig in verhouding tot het nagestreefde doel .
Hetzelfde geldt voor het verbod van artikel 34 EEG-Verdrag, aangezien een dergelijke regeling volgens objectieve criteria van toepassing is op alle ondernemingen van een bepaalde sector, zonder onderscheid te maken tussen goederen die de consument ter plaatse wil gebruiken en goederen die hij wenst uit te voeren .
Bovendien zijn noch de artikelen 59 tot en met 66, noch artikel 3, sub f, junctis de artikelen 5 en 85, EEG-Verdrag erop van toepassing .
Partijen
In zaak C-332/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hof van beroep te Bergen, in de aldaar dienende strafzaak tegen
A . Marchandise,
J.-M . Chapuis,
NV Trafitex,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, sub f, 5, 30 tot en met 36, 59 tot en met 66 en 85 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, R . Joliet, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven,
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- A . Marchandise, J.-M . Chapuis en de NV Trafitex, vertegenwoordigd door F . Bauduin, advocaat te Brussel, en J . Wagener, advocaat te Luxemburg,
- de Commissie, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, en H . Lehman, Frans ambtenaar ter beschikking gesteld van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A . Marchandise, J.-M . Chapuis en NV Trafitex, vertegenwoordigd door F . Bauduin en J.-F . Tailleur, advocaten te Brussel, en van de Commissie ter terechtzitting van 26 september 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 5 oktober 1989, ingekomen bij het Hof op 27 oktober daaraanvolgend, heeft het Hof van beroep te Bergen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, sub f, 5, 30 tot en met 36, 59 tot en met 66 en 85 van datzelfde Verdrag, ten einde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag na twaalf uur in kleinhandelszaken tewerk te stellen .
2 Volgens artikel 11 juncto artikel 14, § 1, van de Belgische Arbeidswet van 16 maart 1971 is het verboden, werknemers op zondag na twaalf uur in kleinhandelszaken tewerk te stellen . Artikel 53 van die wet bedreigt de werkgevers in geval van overtreding van deze regel met gevangenisstraffen en geldboeten .
3 A . Marchandise, bestuurder van de vennootschap Trafitex, en J.-M . Chapuis, werknemer van genoemde vennootschap, worden door het openbaar ministerie vervolgd omdat zij, in strijd met de bepalingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971, tussen 14 september en 14 december 1986 herhaaldelijk negen werknemers op zondag na twaalf uur hebben tewerkgesteld .
4 Op 1 juni 1988 bevond de Correctionele rechtbank te Charleroi verdachten schuldig aan de hun ten laste gelegde feiten en veroordeelde hen tot betaling van geldboeten, subsidiair tot gevangenisstraffen; Chapuis werd voorwaardelijk veroordeeld . Bij hetzelfde vonnis werd de vennootschap Trafitex burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de geldstraffen .
5 Alle partijen hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld . De Vierde kamer van het Hof van beroep te Bergen, rechtdoende in correctionele zaken, heeft bij arrest het Hof de prejudiciële vraag gesteld,
"of de bepalingen van de artikelen 1, 11, 14, § 1, 53, 54, 57, 59 en 59 van de wet van 16 maart 1971, zoals gewijzigd bij de wet van 20 juli 1978 en het Koninklijk Besluit nr . 15 van 23 oktober 1978, in strijd zijn met de artikelen 3, sub f, 5, 30 tot en met 36, 59 tot en met 66 en 85 van het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 ".
6 Voor een nadere uiteenzetting van het juridische kader en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het niet aan het Hof staat, zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het Verdrag . Het Hof is echter wel bevoegd, de nationale rechter alle uitleggingsgegevens van gemeenschapsrecht te verschaffen die hem in staat stellen om zich voor de beslissing van de bij hem aanhangige zaak een oordeel over die verenigbaarheid te vormen .
Artikel 30 EEG-Verdrag
8 De nationale rechter wenst in wezen te vernemen, of bepalingen die verbieden, werknemers op zondag in kleinhandelszaken tewerk te stellen, een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag vormen .
9 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag in kleinhandelszaken tewerk te stellen, niet tot doel heeft de handel te beheersen . Niettemin kan zij beperkende gevolgen hebben voor het vrije verkeer van goederen . Ook al is het weinig waarschijnlijk, dat door de sluiting van bepaalde categorieën winkels op zondag de consumenten definitief zullen afzien van de aankoop van produkten die op de andere dagen van de week beschikbaar zijn, toch kan het betrokken verbod negatieve gevolgen hebben voor de omvang van de verkoop en bijgevolg van de invoer .
10 Een dergelijke regeling raakt de verkoop van nationale produkten evenzeer als die van ingevoerde produkten . In beginsel wordt de handel in uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten dus niet moeilijker gemaakt dan die in nationale produkten ( zie in die zin het arrest van het Hof van 23.11.1989, zaak C-145/88, Torfaen Borough Council, Jurispr . 1989, blz . 3851 ).
11 In dat arrest heeft het Hof in verband met een soortgelijke nationale regeling die winkels verbood om op zondag open te zijn, in wezen geoordeeld, dat een dergelijk verbod slechts verenigbaar is met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen, indien de daardoor veroorzaakte eventuele belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer niet verder gaan dan ter bereiking van het beoogde doel noodzakelijk is en dit doel naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is .
12 In zoverre moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat een regeling als de in geding zijnde een doel nastreeft dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is . Zoals het Hof immers reeds in voornoemd arrest van 23 november 1989 overwoog, vormen nationale regelingen betreffende de openingstijden van winkels de neerslag van bepaalde politieke en economische keuzen, daar zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden pogen te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften, waarvan de beoordeling bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bij de Lid-Staten berust .
13 In de tweede plaats dient te worden vastgesteld, dat de beperkende gevolgen voor het handelsverkeer, die eventueel uit een dergelijke regeling kunnen voortvloeien, niet buitensporig lijken in verhouding tot het nagestreefde doel .
14 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag na twaalf uur tewerk te stellen .
Artikel 34 EEG-Verdrag
15 Anderzijds strekt de prejudiciële vraag er ook toe te vernemen, of de betrokken maatregel een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 34 EEG-Verdrag vormt .
16 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 8 november 1979 ( zaak 15/79, Groenveld, Jurispr . 1979, blz . 3409 ) in wezen heeft uitgemaakt, dat een nationale maatregel die objectief op de produktie van een bepaald soort waren van toepassing is, onverschillig of zij voor de nationale markt dan wel voor de uitvoer zijn bestemd, niet onverenigbaar met artikel 34 EEG-Verdrag is .
17 Op dit onderdeel van de prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord, dat een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag na twaalf uur tewerk te stellen, niet onverenigbaar is met artikel 34 EEG-Verdrag, aangezien zij niet tot doel heeft, de handelsstromen tussen de Lid-Staten te beheersen, en zij volgens objectieve criteria van toepassing is op alle ondernemingen van een bepaalde sector, zonder onderscheid te maken tussen goederen die de consument ter plaatse wil gebruiken en goederen die hij wenst uit te voeren .
De artikelen 59 tot en met 66 EEG-Verdrag
18 De nationale rechter werpt ook een vraag op betreffende de beoordeling van de betrokken maatregel vanuit het oogpunt van de artikelen 59 tot en met 66 EEG-Verdrag . Dienaangaande moet eerst worden opgemerkt, dat die artikelen ertoe strekken, het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap tot stand te brengen . Artikel 60 EEG-Verdrag preciseert, dat de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, als diensten worden beschouwd, met uitzondering van met name de gevallen waarin de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen op deze dienstverrichtingen van toepassing zijn .
19 In casu gaat het om een regeling betreffende de wijze van uitoefening van de kleinhandel, waarmee een oogmerk van sociale bescherming wordt nagestreefd . Gezien deze kenmerken, moet die regeling worden onderzocht vanuit het oogpunt van artikel 30 EEG-Verdrag, zoals het Hof beklemtoonde in voornoemd arrest Torfaen Borough Council . Bijgevolg kunnen de bepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn .
De artikelen 3, sub f, 5 en 85 EEG-Verdrag
20 Ten slotte verzoekt de nationale rechter, de betrokken nationale bepalingen te toetsen aan de artikelen 3, sub f, 5 en 85 EEG-Verdrag .
21 De vraag die de nationale rechter in verband met deze bepalingen heeft gesteld, moet aldus worden begrepen, of een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag in kleinhandelszaken tewerk te stellen, al dan niet verenigbaar is met de verplichtingen die voor de Lid-Staten voortvloeien uit artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag .
22 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag op zich slechts betrekking hebben op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten . Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit de samenhang van de artikelen 85 en 86 met artikel 5 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken . Volgens die zelfde rechtspraak is dat bij voorbeeld het geval, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen ( zie arrest van 21.9.1988, zaak 267/86, Van Eycke, Jurispr . 1988, blz . 4769, r.o . 16 ).
23 Vastgesteld moet worden, dat in casu uit geen enkel element van het dossier kan worden afgeleid, dat de betrokken regeling ten doel heeft de werking van een reeds bestaande afspraak te versterken . Bovendien bevat de regeling geen elementen die haar het overheidskarakter kunnen ontnemen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Hof van beroep te Bergen bij arrest van 5 oktober 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag na twaalf uur tewerk te stellen .
2 ) Artikel 34 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een dergelijke regeling .
3 ) Noch de artikelen 59 tot en met 66 EEG-Verdrag, noch de artikelen 3, sub f, junctis 5 en 85 EEG-Verdrag zijn op een dergelijke regeling van toepassing .
Full & Egal Universal Law Academy