Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Monetair compenserende bedragen - Extra lasten als gevolg van wijziging tussen sluiten van contract en uitvoering ervan - Vrijstelling - Bepaling van extra lasten - Inaanmerkingneming van zowel deviezentermijntransacties als behaald wisselvoordeel - Berekening op basis van voor deviezentransacties gebruikte, ook niet-communautaire, valuta' s - Noodzaak om economisch verband tussen goederentransacties en deviezentransacties aan te tonen - Uitzondering - Geval waarin geen wisselvoordeel in aanmerking wordt genomen omdat transacties op dezelfde dag zijn gesloten
(Verordening nr. 926/80 van de Commissie, art. 8, lid 3, en 9, lid 2)
Samenvatting
Artikel 8, lid 3, van verordening nr. 926/80 inzake de vrijstelling van toepassing van de monetaire compenserende bedragen, in bepaalde gevallen, waarin een marktdeelnemer extra lasten zou dragen als gevolg van wijzigingen van deze bedragen tussen het sluiten van een contract en de uitvoering ervan, moet aldus worden uitgelegd, dat de berekening van het eventuele wisselvoordeel dat de marktdeelnemer, gelet op een deviezentermijntransactie, heeft behaald en dat in mindering moet worden gebracht op de extra lasten die de vrijstelling beoogt te compenseren, moet geschieden op basis van de valuta die de betrokkene bij de deviezentermijntransactie daadwerkelijk heeft gebruikt, ook indien die valuta niet een communautaire valuta is.
Artikel 9, lid 2, tweede alinea, van deze verordening moet aldus worden uitgelegd dat, afgezien van de in deze bepaling sub a bedoelde gevallen, waarin de deviezentermijntransacties niet in aanmerking kunnen worden genomen, het economische verband tussen goederencontract en deviezentermijntransacties in de regel moet worden aangetoond, opdat deze transacties bij de bepaling van de door de marktdeelnemer werkelijk gedragen extra lasten in aanmerking worden genomen, hoewel hij wordt geacht een wisselvoordeel te hebben behaald.
Dit verband behoeft echter niet te worden aangetoond wanneer de marktdeelnemer zich kan beroepen op het in artikel 8, lid 3, laatste alinea, van deze verordening neergelegde verbod om een of ander wisselvoordeel in aanmerking te nemen, wanneer de goederentransactie en de deviezentransactie op dezelfde dag zijn gesloten, welk verbod wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het feit dat deze contracten gelijktijdig zijn gesloten inhoudt, dat bij het sluiten van het goederencontract alle monetaire aspecten in aanmerking zijn genomen.
Partijen
In zaak C-364/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf, in het aldaar aanhangig geding tussen
An Bord Bainne, Irish Dairy Board, Co-operative Ltd,
en
Hauptzollamt Gronau,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 926/80 van de Commissie van 15 april 1980 inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetaire compenserende bedragen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2899/81 van de Commissie van 7 oktober 1981,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Díez de Velasco, kamerpresident,
C. N. Kakouris en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- An Bord Bainne, vertegenwoordigd door H. Nehm, advocaat te Duesseldorf,
- de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg en Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van An Bord Bainne, het Hauptzollamt Gronau, vertegenwoordigd door H. Biedinger, Regierungsdirektor van de Oberfinanzdirektion Keulen, als gemachtigde, en de Commissie ter terechtzitting van 7 maart 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 15 november 1989, ingekomen ten Hove op 4 december daaropvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 926/80 van de Commissie van 15 april 1980 inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetaire compenserende bedragen (PB 1980, L 99, blz. 15), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2899/81 van de Commissie van 7 oktober 1981 (PB 1981, L 287, blz. 3).
2 De vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen de Ierse cooeperatieve vereniging An Bord Bainne en het Hauptzollamt Gronau over de vrijstelling van heffing van de verhoogde monetair compenserende bedragen, die An Bord Bainne na een revaluatie van de Duitse mark (DM) moest betalen.
3 De Commissie stelde verordening nr. 926/80, de tweede van deze soort, vast ten einde de nadelen op te heffen die voor de marktdeelnemers kunnen ontstaan als gevolg van wijzigingen van de monetair compenserende bedragen tussen het tijdstip waarop bepaalde contracten worden gesloten en het tijdstip waarop zij worden uitgevoerd.
4 Volgens de derde overweging van de considerans van deze verordening hebben "de bepalingen ter zake ten doel (...) de vrijstelling, op billijkheidsgronden, van heffing van de monetaire compenserende bedragen voor transacties op grond van zogenaamde oude contracten; (...) met een dergelijke billijkheidsclausule (wordt) een zekere soepelheid tot stand (...) gebracht binnen het kader waarvan elk geval kan worden onderzocht tegen de achtergrond van de zich daarbij voordoende bijzondere omstandigheden".
5 Artikel 8 van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2899/81, luidt als volgt:
"1. Vrijstelling van de heffing kan slechts worden verleend voor zover de aanvrager, of de contractpartner voor wiens rekening hij handelt, als gevolg van de heffing van het nieuwe monetaire compenserende bedrag extra lasten moet dragen die hij niet kon vermijden, ook al legde hij alle noodzakelijke en normale zorgvuldigheid aan de dag.
2. Het bepaalde in deze verordening is evenwel niet van toepassing
a) voor zover in het contract dat door invoer of uitvoer wordt nagekomen is bepaald dat het nieuwe monetaire compenserende bedrag niet voor rekening komt van de aanvrager, of de contractpartner voor wiens rekening hij handelt,
b) wanneer wordt geconstateerd dat het produkt waarvoor het nieuwe monetaire compenserende bedrag geldt, naar gelang van het geval, opnieuw wordt uitgevoerd of opnieuw wordt ingevoerd binnen zes maanden na de invoer of uitvoer ervan.
3. Indien de ontwikkeling op de wisselmarkten, met name gezien een aankoop of verkoop op termijn van deviezen, leidt tot een voordeel voor de betrokkene, wordt dat voordeel in mindering gebracht op de extra lasten. Dit voordeel wordt berekend door vergelijking van de contante omrekeningskoersen van de bij het contract betrokken valuta' s die gelden:
a) op de dag waarop het contract is afgesloten
en
b) op de dag van invoer of van uitvoer.
Wanneer een deviezentransactie op termijn wordt verricht, geldt in plaats van de contante omrekeningskoers op de dag van invoer of uitvoer de omrekeningskoers die geldt in het kader van de deviezentransactie op termijn.
In geval, evenwel, van een deviezentransactie op termijn, die op dezelfde dag wordt afgesloten als het goederencontract, kan geen enkel wisselvoordeel in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de extra lasten."
6 Artikel 9 luidt als volgt:
1. Als extra lasten wordt beschouwd de heffing van een nieuw monetair compenserend bedrag dat, gezien de omstandigheden met betrekking tot het specifieke geval, niet nodig is als compensatie voor de invloed van de monetaire maatregel op de contractprijs van het produkt.
2. Bij de beoordeling van de omstandigheden met betrekking tot het specifieke geval worden met name in aanmerking genomen:
a) de valuta waarin de factuur wordt betaald;
b) de datum waarop wordt betaald;
c) de aankoop of verkoop op termijn van deviezen in samenhang met de uitvoering van het betrokken contract;
d) de toekenning voor hetzelfde produkt, eventueel na verwerking, van het nieuwe monetaire compenserende bedrag.
Niet in aanmerking worden genomen deviezentransacties op termijn
a) die worden verricht
- vóór het sluiten van het contract,
- na de monetaire maatregel;
b) die noch direct noch indirect in economisch verband staan met het contract inzake de produkten."
7 Verordening nr. 926/80 werd ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 1084/84 van de Commissie van 18 april 1984 (PB 1984, L 106, blz. 26), zonder dat daarvoor een andere verordening in de plaats kwam.
8 Blijkens de stukken sloot An Bord Bainne op 11 februari 1983 met een Nederlandse onderneming een aantal contracten inzake de levering van magere-melkpoeder in de periode van april tot september 1983 aan een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde onderneming. Overeengekomen was dat het risico van de monetair compenserende bedragen ten laste kwam van An Bord Bainne en dat de betaling van de prijs van de bedoelde produkten in DM diende te geschieden.
9 Op 11 februari 1983, de datum waarop de goederencontracten werden gesloten, sloot An Bord Bainne een deviezentermijntransactie, waarbij zij in twee tranches, een van 3,65 miljoen DM en een van 7 miljoen DM, dat wil zeggen voor een totaal bedrag in DM dat overeenkwam met de verwachte totale opbrengst van de uitvoering van de goederencontracten, US-dollars (USD) kocht.
10 Voorts verkocht An Bord Bainne in het kader van zogenaamde "swap-transacties" de aldus verkregen USD tegen DM en sloot zij op 15 februari 1983 meer deviezentermijntransacties, waarbij de in het kader van de "swap" gekochte DM definitief in USD werden omgewisseld.
11 Tijdens de procedure voor het Hof betoogde An Bord Bainne, dat het gebruikelijk was, deviezentermijntransacties af te wikkelen middels een zogenaamde "swap-transactie", die bestond uit drie parallelle wisseltransacties, en dat de interval tussen 11 en 15 februari 1983 een gevolg was van het feit dat de banken de tweede werkdag na de datum van het sluiten van de transactie als valutadatum aanhouden, alsmede van het feit dat 11 februari 1983 op een vrijdag viel en er op zaterdag en zondag geen deviezen werden verhandeld.
12 Als gevolg van de revaluatie van de DM op 21 maart 1983, dat wil zeggen tussen het tijdstip waarop de betrokken contracten werden gesloten en het tijdstip waarop de desbetreffende goederen werden geleverd, moest de Commissie bij verordening (EEG) nr. 689/83 van 23 maart 1983 (PB 1983, L 80, blz. 1) de Duitse monetair compenserende bedragen verhogen.
13 Het Hauptzollamt Gronau wees de aanvragen van An Bord Bainne om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de heffing van de verhoogde monetair compenserende bedragen af, en het door haar hiertegen ingediende bezwaar werd door de Oberfinanzdirektion Muenster afgewezen.
14 Het Finanzgericht Duesseldorf, waar de zaak aanhangig is gemaakt, ziet zich gesteld voor de vraag, hoe de extra lasten in de zin van de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 926/80 dienen te worden bepaald; het gaat er meer bepaald om hoe het voordeel uit de deviezentransacties, dat krachtens artikel 8, lid 3, in mindering wordt gebracht op de extra lasten, in aanmerking moet worden genomen en berekend. Daar het twijfelt over de uitlegging van de betrokken gemeenschapsbepalingen, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 8, lid 3, van verordening (EEG) nr. 926/80 van de Commissie inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetaire compenserende bedragen (PB 1980, L 99, blz. 15), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2899/81 van 8 oktober 1981 (PB 1981, L 287, blz. 3), aldus worden uitgelegd, dat het erin bedoelde voordeel kan worden berekend, niet op basis van de nationale valuta van de betrokken EG-onderdaan, maar op basis van een niet-communautaire valuta, in casu de US-dollar?
Zo neen, kunnen derhalve alleen deviezentermijntransacties in aanmerking worden genomen die aldus door de daarbij overeengekomen koersverhouding (in casu verkoop van DM tegen Ierse ponden) een voordeelberekening mogelijk maken op basis van de nationale valuta van de betrokkene?
2) Moet artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 926/80 aldus worden uitgelegd, dat, afgezien van de sub a vermelde gevallen, het economische verband met het voor de betrokken goederen gesloten contract algemeen voor alle deviezentermijntransacties moet worden aangetoond?
Zo ja, verhindert artikel 8, lid 3, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 926/80 dat bij het onderzoek naar het economische verband in de zin van artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 926/80 naast de overeenstemming tussen de data waarop de beide contracten zijn gesloten, ook nog andere aspecten in aanmerking worden genomen, zoals het overeenstemmen van valuta, bedrag en vervaldag?
Volstaat het, dat het economische verband bestaat op het tijdstip waarop de contracten worden gesloten, of moet dit, gelet op artikel 9, lid 2, eerste alinea, sub c, van verordening (EEG) nr. 926/80, ook bij de uitvoering van de contracten worden onderzocht?
Is het voor het bewijs van het economische verband nodig, dat de aankoop of verkoop van de deviezen op grond van de deviezentermijntransactie althans economisch invloed heeft gehad op het commerciële resultaat van het goederencontract?"
15 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het rechtskader en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
16 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 8, lid 3, van verordening nr. 926/80, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat het aldaar bedoelde voordeel kan worden berekend op basis van een niet-communautaire valuta.
17 An Bord Bainne en de Commissie zijn het erover eens, dat het in de betrokken bepaling bedoelde voordeel moet worden berekend op basis van de valuta die de betrokkene in het kader van een deviezentermijntransactie daadwerkelijk heeft gebruikt, ook indien het een niet-communautaire valuta betreft.
18 Het Hof is eveneens deze mening toegedaan.
19 De tekst van de betrokken bepaling bevat immers geen enkele beperking ten aanzien van de valuta die kan worden gebruikt bij een deviezentermijntransactie en geeft geen aanleiding te veronderstellen, dat enkel in een bepaalde valuta gesloten deviezentermijntransacties in aanmerking zouden kunnen worden genomen bij de berekening van het eventuele voordeel.
20 Voorts dient de onderzochte bepaling het mogelijk te maken, dat met het oog op de vrijstelling de extra lasten als gevolg van het nieuwe monetair compenserende bedrag kunnen worden bepaald, en wel in dier voege dat het voordeel dat is behaald door een deviezentermijntransactie die in economisch verband staat met de goederentransactie, in mindering wordt gebracht, zodat de betrokken marktdeelnemer niet wordt bevoordeeld.
21 Een dergelijk voordeel kan evenwel uit een door de betrokken marktdeelnemer in elke willekeurige valuta van zijn keuze gesloten deviezentermijntransactie voortvloeien.
22 Indien de in een niet-communautaire valuta uitgevoerde transacties niet in aanmerking zouden worden genomen bij de berekening van het voordeel, zouden ten gevolge daarvan bepaalde marktdeelnemers worden bevoordeeld, voor zover zij kunnen worden vrijgesteld van de extra lasten en tevens voordeel kunnen trekken uit een in een dergelijke valuta gesloten deviezentermijntransactie. Een dergelijk resultaat valt buiten de doelstelling van de onderzochte bepaling.
23 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 8, lid 3, van verordening nr. 926/80 aldus moet worden uitgelegd, dat de berekening van het aldaar bedoelde voordeel moet geschieden op basis van de valuta die de betrokkene bij een deviezentermijntransactie daadwerkelijk heeft gebruikt, ook indien die valuta niet een communautaire valuta is.
24 Gelet op dit antwoord, behoeft de subsidiaire vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.
De tweede vraag
25 Met het eerste deel van de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of krachtens artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 926/80, afgezien van de sub a vermelde gevallen, het economische verband moet worden onderzocht voor alle deviezentermijntransacties, met inbegrip van die welke op dezelfde dag als het goederencontract zijn gesloten.
26 Volgens An Bord Bainne wordt in artikel 8, lid 3, derde alinea, volgens hetwelk in geval beide transacties op dezelfde datum zijn gesloten, "geen enkel wisselvoordeel in aanmerking (kan) worden genomen bij de bepaling van de extra lasten", een regel van bewijsrecht opgesteld en een onweerlegbaar vermoeden geformuleerd. Derhalve moet in dat geval het economische verband tussen beide contracten bewezen worden geacht.
27 De Commissie is daarentegen van mening, dat artikel 9, lid 2, tweede alinea, en artikel 8, lid 3, derde alinea, slechts schijnbaar met elkaar in tegenspraak zijn, omdat beide bepalingen een ander onderwerp regelen: krachtens de eerste bepaling is in de regel voor deviezentermijntransacties een economisch verband vereist, terwijl de tweede bepaling betrekking heeft op de berekening van het voordeel uit een deviezentermijntransactie, indien is aangetoond dat deze in economisch verband staat met een goederentransactie. Derhalve dient telkens te worden aangetoond dat een deviezentermijntransactie in economisch verband staat met het goederencontract, voordat de kwestie van de berekening van een eventueel hieruit voortvloeiend voordeel zich voordoet.
28 Dienaangaande zij opgemerkt, dat artikel 8, lid 3, derde alinea, juist bij verordening nr. 2899/81 in verordening nr. 926/80 is ingevoegd om de in de considerans van deze verordening genoemde reden, namelijk dat men in geval van een deviezentermijntransactie en een goederencontract die op dezelfde dag zijn gesloten, "er om gegronde redenen van kan uitgaan dat de deviezenkoers op termijn een rol heeft gespeeld in de prijs van de goederen en hierdoor van doorslaggevende betekenis is voor het afsluiten van het contract, hetgeen betekent dat er geen enkel verschil is tussen de te vergelijken omrekeningskoersen en dat er geen enkel wisselvoordeel in aanmerking kan worden genomen bij de bepaling van de extra lasten". Dit betekent dat volgens de gemeenschapswetgever weliswaar stellig een economisch verband bestaat wanneer beide transacties op dezelfde dag zijn gesloten, maar dat bij het sluiten van het goederencontract alle monetaire aspecten in aanmerking zijn genomen.
29 Indien dus beide transacties op dezelfde dag zijn gesloten, sluit de tekst van de onderzochte bepaling zo duidelijk uit dat een voordeel in aanmerking wordt genomen, dat geen twijfel over de uitlegging meer mogelijk is, en is het krachtens deze bepaling niet toegestaan, het bestaan van een economisch verband uit hoofde van artikel 9 te onderzoeken.
30 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 926/80 aldus moet worden uitgelegd dat, afgezien van de in deze bepaling sub a bedoelde gevallen, het economische verband met het goederencontract in de regel voor iedere deviezentermijntransactie moet worden aangetoond, met uitzondering evenwel van het in artikel 8, lid 3, bedoelde geval waarin beide transacties op dezelfde dag zijn gesloten.
31 Gelet op dit antwoord, behoeven de subsidiaire vragen van de verwijzende rechter niet te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 15 november 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 8, lid 3, van verordening (EEG) nr. 926/80 van de Commissie van 15 april 1980 inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetaire compenserende bedragen, moet aldus worden uitgelegd, dat de berekening van het aldaar bedoelde voordeel moet geschieden op basis van de valuta die de betrokkene bij een deviezentermijntransactie daadwerkelijk heeft gebruikt, ook indien die valuta niet een communautaire valuta is.
2) Artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 926/80 moet aldus worden uitgelegd dat, afgezien van de in deze bepaling sub a bedoelde gevallen, het economische verband met het goederencontract in de regel voor iedere deviezentermijntransactie moet worden aangetoond, met uitzondering evenwel van het in artikel 8, lid 3, bedoelde geval waarin beide transacties op dezelfde dag zijn gesloten.
Full & Egal Universal Law Academy