Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Termijnen - Van openbare orde - Onderzoek ambtshalve
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
2 . Ambtenaren - Beroep - Beoordelingsrapport - Voorafgaande administratieve klacht - Facultatief karakter
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
3 . Ambtenaren - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Te late opstelling - Deels aan ambtenaar te wijten vertraging
( Ambtenarenstatuut, artikel 43 )
Samenvatting
1 . Daar beroepstermijnen van openbare orde zijn, staat het aan het Gerecht om, ook ambtshalve, na te gaan of zij in acht zijn genomen .
2 . De indiening van een formele klacht in de zin van artikel 90 is niet te beschouwen als een voorwaarde waaraan voor het instellen van een beroep in rechte moet zijn voldaan, wanneer dit beroep tegen een beoordelingsrapport is gericht . Ingeval geen klacht is ingesteld, gaat de in artikel 91, lid 3, van het Statuut gestelde beroepstermijn van drie maanden in op de dag van kennisgeving aan de betrokkene van het als definitief te beschouwen beoordelingsrapport .
3 . Een ambtenaar kan niet over de vertraagde opstelling van zijn beoordelingsrapport klagen en uit dien hoofde een aanspraak op vergoeding van immateriële schade geldend maken, wanneer die vertraging, althans ten dele, aan hemzelf is te wijten of wanneer hij in aanzienlijke mate daartoe heeft bijgedragen .
Partijen
In zaak T-29/89,
H.-J . Moritz, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Bridel ( Luxemburg ), vertegenwoordigd door V . Biel, bijgestaan door A . May, advocaten te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van eerstgenoemde advocaat, 18 A, rue des Glacis,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door C . Berardis-Kayser, lid van haar juridische dienst, en vervolgens door H . Étienne, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door B . Rapp-Jung, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1983-1985,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : H . Kirschner, kamerpresident, C . P . Briët en J . Biancarelli, rechters,
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 8 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten, het procesverloop en de conclusies van partijen
1 Verzoeker was tot aan zijn op pensioen stelling eind januari 1990 ambtenaar van de rang A 3 bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, waar hij een ambt van afdelingshoofd bij directoraat-generaal XVIII ( Krediet en investeringen ) bekleedde .
2 Op 31 juli 1986 stelde verzoekers directe chef, A . Van Goethem, in zijn hoedanigheid van beoordelaar, verzoeker voor, zijn beoordelingsrapport over de periode 1981-1983 ongewijzigd te handhaven voor de periode van 31 juli 1983 tot 30 juni 1985 .
3 Bij dienstnota van 26 november 1986 weigerde verzoeker de ongewijzigde handhaving van zijn beoordelingsrapport .
4 Op 16 januari 1987 ontving verzoeker een ontwerp van beoordelingsrapport over de periode 1983-1985 . Hij had daarover op 6 februari 1987 een gesprek met de beoordelaar . Deze laatste zond verzoeker op 10 februari 1987 een nieuw ontwerp van beoordelingsrapport .
5 Op 3 maart 1987 vroeg verzoeker een beoordeling in beroep . Deze werd op 7 april 1987 door de directeur-generaal, E . Cioffi, opgesteld . Het Gerecht heeft uit verzoekers persoonsdossier kunnen opmaken, dat deze beoordeling in beroep verzoeker op 7 april 1987 ter kennis is gebracht . Ter terechtzitting hebben partijen bevestigd, dat deze kennisgeving op 7 april 1987 is geschied .
6 Bij klacht van 13 augustus 1987 vorderde verzoeker herziening van zijn beoordelingsrapport over de periode 1983-1985 en hervatting van de procedure in de fase van de beoordeling in beroep . Deze klacht werd bij een in een brief van 17 december 1987 vervat besluit van 9 december 1987 afgewezen .
7 Bij een op 18 maart 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker tegen de Commissie een beroep tot nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport over de periode 1983-1985 ingesteld .
8 De schriftelijke procedure heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen .
9 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
10 De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 1990 plaatsgehad . De vertegenwoordigers van partijen hebben er gepleit en vragen van het Gerecht beantwoord .
11 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage :
a ) het beroep ontvankelijk te verklaren;
b ) het beroep gegrond te verklaren en derhalve
c ) het op de klacht genomen besluit van 17 december 1987 nietig te verklaren;
d ) het beoordelingsrapport onwettig en derhalve nietig te verklaren;
e ) vast te stellen dat het beoordelingsrapport te laat is opgesteld en dat verzoeker daardoor een schade gelijk aan twee maanden basissalaris heeft geleden, of subsidiair
f ) de schade naar billijkheid vast te stellen;
g ) subsidiair, directeur-generaal Cioffi als getuige te horen en
h ) de Commissie in ieder geval te verwijzen in alle kosten van het geding .
12 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage :
a ) het beroep ongegrond te verklaren en
b ) verzoeker te verwijzen in de kosten van het geding .
De ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring
13 Ofschoon partijen in hun conclusies de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep niet hebben opgeworpen, moet ambtshalve worden onderzocht, of het beroep binnen de gestelde termijn is ingesteld . Daar beroepstermijnen van openbare orde zijn, staat het aan het Gerecht om, ook ambtshalve, na te gaan of zij in acht zijn genomen ( zie met name het arrest van het Hof van 5 juni 1980, zaak 108/79, Belfiore, Jurispr . 1980, blz . 1769 ).
14 Volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het Statuut ) is een beroep op het Gerecht slechts ontvankelijk indien men zich van tevoren binnen een termijn van drie maanden tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen .
15 De indiening van een formele klacht in de zin van artikel 90 is niet te beschouwen als een voorwaarde waaraan vóór het instellen van een beroep in rechte moet zijn voldaan, wanneer dit beroep tegen een beoordelingsrapport is gericht ( zie met name het arrest van het Hof van 3 juli 1980, gevoegde zaken 6/79 en 97/79, Grassi, Jurispr . 1980, blz . 2141 ). In dat geval gaat de in artikel 91, lid 3, van het Statuut gestelde beroepstermijn van drie maanden in op de dag van kennisgeving aan de betrokkene van het als definitief te beschouwen beoordelingsrapport .
16 Uit verzoekers persoonsdossier, dat het Gerecht krachtens artikel 26 van het Statuut is overgelegd, blijkt, dat de definitieve beoordeling in beroep verzoeker op 7 april 1987 ter kennis is gebracht . Vanaf dat ogenblik kon derhalve in rechte worden opgekomen tegen de beoordeling in beroep, zonder dat een voorafgaandelijke klacht of een voorafgaandelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing in de zin van artikel 90 van het Statuut nodig waren . Verzoekers eerste reactie na 7 april 1987 bestond in het indienen - op 13 augustus 1987 - van een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut . Deze klacht, die strikt genomen overbodig, doch niet verboden was, is derhalve niet alleen ingesteld na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, bedoelde termijn van drie maanden, maar ook na het verstrijken van de in artikel 91, lid 3, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden voor het instellen van beroep .
17 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de gemeenschapsregeling inzake de procestermijnen strikt worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden ( zie met name de arresten van het Hof van 12 juli 1984, zaak 209/83, Valsabbia, Jurispr . 1984, blz . 3089, 26 november 1985, zaak 42/85, Cockerill-Sambre, Jurispr . 1985, blz . 3749, en 15 januari 1987, zaak 152/85, Misset, Jurispr . 1987, blz . 223 ).
18 Ingevolge artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat krachtens artikel 46 van dit Statuut ook geldt voor de procedure voor het Gerecht, kan verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn niet worden tegengeworpen, wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont . Verzoeker heeft evenwel noch in zijn memories noch ter terechtzitting omstandigheden aangevoerd die toeval of overmacht opleveren .
19 Gelet op het voorgaande moet verzoekers vordering tot nietigverklaring in ieder geval als tardief worden beschouwd en derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard .
De schadevordering
20 De vordering tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de te late opstelling van het beoordelingsrapport, dient, ingeval moet worden aangenomen dat zij voldoende van de niet-ontvankelijke vordering tot nietigverklaring verschilt om als een afzonderlijke vordering te worden beschouwd, in ieder geval om de navolgende redenen niet-ontvankelijk worden verklaard .
21 Ingevolge artikel 43 van het Statuut wordt van iedere ambtenaar ten minste om de twee jaar een beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst . Dit is dwingend voorgeschreven voor een goede administratie, voor de rationalisatie van de diensten der Gemeenschap en ter waarborging van de belangen der ambtenaren . Het is dus een gebiedende plicht van de administratie, ervoor te zorgen dat de beoordelingsrapporten periodiek op de door het Statuut voorgeschreven tijdstippen behoorlijk worden opgemaakt ( arrest van het Hof van 18 december 1980, gevoegde zaken 156/79 en 51/80, Gratreau, Jurispr . 1980, blz . 3943 ). De administratie beschikt daartoe over een redelijke termijn en iedere overschrijding van die termijn moet haar rechtvaardiging vinden in het bestaan van bijzondere omstandigheden ( arrest van het Hof van 5 mei 1983, zaak 207/81, Ditterich, Jurispr . 1983, blz . 1359 ).
22 Bovendien rust op iedere ambtenaar, in het algemeen en inzonderheid met betrekking tot de procedure ter zake van de opstelling van het beoordelingsrapport, een plicht tot loyaal gedrag en medewerking jegens het over hem gestelde gezag ( arrest van het Hof van 14 december 1966, zaak 3/66, Alfieri, Jurispr . 1966, blz . 631 ). Bijgevolg kan een ambtenaar niet over de vertraagde opstelling van zijn beoordelingsrapport klagen wanneer die vertraging, althans ten dele, aan hemzelf is te wijten of wanneer hij in aanzienlijke mate daartoe heeft bijgedragen .
23 Ten slotte is het zo dat, gelijk het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, de vertraagde opstelling van beoordelingsrapporten als zodanig alleen al nadelig is voor de ambtenaar, omdat zijn carrièreverloop ongunstig kan worden beïnvloed wanneer een dergelijk rapport ontbreekt op een moment waarop over hem beslissingen moeten worden genomen ( arrest van het Hof van 6 februari 1986, gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84, Castille, Jurispr . 1986, blz . 497 ).
24 In het onderhavige geval berust de vertraging bij de opstelling van het beoordelingsrapport over de periode 1983-1985 niet enkel op het feit, dat verzoekers rechtstreekse chef deze pas op een laat tijdstip - namelijk op 31 juli 1986 - heeft voorgesteld zijn beoordelingsrapport over de periode 1981-1983 ongewijzigd te handhaven voor de periode 1983-1985, maar ook op de nalatigheid van verzoeker zelf, die pas op 26 november 1986 op dit voorstel heeft geantwoord .
25 Op grond van genoemde plicht tot loyaal gedrag en medewerking was verzoeker ertoe gehouden, binnen een redelijke termijn te reageren op het voorstel van zijn rechtstreekse chef om zijn beoordelingsrapport ongewijzigd te handhaven; hij heeft deze plicht geschonden door nagenoeg vier maanden te wachten alvorens op dit voorstel te antwoorden . Derhalve heeft hij in aanzienlijke mate bijgedragen tot de te late opstelling van zijn beoordelingsrapport en tot de door hem gelaakte vertraging .
26 In deze omstandigheden kan de gelaakte vertraging in het concrete geval geen immateriële schade opleveren, ofschoon de vertraging van acht maanden waarmee verzoekers chef deze de handhaving van zijn beoordelingsrapport heeft voorgesteld, op zichzelf aan de grens ligt van wat als een redelijke termijn kan worden beschouwd .
27 Bijgevolg moet de vordering tot vergoeding van de immateriële schade zonder meer worden afgewezen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan .
28 Derhalve moet ook de subsidiaire vordering tot het horen van getuigen worden afgewezen .
29 Mitsdien moet het beroep worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van het eerder genoemde besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste . Derhalve dient elk der partijen de eigen kosten te dragen .
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy