Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Intern vergelijkend onderzoek - Recht van deelneming van tijdelijke functionarissen
( Ambtenarenstatuut, artikel 29, lid 1, sub b )
2 . Ambtenaren - Beroep - Exceptie van onwettigheid - Handelingen ten aanzien waarvan exceptie van onwettigheid mogelijk is - Interne dienstvoorschriften van instelling
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
3 . Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Beperking door instelling van uitoefening van statutaire rechten - Ontoelaatbaarheid - Mogelijkheid van individuele afwijkingen - Geen invloed
4 . Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Intern vergelijkend onderzoek - Uitsluiting van tijdelijke functionarissen aangeworven buiten kader van ingevolge externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten - Ontoelaatbaarheid - Gelijke behandeling - Schending
( Ambtenarenstatuut, artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1; bijlage III, artikel 1, lid 1, sub d )
Samenvatting
1 . Geen enkele bepaling van het Statuut of van de bijlagen daarbij staat eraan in de weg, dat tijdelijke functionarissen aan interne vergelijkende onderzoeken deelnemen . Deze functionarissen hebben in beginsel het recht aan interne vergelijkende onderzoeken van hun instelling deel te nemen . Dit statutaire recht vormt voor hen geen ongeoorloofd voorrecht dat leidt tot discriminatie ten nadele van personen die niet behoren tot het personeel van de instellingen .
2 . Verzoekers kunnen tegen individuele besluiten houdende afwijzing van hun sollicitatie in het kader van een intern vergelijkend onderzoek opkomen met het betoog, dat de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende interne dienstvoorschriften van de instelling in strijd zijn met de dwingende bepalingen van het Statuut .
3 . Een door een instelling vastgestelde gedragsregel die in strijd met het Statuut de uitoefening door de personeelsleden van een statutair recht beperkt, kan niet in overeenstemming met het Statuut worden geacht wegens het enkele feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich de mogelijkheid voorbehoudt om in bijzondere gevallen discretionaire besluiten te nemen . Een dergelijke mogelijkheid is geen voldoende garantie voor de volledige uitoefening van het betrokken statutair recht, aangezien de uitoefening van dat recht afhankelijk is gesteld van een in het Statuut niet voorzien discretionair oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag .
4 . Door tijdelijke functionarissen die buiten het kader van de ingevolge algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten zijn aangeworven, van deelneming aan interne vergelijkende onderzoeken uit te sluiten, hanteert een instelling als voorafgaand criterium voor toelating tot het vergelijkend onderzoek het enkele feit, dat de tijdelijke functionaris op basis van een dergelijke lijst is aangeworven, ofschoon die omstandigheid niet noodzakelijk verbonden is met het bezit van bepaalde diploma' s of bekwaamheden .
Een dergelijk, op een feitelijke omstandigheid betreffende de aanwerving van tijdelijke functionarissen gebaseerd criterium verdraagt zich niet met het doel van interne vergelijkende onderzoeken, daar het volgens het Statuut in beginsel mogelijk is, de tijdelijke functionarissen van een instelling bij wege van een intern vergelijkend onderzoek in vaste dienst aan te stellen . Dit criterium is bovendien kennelijk in strijd met het doel van de in de dwingende bepalingen van de artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut genoemde wijzen van aanwerving, die erop gericht zijn ambtenaren aan te werven die aan de hoogste eisen voldoen . Ten slotte heeft het tot gevolg, dat binnen een zelfde categorie van personeelsleden een ongerechtvaardigd verschil in behandeling ontstaat tussen de buiten een reservelijst om aangeworven en de andere tijdelijke functionarissen .
Partijen
In zaak T-56/89,
B . Bataille, R . Bellomo-Gullo, E . Butland-Deboeck, E . Couzon, E . Eggerder, N . Germeaux-Timmermans, U . Gresch-Bothe, W . Kaeselau, E . Malcotti-Tucci, I . Mertz, M . Meskens, C . Muller, F . Naegels, M.-J . Olejniczak, A . Pettinicchio, M.-Cl . Schiltz, C . Schwan en L . Weech, tijdelijke functionarissen bij de socialistische en de communistische fractie en de daarmee verbonden fracties van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J . Campinos, rechtsgeleerd adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van hun sollicitaties in het kader van het door het Europees Parlement georganiseerd intern vergelijkend onderzoek B/164, en subsidiair, van de besluiten houdende afwijzing van hun klachten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : H . Kirschner, kamerpresident, C . P . Briët en J . Biancarelli, rechters,
griffier : H . Jung
gezien de processtukken en na de mondelinge behandeling op 3 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Blijkens de als bijlage bij de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1988 gevoegde tabel, telde het Europees Parlement ( hierna : het Parlement ) tijdens die periode 2 975 vaste posten en 430 tijdelijke posten, waaronder 392 voor de personeelsleden van de politieke fracties . Deze cijfers en deze verhouding zijn tijdens de navolgende begrotingsjaren nagenoeg ongewijzigd gebleven .
2 Voor de aanwerving van bij de politieke fracties tewerkgestelde personeelsleden worden de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag uitgeoefend door de voorzitter van de betrokken politieke fractie . De voorwaarden waaronder de tijdelijke functionarissen van het Parlement, ongeacht of zij al dan niet bij een politieke fractie zijn tewerkgesteld, bij wege van een intern vergelijkend onderzoek toegang krijgen tot de Europese openbare dienst, zijn neergelegd in de interne dienstvoorschriften betreffende de aanwerving van ambtenaren, tijdelijke functionarissen, hulpfunctionarissen en plaatselijke functionarissen ( hierna : de dienstvoorschriften ) die het bureau in uitgebreide samenstelling van het Parlement in 1979 heeft vastgesteld .
3 Artikel 1 van deze dienstvoorschriften bepaalt :
"Niemand kan - onverminderd het bepaalde in artikel 29, lid 2, van het Statuut - tot ambtenaar, in de zin van artikel 1 van het Statuut, worden aangesteld, indien zijn naam niet voorkomt op een reservelijst waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, opgesteld ingevolge een extern algemeen vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen, of op de grondslag van beide ."
4 Artikel 3, tweede alinea, preciseert :
"Tijdelijke functionarissen die buiten het kader van de ingevolge externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten zijn aangeworven, worden niet toegelaten tot deelneming aan interne vergelijkende onderzoeken, behoudens een bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen na advies van de Paritaire Commissie ."
5 Ten slotte bepaalt artikel 11 :
"De bepalingen van de artikelen 3, 6 en 8 zijn niet van toepassing op plaatselijke functionarissen, tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen ( uitgezonderd 'vervangingshulpfunctionarissen' ) die op de datum van inwerkingtreding van deze interne dienstvoorschriften bij het Europese Parlement in dienst zijn ."
6 Verzoekers zijn bij overeenkomst van tijdelijk functionaris aangeworven door het Parlement, dat daartoe vertegenwoordigd was door de voorzitter van de politieke fractie waarbij zij zouden worden tewerkgesteld . Overeenkomstig de praktijk die de instelling ter zake volgde, bevatten deze overeenkomsten de navolgende clausule :
"- naam van de betrokkene - erkent kennis te hebben genomen van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( inzonderheid titel II daarvan ) en van de toepasselijke uitvoeringsbepalingen en verbindt zich ertoe, niet aan interne vergelijkende onderzoeken deel te nemen, overeenkomstig het besluit van het bureau in uitgebreide samenstelling van het Parlement van 25-26 juni 1979 ."
7 Op 22 februari 1988 publiceerde het Parlement de aankondiging van intern vergelijkend onderzoek B/164 voor de aanwerving van adjunct-assistenten ( m/v ) van de loopbaan B 5/B 4 . Deze aankondiging gaf aan, welke kwalificatie en kennis vereist was om aan het vergelijkend onderzoek te mogen deelnemen, maar vermeldde geen enkele andere toelatingsvoorwaarde . Verzoekers hebben zich voor dit vergelijkend onderzoek aangemeld .
8 Eind april en begin mei 1988 ontvingen verzoekers allen een brief die namens de secretaris-generaal van het Parlement was ondertekend door de heer Katgerman, hoofd van de dienst aanwerving, waarbij hun werd meegedeeld, dat hun sollicitatie niet in aanmerking kon worden genomen omdat genoemde dienstvoorschriften bepaalden, "dat tijdelijke functionarissen die buiten het kader van de ingevolge externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten zijn aangeworven, niet worden toegelaten tot deelneming aan interne vergelijkende onderzoeken ".
9 Begin juli dienden alle verzoekers een gelijkluidende klacht tegen de afwijzing van hun sollicitatie in . De klachten waren op twee middelen gebaseerd . Verzoekers betoogden allereerst, dat het Parlement inbreuk had gemaakt op "het beginsel volgens hetwelk aan de interne aanwervingsprocedures, welke die ook zijn, voorrang moet worden gegeven boven het extern vergelijkend onderzoek ". Verder stelden verzoekers, dat het Parlement uit verschillende oogpunten het beginsel van gelijke behandeling had geschonden . Verzoekers voerden met name aan, dat de in hun aanstellingsovereenkomst vervatte clausule, volgens welke het hun overeenkomstig genoemde dienstvoorschriften van het bureau in uitgebreide samenstelling verboden is aan interne vergelijkende onderzoeken deel te nemen, in strijd is met enerzijds de op het beginsel van gelijke behandeling gebaseerde bepalingen van het Statuut en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, en anderzijds met de rechtspraak van het Hof .
10 Op 12 september 1988 wees de secretaris-generaal van het Parlement de klachten af, op grond dat het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar de mogelijkheid had de interne vergelijkende onderzoeken voor alle personeelsleden van de instelling open te stellen, doch daartoe niet verplicht was . Het beginsel van gelijke behandeling zou in acht genomen zijn, daar de situatie van een personeelslid dat voor een algemeen vergelijkend onderzoek is geslaagd, verschilt van die van een personeelslid dat niet voor dit examen is geslaagd . Alle personeelsleden die, zoals verzoekers, buiten de op basis van externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde lijsten waren aangeworven, zouden overigens van het vergelijkend onderzoek zijn uitgesloten .
11 Twee verzoeksters, te weten M . Meskens en M.-Cl . Schiltz, bevinden zich in een bijzondere situatie . Zij zijn na hun indiensttreding bij het Parlement geplaatst op reservelijsten die op basis van algemene vergelijkende onderzoeken zijn opgesteld . Los van hun klachten, waarin geen melding was gemaakt van deze bijzondere situatie, zonden zij de secretaris-generaal van het Parlement op 4 juli 1988 een brief, waarin zij stelden, dat het besluit om hen niet tot het intern vergelijkend onderzoek toe te laten op een kennelijke fout berustte, en waarin zij hem verzochten dit besluit te herzien .
12 Op 30 augustus 1988 weigerde de secretaris-generaal deze verzoeken toe te wijzen, op grond dat de betrokkenen niet waren aangeworven op basis van het feit dat zij voor algemene vergelijkende onderzoeken waren geslaagd, aangezien die algemene vergelijkende onderzoeken pas na hun aanwerving waren afgesloten .
13 Op 27 februari 1989 wijzigde het Parlement zijn interne regeling betreffende de aanwerving van ambtenaren en andere personeelsleden . Volgens deze nieuwe regeling, waarvan de tekst bij het dossier is gevoegd, zijn de tijdelijke functionarissen niet meer van deelneming aan de interne vergelijkende onderzoeken uitgesloten, maar moeten zij in de regel zeven jaar bij de instelling hebben gewerkt om onder dezelfde voorwaarden als de ambtenaren tot die interne vergelijkende onderzoeken te worden toegelaten . Deze nieuwe dienstvoorschriften zijn op 1 maart 1989 in werking getreden en nergens was bepaald dat zij met terugwerkende kracht zouden worden toegepast . Het examen van intern vergelijkend onderzoek B/164 heeft derhalve op 6 maart 1989 plaatsgevonden zonder dat verzoekers eraan hebben kunnen deelnemen .
Het procesverloop
14 In die omstandigheden hebben verzoekers bij een op 23 november 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van de afwijzing van hun sollicitaties in het kader van het betrokken intern vergelijkend onderzoek .
15 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage :
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- bijgevolg, nietig te verklaren het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement houdende afwijzing van hun sollicitaties in het kader van intern vergelijkend onderzoek B/164 en van hun verzoek om te worden gemachtigd om aan dit vergelijkend onderzoek deel te nemen, en daarnaast nietig te verklaren de besluiten van de secretaris-generaal houdende afwijzing van hun klachten;
- verweerder in alle kosten te verwijzen .
Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage :
- de in zijn verweerschrift geformuleerde vorderingen toe te wijzen;
- over de kosten te beslissen als naar recht .
16 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 november 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen .
17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht ( Vijfde Kamer ) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan . Aan het einde van de terechtzitting van 3 juli 1990 heeft de president de mondelinge behandeling gesloten verklaard .
De ontvankelijkheid van het beroep
18 Het Parlement betwist de ontvankelijkheid van het beroep weliswaar niet uitdrukkelijk, doch wijst erop, dat verzoekers' uitsluiting van deelneming aan het vergelijkend onderzoek voortvloeit uit artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften . Volgens het Parlement is er derhalve geen sprake van individuele besluiten houdende weigering van toelating tot het vergelijkend onderzoek .
19 Vaststaat evenwel, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de toepassing van artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften de sollicitaties van verzoekers noodzakelijkerwijze heeft moeten onderzoeken . Uit de brieven van het hoofd van de dienst Aanwerving van het Parlement blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de inaanmerkingneming van verzoekers' sollicitaties heeft geweigerd op grond van het in artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften genoemde criterium, te weten dat verzoekers waren aangeworven buiten het kader van de op basis van externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten . Bijgevolg is de door het Parlement geuite twijfel ongegrond .
20 Verder dient in deze fase een bijzonder aspect van de precontentieuze procedure ambtshalve te worden onderzocht . Verzoeksters Meskens en Schiltz hebben, naast de klachten die zij te zamen met de andere verzoekers hebben ingediend, bij op 4 juli 1988 aan de secretaris-generaal van het Parlement gezonden brieven verzocht, de hen betreffende litigieuze besluiten te herzien, op grond van een argument dat alleen zij konden aanvoeren, te weten dat hun naam voorkwam op reservelijsten vastgesteld op basis van algemene vergelijkende onderzoeken . Deze brieven bevatten dus een bijkomend middel tot staving van de klacht van verzoeksters Meskens en Schiltz .
21 Bij brief van 30 augustus 1988 heeft de secretaris-generaal deze twee klachten op dit bijzonder punt afgewezen, alvorens op 12 september 1988 alle klachten af te wijzen .
22 Opgemerkt zij, dat een dergelijk verloop van de precontentieuze procedure, ofschoon de artikelen 46 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het Statuut ) daarin niet voorzien, niet in strijd is met genoemde bepalingen . In het kader van een collectieve precontentieuze procedure kan het nuttig zijn, bepaalde grieven, die slechts enkele van de toekomstige verzoekers betreffen, bij afzonderlijke brieven te beantwoorden . Bijgevolg heeft de precontentieuze procedure een regelmatig verloop gehad en is zij op 12 september 1988 bij de desbetreffende besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag beëindigd .
23 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het beroep ontvankelijk is .
Ten gronde
24 Verzoekers baseren hun beroep hoofdzakelijk op de twee reeds in hun klachten aangevoerde middelen, te weten schending van het beginsel dat aan de procedures van interne aanwerving voorrang moet worden verleend boven de externe vergelijkende onderzoeken, en schending van het beginsel van gelijke behandeling .
Het eerste middel
25 Verzoekers stellen allereerst, dat het Parlement, door te bepalen dat slechts personen die voorkomen op een reservelijst vastgesteld op basis van een extern algemeen vergelijkend onderzoek tot ambtenaar kunnen worden benoemd, aan de procedure van extern vergelijkend onderzoek voorrang geeft boven de aanwerving bij wege van intern vergelijkend onderzoek . Volgens hen is een dergelijke praktijk overduidelijk in strijd met artikel 4, derde alinea, van het Statuut . Zij beroepen zich daartoe op het arrest van 3 februari 1971 ( zaak 21/70, Rittweger, Jurispr . 1971, blz . 7, 15 ), waarin het Hof zou hebben erkend, dat de procedures van interne aanwerving, welke zij ook zijn, voorrang hebben boven het extern vergelijkend onderzoek .
26 Volgens verzoekers is de voorrang van het intern vergelijkend onderzoek boven het extern vergelijkend onderzoek niet slechts een aan het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag overgelaten mogelijkheid, maar een regel die de instellingen in acht moeten nemen . Zij zijn van mening dat, ofschoon deze regel het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht systematisch een intern vergelijkend onderzoek te openen alvorens een extern vergelijkend onderzoek te organiseren, maar het slechts oplegt die mogelijkheid te onderzoeken, deze beoordelingsvrijheid geen gevolgen heeft voor het feit, dat de tijdelijke functionarissen op dezelfde voet als de ambtenaren moeten worden toegelaten zodra het tot aanstelling bevoegd gezag het nuttig heeft geoordeeld een intern vergelijkend onderzoek te organiseren . Hieruit volgt, dat genoemde dienstvoorschriften niet aan verzoekers kunnen worden tegengeworpen voor zover zij in strijd zijn met de bepalingen van het Statuut . Uit het feit dat het Parlement zijn interne dienstvoorschriften in de loop van het geding heeft gewijzigd, concluderen verzoekers bovendien, dat het Parlement thans niet meer in beginsel afwijzend staat tegenover de door hen verdedigde stelling .
27 Verzoekers zijn van oordeel, dat de weigering van het Parlement om tijdelijke functionarissen tot een intern vergelijkend onderzoek toe te laten, ook onwettig is . Zij verwijzen dienaangaande naar het arrest van 31 maart 1965 ( zaak 16/64, Rauch, Jurispr . 1965, blz . 179 ), waarin het Hof heeft geoordeeld, dat de "andere personeelsleden" tot de interne vergelijkende onderzoeken kunnen worden toegelaten . Zij voegen eraan toe, dat het Hof in zijn arrest van 28 oktober 1982 ( zaak 265/81, Giannini, Jurispr . 1982, blz . 3865, 3875 ) heeft geoordeeld, dat een tijdelijke functionaris het recht heeft aan een intern vergelijkend onderzoek deel te nemen en zich tot de rechter te wenden om dit recht geldend te maken .
28 De uitlegging volgens welke de in dienst van een instelling zijnde personen toegang hebben tot de interne vergelijkende onderzoeken, wordt volgens verzoekers bevestigd door artikel 27 van het Statuut, volgens hetwelk de aanwervingsprocedure erop dient te zijn gericht "de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen", hetgeen impliceert dat de ambtenaren op een zo ruim mogelijke basis moeten worden aangeworven . Verzoekers stellen met een beroep op het arrest van het Hof van 25 november 1976 ( zaak 123/75, Kuester, Jurispr . 1976, blz . 1701, 1710 ), dat een procedure van intern vergelijkend onderzoek tot doel heeft de kring van mogelijke kandidaten zo ruim mogelijk te maken, ten einde het tot aanstelling bevoegd gezag in staat te stellen de meest verstandige en passende keuze te maken .
29 Verzoekers beroepen zich vervolgens op artikel 4, tweede alinea, van het Statuut, volgens hetwelk de vacatures ter kennis van het personeel van de instelling moeten worden gebracht . Volgens hen doelt deze bepaling op alle personeelsleden en niet enkel op de personen die voorkomen op de reservelijsten vastgesteld op basis van externe algemene vergelijkende onderzoeken . Zij concluderen daaruit, dat deze bepaling hun stelling betreffende de toelating van de "andere personeelsleden" tot de interne vergelijkende onderzoeken bevestigt en versterkt .
30 Ten slotte zijn verzoekers van mening, dat hun aanstellingsovereenkomst onwettig is voor zover zij hun verbiedt aan interne vergelijkende onderzoeken deel te nemen . Volgens hen kan de ondertekening van deze overeenkomst niet worden aangemerkt als een verzaking aan het recht om de geldigheid van genoemde dienstvoorschriften te betwisten . Zij stellen, dat zij zonder de ondertekening van deze overeenkomst niet als tijdelijk functionaris zouden zijn aangesteld, dat zij op dat ogenblik hun rechten nog niet konden kennen en dat hun te goeder trouw en zonder kennis van de onwettigheid van deze clausule betuigde instemming hen niet mag beletten de wettigheid van het door het Parlement jegens hen genomen besluit te betwisten .
31 Gelet op hun bijzondere situatie voeren Meskens en Schiltz bovendien aan, dat hun sollicitatie in het kader van intern vergelijkend onderzoek B/164 niet had mogen worden afgewezen op grond dat zij pas voor een extern vergelijkend onderzoek waren geslaagd nadat zij als tijdelijke functionarissen bij het Parlement waren aangesteld . Zij wijzen erop, dat zelfs al kon het Parlement de toegang tot het intern vergelijkend onderzoek beperken - hetgeen niet het geval is -, uit de interne dienstvoorschriften geenszins kan worden afgeleid, dat het slagen voor een extern algemeen vergelijkend onderzoek noodzakelijkerwijs aan de aanstelling als tijdelijk functionaris vooraf moest gaan . Volgens hen is dit bijkomende vereiste zelfs in strijd met de opvatting van het Parlement, als moeten de personeelsleden die voor een extern vergelijkend onderzoek zijn geslaagd met ambtenaren worden gelijkgesteld omdat zij dezelfde waarborgen inzake onafhankelijkheid en deskundigheid bieden . Verder zijn verzoekers van mening, dat het standpunt van het Parlement erop neerkomt, dat de aanstelling als tijdelijk functionaris als het ware afhankelijk is van het voorafgaandelijke slagen voor een algemeen vergelijkend onderzoek . Dit zou in strijd zijn met de artikelen 12 tot en met 15 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, volgens welke voor de aanstelling als tijdelijk functionaris geen voorafgaand vergelijkend onderzoek noodzakelijk is .
32 Het Parlement betoogt, dat noch uit het arrest van 31 maart 1965 ( zaak 16/64, Rauch, reeds aangehaald ), noch uit artikel 27 van het Statuut een verplichting voortvloeit om alle personeelsleden tot een intern vergelijkend onderzoek toe te laten . Laatstgenoemd artikel heeft het over het doel van de aanwerving . Het staat niet aan verzoekers te bepalen, welke middelen het meest geschikt zijn om dit doel te bereiken . In het onderhavige geval was de instelling van oordeel, dat de deelneming van de tijdelijke functionarissen die waren aangeworven buiten het kader van de reservelijsten vastgesteld op basis van externe vergelijkende onderzoeken, niet het beste middel was om dit doel te bereiken . Wanneer men het arrest Rauch in zijn context leest, bevestigt het slechts de beoordelingsvrijheid waarover de administratie ter zake beschikt .
33 Het Parlement wijst erop, dat het arrest van 25 november 1976 ( zaak 123/75, Kuester ), dat door verzoekers wordt ingeroepen om aan te tonen dat de procedure van intern vergelijkend onderzoek erop gericht is de kring van kandidaten zo ruim mogelijk te maken ten einde het tot aanstelling bevoegd gezag "voldoende keus" te bieden, betrekking had op de beslissing om een intern vergelijkend onderzoek te houden in plaats van over te gaan tot een bevordering waarop slechts één persoon aanspraak kon maken . Volgens verweerder verschilt de situatie waarin dat arrest werd gewezen, volledig van de onderhavige situatie, waarin 702 sollicitanten tot het vergelijkend onderzoek zijn toegelaten terwijl de reservelijst maximaal 44 namen diende te bevatten .
34 Volgens het Parlement impliceert de verplichting om de vacatures bekend te maken, niet dat alle personeelsleden van de instelling moeten kunnen solliciteren, maar behoudt het tot aanstelling bevoegd gezag de vrijheid te bepalen aan welke voorwaarden - bij voorbeeld ter zake van de diploma' s, de beroepsbekwaamheid of de administratieve situatie van de sollicitanten - daartoe moet worden voldaan . Het in artikel 4, tweede alinea, van het Statuut neergelegde beginsel van de bekendmaking van de vacatures is slechts bedoeld om alle personen die aan deze voorwaarden voldoen, in staat te stellen te solliciteren . Verzoekers voldeden evenwel niet aan deze voorwaarden, met name niet aan de voorwaarde ter zake van hun administratieve situatie .
35 Het Parlement erkent de voorrang van de interne aanwerving boven de externe vergelijkende onderzoeken, maar betwist dat daaruit voor de betrokken instelling de verplichting voortvloeit, de interne vergelijkende onderzoeken voor al zijn personeelsleden open te stellen . Uit het arrest van 31 maart 1965 ( zaak 16/64, Rauch, reeds aangehaald ) blijkt geenszins, dat de instellingen daartoe verplicht zijn, maar enkel dat zij de mogelijkheid hebben andere personeelsleden dan ambtenaren tot de interne vergelijkende onderzoeken toe te laten .
36 Volgens het Parlement vloeit uit de vermelding van het intern vergelijkend onderzoek in artikel 29 van het Statuut logisch voort, dat het daarbij slechts gaat om een aan de instelling geboden mogelijkheid en niet om een op haar rustende verplichting . Volgens het arrest van het Hof van 31 maart 1965 ( gevoegde zaken 12/64 en 29/64, Ley, Jurispr . 1965, blz . 143, 160 ) is het tot aanstelling bevoegd gezag niet gehouden een intern vergelijkend onderzoek te organiseren, maar is het enkel verplicht de mogelijkheid van de organisatie daarvan te onderzoeken alvorens een extern vergelijkend onderzoek te houden . Het Parlement is van oordeel, dat het a fortiori bevoegd is te bepalen, onder welke voorwaarden een intern vergelijkend onderzoek zal plaatsvinden, en met name, welke categorieën van zijn personeel daaraan kunnen deelnemen . Het wijst erop, dat het Hof ( bij voorbeeld in het arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr . 1984, blz . 2447, 2463 ) de beoordelingsvrijheid van de instellingen bij de organisatie van hun diensten heeft erkend . De omstreden dienstvoorschriften en de overeenkomstige clausule van de aanstellingsovereenkomsten zouden slechts een uiting van deze beoordelingsvrijheid zijn; het tot aanstelling bevoegd gezag zou hebben geoordeeld dat het in beginsel niet opportuun is interne vergelijkende onderzoeken te organiseren ten behoeve van tijdelijke functionarissen die zijn aangeworven buiten de reservelijsten vastgesteld op basis van externe algemene vergelijkende onderzoeken .
37 In zijn verweerschrift had verweerder gesteld, dat zelfs indien zou worden erkend dat de tijdelijke functionarissen het recht hadden zich voor de interne vergelijkende onderzoeken aan te melden, niettemin moet worden aangenomen, dat verzoekers bij de ondertekening van hun aanstellingsovereenkomst aan dit recht hebben verzaakt . In dupliek verklaart het Parlement evenwel, dat de clausule slechts als inlichting in de overeenkomsten voorkomt . Voor de vraag, of die clausule al dan niet als een verzaking moet worden aangemerkt, verlaat het zich op de wijsheid van het Gerecht . De vraag naar de juridische kwalificatie van de clausule rijst volgens het Parlement overigens enkel ingeval zou worden geoordeeld, dat de tijdelijke functionarissen het recht hadden zich voor de interne vergelijkende onderzoeken aan te melden .
38 Verder betoogt het Parlement in zijn verweerschrift, dat het destijds nog geen definitieve beslissing had genomen met betrekking tot Meskens en Schiltz, de twee verzoeksters die op de lijst van geschikte kandidaten van externe algemene vergelijkende onderzoeken waren geplaatst . In dupliek tracht verweerder dan de definitieve afwijzing van de sollicitaties te rechtvaardigen door een strikte uitlegging van artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften . Aangezien de twee sollicitanten waren aangeworven voordat zij voor het extern vergelijkend onderzoek waren geslaagd, konden zij slechts tot het intern vergelijkend onderzoek worden toegelaten na een daartoe strekkend bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag genomen na advies van de Paritaire Commissie .
39 Allereerst moet worden nagegaan, of de tijdelijke functionarissen volgens het Statuut het recht hebben aan de interne vergelijkende onderzoeken van hun instelling deel te nemen, en, zo ja, of het Parlement niettemin bij de bestreden besluiten de sollicitaties van verzoekers rechtsgeldig heeft afgewezen .
40 Geen enkele bepaling van het Statuut of van de bijlagen daarbij staat eraan in de weg, dat tijdelijke functionarissen aan de interne vergelijkende onderzoeken deelnemen . Integendeel, artikel 4, tweede alinea, van het Statuut bepaalt, dat iedere vacature ter kennis van het "personeel" van de betrokken instelling wordt gebracht . Artikel 29, lid 1, sub b, van het Statuut maakt melding van vergelijkende onderzoeken "binnen de instelling ". Deze bepalingen maken dus geen enkel onderscheid tussen de verschillende categorieën van het personeel .
41 Bovendien heeft het Hof in zijn arrest van 31 maart 1965 ( zaak 16/64, Rauch, reeds aangehaald ) geoordeeld, dat de uitdrukking "vergelijkend onderzoek binnen de instelling" naar haar letterlijke betekenis ziet op al degenen die, in welke hoedanigheid dan ook, in haar dienst staan . Volgens het arrest van het Hof van 12 maart 1975 ( zaak 23/74, Kuester ) "staat niets in de weg aan de toelating van tijdelijke functionarissen tot interne vergelijkende onderzoeken ". Ten slotte heeft het Hof in zijn arrest van 28 oktober 1982 ( zaak 265/81, Giannini, reeds aangehaald ) erkend, dat een tijdelijke functionaris belang heeft bij zijn beroep tegen een besluit waarbij in een vacature wordt voorzien door bevordering van een andere kandidaat, "daar de eventuele nietigverklaring van dat besluit hem de mogelijkheid biedt zich kandidaat te stellen voor een intern vergelijkend onderzoek ". Bijgevolg dient erop te worden gewezen, dat de tijdelijke functionarissen in beginsel het recht hebben aan de interne vergelijkende onderzoeken van hun instelling deel te nemen . Anders dan door het Parlement is gesteld, vormt dit statutaire recht voor tijdelijke functionarissen geen ongeoorloofd voorrecht dat leidt tot discriminatie ten nadele van personen die niet behoren tot het personeel van de instellingen .
42 Aangezien verzoekers in beginsel het recht hebben aan de interne vergelijkende onderzoeken deel te nemen, moet worden nagegaan, of het Parlement hun dit recht bij de bestreden besluiten rechtsgeldig heeft kunnen ontnemen . Verweerder heeft dienaangaande aangevoerd, dat hij op grond van de beoordelingsvrijheid waarover hij ter zake beschikt, de toegang van de tijdelijke functionarissen tot de interne vergelijkende onderzoeken kon beperken . In dit verband moet worden vastgesteld, dat het Statuut de instellingen ter zake van de organisatie van vergelijkende onderzoeken inderdaad een ruime beoordelingsvrijheid verleent . Zo bieden de artikelen 4 en 29 van het Statuut het tot aanstelling bevoegd gezag verschillende wegen om die bevoegdheid uit te oefenen bij het voorzien in vacatures bij een instelling . Ook artikel 1 van bijlage III bij het Statuut verleent het tot aanstelling bevoegd gezag een ruime beoordelingsvrijheid bij de organisatie van een vergelijkend onderzoek . In het onderhavige geval is het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om de toegang van tijdelijke functionarissen tot interne vergelijkende onderzoeken te beperken, evenwel niet vastgesteld op basis van deze in het Statuut uitdrukkelijk genoemde bevoegdheden; het gaat immers om een algemeen besluit, genomen buiten de organisatie van een specifiek vergelijkend onderzoek om, bij wege van dienstvoorschriften vastgesteld door het bureau in uitgebreide samenstelling van het Parlement .
43 Opgemerkt zij, dat deze dienstvoorschriften geen algemene uitvoeringsbepalingen in de zin van artikel 110 van het Statuut zijn . Het gaat om interne dienstvoorschriften, die niet als rechtsregels kunnen worden aangemerkt en waarbij hoe dan ook niet kan worden afgeweken van de dwingende bepalingen van het Statuut . Het zijn gewoon gedragsregels die een aanwijzing geven over de door de instelling te volgen praktijk ( zie de arresten van het Hof van 5 februari 1987, zaak 280/85, Mouzourakis, Jurispr . 1987, blz . 589, 607, en 21 november 1989, gevoegde zaken C-41/88 en C-178/88, Becker en Starquit, Jurispr . 1989, blz . 3807, r.o . 7 ). Het is op basis van deze gedragsregels dat het tot aanstelling bevoegd gezag de individuele besluiten tot afwijzing van verzoekers sollicitaties heeft genomen . Verzoekers kunnen derhalve tegen deze besluiten opkomen met een beroep op de onwettigheid van de algemene dienstvoorschriften waarop die besluiten zijn gebaseerd ( zie de arresten van het Hof van 18 maart 1975, gevoegde zaken 44/74, 46/74 en 49/74, Acton e.a ., Jurispr . 1975, blz . 383, 393 e.v ., en 10 december 1987, gevoegde zaken 181/86-184/86, Del Plato e.a ., Jurispr . 1987, blz . 4991, 5017 ). Bijgevolg moet worden nagegaan, of artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften, zoals dit in 1979 door het bureau in uitgebreide samenstelling van het Parlement is vastgesteld, verenigbaar is met de dwingende bepalingen van het Statuut .
44 Verzoekers hebben dienaangaande gesteld, dat deze bepaling inbreuk maakt op de uit de artikelen 4 en 29, lid 1, van het Statuut voortvloeiende voorrang van het intern vergelijkend onderzoek boven het extern vergelijkend onderzoek . Het Parlement heeft daarop geantwoord, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht is een intern vergelijkend onderzoek te houden alvorens een extern vergelijkend onderzoek te organiseren . Vaststaat evenwel, dat wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag opteert voor de prioritaire aanwerving bij wege van een intern vergelijkend onderzoek, het zich bij de organisatie daarvan dient te houden aan de bepalingen betreffende de procedure van dit vergelijkend onderzoek, met name de bepalingen voorkomend in bijlage III bij het Statuut .
45 Allereerst dient eraan te worden herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag overeenkomstig artikel 1, lid 1, sub d, van bijlage III bij het Statuut bij de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek de voor de te begeven posten vereiste "diploma' s en andere schriftelijke bewijsstukken" moet aangeven . Bij het uitsluiten van de tijdelijke functionarissen "die buiten het kader van de ingevolge externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten zijn aangeworven", hanteerde artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften evenwel niet als enig voorafgaand selectiecriterium het feit dat de betrokkene op de lijst van geschikte kandidaten van een extern algemeen vergelijkend onderzoek was geplaatst - een vereiste over de wettigheid waarvan het Gerecht zich derhalve niet dient uit te spreken -, maar bovendien ook het enkele feit dat de aanwerving van de tijdelijke functionaris op basis van een dergelijke reservelijst was gebeurd, een omstandigheid die niet noodzakelijk verbonden was met het bezit van bepaalde diploma' s of bekwaamheden . Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag niet wist dat het aangeworven personeelslid op een reservelijst stond of wanneer dit personeelslid na zijn aanwerving op een dergelijke lijst was geplaatst - zoals het geval was voor verzoeksters Meskens en Schiltz -, was het personeelslid dus "aangeworven buiten" de betrokken lijsten en kon het niet aan de interne vergelijkende onderzoeken deelnemen . Het gehanteerde criterium hield dus geen verband met het bezit van een "diploma" of een "ander schriftelijk bewijsstuk" in de zin van artikel 1, lid 1, sub d, van bijlage III bij het Statuut .
46 Aangezien het betrokken criterium niet voorkomt onder degene die in bijlage III bij het Statuut uitdrukkelijk worden genoemd, moet worden onderzocht of het strijdig is met andere bepalingen van het Statuut .
47 Het Statuut biedt in beginsel de mogelijkheid om de tijdelijke functionarissen van een instelling bij wege van een intern vergelijkend onderzoek in vaste dienst te benoemen . In het onderhavige geval was het gehanteerde selectiesysteem, waarbij de toelating van de tijdelijke functionarissen tot een intern vergelijkend onderzoek afhankelijk was gesteld van een feitelijke omstandigheid betreffende de wijze waarop zij waren aangesteld, erop gericht deze mogelijkheid van benoeming in vaste dienst uit te sluiten en verdroeg het zich dus niet met dit doel van de interne vergelijkende onderzoeken .
48 Vervolgens moet worden nagegaan, of dit criterium niet in tegenspraak was met de regeling van artikel 29, lid 1, van het Statuut . Deze regeling berust op de opvatting, dat het overstappen van de eerste fase - bevordering of overplaatsing - naar de tweede fase - organisatie van een intern vergelijkend onderzoek - een middel is om het aantal mogelijke kandidaten te verhogen ten einde het in artikel 27 van het Statuut genoemde doel, te weten de benoeming van ambtenaren die aan de hoogste eisen voldoen, te verwezenlijken . Het in artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften vervatte criterium is evenwel geen geschikt middel om dit doel te bereiken . Het feit dat een tijdelijke functionaris is aangeworven "buiten het kader van de ingevolge externe algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten", houdt niet noodzakelijkerwijze verband met zijn bekwaamheden en verdiensten : wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag bij de aanstelling van de functionaris niet weet dat deze voorkomt op een reservelijst vastgesteld op basis van een extern algemeen vergelijkend onderzoek van een andere instelling, of wanneer de functionaris pas na zijn aanstelling op een dergelijke lijst is geplaatst, wordt deze in beginsel niet tot het intern vergelijkend onderzoek toegelaten, ook al beantwoordt het extern algemeen vergelijkend onderzoek waarvoor hij is geslaagd, qua moeilijkheidsgraad en vereiste kennis aan het door de instelling geplande intern vergelijkend onderzoek . Bijgevolg kan artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften leiden tot uitsluiting van een sollicitant die dezelfde of zelfs een hogere kwalificatie heeft dan andere wel tot het vergelijkend onderzoek toegelaten sollicitanten . Een dergelijk resultaat is kennelijk in strijd met het doel van de artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut, te weten de aanwerving van ambtenaren die aan de hoogste eisen voldoen . Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat artikel 27, eerste alinea, het doel van aanwerving omschrijft, en dat artikel 29, lid 1, op dwingende wijze het kader van de procedures voor het voorzien in vacatures bepaalt . Hieruit volgt, dat artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften in strijd is met de dwingende bepalingen van de artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut . Een dergelijke, met het Statuut strijdige gedragsregel kan in geen geval een wettige grondslag vormen voor individuele besluiten waarbij aan de tijdelijke functionarissen de uitoefening van een statutair recht, te weten deelneming aan interne vergelijkende onderzoeken, wordt ontzegd .
49 Artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften voorzag in de mogelijkheid om een buiten een extern algemeen vergelijkend onderzoek aangeworven tijdelijke functionaris bij bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot een intern vergelijkend onderzoek toe te laten . Dit besluit moest worden genomen na advies van de Paritaire Commissie, waaruit blijkt dat het ging om een discretionair besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag . Een gedragsregel die in strijd met het Statuut de uitoefening van een statutair recht beperkt, kan evenwel niet in overeenstemming met het Statuut worden geacht wegens het enkele feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich de mogelijkheid voorbehoudt om in bijzondere gevallen een discretionair besluit te nemen . Een dergelijke mogelijkheid is geen voldoende garantie voor de volledige uitoefening van het betrokken statutair recht, aangezien de uitoefening van dat recht afhankelijk is gesteld van een in het Statuut niet voorzien discretionair oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag . De mogelijkheid van een dergelijk besluit doet dus niets af aan de vaststelling, dat artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften onverenigbaar is met de bepalingen van het Statuut .
50 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat alle bestreden besluiten zijn genomen op grond van een interne richtlijn die in strijd is met de artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut .
51 Hieruit volgt, dat de clausule in de aanstellingsovereenkomsten, waarbij verzoekers zich ertoe verbonden niet aan interne vergelijkende onderzoeken deel te nemen, dezen niet kan beletten te solliciteren . Een in strijd met de bepalingen van het Statuut vastgesteld selectiecriterium kan immers geen wettelijke grondslag krijgen door middel van een bijzondere clausule in een aanstellingsovereenkomst . Bijgevolg is het eerste middel van verzoekers gegrond en dient het tweede middel van het beroep slechts voor de volledigheid te worden onderzocht .
Het tweede middel
52 Tot staving van het tweede middel, ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel, hebben verzoekers allereerst herhaald, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof alle personeelsleden van een instelling aan de interne vergelijkende onderzoeken moeten kunnen deelnemen . Volgens hen stelt het Parlement ten onrechte, dat er tussen de ambtenaren en de voor een extern algemeen vergelijkend onderzoek geslaagde personeelsleden enerzijds en de andere personeelsleden van de instelling anderzijds een verschil bestaat, op grond waarvan laatstgenoemden van de interne vergelijkende onderzoeken mogen worden uitgesloten . Zij zijn van mening, dat de - rechtmatige - bezorgdheid van de instelling voor de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de communautaire openbare dienst niet onverenigbaar is met de deelneming van alle tijdelijke functionarissen aan een intern vergelijkend onderzoek . Het groter aantal sollicitanten verhoogt immers de mogelijkheid om competente ambtenaren te vinden . Bovendien is het zo, dat indien de prestaties van bepaalde personeelsleden van mindere kwaliteit blijken te zijn dan die van de ambtenaren en de personeelsleden die reeds voor een extern vergelijkend onderzoek zijn geslaagd, dit niveauverschil bij het examen van het intern vergelijkend onderzoek tot uiting zal komen en de betrokken personeelsleden niet zullen slagen . Om die reden moeten bij de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek alle personeelsleden van de instelling op dezelfde wijze worden behandeld en gelijke toegang tot het vergelijkend onderzoek krijgen .
53 Het Parlement voert allereerst aan, dat het in vergelijking met de andere instellingen een bijzonder groot aantal tijdelijke functionarissen heeft en dat nagenoeg al deze functionarissen bij de politieke fracties werkzaam zijn . Het aantal tijdelijke posten bedraagt ongeveer 15 % van het aantal vaste posten, daar waar dit percentage bij de Commissie nauwelijks de helft bedraagt . Het voegt eraan toe, dat in categorie A de tijdelijke functionarissen van de politieke fracties nagenoeg de helft van het totale aantal ambtenaren van die categorie uitmaken ( 167 tegenover 339 voor het begrotingsjaar 1988 ).
54 Het Parlement stelt met een beroep op twee arresten van het Hof van 11 juli 1985 ( zaak 119/83, Appelbaum, Jurispr . 1985, blz . 2423, en gevoegde zaken 66/83-68/83 en 136/83-140/83, Hattet e.a ., Jurispr . 1985, blz . 2459 ), dat het beginsel van gelijke behandeling slechts van toepassing is op identieke of soortgelijke situaties . Volgens het Parlement is dit beginsel in acht genomen, aangezien alle sollicitanten die zich in dezelfde situatie als verzoekers bevonden, te weten alle tijdelijke functionarissen die buiten de reservelijsten waren aangeworven, van deelneming aan het betrokken vergelijkend onderzoek zijn uitgesloten .
55 Verweerder tracht aan te tonen, dat er tussen de functionarissen die wel en de functionarissen die niet voor een extern vergelijkend onderzoek zijn geslaagd, een verschil bestaat dat een schending van het beginsel van gelijke behandeling uitsluit . Volgens verweerder zijn de meeste tijdelijke functionarissen werkzaam bij de politieke fracties . Deze laatste zijn vrij in de keuze van hun medewerkers en het is legitiem, dat zij factoren van politieke aard in aanmerking nemen . Het secretariaat-generaal van het Parlement oefent geen enkele invloed uit op deze keuze en beperkt zich ertoe, daaraan de nodige administratieve en financiële gevolgen te geven . Het secretariaat-generaal is daarentegen verplicht bij de keuze van zijn eigen ambtenaren een strikte neutraliteit op politiek gebied in acht te nemen . Volgens verweerder zou het op zijn minst verrassend zijn, het secretariaat-generaal te verplichten tot de door hem georganiseerde interne vergelijkende onderzoeken personen toe te laten waarvan de aanstelling volledig aan zijn toezicht is ontsnapt . Het Parlement wijst erop, dat die situatie zich niet voordoet in de andere gemeenschapsinstellingen, waar alle personeelsleden door dezelfde instantie worden aangeworven en waar politieke criteria geen rol spelen .
56 Verder betoogt het Parlement, dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen een extern algemeen vergelijkend onderzoek en een intern vergelijkend onderzoek . Gezien het grote aantal sollicitanten bij een extern algemeen vergelijkend onderzoek, is de concurrentie zeer sterk en de selectie streng . De ambtenaren van de instellingen moeten hiervoor slagen en daardoor blijk geven van een bekwaamheid die de voordelen van de openbare dienst rechtvaardigt . Tenzij de instelling er anders over beslist, is het intern vergelijkend onderzoek daarentegen in beginsel voorbehouden voor personen die hun verdienste om ambtenaar te worden niet meer moeten aantonen . De examens zijn dus van een andere aard en van een ander niveau en de concurrentie is beperkter . Om die redenen is verweerder van oordeel, dat de resultaten waartoe een extern algemeen vergelijkend onderzoek kan leiden, redelijkerwijze niet kunnen worden vergeleken met die van een intern vergelijkend onderzoek .
57 Uit het antwoord op het eerste middel blijkt, dat het tweede middel van verzoekers eveneens gegrond is . Het destijds toepasselijke artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften impliceerde immers, dat de "buiten" een reservelijst aangeworven tijdelijke functionarissen niet op dezelfde wijze werden behandeld als de andere tijdelijke functionarissen . Het ging dus niet om een onderscheid tussen de verschillende categorieën van bij het Parlement werkzame personen ( zie in dit verband de arresten van het Hof van 6 oktober 1983, gevoegde zaken 118/82-123/82, Celant e.a ., Jurispr . 1983, blz . 2995, 3012, en 19 april 1988, zaak 37/87, Sperber, Jurispr . 1988, blz . 1943, 1956 e.v .), maar om een onderscheid binnen een en dezelfde categorie, namelijk die van de tijdelijke functionarissen . Het Hof heeft geoordeeld, dat in een dergelijke situatie het beginsel van gelijke behandeling wordt geschonden wanneer de rechtspositie en de feitelijke situatie van de betrokken personen de ongelijke behandeling niet rechtvaardigt ( zie de arresten van het Hof van 11 juli 1985, zaak 119/83, Appelbaum, Jurispr . 1985, blz . 2423, 2454, en gevoegde zaken 66/83-68/83 en 136/83-140/83, Hattet e.a ., Jurispr . 1985, blz . 2459, 2469, en 13 december 1989, zaak C-100/88, Oyowe e.a ., Jurispr . 1989, blz . 4285 ).
58 Artikel 3, tweede alinea, van de dienstvoorschriften kon evenwel gevolgen hebben die ingingen tegen het doel van een intern vergelijkend onderzoek zoals dit in artikel 27, eerste alinea, van het Statuut is omschreven en hierboven ( r.o . 47-49 ) in herinnering is gebracht . Het in die bepaling vervatte criterium kon immers leiden tot uitsluiting van een sollicitant die was geplaatst op een reservelijst vastgesteld op basis van een extern algemeen vergelijkend onderzoek dat qua moeilijkheidsgraad en vereiste kennis overeenkwam met het door de instelling geplande intern vergelijkend onderzoek . Een criterium dat kan leiden tot dergelijke besluiten, die onverenigbaar zijn met het doel van de in het Statuut genoemde wijzen van aanwerving - te weten het aanwerven van de beste kandidaten -, kan een ongelijke behandeling binnen de categorie van tijdelijke functionarissen niet rechtvaardigen . Het tweede middel van verzoekers is dus eveneens gegrond .
59 Verweerder voert aan, dat de nietigverklaring van de omstreden besluiten ernstige gevolgen kan hebben voor het aanwervingsbeleid en het personeelsbeheer van het Parlement . Ter terechtzitting heeft het Parlement uiteengezet, dat de politieke fracties hun tijdelijke functionarissen aanwerven op basis van overwegingen die veeleer van politieke aard zijn . Bovendien zou er een tendens bestaan, om van de assistenten van de parlementsleden, die tot nog toe slechts een overeenkomst hebben met het parlementslid voor wie zij werken, tijdelijke functionarissen te maken . Volgens het Parlement is het dus niet uitgesloten dat zijn personeel binnen een of twee jaar bestaat uit 3 000 ambtenaren en 2 000 tijdelijke functionarissen . Al deze tijdelijke functionarissen zullen snel ambtenaar willen worden . De organisatie van interne vergelijkende onderzoeken zal daardoor zeer moeilijk worden, daar bij het Parlement zeer veel belang wordt gehecht aan het beginsel van het politieke evenwicht . Het extern algemeen vergelijkend onderzoek zal dan bij het Parlement niet langer de normale toegangsweg tot de openbare dienst zijn .
60 Vaststaat, dat deze overwegingen van administratief beleid in beginsel niet relevant zijn voor de uitlegging van het Statuut . Bovendien lijkt de door het Parlement geformuleerde vrees ongegrond . Het staat immers aan de instellingen van de Gemeenschappen, de interne vergelijkende onderzoeken aldus te organiseren, dat elk gevaar voor omzeiling van de regels betreffende de toegang tot de Europese openbare dienst wordt uitgesloten .
61 Uit al het voorgaande volgt, dat de 14 bestreden besluiten moeten worden nietigverklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
62 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen .
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig de besluiten van het Parlement houdende afwijzing van de sollicitaties van verzoekers in het kader van intern vergelijkend onderzoek B/164 .
2 ) Verwijst het Parlement in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy