Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Tuchtregeling - Tuchtraad - Zelfde samenstelling gedurende gehele procedure
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 7)
2. Ambtenaren - Tuchtregeling - Procedure voor tuchtraad - Termijnen, gesteld bij artikel 7 van bijlage IX - Geen fatale termijnen
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 7)
3. Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Loyaliteitsplicht - Begrip - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 21)
4. Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Handelingen die afbreuk kunnen doen aan waardigheid van ambt - Geschriften, gericht tot hiërarchieke meerderen
(Ambtenarenstatuut, art. 12)
5. Ambtenaren - Tuchtregeling - Tuchtmaatregel - Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag - Rechterlijke toetsing - Draagwijdte - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 86-89)
6. Ambtenaren - Beroep - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip
Samenvatting
1. Het feit, dat de tuchtraad tot aan het uitbrengen van het in artikel 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bedoelde advies onder het voorzitterschap blijft staan van de voorzitter die is aangewezen voor het jaar waarin de tuchtprocedure is ingeleid, hoewel kort voor dat advies werd uitgebracht een andere voorzitter was aangewezen, is geen procedurefout die de samenstelling van de tuchtraad onregelmatig maakt, maar integendeel een juiste toepassing van het beginsel van goed bestuur. Een dergelijke oplossing garandeert immers de rechten van de ambtenaar die tuchtrechtelijk wordt vervolgd, daar zij het mogelijk maakt dat degenen die de stukken hebben onderzocht, de getuigen hebben gehoord en, in het algemeen, alle initiatieven hebben genomen in het kader van het onderzoek naar de feiten en de verantwoordelijkheid van de betrokken ambtenaar, dezelfden zijn als degenen die het bedoelde advies uitbrengen.
2. De in artikel 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bedoelde termijnen voor de afwikkeling van de procedure voor de tuchtraad zijn geen fatale termijnen welker overschrijding de nietigheid van de daarna verrichte handelingen tot gevolg heeft, maar regels van goed bestuur.
De tuchtraad kan namelijk meer tijd dan de in artikel 7 gestelde termijn nodig hebben om een volledig onderzoek in te stellen dat de betrokkene alle door het Ambtenarenstatuut verlangde waarborgen biedt.
3. De op iedere ambtenaar rustende fundamentele plicht tot loyaal gedrag tegenover zijn instelling en zijn meerderen, die in artikel 21 Ambtenarenstatuut een bijzondere uitdrukking vindt, moet niet enkel worden nagekomen bij de uitvoering van de specifieke taken die aan de ambtenaar zijn opgedragen, maar strekt zich ook uit tot alle relaties tussen deze ambtenaar en zijn instelling. Krachtens deze verplichting moet de ambtenaar zich in het algemeen onthouden van gedragingen die de waardigheid van en het respect verschuldigd aan de instelling en haar gezagsinstanties aantasten.
4. Het door een ambtenaar aan zijn hiërarchieke meerderen toesturen van nota' s die naar hun aard afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt, vormt op zich een schending van de in artikel 12, eerste alinea, Ambtenarenstatuut bedoelde verplichting, ongeacht de publiciteit die aan dergelijke nota' s kon worden gegeven. Dat het om administratieve klachten ging, sluit dat niet uit.
5. Wanneer de ten laste van de ambtenaar aangenomen feiten zijn komen vast te staan, staat de keuze van een passende tuchtmaatregel aan het tot aanstelling bevoegd gezag. Daar de artikelen 86 tot en met 89 Ambtenarenstatuut niet voorzien in een vaste verhouding tussen de aldaar genoemde tuchtmaatregelen en de diverse inbreuken waaraan een ambtenaar zich schuldig kan maken, moeten voor de vaststelling van de op te leggen tuchtmaatregel door het tot aanstelling bevoegd gezag alle concrete feiten en omstandigheden van elk geval worden beoordeeld. Het Gerecht mag zijn beoordeling niet voor die van het tuchtrechtelijk gezag in de plaats stellen, tenzij er sprake is van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid.
6. Het begrip misbruik van bevoegdheid doelt op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend.
Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer op grond van objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
Partijen
In zaak T-146/89,
C. Williams, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J.-P. Noesen, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar ten diens kantore, Rue des Glacis 18,
verzoeker,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Ekelmans, M. Becker en J.-M. Stenier, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg in haar kantoren, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van alle procedurehandelingen van de tuchtraad die kennis heeft genomen van de aan verzoeker te last gelegde feiten; nietigverklaring van het besluit van de president van de Rekenkamer van 13 februari 1989, waarbij verzoeker de tuchtmaatregel van opschorting van de plaatsing in een hogere salaristrap is opgelegd; nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de door verzoeker op 28 maart 1989 ingediende klacht; subsidiair, wijziging van de opgelegde tuchtmaatregel in een schriftelijke waarschuwing,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, D. A. O. Edward en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 28 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 C. Williams (hierna: "verzoeker") werd in oktober 1974 door de Controlecommissie, het financieel controleorgaan van de Raad van de Europese Gemeenschappen, in dienst genomen als tijdelijk functionaris in de rang A 7; bij besluit van de Raad van 16 december 1976 werd hij per 1 oktober 1976 aangesteld als ambtenaar van die commissie met indeling in de rang A 7. Na de oprichting van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Rekenkamer") werd verzoeker met ingang van 1 mei 1978 in de rang A 7 naar die instelling overgeplaatst en vervolgens per 1 mei 1979 naar de rang A 6 bevorderd. Na het intern vergelijkend onderzoek nr. CC/A/17/82 en het arrest van het Hof van 16 oktober 1984 (zaak 257/83, Williams, Jurispr. 1984, blz. 3547) werd verzoeker door de president van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 18 oktober 1984 aangesteld als hoofdadministrateur in de rang A 5, salaristrap 3.
2 Op 3 februari 1987 zond verzoeker aan de heer Carey, lid van de Rekenkamer, en aan de eerste minister van het Verenigd Koninkrijk, mevrouw Thatcher, een telexbericht waarin hij ernstige beschuldigingen uitte tegen de president en andere leden van de Rekenkamer. Hij stuurde een kopie van dit bericht naar ten minste één Luxemburgse krant en liet het onder het personeel van de Rekenkamer circuleren. Op 16 februari 1987 besloot de president van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag om krachtens artikel 87, tweede alinea, Ambtenarenstatuut een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden. Van oordeel, dat bij verzoekers gedraging sprake was van grove schuld in de zin van artikel 88 Ambtenarenstatuut, schorste de president van de Rekenkamer hem bij besluit van diezelfde dag onmiddellijk uit zijn functie, met inhouding van 50 % van zijn basissalaris. Tegen dat besluit diende verzoeker op 28 februari 1987 een klacht in in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut en op 24 maart 1987 stelde hij bij het Hof een beroep tot nietigverklaring ervan in, te zamen met een verzoek in kort geding strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit. Bij beschikking van 13 april 1987 van de president van de Vierde kamer van het Hof (zaak 90/87 R, W., Jurispr. 1987, blz. 1801) werd de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit gedeeltelijk opgeschort en de inhouding verminderd tot 25 % van verzoekers basissalaris, met afwijzing van het verzoek in kort geding voor het overige. Op 8 december 1987 werd de zaak in het register van het Hof doorgehaald.
3 Na afloop van de op 16 februari 1987 ingeleide tuchtprocedure besloot de president van de Rekenkamer, gelet op de medische rapporten in zijn bezit, tegen verzoeker geen enkele tuchtmaatregel te treffen. Overeenkomstig artikel 59, lid 2, Ambtenarenstatuut werd verzoeker van 12 juni 1987 tot 12 juni 1988 ambtshalve met verlof gezonden.
4 Op 29 februari 1988 stelde de heer Cuesta de la Fuente, zijn hiërarchieke meerdere, het beoordelingsrapport van verzoeker op voor de periode van 1 januari 1986 tot 31 december 1987. Bij nota van 20 juni 1988 vroeg verzoeker in dit verband om een onderhoud met de beoordelaar.
5 Bij nota van 24 augustus 1988 stelde verzoeker bij de heer Angioi, lid van de Rekenkamer, beroep in tegen zijn beoordelingsrapport, zoals het op 29 februari 1988 was opgesteld. In de door de betrokken ambtenaar in te vullen rubriek "publikaties" van dit rapport had verzoeker de woorden "one telex" ingevuld.
6 Op 2 september 1988 diende verzoeker bij de president van de Rekenkamer in diens hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in, waarin hij verzocht in de rang A 4 te worden aangesteld, overeenkomstig artikel 3 van besluit nr. 81-5 van de Rekenkamer van 3 december 1981 inzake de criteria voor de aanstelling in rang en salaristrap bij aanwerving van het personeel van de Kamer. Hij betoogde in wezen dat, gelet op de afwijkende indelingscriteria die bij de bevordering van andere ambtenaren van de Rekenkamer, in het bijzonder de heren Ruppert en B., waren toegepast, zijn eigen indeling, zoals vastgesteld in het aanstellingsbesluit van 18 oktober 1984, onjuist was. Hij voegde daar voorts een aantal bedenkingen aan toe over de regelmatigheid van de bij de Rekenkamer gevolgde procedures.
7 In zijn antwoord van 13 september 1988 wees het tot aanstelling bevoegd gezag het verzoek van verzoeker af. Het behield zich het recht voor, de tuchtrechtelijke maatregelen te treffen waartoe zijns inziens de door verzoeker in zijn nota tegen de Rekenkamer en haar personeelsleden geuite beschuldigingen aanleiding gaven.
8 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 13 november 1988, stelde verzoeker beroep in tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek. Deze zaak werd verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg, dat het beroep bij arrest van 7 februari 1991 (zaak T-58/89, Williams, Jurispr. 1991, blz. II-77) niet-ontvankelijk verklaarde.
9 Bij besluit nr. 88-26 van 5 oktober 1988 wees het tot aanstelling bevoegd gezag de heer Hedderich aan als voorzitter van de tuchtraad voor het jaar 1988 en bij besluit nr. 89-4 van 24 januari 1989 de heer Muller voor het jaar 1989.
10 Bij nota van 13 oktober 1988, toegezonden aan de voorzitter van de tuchtraad op 17 oktober 1988, stelde de president van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag de voorzitter van de tuchtraad in kennis van zijn besluit om tegen verzoeker de in bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bedoelde tuchtprocedure in te leiden. In de uiteenzetting van de aan verzoeker te last gelegde feiten verwees het tot aanstelling bevoegd gezag meer bepaald naar drie door verzoeker geschreven nota' s, naar een poging van verzoeker om het tot aanstelling bevoegd gezag te chanteren, en naar uitspraken die hij in het openbaar zou hebben gedaan in verband met een ambtenaar van de Rekenkamer.
(omissis)
16 In zijn rapport gaf het tot aanstelling bevoegd gezag te kennen, dat de inhoud van de drie nota' s van verzoeker, evenals alle hem te last gelegde handelingen - daaronder begrepen de vermelding van het telexbericht van 3 februari 1987 in de rubriek "publikaties" van zijn beoordelingsrapport - een inbreuk vormden op zijn statutaire verplichtingen, meer bepaald op die van artikel 12, eerste alinea (verplichting zich te gedragen in overeenstemming met de waardigheid van zijn ambt), en van artikel 21, eerste alinea, Ambtenarenstatuut (verplichting zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen).
17 Na een onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bracht de tuchtraad op 16 januari 1989 met meerderheid van stemmen een advies uit, inhoudende dat de aan verzoeker te last gelegde feiten moesten leiden tot een tijdelijke opschorting van de plaatsing in een hogere salaristrap tot 16 oktober 1995. Hoewel de heer Hedderich op 31 december 1988 met invaliditeitspensioen was gegaan, was hij voorzitter van de tuchtraad gebleven.
18 In zijn beoordeling van de aan verzoeker te last gelegde feiten en inbreuken op het Ambtenarenstatuut sloot de tuchtraad zich aan bij de beoordeling in het rapport van het tot aanstelling bevoegd gezag, behalve wat de volgende punten betreft:
- met betrekking tot de vermelding van de telex van 3 februari 1987 in verzoekers nota van 24 augustus 1988 en in zijn beoordelingsrapport meende de tuchtraad, dat dit feit niet aan verzoeker te last kon worden gelegd, daar het een loutere zinspeling betrof;
- met betrekking tot de aan verzoeker te last gelegde chantagepoging meende de tuchtraad, dat zij niet bewezen was, daar geen enkel rechtstreeks dreigement was geuit tegen de Rekenkamer, haar leden of haar president; de heer Carey had de tuchtraad bovendien een schriftelijke verklaring toegezonden, inhoudende dat verzoeker niet had gezegd dat hij zou doorgaan met zijn aanvallen op de Rekenkamer en haar leden, en op haar president in het bijzonder;
- met betrekking tot de inbreuk op artikel 21 Ambtenarenstatuut was de tuchtraad van mening, dat dit niet aan verzoeker te last kon worden gelegd, daar de hem verweten geschriften buiten de normale uitoefening van zijn functie waren ontstaan.
19 De tuchtraad overwoog, dat de verspreiding van de drie nota' s van verzoeker van 20 juni, 24 augustus en 2 september 1988 vaststond en "ernstig nadeel had kunnen berokkenen aan de erin genoemde personen", daar "de heer Williams, indien hij het vertrouwelijk karakter van de nota' s werkelijk had willen bewaren, niet erop zou hebben gestaan dat zij getikt en geregistreerd zouden worden door het secretariaat van de afdeling waaraan hij was verbonden, maar in elke fase van de procedure verzegelde handgeschreven nota' s zou hebben overgelegd".
20 Op 7 februari 1989 werd verzoeker gehoord door de president van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag.
21 Bij besluit van 13 februari 1989 legde het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeker de sanctie op van tijdelijke opschorting van de plaatsing in een hogere salaristrap voor de periode van 13 februari 1989 tot 16 oktober 1995.
22 Het tot aanstelling bevoegd gezag nam het advies van de tuchtraad over, behalve ten aanzien van de beoordeling door de raad van de vermelding van het telexbericht van 3 februari 1987 in de nota van 24 augustus 1988 en het beoordelingsrapport en ten aanzien van de conclusie dat geen inbreuk op artikel 21 Ambtenarenstatuut in aanmerking kon worden genomen. Met betrekking tot het telexbericht wees het tot aanstelling bevoegd gezag erop, dat verzoeker in zijn nota van 24 augustus 1988 had verklaard dat de verzending ervan een uitstekend initiatief was geweest, en dat de loutere verwijzing naar een dergelijk geschrift duidelijk onverenigbaar is met de waardigheid van een Europees ambtenaar en een bevestiging en opeising vormt van zeer ernstige uitspraken, dit keer met volledige kennis van zaken. Met betrekking tot het al dan niet bestaan van een inbreuk op artikel 21 Ambtenarenstatuut was het tot aanstelling bevoegd gezag van mening, dat de verplichting om zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen, een aspect is van de loyaliteitsverplichting, die een ambtenaar ook moet nakomen wanneer hij documenten opstelt die zijn beoordelingsprocedure of zijn loopbaan betreffen. Het tot aanstelling bevoegd gezag beklemtoonde dat, gelet op de ernst van de aan verzoeker te last gelegde inbreuken en op het feit dat hij de rang van hoofdadministrateur had, de schriftelijke waarschuwing en de berisping geen passende en toereikende tuchtmaatregelen waren.
23 Bij nota van 23 maart 1989, aan zijn hiërarchieke meerdere overhandigd op 28 maart daaraanvolgend, diende verzoeker tegen het besluit van 13 februari 1989 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut.
24 De president van de Rekenkamer, die in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag van die klacht kennis nam, was van mening dat zij opnieuw beledigende uitspraken bevatte, en besloot er niet expliciet op te antwoorden. Verzoeker werd daarvan in kennis gesteld bij nota van 13 juli 1989 van het gedelegeerde tot aanstelling bevoegd gezag.
Het procesverloop
25 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 20 oktober 1989, heeft verzoeker het onderhavige beroep tegen de Rekenkamer ingesteld. Het beroep werd ingeschreven onder nummer 323/89.
26 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, heeft het Hof de zaak bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen, waar zij onder nummer T-146/89 is ingeschreven.
27 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer), dat zich na onderzoek van de processtukken voldoende ingelicht achtte, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
28 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 28 november 1990. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord.
29 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren;
- alle door de tuchtraad verrichte procedurehandelingen nietig te verklaren wegens schending van vormvoorschriften, schending van het recht van verweer en verkeerde uitlegging van artikel 12 Ambtenarenstatuut;
- het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 13 februari 1989 naar vorm en inhoud volledig nietig te verklaren wegens schending van de artikelen 12 en 21 Ambtenarenstatuut;
- het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de op 28 maart 1989 ingediende klacht nietig te verklaren;
- in geval van nietigverklaring alles te bevelen wat rechtens noodzakelijk is;
- subsidiair, de tuchtmaatregel te reduceren tot een gewone schriftelijke waarschuwing;
- in ieder geval, verweerster in alle kosten te verwijzen.
30 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het subsidiair ertoe strekt, de tuchtmaatregel te reduceren;
- het beroep voor het overige te verwerpen;
- elke partij in de eigen kosten te verwijzen
De ontvankelijkheid
31 Verweerster betwist niet de ontvankelijkheid van het beroep als zodanig, maar werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen de subsidiaire vordering, te weten dat het Gerecht de door het tot aanstelling bevoegd gezag getroffen tuchtmaatregel tot een schriftelijke waarschuwing zou reduceren. Zij beroept zich hiervoor op de rechtspraak van het Hof, volgens welke, wanneer de ten laste van de ambtenaar aangenomen feiten zijn komen vast te staan, de keuze van de passende tuchtmaatregel aan het tot aanstelling bevoegd gezag staat. Verweerster concludeert daaruit, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover verzoeker wijziging van het bestreden besluit vordert.
32 Verzoeker antwoordt, dat hij deze rechtspraak niet van toepassing acht, daar de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtmaatregel, niet zijn komen vast te staan en zelfs indien dat wel het geval was, de opgelegde straf in verhouding tot de te last gelegde feiten zo buitensporig is, dat de keuze ervan op zich misbruik van bevoegdheid dan wel willekeur oplevert en eerder een afrekening is dan een tuchtmaatregel.
33 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof bij herhaling heeft geoordeeld, dat wanneer de ten laste van de ambtenaar aangenomen feiten zijn komen vast te staan, de keuze van een passende tuchtmaatregel aan het tot aanstelling bevoegd gezag staat. Het Gerecht mag zijn beoordeling niet voor die van het tuchtrechtelijk gezag in de plaats stellen, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid (arresten van 19 april 1988, gevoegde zaken 175/86 en 209/86, M., Jurispr. 1988, blz. 1891, r.o. 9, en 29 januari 1985, zaak 228/83, F., Jurispr. 1985, blz. 275, r.o. 34). Hoewel het Gerecht bij de uitoefening van deze controle het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag eventueel nietig kan verklaren, kan het zijn eigen beslissing daarvoor echter niet in de plaats stellen. Mitsdien moet verzoekers subsidiaire vordering, dat het Gerecht de hem opgelegde sanctie tot een gewone schriftelijke waarschuwing zou reduceren, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker een reeks middelen aan die de regelmatigheid van de tuchtprocedure en de gegrondheid van het besluit van 13 februari 1989 betreffen. Deze middelen kunnen worden samengevat als volgt:
- de tuchtraad was onregelmatig samengesteld;
- de verklaring van één van de door de tuchtraad gehoorde getuigen was partijdig;
- de tuchtraad heeft zijn advies te laat uitgebracht;
- de tuchtprocedure is gevoerd en het besluit is genomen met miskenning van het beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter;
- het besluit is in strijd met het beginsel "ne bis in idem";
- het besluit steunt op een onjuiste kwalificatie van de feiten aan de hand van het strafrecht;
- het besluit bevat rechtsdwalingen betreffende de juridische kwalificatie van de feiten overeenkomstig de artikelen 12 en 21 Ambtenarenstatuut;
- het besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel;
- het besluit is ongeldig wegens misbruik van bevoegdheid.
Onregelmatige samenstelling van de tuchtraad
35 Volgens verzoeker was de tuchtraad onregelmatig samengesteld, omdat op het tijdstip waarop hij zijn advies uitbracht, zijn voorzitter, de heer Hedderich, sinds 1 januari 1989 geen ambtenaar meer was - hij was per 31 december 1988 wegens invaliditeit gepensioneerd -, en omdat de tuchtraad ingevolge besluit nr. 89-4 van de Rekenkamer gedurende het gehele jaar 1989 onder voorzitterschap van de heer Muller had moeten staan.
36 Verweerster herinnert eraan, dat de tuchtraad krachtens artikel 4 van bijlage II bij het Ambtenarenstatuut moet bestaan uit een voorzitter en vier leden. De voorzitter van de tuchtraad wordt elk jaar aangewezen door het tot aanstelling bevoegd gezag (artikel 5, lid 1, van bijlage II bij het Statuut). Hij heeft geen stemrecht, behalve in procedurekwesties of bij staking der stemmen (artikel 8, eerste alinea, van bijlage IX bij het Statuut). Zelfs indien er sprake zou zijn geweest van een onregelmatigheid met betrekking tot de persoon van de voorzitter, zou dat niet kunnen leiden tot ongeldigheid van het vervolgens door het tot aanstelling bevoegd gezag genomen besluit, aangezien het advies van de tuchtraad in casu bij meerderheid van stemmen en zonder tussenkomst van de voorzitter is uitgebracht.
37 Geen enkele bepaling van het Ambtenarenstatuut schrijft voor, dat de voorzitter van de tuchtraad een ambtenaar in actieve dienst moet zijn. Derhalve kan volgens verweerster het feit, dat de tuchtraad werd voorgezeten door een ambtenaar die zestien dagen voordat de raad zijn advies uitbracht, was gepensioneerd, de regelmatigheid van de procedure niet aantasten.
38 Verzoeker meent, dat indien men het argument van verweerster tot het uiterste doortrekt, het erop neerkomt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet alleen een gepensioneerd ambtenaar als voorzitter van de tuchtraad kan aanwijzen, maar zelfs iemand die nooit ambtenaar is geweest.
39 Met betrekking tot het feit dat voor 1989 een nieuwe voorzitter was aangewezen, stelt verweerster, dat volgens de door haar vastgestelde regeling, wanneer een tuchtprocedure in 1988 is ingeleid, de tuchtraad tot het uitbrengen van het advies wordt voorgezeten door de voor dat jaar aangewezen voorzitter (dat wil zeggen, de heer Hedderich), en dat wanneer een tuchtprocedure in 1989 is ingeleid, de heer Muller de tuchtraad voorzit totdat het advies is uitgebracht. Deze uitlegging vloeit voort uit het beginsel van goed bestuur, dat eraan in de weg staat, dat de voorzitter van een paritair orgaan tijdens de procedure zonder noodzaak wordt vervangen, en uit de algemene beginselen betreffende de toepassing van procedureregels in de tijd.
40 Het Gerecht is van oordeel, dat het feit dat degene die de tuchtraad in 1988 heeft voorgezeten, dit is blijven doen tijdens de eerste zestien dagen van januari 1989, in casu geen gebrek vormt dat de samenstelling van de raad onregelmatig maakt. De raad heeft het rapport van het tot aanstelling bevoegd gezag immers ontvangen op 17 oktober 1988 en bijna het gehele onderzoek is uitgevoerd in 1988, onder het voorzitterschap van dezelfde persoon. Dat diezelfde persoon de raad is blijven voorzitten totdat deze op 16 januari 1989 zijn advies uitbracht, is niet alleen geen procedurefout, maar integendeel een juiste toepassing van het beginsel van goed bestuur. Een dergelijke oplossing garandeert immers de rechten van de ambtenaar die tuchtrechtelijk wordt vervolgd, daar zij het mogelijk maakt dat degenen die de stukken hebben onderzocht, de getuigen hebben gehoord en, in het algemeen, alle initiatieven hebben genomen in het kader van het onderzoek naar de feiten en de verantwoordelijkheid van de betrokken ambtenaar, dezelfden zijn als degenen die het in artikel 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bedoelde advies uitbrengen. Bij het uitbrengen van het advies van de tuchtraad heeft de identiteit van de voorzitter in het onderhavige geval trouwens hoe dan ook geen beslissende rol gespeeld. Daar dit advies bij meerderheid van de leden van de raad is uitgebracht, was de voorzitter niet bij de beslissing betrokken.
41 Dit middel moet derhalve worden verworpen.
Partijdigheid van een getuige
42 Verzoeker betoogt, dat het standpunt van de tuchtraad goeddeels is gebaseerd op de verklaringen van de heer B., die als getuige gewraakt had moeten worden omdat hij een bestaand en dadelijk belang had bij de uitkomst van de zaak. Dit belang bestond erin, dat deze getuige, die dezelfde rang heeft als verzoeker, kon (en nog steeds kan) hopen op een bevordering die aan verzoeker dreigt te ontglippen.
43 Bij gebreke van enige andere aanwijzing volstaat dit feit volgens verweerster niet om deze getuige van partijdigheid te beschuldigen, en zeker niet om onregelmatigheid van de procedure te stellen.
44 Het Gerecht constateert, dat het middel betreffende de vermeende partijdigheid van een getuige zoals het door verzoeker is aangevoerd, niet wordt gesteund door enig gegeven dat het mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen. Het steunt immers enkel op de vaststelling, dat de betrokken getuige dezelfde rang heeft als verzoeker. Dit kan op zich niet volstaan om aan te tonen, dat deze getuige een persoonlijk belang heeft dat onverenigbaar is met de van elke getuige vereiste onpartijdigheid. Bovendien, zelfs indien deze omstandigheid de verklaring van de betrokken getuige had kunnen beïnvloeden, stond het aan de tuchtraad om deze verklaring kritisch te beoordelen.
45 Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
Termijnoverschrijding door de tuchtraad
46 Verzoeker betoogt, dat het advies van de tuchtraad duidelijk te laat is uitgebracht, daar het rapport van het tot aanstelling bevoegd gezag op 13 oktober 1988 aan de raad was voorgelegd en deze pas op 17 januari 1989 een op 16 januari 1989 geantidateerd advies heeft uitgebracht. Dit levert schending op van artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut, volgens hetwelk de tuchtraad zijn advies uitbrengt binnen een maand na de dag waarop de zaak bij hem aanhangig is gemaakt.
47 Verweerster antwoordt, dat de termijn tot drie maanden wordt verlengd indien de raad een onderzoek heeft doen instellen, wat in deze zaak nu juist het geval was. Bovendien is het in artikel 1 van bijlage IX bij het Statuut bedoelde rapport van 13 oktober 1988 (een donderdag) op 17 oktober 1988 (een maandag) aan de voorzitter van de tuchtraad toegezonden; zelfs indien het advies werkelijk op 17 januari 1989 was uitgebracht, zou dit nog binnen de door het Statuut gestelde termijn zijn gebeurd.
48 Dit middel is klaarblijkelijk ongegrond. De tuchtraad heeft zijn advies uitgebracht binnen de door artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut gestelde termijn. Daar de tuchtraad een onderzoek heeft doen instellen, bedroeg de termijn immers drie maanden. Luidens de considerans van het advies is het rapport van het tot aanstelling bevoegd gezag op 17 oktober 1988 aan de voorzitter van de tuchtraad voorgelegd, wat, gelet op de door verweerster gegeven toelichting, een redelijke termijn is. De termijn van drie maanden is dus verstreken op 17 januari 1989, de datum waarop volgens verzoeker het advies is uitgebracht.
49 Daarenboven moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de in artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut bedoelde termijnen geen fatale termijnen zijn welker overschrijding de nietigheid van de daarna verrichte handelingen tot gevolg heeft, maar regels van goed bestuur. Het Hof heeft uitdrukkelijk erkend, dat de tuchtraad meer tijd dan de in artikel 7 gestelde termijn nodig kan hebben om een volledig onderzoek in te stellen dat de betrokkene alle door het Ambtenarenstatuut verlangde waarborgen biedt (arresten van 19 april 1988, gevoegde zaken 175/86 en 209/86, M., Jurispr. 1988, blz. 1891, r.o. 16, en arrest van 29 januari 1985, zaak 228/83, F., Jurispr. 1985, blz. 275, r.o. 30).
50 Uit een en ander volgt, dat dit middel moet worden afgewezen.
Schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter
51 Volgens verzoeker cumuleerde de heer Mart, als president van de Rekenkamer op het ogenblik van de bedoelde feiten de functie van tot aanstelling bevoegd gezag uitoefenend, vier hoedanigheden:
- vermeend slachtoffer van één van de aan verzoeker te last gelegde feiten, namelijk de verwijzing naar het telexbericht van 3 februari 1987;
- "aanklager" die de zaak aan de tuchtraad had voorgelegd;
- autoriteit die de tuchtmaatregel treft;
- "rechter in eerste aanleg" op grond van artikel 90 Ambtenarenstatuut.
52 Hoewel hij niet zover wil gaan, de geldigheid van de tuchtprocedure zoals geregeld in het Ambtenarenstatuut in twijfel te trekken, en hoewel hij erkent, dat een tuchtprocedure geen strafrechtelijke procedure is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, meent verzoeker, dat deze cumulatie een schending vormt van één van de algemene rechtsbeginselen die in dat verdrag zijn neergelegd en die ook op een tuchtprocedure van toepassing zijn, namelijk dat van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.
53 Verweerster antwoordt, dat de cumulatie van de functies van tot aanstelling bevoegd gezag, van partij die het initiatief neemt tot de tuchtprocedure, en van autoriteit die de tuchtmaatregel treft, door de statutaire bepalingen is gewild en dat het overigens een kenmerk is van het internationale ambtenarenrecht, dat de tuchtbevoegdheid een onderdeel is van de hiërarchieke bevoegdheid. Zij beklemtoont voorts, dat hoewel in de onderhavige zaak degene die de aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden uitoefent, ook degene is tegen wie de "aanvallen" van verzoeker waren gericht, verzoeker wel de laatste is die aan deze cumulatie in de persoon van de president van de Rekenkamer een argument kan ontlenen; hijzelf meende immers het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn aanvallen te moeten betrekken, en hij heeft dus zelf aanleiding gegeven tot de cumulatie van hoedanigheden die hij thans aan de kaak stelt.
54 In repliek stelt verzoeker, dat het tot aanstelling bevoegd gezag het fatsoen had moeten hebben een gedelegeerd tot aanstelling bevoegd gezag te belasten met de uitoefening van de tuchtrechtelijke vervolging, en dat de in het verzoekschrift in het licht gestelde viervoudige cumulatie zeker niet "door het Ambtenarenstatuut is gewild".
55 Verweerster betoogt, dat daar het middel betreffende schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter niet voorkwam in de precontentieuze klacht, het hoe dan ook als een nieuw middel moet worden beschouwd en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
56 Zoals verweerster terecht heeft opgemerkt, is het hier besproken middel niet aangevoerd in de administratieve klacht en heeft verzoeker het voor het eerst opgeworpen tijdens de schriftelijke behandeling voor het Gerecht. Welnu, het is vaste rechtspraak, "dat een ambtenaar voor het Hof alleen maar conclusies kan indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van zijn klacht, en alleen maar bezwaren kan doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren. Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten" (arresten van het Hof van 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr. 1987, blz. 2181, r.o. 9; 26 januari 1989, zaak 224/87, Koutchoumoff, Jurispr. 1989, blz. 99, r.o. 10; en 14 maart 1989, zaak 133/88, Del Amo Martínez, Jurispr. 1989, blz. 689, r.o. 10; zie ook arrest van 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux, Jurispr. 1986, blz. 1555, r.o. 13).
57 Vastgesteld moet worden dat in casu de administratieve klacht dit middel niet enkel niet noemt, maar ook niets bevat waaruit verweerster zelfs door extensieve uitlegging van de klacht had kunnen afleiden dat verzoeker zich wilde beroepen op schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.
58 Dit middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
59 Overigens moet worden opgemerkt, dat het Ambtenarenstatuut uitdrukkelijk voorziet in een cumulatie van functies door het tot aanstelling bevoegd gezag. Artikel 87 Ambtenarenstatuut en artikel 1 van bijlage IX bepalen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag aan de tuchtraad het rapport moet voorleggen waarmee de tuchtprocedure wordt ingeleid; artikel 87 Ambtenarenstatuut en artikel 7, derde alinea, van bijlage IX bepalen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de tuchtmaatregel treft, en ten slotte bepaalt artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, dat het tot aanstelling bevoegd gezag op de klacht moet antwoorden. In casu blijkt degene die de functie van tot aanstelling bevoegd gezag uitoefende, ook degene te zijn tegen wie de aan verzoeker verweten uitspraken waren gericht, maar opgemerkt zij, dat hij niet het enige doelwit ervan was. Zij golden immers de Rekenkamer als instelling, haar leden en hun kabinetchefs, haar secretaris-generaal en sommige van haar ambtenaren. Verzoeker kan bijgevolg het tot aanstelling bevoegd gezag niet verwijten de door het Ambtenarenstatuut verleende bevoegdheden te hebben uitgeoefend, en het tot aanstelling bevoegd gezag heeft juist gehandeld door al zijn functies aan zich te houden.
Schending van het beginsel "ne bis in idem"
60 Verzoeker stelt, dat het besluit van 13 februari 1989 in strijd is met het beginsel "ne bis in idem", daar hem daarbij voor de tweede keer een tuchtmaatregel is opgelegd wegens feiten die verband houden met het telexbericht van 3 februari 1987, terwijl de tuchtraad in zijn advies juist had geweigerd de verwijzingen naar dat bericht tegen hem in aanmerking te nemen.
61 Wat verzoeker precies wordt verweten, aldus verweerster, is zijn uitlating dat hij op 3 februari 1987 een uitstekend initiatief had genomen om "onze wegkwijnende instelling voor een compleet moreel bankroet te behoeden", dat wil zeggen, dat hij zich weer achter dat telexbericht heeft gesteld in zijn nota van 24 augustus 1988 en in zijn beoordelingsrapport, door het in de rubriek "publikaties" te vermelden. Het beginsel "ne bis in idem" is in casu niet van toepassing, daar de verweten feiten duidelijk verschillen van die welke aanleiding hadden gegeven tot de vorige tuchtprocedure.
62 Daarenboven is het middel betreffende schending van het beginsel "ne bis in idem" niet aangevoerd in de administratieve klacht, maar pas voor het eerst in het verzoekschrift. Derhalve moet dit middel, aldus verweerster, niet-ontvankelijk worden verklaard.
63 Zoals verweerster terecht heeft vastgesteld, is in casu in de administratieve klacht niet enkel niet verwezen naar de schending van het beginsel "ne bis in idem", maar bevat die klacht ook niets waaruit verweerster zelfs door extensieve uitlegging had kunnen afleiden dat verzoeker zich daarop wilde beroepen. Hij heeft dit pas gedaan tijdens de schriftelijke behandeling voor het Gerecht.
64 Om dezelfde redenen als hiervoor zijn uiteengezet (zie r.o. 56) moet dit middel bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
65 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat verzoekers verwijzing naar het telexbericht van 3 februari 1987, en dat zowel in zijn nota van 24 augustus 1988 als in zijn beoordelingsrapport, op zich een handeling vormt die duidelijk onderscheiden is van de verzending van dat bericht, daar verzoeker de inhoud ervan willens en wetens opnieuw voor zijn rekening heeft genomen, en dat er in dit geval derhalve geen sprake is van schending van het beginsel "ne bis in idem".
Verkeerde kwalificatie van de feiten aan de hand van het strafrecht
66 Verzoeker meent, dat het rapport van het tot aanstelling bevoegd gezag, het advies van de tuchtraad en het bestreden besluit zich te veel hebben opgehouden met het zoeken naar een kwalificatie van de feiten overeenkomstig het strafrecht, waarvan zij de terminologie hebben overgenomen (laster, bedreiging, chantage). De betrokken instanties hebben zich aldus een rol aangematigd die in beginsel toekomt aan de strafrechtelijke autoriteiten van de Lid-Staat waar de te last gelegde feiten zich hebben voorgedaan, of eventueel van de Lid-Staat waaruit degene die de feiten heeft gepleegd, afkomstig is, voor zover het strafrecht van die staat zijn rechtbanken bevoegd verklaart ter zake van delicten die zijn onderdanen in het buitenland plegen. Het stond het tot aanstelling bevoegd gezag vrij de aan verzoeker verweten feiten aan de Luxemburgse strafrechter voor te leggen. De tuchtraad en het tot aanstelling bevoegd gezag hebben onbehoorlijk gehandeld door te doen alsof een strafrechtelijk vergrijp ipso facto een tuchtrechtelijk vergrijp oplevert.
67 Verweerster betoogt, dat zij verwezen heeft naar aan het strafrecht van een Lid-Staat ontleende begrippen om de aan verzoeker te last gelegde feiten te verduidelijken, en dat het bestreden besluit geenszins beoogt een inbreuk op het Luxemburgse strafwetboek vast te stellen, maar een schending van de artikelen 12 en 21 Ambtenarenstatuut.
68 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat naar het oordeel van het Hof "niets de in tuchtrechtelijke aangelegenheden bevoegde gezagsorganen belet ter bepaling - c.q. kwalificatie - van aan hun beoordeling onderworpen feiten aansluiting te zoeken bij strafrechtelijke begrippen, [en] dat daarvan, gezien de organieke scheiding tussen tuchtregeling en strafrechtelijke vervolging, geen enkele, voor de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaren nadelige verwarring behoeft te worden geducht" (arrest van 30 mei 1973, zaak 46/72, De Greef, Jurispr. 1973, blz. 543, r.o. 30 en 31).
69 Dit middel kan dus niet slagen.
Verkeerde juridische kwalificatie van de feiten in het licht van de artikelen 12 en 21 Ambtenarenstatuut
70 Verzoeker betwist, dat hij de verplichtingen die artikel 21 Ambtenarenstatuut hem oplegt, niet is nagekomen. Uit het dossier blijkt nergens, dat hij heeft nagelaten zijn meerderen bij te staan of van raad te dienen, of dat hij de hem opgedragen taken niet heeft uitgevoerd. De plicht tot loyaliteit en samenwerking die op elke ambtenaar rust, heeft specifiek betrekking op de uitvoering van zijn taken en geldt tegenover de instelling; de bijstandsplicht houdt geen verplichting in tot slaafse onderworpenheid aan de persoon van de hiërarchieke meerderen. Men kan een ambtenaar die initiatieven neemt om zijn instelling voor een compleet moreel bankroet te behoeden, geen gebrek aan loyaliteit tegenover zijn instelling verwijten.
71 Verweerster meent, dat de in artikel 21 Ambtenarenstatuut vermelde plicht zijn meerderen bij te staan, slechts een bijzondere toepassing vormt van de algemene loyaliteitsplicht die op elke ambtenaar rust en die het Hof terecht heeft gekwalificeerd als een op iedere ambtenaar rustende fundamentele verplichting jegens het over hem gestelde gezag tot loyaal gedrag en medewerking. Terecht is verzoeker in het bestreden besluit verweten deze loyaliteitsverplichting niet te zijn nagekomen door, zonder verband met de inhoud van de documenten waarin zij zijn vervat, en volledig losstaand daarvan, beledigingen te hebben geuit aan het adres van de leden van de Rekenkamer en met name van een gewezen president, bij voorbeeld door hun handelwijze als "shady, disgusting and criminal" te bestempelen.
72 Het Gerecht is van oordeel, dat de bewoordingen van de drie nota' s van verzoeker en van het telexbericht van 3 februari 1987, die de instelling, haar leden en sommige bij naam genoemde ambtenaren aan de kaak stellen, op zich een ernstige inbreuk vormen op de op iedere ambtenaar rustende fundamentele plicht tot loyaal gedrag tegenover zijn instelling en zijn meerderen (arrest van het Hof van 14 december 1966, zaak 3/66, Alfieri, Jurispr. 1966, blz. 634, 649), die in artikel 21 Ambtenarenstatuut een bijzondere uitdrukking vindt. Deze loyaliteitsplicht moet niet enkel worden nagekomen bij de uitvoering van de specifieke taken die aan de ambtenaar zijn opgedragen, maar strekt zich ook uit tot alle relaties tussen de ambtenaar en de instelling; krachtens deze verplichting moet de ambtenaar zich in het algemeen onthouden van gedragingen die de waardigheid van en het respect verschuldigd aan de instelling en haar gezagsinstanties aantasten. Naar het oordeel van het Gerecht heeft het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve terecht gemeend, dat verzoekers gedrag schending opleverde van artikel 21 Ambtenarenstatuut.
73 Deze grief kan mitsdien niet worden aanvaard.
74 Verzoeker betwist eveneens, dat hij niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 12 Ambtenarenstatuut, daar aan de door hem geuite meningen niet die mate van publiciteit is gegeven die een schending van genoemd artikel zou opleveren. De verspreiding van een klacht binnen de diensten die die klacht moeten behandelen, is geen openbaarmaking. Het is onbehoorlijk een vertrouwelijke tekst als een openbare meningsuiting te beschouwen, terwijl de auteur ervan enkel gebruik heeft gemaakt van zijn recht van beroep.
75 Verweerster betoogt, dat de ambtenaar zich ingevolge artikel 12, eerste alinea, Ambtenarenstatuut dient "te onthouden van iedere handeling, in het bijzonder van iedere meningsuiting in het openbaar, welke aan de waardigheid van zijn ambt afbreuk zou kunnen doen". Hieruit volgt, dat verzoeker ten onrechte stelt dat zijn daden buiten de openbaarheid zouden zijn gebleven, ten einde iedere inbreuk op deze bepaling te betwisten. Hierin gaat het immers in algemene zin om "iedere handeling welke aan de waardigheid van zijn ambt afbreuk zou kunnen doen" en enkel in het bijzonder om meningsuitingen "in het openbaar". Verweerster meent derhalve, dat verzoekers uiteenzetting over het begrip openbaarheid irrelevant is, dat de verspreiding van de nota' s vaststaat en dat verzoekers uitlatingen, gelet op het voorwerp van zijn verzoeken, onnodig waren en van die verzoeken kunnen worden losgemaakt zonder dat de betrokken nota' s hun betekenis verliezen.
76 Het Gerecht merkt op, dat artikel 12 Ambtenarenstatuut aan de ambtenaar in het algemeen iedere handeling en, in het bijzonder, iedere openbare meningsuiting verbiedt die afbreuk zou kunnen doen aan de waardigheid van zijn ambt. In casu zijn de drie nota' s van verzoeker naar hun aard handelingen die afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt. Daarbij is van geen belang, welke publiciteit eraan is gegeven. Bovendien staat het buiten twijfel, dat aan die drie nota' s bekendheid is gegeven. Dat het om administratieve klachten ging, betekent niet, dat zij een vertrouwelijk karakter hadden. In casu hebben de nota' s de normale administratieve weg gevolgd en naar in het advies van de tuchtraad is vastgesteld, staat vast dat zij binnen de instelling zijn verspreid, wat de instelling en degenen die in de nota' s met name zijn genoemd, ernstig nadeel kon berokkenen. Dit geldt ook voor de uitlatingen die in het openbaar over de heer Ruppert zijn gedaan en die door degenen die ze hebben gehoord, zijn bevestigd.
77 Deze grief kan derhalve niet slagen.
78 Verzoeker betwist de kwalificatie van zijn uitlatingen als lasterlijk en beledigend met de opmerking, dat deze uitlatingen alleszins geen laster kunnen zijn, daar zij met de werkelijkheid overeenstemden.
79 De Rekenkamer meent, dat de aan verzoeker te last gelegde inbreuken niet erin bestaan, onjuistheden te hebben geschreven of gezegd, maar door het beledigen van verscheidene personen in zijn verplichting tot loyaal en waardig gedrag tekort te zijn geschoten.
80 Ook deze grief moet worden afgewezen. Verzoekers uitlatingen bevatten inderdaad elementen die op zijn minst beledigend zijn en die op zich schending opleveren van de verplichtingen die de artikelen 12, eerste alinea, en 21, eerste alinea, Ambtenarenstatuut aan elke ambtenaar opleggen. Indien verzoeker van oordeel was, dat bepaalde maatregelen van de Rekenkamer in strijd waren met de verdragsbepalingen, stond het hem vrij alle rechtsmiddelen aan te wenden die te zijner beschikking stonden, of om passende acties te voeren, doch steeds met eerbiediging van de statutaire beginselen, dat wil zeggen door in woord en geschrift de terughoudendheid en gematigdheid in acht te nemen die van elke ambtenaar mag worden verlangd.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
81 Verzoeker betoogt, dat er een flagrante wanverhouding bestaat tussen de hem door de tuchtraad te last gelegde feiten en de door de raad voorgestelde en door het tot aanstelling bevoegd gezag getroffen tuchtmaatregel. De opgelegde sanctie kan economisch worden gewaardeerd op een bedrag van ongeveer 6 543 150 LFR. Volgens de criteria van het Luxemburgse strafrecht komt dit overeen met 6 543 dagen hechtenis, ofwel 17 jaar, 11 maanden en 34 dagen.
82 Verweerster repliceert, dat opschorting van plaatsing in een hogere salaristrap in artikel 86 Ambtenarenstatuut op de derde plaats komt in een reeks van zeven tuchtmaatregelen en als eerste van de vijf maatregelen die het tot aanstelling bevoegd gezag enkel na advies van de tuchtraad kan treffen. Volgens het Ambtenarenstatuut is het de lichtste sanctie voor ernstige inbreuken, en gezien de ernst van verzoekers inbreuken en het feit dat hij de rang van hoofdadministrateur heeft, waren de lichtere tuchtmaatregelen - schriftelijke waarschuwing en berisping - niet passend en onvoldoende.
83 Er zij aan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof, wanneer de ten laste van de ambtenaar aangenomen feiten zijn komen vast te staan, de keuze van een passende tuchtmaatregel aan het tot aanstelling bevoegd gezag staat. Het Gerecht mag zijn beoordeling niet voor die van dit gezag in de plaats stellen, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid (arresten van 29 januari 1985, zaak 228/83, F., Jurispr. 1985, blz. 275, r.o. 34, en 30 mei 1973, zaak 46/72, De Greef, Jurispr. 1973, blz. 543, r.o. 44-46). Wat meer bepaald de vraag betreft, of de tegen verzoeker getroffen tuchtmaatregel onevenredig is aan de ernst van de hem te last gelegde feiten, moet worden beklemtoond, dat het Hof ook heeft geoordeeld, dat de vaststelling van de sanctie een zaak blijft van beoordeling van alle concrete feiten en omstandigheden van elk geval door het tot aanstelling bevoegd gezag, daar de artikelen 86 tot en met 89 Ambtenarenstatuut niet voorzien in een vaste verhouding tussen de aldaar genoemde sancties en de diverse inbreuken waaraan een ambtenaar zich schuldig kan maken (arrest van 5 februari 1987, zaak 403/85, F., Jurispr. 1987, blz. 645, r.o. 26). In de onderhavige zaak heeft het Gerecht reeds geoordeeld (r.o. 72 en 76), dat de in het besluit in aanmerking genomen feiten, waarvan de juistheid niet wordt betwist, ernstige inbreuken vormen op de fundamentele verplichtingen die op elke ambtenaar rusten. Het Gerecht kan de opschorting van verzoekers plaatsing in een hogere salaristrap dan ook niet als een kennelijk onevenredige sanctie aanmerken.
84 Dit middel moet bijgevolg worden afgewezen.
Misbruik van bevoegdheid
85 Volgens verzoeker dient men zich af te vragen, of het tot aanstelling bevoegd gezag in deze zaak werkelijk enkel de bedoeling had een ambtenaar te sanctioneren, of dat in de tegen hem getroffen exorbitante tuchtmaatregel niet eerder andere motieven tot uiting komen, die moeilijk kunnen worden toegegeven. Hij beklemtoont, dat hoewel hij na afloop van de opschortingstermijn weer gewoon in een hogere salaristrap zal worden geplaatst, deze tuchtmaatregel het verdere verloop van zijn loopbaan in de rang A 5 zal blokkeren.
86 Verweerster antwoordt, dat verzoeker geen bewijs levert voor het door hem gestelde misbruik van bevoegdheid. Hij heeft evenmin objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen verstrekt ten bewijze dat de opgelegde sanctie, gelet op de tegen hem in aanmerking genomen grieven, exorbitant zou zijn en dat zij op zich misbruik van bevoegdheid oplevert.
87 Er zij aan herinnerd, dat het begrip misbruik van bevoegdheid een welbepaalde inhoud heeft en betrekking heeft op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend (zie arrest van het Hof van 4 februari 1982, zaak 817/79, Buyl, Jurispr. 1982, blz. 245, r.o. 28, en arrest van het Gerecht van 12 juli 1990, zaak T-108/89, Scheuer, Jurispr. 1990, blz. II-411, r.o. 49).
88 Voorts is het vaste rechtspraak, dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd (arrest van het Hof van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr. 1984, blz. 2447, en arrest van het Gerecht van 12 juli 1990, zaak T-108/89, Scheuer, Jurispr. 1990, blz. II-411, r.o. 50).
89 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat verzoeker tot staving van dit middel in wezen dezelfde argumenten aanvoert als bij het middel betreffende schending van het evenredigheidsbeginsel, die het Gerecht reeds heeft verworpen. Voor het overige volstaan verzoekers algemene en vage veronderstellingen niet als bewijs, dat het tot aanstelling bevoegd gezag met de tegen hem getroffen tuchtmaatregel een ander doel wilde bereiken dan het waarborgen van de interne orde in het Europese ambtenarencorps.
90 Hieruit volgt, dat dit middel niet kan slagen.
91 Gelet op al het voorgaande, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
92 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien dat wordt gevorderd. Ingevolge artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy