Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen - Toelatingsvoorwaarden - Bepaling door aankondiging van vergelijkend onderzoek - Invoering, door jury, van voorwaarden die niet in aankondiging voorkomen - Ontoelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 30; bijlage III, art. 5)
2. Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Nietigverklaring van bestreden onwettig besluit - Passend herstel van morele schade
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
1. Ofschoon het in het geval van een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen de verantwoordelijkheid van de jury is om van geval tot geval te beoordelen, of de diploma' s of de beroepservaring van elke sollicitant van het niveau zijn dat door het Statuut en de aankondiging van vergelijkend onderzoek wordt verlangd, blijft de jury gebonden aan de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zoals die is gepubliceerd. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft immers de functie, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de betrokken post gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren, en anderzijds, welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd.
Deze regeling van artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut zou zinledig worden, indien de jury voor de selectie van de tot het examen toe te laten sollicitanten bijkomende voorwaarden zou mogen stellen, die niet in de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek zijn vermeld en dus buiten het kader van een vergelijking van de kandidaten op basis van de vereiste bewijsstukken vallen. Dat zou niet stroken met de wijze waarop de bevoegdheden zijn verdeeld tussen het tot aanstelling bevoegd gezag en de jury. Volgens deze bevoegdheidsverdeling beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek, terwijl de jury bij de uitoefening van de krachtens artikel 30 van het Statuut op haar rustende taak aan deze voorwaarden is gebonden.
In een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen kan de jury een sollicitant derhalve niet van de examens uitsluiten op grond dat hij niet voldoet aan een voorwaarde die niet in de aankondiging van vergelijkend onderzoek is vermeld.
2. De nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden handeling van de administratie vormt op zichzelf een passend en in principe toereikend herstel van elke immateriële schade die de ambtenaar mocht hebben geleden.
Partijen
in zaak T-158/89,
G. van Hecken, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Berchem (België), vertegenwoordigd door F. Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van N. Decker, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 16,
verzoeker,
tegen
Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur D. Brueggemann als gemachtigde, bijgestaan door C. Verbraeken, advocaat te Brussel, en vervolgens door zijn juridisch adviseur M. Bermejo Garde als gemachtigde, bijgestaan door V. Busschaert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van de juridische dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 om verzoeker niet toe te laten tot het examen van dat vergelijkend onderzoek, alsmede tot vergoeding van de door verzoeker gestelde schade,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Op 26 februari 1988 publiceerde het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC") de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, om een reservelijst samen te stellen van vertalers in de Nederlandse taal in de rangen LA 7-LA 6 (PB 1988, C 55, blz. 16).
2 Met betrekking tot de vereiste bewijsstukken, diploma' s en beroepservaring preciseerde de aankondiging, dat de kandidaten op de sluitingsdatum voor de sollicitaties in het bezit moesten zijn van een doctoraal (of gelijkwaardig) diploma van academisch onderwijs (moderne talen, economische, sociale, handels- of rechtswetenschappen e.d.) of van een daarmee vergelijkbaar diploma van een gespecialiseerde talenopleiding, dan wel over een gelijkwaardige vertaalervaring dienden te beschikken. De kandidaten moesten kopieën overleggen van hun diploma' s met betrekking tot de academische opleiding (dan wel de gespecialiseerde talenopleiding) en/of kopieën van bewijsstukken betreffende hun beroepservaring (werkgevers- of stageverklaringen, aanstellings- of arbeidsovereenkomsten, loonstrookjes - het eerste en het laatste van elke werkgever - of enig ander document waaruit begin- en einddatum van de arbeidsverhouding en de aard van het verrichte werk konden worden opgemaakt). Volgens de aankondiging was voorts een volledige beheersing van het Nederlands vereist, alsmede een grondige kennis van een tweede en een goede kennis van een derde officiële EG-taal. Bovendien moesten de sollicitanten voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, sub a, b en c, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut").
3 Op 15 maart 1988 diende verzoeker, die thans ambtenaar is van het Europees Parlement, waar hij als vertaler werkzaam is, een sollicitatieformulier in, dat op 17 maart 1988 bij het ESC binnenkwam. Dit bevatte met betrekking tot zijn opleiding en beroepservaring onder meer de volgende gegevens:
"Hoger onderwijs
UFSIA, Antwerpen, België 1969-1971 kandidaat in de Romaanse filologie
UIA, Antwerpen, België 1972-1975 licentiaat in de Romaanse filologie
Coimbra, Portugal 1974-1975 Portugese taal en cultuur
UIA, Antwerpen, België 1975-1977 geaggregeerde hoger secundair onderwijs
Postuniversitair onderwijs
University of Essex (Verenigd Koninkrijk)
1985 - heden MA in the Sociology of Development - omgezet in Ph. D. studies in de sociologie
Beroepservaring
1976-1978 Centrum voor levende talen (Katholieke Universiteit Leuven), docent Portugese taal
1975-1978 Gemeentelijk lyceum Borgerhout, leraar Spaans en niet-confessionele zedenleer
1978-1985 Universiteit Eduardo Mondlane te Maputo (Mozambique), hulpprofessor. Aard van de functie: leraar Portugees, vertaalkunde en linguïstiek; adjunct-directeur van de Letterenfaculteit en hoofd van het departement Moderne talen; vertaler op nationale en internationale conferenties; research-mederwerker van het Centro de Estudos Africanos
sedert 1987 free-lance vertaler Nederlands, Portugees, Engels - betaald per opdracht - bij de firma TXT te Antwerpen."
4 Na de indiening van de sollicitaties stelde de jury de lijst vast van de sollicitanten die voldeden aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Vervolgens bepaalde zij welke sollicitanten uit deze lijst tot het examen werden toegelaten, en wel aan de hand van een aantal vooraf vastgestelde bijkomende selectiecriteria betreffende opleiding, beroepservaring en eventueel post-universitair verblijf in het buitenland van de sollicitanten, waarvoor punten werden toegekend. Om tot het examen te worden toegelaten, dienden de sollicitanten ten minste 1 1/4 punt te behalen.
5 Bij brief van 25 augustus 1989 werd verzoeker ter kennis gebracht, dat de jury zijn sollicitatie had afgewezen. In die brief werd hem het volgende meegedeeld:
"Volgens de procedure in het Statuut van de ambtenaren (art. 5, eerste alinea van Bijlage III) heeft de examencommissie een lijst vastgesteld van reflectanten die voldoen aan de voorwaarden omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. In dat stadium was Uw naam op de door de examencommissie vastgestelde lijst opgenomen.
Aangezien het een vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken èn een examen betrof, heeft de examencommissie vervolgens bepaald welke kandidaten tot het examen worden toegelaten (art. 5, vierde alinea van Bijlage III; zie eveneens de 'Mededeling' in voornoemd Publikatieblad, sub II: Procedure). De examencommissie heeft in die fase slechts die sollicitanten toegelaten die zij het meest gekwalificeerd achtte en die voldeden aan de door haar vastgestelde bijkomende criteria. In de bijlage bij dit schrijven is aangekruist op grond van welke criteria tot Uw uitsluiting is besloten."
6 De redenen waarom verzoeker, die aan de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voldeed, "na een tweede selectie" niet tot het schriftelijk examen was toegelaten, waren in een bijlage bij die brief gepreciseerd als volgt:
"II.1 geen bijkomende academische studie op een voor het Economisch en Sociaal Comité relevant gebied, c.q. op het gebied van talen en/of vertaling, of ontbreken van voldoende bewijs dienaangaande,
en/of
II.2 geen voldoende uitgebreide beroepservaring op het gebied van vertaling (na behalen diploma academisch onderwijs of diploma gespecialiseerde talenopleiding, c.q. na 8 jaar gelijkwaardige vertaalervaring) op het niveau van de uit te oefenen functie, of ontbreken van voldoende bewijs dienaangaande,
en/of
II.3 geen postuniversitair verblijf aan een buitenlandse universiteit van minstens één jaar, op de grondslag van één van de talen van de Europese Gemeenschap, niet zijnde het Nederlands, of ontbreken van voldoende bewijs dienaangaande.
(Eén van deze redenen kan reeds tot uitsluiting aanleiding geven)."
7 Bij schrijven van 30 augustus 1989 verzocht verzoeker de jury, haar besluit met betrekking tot zijn sollicitatie te herzien of het behoorlijk te motiveren en hem minstens één week voor de datum van het examen van haar beslissing op de hoogte te brengen. Hij merkte op, dat geen van de opgegeven redenen tot uitsluiting aanleiding behoefde te geven en dat sommige sollicitanten - anders dan hijzelf - in de gelegenheid waren gesteld om aanvullende bewijsstukken over te leggen.
8 Op 21 september 1989 had verzoeker een telefonisch onderhoud met een jurylid. Volgens verzoeker zou hem zijn gevraagd, de jury vóór de datum van het examen - 4 oktober 1989 - een "document" van de universiteit van Essex met betrekking tot zijn postuniversitaire studie toe te sturen, alsmede een getuigschrift van het vertaalbureau TXT, met betrekking tot zijn beroepservaring.
Het ESC stelt, dat met dat telefonisch onderhoud verzoekers aandacht op twee specifieke punten diende te worden gevestigd: het was niet duidelijk of zijn werkzaamheden aan de universiteit van Maputo ook vertalingen van of naar het Nederlands behelsden - verzoeker antwoordde hierop dat dit niet het geval was -, en verder moest hij een getuigschrift met betrekking tot zijn werkzaamheden voor TXT overleggen. Volgens het ESC verklaarde verzoeker, dat hij het gevraagde document binnen een week kon verkrijgen en overleggen. Voorts heeft verzoeker volgens het ESC gevraagd of zijn studie sociologie aan de universiteit van Essex niet "relevant" was, en is hem daarop geantwoord, dat het dossier geen bewijsstuk bevatte waaruit bleek dat hij met succes een opleiding op dit gebied had gevolgd.
9 Bij schrijven van 22 september 1989 stuurde verzoeker het ESC een fotokopie van een document van de universiteit van Essex, waaruit bleek dat hij met ingang van oktober 1985 als postgraduaat student in de ontwikkelingssociologie aan die universiteit was ingeschreven. In die brief verzocht hij de jury opnieuw, haar besluit met betrekking tot zijn sollicitatie te herzien of dit behoorlijk te motiveren en hem minstens één week voor de datum van het examen officieel van haar beslissing op de hoogte te brengen.
10 Op 4 oktober 1989 ontving verzoeker het getuigschrift betreffende zijn werkzaamheden bij TXT. Hij stuurde dit eveneens naar het ESC.
11 In een brief van 5 oktober 1989 verstrekte het ESC een aantal toelichtingen en antwoorden op door verzoeker in zijn brieven van 30 augustus en 22 september 1989 gestelde vragen:
- met betrekking tot criterium II.1 (zie hierboven, punt 6) merkte het ESC op, dat verzoeker enkel een bewijs van inschrijving had overgelegd, dat evenwel niet bewees dat hij zijn studie aan de universiteit van Essex met succes had afgesloten, en dat deze studie - volgens de door de jury gehanteerde norm - overigens niet in het verlengde van de door hem gevolgde basisopleiding lag;
- met betrekking tot criterium II.2 wees het ESC erop, dat vertaalonderwijs waarbij niet van of naar het Nederlands werd vertaald, niet kon worden aangemerkt als vertaling op het niveau van de uit te oefenen functie;
- met betrekking tot criterium II.3 verklaarde het ESC, dat het verblijf aan de universiteit van Maputo als postuniversitair verblijf in aanmerking was genomen.
Het ESC verklaarde, dat het totaal van door verzoeker behaalde punten niet voldoende was om hem tot het examen toe te laten.
Het ESC voegde daaraan toe, dat enkel de sollicitanten die op de grondslag van hun verklaringen op het sollicitatieformulier rechtstreeks tot het examen hadden kunnen worden toegelaten, doch die onvoldoende bewijsstukken voor hun verklaringen hadden overgelegd, een brief hadden ontvangen met het verzoek, de jury aanvullende bewijsstukken toe te sturen. Voorts konden verzoekers werkzaamheden van 1986 tot 1988 hoogstens voor een deel in aanmerking worden genomen, daar zij samenvielen met zijn studie aan de universiteit van Essex. Ten slotte viel het slagen voor een algemeen vergelijkend onderzoek van een andere instelling - gelijk voor verzoeker, vertaler bij het Parlement, het geval was - niet onder de door de jury vastgestelde criteria.
Het procesverloop
12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg op 27 november 1989, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.
13 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Op verzoek van het Gerecht heeft verweerder het rapport, met de bijlagen, van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 overgelegd.
14 De partijen zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord ter terechtzitting van 12 juli 1991. De president heeft de mondelinge behandeling aan het einde van de terechtzitting gesloten verklaard.
Conclusies van partijen
15 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
primair,
- de overlegging te gelasten van alle notulen en documenten van de jury waarbij de selectiecriteria zijn vastgesteld c.q. op de verschillende sollicitanten zijn toegepast, en van alle documenten welke specifiek betrekking hebben op zijn sollicitatie en klacht;
- zijn eis ontvankelijk en gegrond te verklaren, en derhalve:
1) nietig te verklaren het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87, waarbij hij van deelneming aan het examen werd uitgesloten en zijn sollicitatie naar de in de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek bedoelde functie werd afgewezen;
2) het Economisch en Sociaal Comité te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding, welke naar billijkheid kan worden vastgesteld op BFR 50 000;
3) het Economisch en Sociaal Comité krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de kosten te verwijzen;
subsidiair,
- voor het geval het Gerecht de eis ongegrond zou verklaren, het Economisch en Sociaal Comité niettemin krachtens artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te verwijzen in de kosten, in de mate dat de eigen nalatigheid van de jury en het gebrekkig en laattijdig informeren van verzoeker aan de oorsprong liggen van het ingestelde beroep;
nog meer subsidiair:
- ingeval het beroep wordt verworpen, toepassing te geven aan artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
16 Het Economisch en Sociaal Comité concludeert dat het het Gerecht behage:
- de geëiste instructiemaatregelen af wijzen;
- de eis ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en derhalve;
- het beroep tot nietigverklaring te verwerpen;
- elke partij in haar eigen kosten te verwijzen.
Ten gronde
Het eerste onderdeel van het beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de jury
17 Tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring voert verzoeker vijf middelen aan: niet-naleving van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en schending van artikel 5 van bijlage III bij het Statuut; schending van de verplichting dat een besluit objectief gegrond moet zijn; schending van het non-discriminatiebeginsel; schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en onvoldoende motivering.
18 Met betrekking tot het eerste middel voert verzoeker aan, dat de jury, door enkel de sollicitanten tot het examen toe te laten die zij het meest gekwalificeerd achtte en die voldeden aan de door haar vastgestelde bijkomende criteria, een dubbele selectie heeft toegepast, die niet in de aankondiging van vergelijkend onderzoek was vermeld en niet in overeenstemming was met de bepalingen van bijlage III bij het Statuut. Ingevolge artikel 5 van bijlage III bij het Statuut moet de jury namelijk eerst de beoordelingscriteria vaststellen, op basis waarvan zij vervolgens de meest gekwalificeerde sollicitanten selecteert, die dan automatisch tot het examen moeten worden toegelaten. Van een tweede selectie op basis van "bijkomende criteria" kan geen sprake zijn. Verzoeker verwijst naar de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in zaak 225/87 (Belardinelli/Hof van Justitie; arrest van 12 juli 1989, Jurispr. 1989, blz. 2353, 2364), volgens welke het bij een dergelijke praktijk de jury zou zijn die terzelfdertijd de normen vaststelt en ze toepast. De sollicitanten ontdekken dan te laat dat er toelatingsvoorwaarden bestaan, waarvan zij zich niet bewust waren bij het lezen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Het bindend karakter van de aankondiging van vergelijkend onderzoek is ook door het Hof van Justitie beklemtoond in het arrest van 18 februari 1982 (zaak 67/81, Ruske/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 661).
19 Het ESC voert aan, dat bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen de lijst van kandidaten in verschillende etappes wordt vastgesteld:
- vaststelling door het tot aanstelling bevoegde gezag van de lijst van sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, sub a, b en c, van het Statuut en toezending van deze lijst aan de voorzitter van de jury (artikel 4 van bijlage III bij het Statuut);
- vaststelling door de jury van de lijst van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek (artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut);
- vaststelling door de jury, aan de hand van de door haar bepaalde criteria, van de lijst van de sollicitanten die tot het examen worden toegelaten (artikel 5, vierde alinea, van bijlage III bij het Statuut).
20 Bij een dergelijk vergelijkend onderzoek moet - aldus nog steeds verweerder - in een eerste stadium worden onderzocht, of de sollicitanten aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en in een tweede stadium of zij aan de gestelde criteria voldoen. De uitdrukking "na een tweede selectie" in de bijlage bij de brief van het ESC van 25 augustus 1989 verwijst uiteraard naar een eerste selectie op basis van de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zoals door artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut is voorgeschreven. In feite heeft na de vaststelling van de lijst van de sollicitanten die aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden voldeden, slechts één selectie plaatsgevonden op basis van de door de jury bepaalde criteria. In zijn arrest van 14 juni 1972 (zaak 44/71, Marcato/Commissie, Jurispr. 1972, blz. 427) heeft het Hof de wettigheid erkend van de praktijk om criteria vast te stellen die niet in de aankondiging van vergelijkend onderzoek zijn vermeld en die dus niet ter kennis van de sollicitanten zijn gebracht.
21 Het Gerecht merkt op, dat artikel 5 van bijlage III bij het Statuut bepaalt, dat de jury na kennisneming van de dossiers van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, sub a, b en c, van het Statuut, de lijst vaststelt van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Ingevolge artikel 5, vierde alinea, bepaalt de jury bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van zowel schriftelijke bewijsstukken als een examen, welke sollicitanten uit deze lijst tot het examen worden toegelaten.
22 Verder is het de verantwoordelijkheid van de jury om van geval tot geval te beoordelen, of de overgelegde diploma' s of de vermelde beroepservaring van elke sollicitant van het niveau zijn dat door het Statuut en de aankondiging van vergelijkend onderzoek wordt verlangd (zie onder meer de arresten van het Hof van 14 juni 1972, zaak 44/71, Marcato, en 12 juli 1989, zaak 225/87, Belardinelli, reeds aangehaald).
23 Ook is de jury, niettegenstaande haar ruime beoordelingsvrijheid, gebonden aan de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zoals die is gepubliceerd. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft blijkens het Statuut voornamelijk ten doel, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de betrokken post gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren (arresten van het Hof van 28 juni 1979, zaak 255/78, Anselme/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 2323; 18 februari 1982, zaak 67/81, Ruske, reeds aangehaald; en 19 mei 1983, zaak 289/81, Mavridis/Parlement, Jurispr. 1983, blz. 1731), en anderzijds, welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd.
24 Deze regeling van artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut zou zinledig worden, indien de jury krachtens de vierde alinea van dat artikel bijkomende voorwaarden zou mogen stellen, die niet in de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek zijn vermeld en dus buiten het kader van een vergelijking van de kandidaten op basis van de vereiste bewijsstukken vallen. Bovendien zou een dergelijke uitlegging niet stroken met de wijze waarop de bevoegdheden zijn verdeeld tussen het tot aanstelling bevoegde gezag en de jury. Volgens deze bevoegdheidsverdeling beschikt het tot aanstelling bevoegde gezag over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek, terwijl de jury bij de uitoefening van de krachtens artikel 30 van het Statuut op haar rustende taak aan deze voorwaarden is gebonden.
25 Uit het voorgaande volgt, dat een jury een sollicitant niet van de examens kan uitsluiten op grond dat hij niet voldoet aan een voorwaarde die niet in de aankondiging van vergelijkend onderzoek is vermeld. Mitsdien moet in casu worden onderzocht, of de door de jury vastgestelde "bijkomende criteria" voor toelating van de sollicitanten tot het examen als nieuwe voorwaarden aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden zijn toegevoegd, dan wel deze alleen maar nader preciseren.
26 Blijkens haar rapport heeft de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 "bijkomende" selectiecriteria vastgesteld ten aanzien van drie onderdelen: opleiding, beroepservaring en postuniversitair verblijf.
27 Met betrekking tot de opleiding paste de jury een puntensysteem toe, waarin verschillende punten werden toegekend voor een specifieke universitaire vertalers- of tolkenopleiding, bijkomende universitaire vakstudies, bijkomende universitaire taalstudies, bijkomende universitaire vakstudies op een voor het ESC relevant gebied, een doctorsgraad of vertaalcursussen in het kader van een doctoraalstudie letteren in Nederland.
28 Met betrekking tot de beroepservaring kende de jury punten toe voor ervaring als vertaler of tolk, mits die ervaring was opgedaan na de afsluiting van een volledige universitaire opleiding met een diploma c.q. na de verwerving van een gelijkwaardige beroepservaring.
29 De jury kende eveneens een half punt toe voor een postuniversitair verblijf van tenminste een jaar aan een universiteit in het buitenland c.q. het Europacollege te Brugge, alsmede - voor Nederlandstalige Vlamingen - in Wallonië, mits dit verblijf in het verlengde lag van een tevoren met een diploma afgesloten volledige universitaire studie.
30 De "bijkomende criteria" die door de jury zijn vastgesteld en toegepast, gaan verder dan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden. Daarin werd namelijk enkel een doctoraal (of gelijkwaardig) diploma van academisch onderwijs verlangd, en geen specifieke universitaire vertalers- of tolkenopleiding, noch een bijkomende universitaire vak- of taalstudie, een bijkomende universitaire vakstudie op een voor het ESC relevant gebied of een doctorsgraad of vertaalcursussen in het kader van een doctoraalstudie letteren in Nederland.
31 Met betrekking tot het tweede onderdeel waarvoor de jury "bijkomende criteria" formuleerde, te weten de beroepservaring, stelt het Gerecht vast, dat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek de beroepservaring slechts wordt vermeld als alternatief voor een academisch diploma of voor een daarmee vergelijkbaar diploma van een gespecialiseerde talenopleiding, zodat, in tegenstelling tot hetgeen de jury heeft gedaan, geen rekening mag worden gehouden met de na het behalen van een dergelijk diploma verworven beroepservaring.
32 Uit al het voorgaande volgt, dat het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 om verzoeker niet toe te laten tot het examen van dat vergelijkend onderzoek en zijn sollicitatie naar de in het vergelijkend onderzoek bedoelde functie af te wijzen, op grond dat hij niet aan de door de jury vastgestelde bijkomende criteria voldeed, in strijd is met artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut en derhalve moet worden nietigverklaard, zonder dat de andere middelen tot staving van dit onderdeel van het beroep nog behoeven te worden onderzocht.
Het tweede onderdeel van het beroep, strekkende tot schadevergoeding
33 Verzoeker betoogt, dat de tot staving van zijn eis tot nietigverklaring aangevoerde onregelmatigheden een dienstfout uitmaken, waardoor hij schade heeft geleden. Omdat de jury haar zorgplicht heeft miskend, heeft hij zijn belangen - met name met betrekking tot zijn loopbaan en zijn positie in het algemeen - niet naar behoren kunnen verdedigen. Meer bepaald is hij van mening, dat hij morele schade heeft geleden, omdat hij door zijn uitsluiting van het vergelijkend onderzoek een kans heeft gemist om zijn beroepswerkzaamheid naar België te verleggen, waar zijn gezin is blijven wonen. Bovendien stelt hij prestigeverlies te hebben geleden. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 12 juli 1973 (gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo/Commissie, Jurispr. 1973, blz. 763) stelt hij voor, de totale schade ex aequo et bono te bepalen op BFR 50 000.
34 Bij repliek voegt hij daaraan toe, dat ofschoon hij niet met zekerheid kan bewijzen dat hij voor het examen zou zijn geslaagd, er toch een aantal aanwijzingen in die zin bestaan. Hij verwijst inzonderheid naar de resultaten van zijn collega' s bij de vertaaldienst van het Europees Parlement, die aan het vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen.
35 Het ESC betoogt, dat zo het bestreden besluit al een dienstfout zou uitmaken, verzoeker geen enkele schade aantoont. Hij heeft met name niet genoegzaam aannemelijk gemaakt, dat indien hij tot het examen was toegelaten, hij ook daadwerkelijk zou zijn geslaagd. Wat de woonplaats van zijn echtgenote en kinderen betreft, deze is het resultaat van een beslissing van zijn gezin. Het arrest Di Pillo is in casu niet ter zake dienend, aangezien dit een te laat genomen ontslagbeslissing betreft na een negatief stagerapport, en de belanghebbende in die zaak aanzienlijke kosten had gemaakt in afwachting van een definitieve aanstelling. Ten slotte is er geen enkel bewijs van enig prestigeverlies.
36 Bij dupliek merkt het ESC op, dat de omstandigheid dat een aantal voormalige collega' s van verzoeker tot het schriftelijk examen is toegelaten en bovendien voor het examen is geslaagd, geenszins bewijst dat ook verzoeker zou zijn geslaagd, indien hij aan het schriftelijk examen had deelgenomen. Men mag ervan uitgaan, dat het feit dat verzoeker niet aan de door de jury vastgestelde criteria voldeed, juist een aanwijzing vormt dat het volstrekt niet zeker is dat hij voor het schriftelijk examen zou zijn geslaagd.
37 Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de door verzoeker gestelde morele schade zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak de nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden besluit van de administratie op zichzelf een passend en in beginsel toereikend herstel vormt van elke morele schade die de ambtenaar in het betrokken geval mocht hebben geleden. Mitsdien dient de nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 te worden geacht, op zichzelf een passend herstel van de door verzoeker geleden morele schade te vormen (zie het arrest van het Hof van 9 juli 1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 3259, en het arrest van het Gerecht van 20 september 1990, zaak T-37/90, Hanning/Parlement, Jurispr. 1990, blz. II-463).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 Ingevolge artikel 87, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het ESC op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek ESC/LA/102/87 om verzoeker niet tot het examen voor dat vergelijkend onderzoek toe te laten.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst het Economisch en Sociaal Comité in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy