CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 10 januari 1991 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door te bepalen dat het verboden is in het Waalse Gewest afval afkomstig uit andere Lid-Staten of uit een ander gewest dan het Waalse Gewest op te slaan, te storten of te lozen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens
1)
richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, biz. 47),
2)
richtlijn 84/631/EEG van de Raad van 6 december 1984 betreffende toezicht en controle in de Gemeenschap op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen (PB 1984, L 326, biz. 31), en
3)
de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
2.
De door de Commissie gewraakte verbodsbepalingen zijn neergelegd in een besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 19 maart 1987 betreffende het storten van sommige afvalstoffen in het Waalse Gewest (Belgisch Staatsblad van 28 maart 1987, blz. 4671). Ingevolge artikel 1, eerste alinea, van dat besluit, zoals gewijzigd bij artikel 130 van het besluit van 23 juli 1987(Belgisch Staatsblad van 29 september 1987, blz. 14078), is het verboden afvalstoffen die afkomstig zijn van een vreemd land in Wallonië op te slaan, te storten of te lozen, te laten opslaan, storten of lozen in pakhuizen, opslagplaatsen of stortplaatsen die onderworpen zijn aan een goedkeuring, met uitzondering van opslagplaatsen die zijn verbonden met een installatie voor vernietiging, neutralisering of eliminatie van toxische afvalstoffen. Krachtens artikel 1, tweede alinea, is het de verwijderingsbedrijven verboden, toe te staan dat in de door hen geëxploiteerde inrichtingen afval uit het buitenland wordt opgeslagen, enzovoort. Artikel bepaalt, dat afwijkingen van artikel 1 kunnen worden toegestaan door de Waalse Gewestexecutieve voor een bepaalde duur van maximaal twee jaar; zij moeten gerechtvaardigd zijn door ernstige en uitzonderlijke omstandigheden. Voorts verbiedt artikel 3 afval afkomstig uit andere Belgische gewesten, namelijk het Vlaamse en het Brusselse Gewest, in Wallonië op te slaan, te storten of te lozen, doch op dit verbod kunnen bij overeenkomst met die andere Gewesten uitzonderingen worden vastgesteld. Bovendien kan de ambtsdrager of particulier die afval produceert, ophaalt of verwijdert, krachtens artikel 4 om een afwijking van artikel 3 verzoeken. Ingevolge artikel 5, eerste alinea, wordt geacht afkomstig te zijn uit het buitenland of uit een ander gewest dan het Waalse Gewest, de afval die niet in het Waalse Gewest is geproduceerd.
3.
Het besluit van 19 maart 1987 verving het daarbij opgeheven besluit van 17 mei 1983{Belgisch Staatsblad van 14 juni 1983, blz. 7717), dat in wezen dezelfde bepalingen bevatte. Niet betwist wordt, dat het besluit van 19 maart 1987 een algemeen verbod op de invoer van afvalstoffen in Wallonië, behoudens de in het besluit voorziene afwijkingen en de mogelijkheid van bijkomende afwijkingen, beoogde.
4.
De Commissie stelt schending van twee gemeenschapsrichtlijnen. De eerste van die richtlijnen, richtlijn 75/442 betreffende afvalstoffen, bevat een aantal algemene bepalingen en beginselen met betrekking tot de verwijdering van afvalstoffen. De Lid-Staten wordt de verplichting opgelegd, passende maatregelen ter bevordering van het voorkomen van afvalvorming, de recycling en het verwerken van afvalstoffen te nemen (artikel 3). Voorts dienen zij de nodige maatregelen te nemen opdat de afvalstoffen worden verwijderd zonder gevaar op te leveren voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu (artikel 4). De Lid-Staten moeten zorgen voor het in het leven roepen of aanwijzen van de bevoegde instantie(s) die voor een bepaald gebied belast is (zijn) met de planning en organisatie van, het verlenen van vergunningen voor en het houden van toezicht op de werkzaamheden gericht op verwijdering van afvalstoffen (artikel 5). Inrichtingen of ondernemingen die ten behoeve van derden afvalstoffen behandelen, opslaan of storten, moeten over een vergunning van de bevoegde instantie beschikken (artikel 8) en moeten door die bevoegde instantie periodiek worden gecontroleerd (artikel 9). De ondernemingen die hun eigen afvalstoffen vervoeren, ophalen, opslaan, storten of behandelen alsmede die welke ten behoeve van derden afvalstoffen ophalen of vervoeren, staan eveneens onder toezicht van de bevoegde instantie (artikel 10). Het begrip „afvalstoffen” is in artikel 1, sub a, ruim omschreven als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet of zich moet ontdoen krachtens de geldende nationale bepalingen.
5.
Bij richtlijn 84/631, zoals gewijzigd bij de richtlijnen van de Raad 86/279/EEG van 12 juni 1986 (PB 1986, L181, blz. 13) en 87/112/EEGvan 23 december 1986 (PB 1987, L 48, blz. 31), is een systeem van toezicht en controle op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen ingevoerd. De houder van de afvalstoffen die voornemens is deze van een Lid-Staat naar een andere over te brengen, dan wel de afvalstoffen over het grondgebied van een of meer Lid-Staten te vervoeren, dient de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten een kennisgeving in de vorm van een uniform begeleidend document te zenden (artikel 3). Overbrenging mag niet plaatsvinden voordat de bevoegde autoriteiten de ontvangst van de kennisgeving hebben bevestigd. De bevoegde instanties van de Lid-Staat van bestemming of van doorvoer kunnen uiterlijk een maand na de ontvangst van de kennisgeving bezwaar maken tegen de overbrenging. Dergelijke bezwaren moeten met redenen zijn omkleed op basis van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake milieubescherming, veiligheid, openbare orde of volksgezondheid die overeenstemmen met de richtlijn en met andere communautaire instrumenten (artikel 4). De richtlijn is van toepassing op toxische en gevaarlijke afvalstoffen zoals omschreven in richtlijn 78/319/EEG van de Raad betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PB 1984, L 84, blz. 43), op enkele kleine uitzonderingen na, alsmede op PCB's zoals omschreven in richtlijn 76/403/EEG van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB 1976, L 108, blz. 41).
Schending van de richtlijnen
6.
De Commissie betoogt, dat geen enkele bepaling van de twee richtlijnen een Lid-Staat toestaat, verbodsbepalingen als die van laet besluit van 19 maart 1987 vast te stellen. Dergelijke verbodsbepalingen zijn bovendien in strijd met de opzet en de doelstellingen van de richtlijnen, die voornamelijk het vrije verkeer van afvalstoffen met bescherming van de volksgezondheid en het milieu beogen te waarborgen.
7.
Het Koninkrijk België antwoordt hierop, dat weliswaar geen enkele specifieke bepaling het betrokken verbod toestaat, doch dat evenmin enige bepaling een dergelijk verbod uitsluit; bovendien strookt het verbod met het hoofddoel van beide richtlijnen, namelijk de bescherming van de volksgezondheid en het milieu.
8.
Schending van richtlijn 75/442 is mijns inziens niet aangetoond. Het is juist, dat de richtlijn volgens de eerste overweging van haar considerans niet alleen de bescherming van de volksgezondheid en het milieu ten doel heeft, maar ook de opheffing van dispariteit tussen de nationale regelingen, die aanleiding kan geven tot ongelijke mededingingsvoorwaarden en dus een rechtstreekse invloed kan hebben op de werking van de gemeenschappelijke markt. Men kan dus zeggen, dat het uitgangspunt van de richtlijn het vrije verkeer van goederen is. Bovendien voorziet de richtlijn slechts in een algemene regeling betreffende het toezicht op de verwijdering van afvalstoffen. Zij bevat geen materiële bepalingen die specifiek betrekking hebben op de intracommunautaire handel in afvalstoffen of die uitdrukkelijk of impliciet maatregelen als die van de Waalse Gewestexecutieve uitsluiten.
9.
Wat richtlijn 84/631 betreft, ligt de zaak anders. Blijkens de vierde overweging van haar considerans beoogt ook deze richtlijn te voorkomen, dat verschillen in de bepalingen betreffende de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen tot ongelijke mededingingsvoorwaarden leiden en zodoende rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de gemeenschappelijke markt. Anders dan richtlijn 75/442, heeft richtlijn 84/631 ook specifiek betrekking op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen. In dat verband voorziet zij in een uniform en gedetailleerd systeem van toezicht en controle, inzonderheid in de verplichte voorafgaande kennisgeving van voorgenomen overbrengingen. Dat de richtlijn heeft geopteerd voor een systeem van voorafgaande kennisgeving, waarbij het aan de Lid-Staat van bestemming staat om bezwaar te maken, sluit mijns inziens op zichzelf reeds uit, dat een ander controlesysteem, zoals een algemeen invoerverbod waarop uitzonderingen mogelijk zijn, mag worden ingevoerd.
10.
De omstandigheid dat de Lid-Staat van bestemming in het systeem van richtlijn 84/631 bezwaar kan maken, wijst erop, dat de richtlijn de mogelijkheid van beperkingen van de invoer van gevaarlijke afvalstoffen openlaat. Uit de formulering en de opzet van de bepalingen betreffende de kennisgeving en het maken van bezwaar blijkt evenwel duidelijk, dat dergelijke beperkingen een beperkte draagwijdte dienen te hebben. Uit de tekst van artikel 3, inzonderheid uit de gegevens die het begeleidend document moet bevatten, blijkt dat de procedure van voorafgaande kennisgeving voor de voorgenomen overbrenging van specifieke afvalstoffen is bedoeld. Ingevolge artikel 4, lid 2, moeten bezwaren uiterlijk een maand na de ontvangst van de kennisgeving, dat wil zeggen de door middel van het begeleidend document gedane kennisgeving van de voorgenomen overbrenging, worden gemaakt. Hieruit volgt mijns inziens, dat de bezwaren van de Lid-Staat van bestemming betrekking raoeten hebben op de in de kennisgeving specifiek vermelde overbrenging en op de informatie die het begeleidend document dienaangaande bevat. Zo kan een Lid-Staat bij voorbeeld een overbrenging doen uitstellen wanneer hij niet tevreden is over de maatregelen voor een veilig vervoer of wanneer hij er niet zeker van is, dat de ontvanger van de betrokken afvalstoffen over de geschikte technische installaties beschikt om deze te verwijderen. Over al deze punten dient de houder van de afvalstoffen immers genoegzame informatie te verstrekken (artikel 3, lid 3, derde en vierde streepje). Deze bepalingen staan evenwel in de weg aan een algemeen en apriori verbod op de invoer van afvalstoffen.
11.
Deze uitlegging van de relevante bepalingen vindt steun in één van de doelstellingen van de richtlijn, namelijk ervoor zorgen dat het systeem van toezicht en controle op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen geen belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer veroorzaakt en de mededinging niet beïnvloedt (zesde overweging van de considerans). Mijns inziens vindt zij eveneens steun in artikel 30 EEG-Verdrag; hierop kom ik zo dadelijk terug.
12.
Derhalve ben ik van mening, dat de Commissie schending van richtlijn 84/631 heeft aangetoond.
Schending van artikel 30 EEG-Verdrag
13.
De Commissie verzoekt het Hof voor recht te verklaren, dat het Koninkrijk België de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag heeft geschonden. Aangezien artikel 30 het basisverbod bevat, waarop in artikel 36 slechts een aantal uitzonderingen zijn gemaakt, is het mijns inziens onjuist, te spreken van schending van artikel 36. Ik ga er dan ook van uit, dat het in casu om schending van artikel 30 gaat.
14.
De Commissie betoogt, dat het verbod op het opslaan, storten en lozen van uit andere landen afkomstige afvalstoffen kennelijk een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag is. Voorts voert zij aan, dat een beroep op artikel 36 uitgesloten is, omdat de richtlijnen een uniforme en geharmoniseerde regeling inzake het toezicht op de verwijdering en het intracommunautaire vervoer van afvalstoffen invoeren, die elke residuele bevoegdheid van de Lid-Staten uitsluit. Het verbod op de invoer van afvalstoffen uit andere Lid-Staten is in ieder geval een middel tot willekeurige discriminatie als bedoeld in de tweede zin van artikel 36, daar er geen redenen zijn om aan te nemen, dat de uit andere Lid-Staten afkomstige afvalstoffen gevaarlijker zijn dan die welke in Wallonië zijn geproduceerd.
15.
Het Koninkrijk België betoogt, dat afvalstoffen —althans niet-recycleerbare of niet-herbruikbare afvalstoffen— geen handelswaarde hebben en dus niet onder de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen vallen. Het beroept zich daartoe op het arrest van 10 december 1968 (zaak 7/68, Commissie/Italië, Jurispr. 1968, blz. 589), waarin het Hof overwoog, dat onder goederen in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag moet worden verstaan „waren die op geld waardeerbaar zijn en als zodanig het voorwerp van handelstransacties kunnen vormen”. Voorts wijst het Koninkrijk België erop, dat de verbodsbepalingen van het besluit niet alleen voor afvalstoffen uit andere Lid-Staten, maar ook voor uit andere Belgische gewesten afkomstige afvalstoffen gelden. Ten slotte voert het aan, dat het verbod gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 36 en moet worden beschouwd als een dringende en tijdelijke vrijwaringsmaatregel om te voorkomen dat Wallonië de „vuilnisbelt van Europa” wordt doordat afvalstoffen worden ingevoerd uit landen waar de verwijdering daarvan strikter geregeld en zwaarder belast is.
16.
Mijns inziens zijn de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen van toepassing op alle soorten afvalstoffen, ook op niet-recycleerbare of niet-herbruikbare. Laatstgenoemde hebben weliswaar geen eigen handelswaarde — in feite hebben zij veeleer een negatieve waarde—, doch het is duidelijk, dat zij het voorwerp van handelsverrichtingen zijn, doordat de ondernemingen die de afvalstoffen verwijderen, daarvoor worden betaald. Zoals de gemachtigde van de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, houdt een niet onaanzienlijke sector van de economie zich bezig met de verwijdering van afvalstoffen. Voorts moet rekening worden gehouden met het doel van de gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, namelijk de opheffing van alle binnengrenzen: aanvaarden, dat bepaalde categorieën produkten niet onder die bepalingen vallen, zou in feite neerkomen op herinvoering van de binnengrenzen. Het Hof lijkt dit standpunt bij te treden in zijn arrest van 10 maart 1983 (zaak 172/82, Inter-Huiles, Jurispr. 1983, blz. 555), waar het voor recht verklaarde, dat de gemeenschapsvoorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen en richtlijn 75/43 9/EEG van de Raad inzake de verwijdering van afgewerkte olie, een Lid-Staat niet toestaan de inzameling en de verwijdering van afgewerkte olie op zijn grondgebied aldus te organiseren, dat de uitvoer naar een erkend verwijderings- of regeneratiebedrijf in een andere Lid-Staat is verboden.
17.
Wanneer men aanneemt, dat alle soorten afvalstoffen onder de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen vallen, is het mijns inziens duidelijk, dat een maatregel die door een verbod op het opslaan, storten en lozen van afvalstoffen de invoer van uit andere Lid-Staten afkomstige afvalstoffen beperkt, als een maatregel van gelijke werking is aan te merken. Daarbij is van geen belang, dat het verbod ook voor uit andere Belgische gewesten afkomstige afvalstoffen geldt. De omstandigheid, dat een maatregel die het intracommunautaire handelsverkeer beperkt, eveneens het handelsverkeer tussen de gewesten van de betrokken Lid-Staat beperkt, heeft niet als gevolg dat hij niet meer binnen de werkingssfeer van artikel 30 EEG-Verdrag valt. Bovendien zijn, zoals gezegd, uitzonderingen op het verbod mogelijk op basis van met andere Belgische gewesten gesloten akkoorden, een mogelijkheid die niet bestaat met betrekking tot de invoer uit andere Lid-Staten. Zoals de Commissie in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof opmerkt, kan het verbod op de invoer uit andere Belgische gewesten het verbod op de invoer uit andere Lid-Staten nog versterken, doordat het belet dat uit andere Lid-Staten afkomstige afvalstoffen in het Vlaamse of het Brusselse Gewest worden verwerkt en vervolgens in het Waalse Gewest worden verwijderd.
18.
Ook de omstandigheid, dat krachtens artikel 2 van het besluit uitzonderingen op het verbod op de invoer van afvalstoffen uit andere Lid-Staten kunnen worden toegestaan, is mijns inziens irrelevant. Volgens vaste rechtspraak kan de noodzaak voor de importeur of handelaar om zich aan bepaalde administratieve formaliteiten te onderwerpen, op zichzelf een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormen (arrest van 24 januari 1978, zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25).
19.
Vervolgens rijst de vraag, of een beroep op artikel 36 mogelijk is. Mijns inziens sluit richtlijn 75/442, die slechts een algemene raamregeling inzake het toezicht op de verwijdering van afvalstoffen bevat, toepassing van artikel 36 niet uit, doch doet richtlijn 84/631 dit wel, althans met betrekking tot de aldaar bedoelde gevaarlijke afvalstoffen. Zoals gezegd, voorziet richtlijn 84/631 in een uniform en gedetailleerd systeem van toezicht en controle op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld, dat wanneer met toepassing van artikel 100 EEG-Verdrag door communautaire richtlijnen wordt voorzien in de harmonisatie van de maatregelen die nodig zijn ter bescherming van de gezondheid van mens en dier, en gemeenschappelijke procedures worden ingesteld voor het toezicht op de naleving daarvan, het beroep op artikel 36 niet meer gerechtvaardigd is en de harmonisatierichtlijn het kader vormt waarbinnen de geëigende controles moeten worden uitgevoerd en de beschermende maatregelen moeten worden getroffen (arresten van 5 oktober 1977, zaak 5/77, Tedeschi, Jurispr. 1977, blz. 1555, r. o. 35, en 5 april 1979, zaak 148/78, Ratti, Jurispr. 1979, blz. 1629, r. o. 36).
20.
Mijns inziens kan het Koninkrijk België de beperking van de invoer van ongevaarlijke afvalstoffen in geen geval rechtvaardigen met een beroep op artikel 36, Volgens vaste rechtspraak moet dit artikel eng worden uitgelegd (zie bij voorbeeld het arrest van 25 januari 1977, zaak 46/76, Bauhaus, Jurispr. 1977, blz. 5) en derhalve lijkt het mij onmogelijk, de uitzondering uit hoofde van de „gezondheid en het leven van personen” zo ruim uit te leggen, dat beperkingen betreffende stoffen die niet de gezondheid of het leven, maar hooguit de „kwaliteit van het leven” bedreigen, geoorloofd zouden zijn. Evenmin kan hier van artikel 30 worden afgeweken op grond van de „dwingende vereisten”, waaronder de bescherming van het milieu (arrest van 20 september 1988, zaak 302/86, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1988, blz. 4607). Dergelijke uitzonderingen kunnen enkel worden aangevoerd met betrekking tot niet-discriminerende maatregelen. De betrokken maatregel, die een gunstigere behandeling van in een bepaald gewest van een Lid-Staat geproduceerde afvalstoffen inhoudt, is evenwel duidelijk niet zonder onderscheid op nationale en op ingevoerde produkten van toepassing.
21.
Uit het voorgaande volgt, dat het Koninkrijk België zich in beginsel alleen op artikel 36 zou kunnen beroepen voor gevaarlijke afvalstoffen die niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 84/631 vallen, zoals de bij artikel 3 van richtlijn 78/319 uitgesloten radioactieve afvalstoffen of de bij artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn 84/631 uitgesloten gechloreerde en organische oplosmiddelen. Of beperkingen op de invoer van dergelijke produkten in Wallonië gerechtvaardigd kunnen zijn, behoeft niet te worden onderzocht; het volstaat vast te stellen, dat een algemeen voorafgaand verbod op de invoer van uit andere Lid-Staten afkomstige afvalstoffen kennelijk een noodzakelijk noch evenredig middel is ter voorkoming
22.
Alvorens te besluiten, wil ik nog kort ingaan op een aantal algemene argumenten die het Koninkrijk België ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
23.
Het Koninkrijk België betoogt, dat de maatregel van de Waalse Gewestexecutieve strookt met een aantal beginselen van internationaal recht met betrekking tot de verwijdering van afvalstoffen, die in de nabije toekomst in het gemeenschapsrecht zullen worden opgenomen. Het gaat om te beginnen om het beginsel van zelfverzorging op het gebied van de afvalverwijdering en voorts om het nabijheidsbeginsel, dat wil zeggen het beginsel dat afvalstoffen moeten worden verwijderd zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij zijn geproduceerd, teneinde het vervoer ervan zo veel mogelijk te beperken. Deze beginselen zijn neergelegd in het door de Gemeenschap ondertekende verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, en zijn erkend in de resolutie van de Raad van 7 mei 1990 betreffende het afvalstoffenbeleid (PB 1990, C 122, biz. 2) en in het door de Commissie op 10 oktober 1990 ingediende voorstel voor een verordening van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen zowel binnen als naar en uit de Gemeenschap (PB 1990, C 289, biz. 9).
24.
Volgens de vijfde overweging van de considerans van de resolutie van de Raad van 7 mei 1990 moet de Gemeenschap als geheel op het gebied van de afvalverwijdering zelfverzorgend worden en is het wenselijk, dat de Lid-Staten afzonderlijk naar deze zelfverzorging streven. In die optiek wordt er in punt 7 van de resolutie voor gepleit per regio of per zone (niet nationaal) een adequate infrastructuur voor afvalverwijdering op te zetten, zodat het gemakkelijker zal worden de afvalstoffen te verwijderen in een van de meest nabij gelegen, daarvoor geschikte verwijderingsinstallaties. Voorts dient volgens de zevende overweging van de considerans en volgens punt 11 van de resolutie het vervoer van afvalstoffen tot een minimum te worden beperkt. Zelfs al ware deze resolutie bindend, ik kan er niets in vinden, dat een maatregel als die van de Waalse Gewestexecutieve rechtvaardigt.
25.
Het voorstel voor een verordening is onder meer bedoeld om het verdrag van Bazel ten uitvoer te leggen. Het is gebaseerd op de artikelen 100 A en 113 EEG-Verdrag en is bedoeld ter vervanging van richtlijn 84/631. Volgens de achtste overweging van de considerans gaat de communautaire strategie voor het afvalbeheer uit van de beperking van de overbrenging van afvalstoffen tot het strikt noodzakelijke. Titel II van het voorstel, betreffende het verkeer van afvalstoffen binnen de Gemeenschap, versterkt de bij richtlijn 84/631 ingevoerde kennisgevingsregeling. De leden 1 tot en met 3 van artikel 4 van het voorstel bepalen, dat zowel de Lid-Staat van verzending als de Lid-Staat van bestemming bezwaar kunnen maken tegen een overbrenging van afvalstoffen en in voorkomend geval de vergunning daartoe kunnen weigeren, indien er een goedgekeurd en geschikt centrum bestaat dat duidelijk dichterbij is gelegen dan het door de kennisgever gekozen centrum. Deze regeling is weliswaar strenger dan de thans geldende regeling van richtlijn 84/631, doch zelfs indien dit voorstel voor een verordening reeds van toepassing zou zijn, zou het niet als grondslag voor het door de Waalse Gewestexecutieve uitgevaardigd algemeen verbod kunnen worden gebruikt.
26.
Ik wil daaraan toevoegen, dat er mijns inziens geen principiële onverenigbaarheid bestaat tussen de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen en het zelfverzorgings- en nabijheidsbeginsel, mits deze beginselen in een communautair en niet in een louter nationaal kader worden toegepast: dat lijkt namelijk zowel de bedoeling van genoemde resolutie van de Raad als van het voorstel voor een verordening te zijn. Deze laatste argumenten doen bijgevolg niets af aan mijn conclusie.
27.
Ofschoon, zoals gezegd, de Commissie er mijns inziens niet in is geslaagd, schending van richtlijn 75/442 aan te tonen, ben ik van mening, dat zij, wat de kern van de zaak betreft, in het gelijk moet worden gesteld, en dus recht heeft op vergoeding van haar kosten.
Conclusie
28.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
voor recht te verklaren dat het Koninkrijk België, door te bepalen dat het verboden is in het Waalse Gewest afval afkomstig uit andere Lid-Staten of — voor zover het afvalstoffen van oorsprong uit andere Lid-Staten betreft — uit andere Belgische gewesten dan het Waalse Gewest, op te slaan, te storten of te lozen, de krachtens richtlijn 84/631/EEG van de Raad en artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2)
het beroep voor het overige te verwerpen;
3)
het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy