Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige zaak betreft een verzoek van het Nederlandse College van Beroep Studiefinanciering om bij wijze van prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag een uitspraak te doen over de interpretatie van artikel 48 EEG-Verdrag alsmede de artikelen 7, lid 2, en 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. (1) De aan het Hof gestelde vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen M. J. E. Bernini, verzoekster (hierna: Bernini), en de Nederlandse minister van Onderwijs en Wetenschappen, verweerder (hierna: de minister), omtrent het recht van studenten uit andere Lid-Staten op Nederlandse studiefinanciering voor studies in het buitenland.
Feitelijke en procedurele achtergrond
2. Bernini, van Italiaanse nationaliteit, kwam in 1964 op tweejarige leeftijd met haar ouders in Nederland wonen. Haar vader aanvaardde toen een betrekking aan de Universiteit van Leiden, alwaar hij nog steeds werkzaam is. Dochter Bernini volgde in Nederland eerst een lagere en middelbare schoolopleiding en daarna een beroepsopleiding aan een Middelbare Technische School. In het kader van die beroepsopleiding werkte zij gedurende tien weken (van 21 maart 1985 tot 31 mei 1985) als bezoldigd stagiaire op de afdeling ontwerp en voorbereiding van een meubelfabriek te Haarlem in Nederland. In november 1985 ging Bernini architectuur studeren aan de Universiteit van Napels en in juli 1986 diende zij op grond van de Nederlandse Wet op de Studiefinanciering van 24 april 1986 (hierna: WSF) (2) bij de minister een verzoek in ter verkrijging van studiefinanciering.
In mei 1987 werd dit verzoek afgewezen omdat Bernini volgens de bevoegde overheid niet behoorde tot de groep van niet-Nederlanders die krachtens artikel 7 WSF voor studiefinanciering met Nederlanders gelijk worden gesteld, en omdat de studie architectuur aan de Universiteit van Napels niet voldeed aan de in de artikelen 9 en 11 WSF gestelde eisen. In juni 1987 diende Bernini bij dezelfde minister tegen die afwijzing een bezwaarschrift in, dat echter in augustus 1987 werd verworpen omdat Bernini - zo stelde de minister opnieuw - niet krachtens artikel 7 WSF voor studiefinanciering met Nederlanders kon worden gelijk gesteld. (3) Verduidelijkt werd dat, om als niet-Nederlandse aanspraak te kunnen maken op studiefinanciering, Bernini in Nederland had moeten wonen terwijl ze volgens de minister in Napels woonde.
3. Tegen laatstgenoemde beslissing van de minister heeft Bernini beroep ingesteld bij het College van Beroep Studiefinanciering, dat is de verwijzende rechter. Zij steunt zich daarbij op het argument dat zij op grond van haar stageperiode van 21 maart tot 31 mei 1985 migrerend werknemer is geworden en derhalve recht heeft op studiefinanciering uit hoofde van artikel 7 van verordening nr. 1612/68. In bijkomende orde voert zij aan, dat studiefinanciering voor de door haar aangevatte studie een aan haar vader toekomend sociaal voordeel vormt in de zin van de artikelen 7 en 10 tot en met 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68. Ten slotte beroept zij zich op artikel 12 van deze verordening dat haar als kind van een migrerend werknemer een rechtstreekse aanspraak op studiefinanciering zou verlenen.
Van zijn kant stelde de minister voor de verwijzende rechter dat Bernini, door in 1985 "gedurende een vakantie enkele dagen" te hebben gewerkt, niet de hoedanigheid van migrerend werknemer had verworven en dus geen beroep kon doen op artikel 7 van verordening nr. 1612/68. Vader Bernini, waarvan niet wordt betwist dat hij een migrerend werknemer is, heeft op grond van dit artikel 7 wel recht op dezelfde sociale voordelen als Nederlandse werknemers maar, aldus de minister, de betrokken studiefinanciering is voor vader Bernini geen dergelijk sociaal voordeel in de zin van het voormelde artikel 7, aangezien zij uitdrukkelijk aan de studerende en niet aan zijn/haar ouders wordt toegekend. Ten slotte verwierp de minister evenzeer een beroep op artikel 12 van verordening nr. 1612/68 omdat Bernini niet langer een gezinslid van een migrerend werknemer zou zijn in de zin van artikel 10, lid 1, van die verordening en evenmin zou voldoen aan het woonplaatsvereiste van artikel 12.
4. De verwijzende rechter legt aan het Hof de volgende vijf prejudiciële vragen voor:
"1) Valt een persoon als mevrouw Bernini in de situatie waarin deze persoon in een Lid-Staat (in dit geval Nederland) werkzaamheden als stagiaire in het kader van een opleiding heeft verricht terwijl deze persoon vervolgens verder gaat studeren in de Lid-Staat waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, aan te merken als migrerend werknemer die valt onder het toepassingsgebied van de artikelen 48 en 49 van het EEG-Verdrag en van de verordening (EEG) nr. 1612/68?
2) Dient de jurisprudentie van uw Hof als neergelegd in de arresten van 21 juni 1988, zaak 39/86 (Lair) en zaak 197/86 (Brown) zo opgevat te worden dat een migrerend werknemer in een geval als het onderhavige waarin (enig) aantoonbaar inhoudelijk verband aanwezig is te achten tussen de aard van de eerdere (rele en daadwerkelijk) verrichte werkzaamheden en de later door die werknemer gevolgde studie, de status van migrerend werknemer in de zin van artikel 48 van het EEG-Verdrag alsmede in de zin van artikel 7 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 ook behoudt indien hij niet onvrijwillig werkloos is geworden (bijvoorbeeld doordat die werknemer geheel uit eigen beweging die eerdere werkzaamheden heeft gestaakt om te gaan studeren), en indien hij na de beindiging van de eerder verrichte werkzaamheden niet aansluitend daaraan maar eerst geruime tijd daarna gaat studeren?
3) Aan de hand van welke criteria dient beoordeeld te worden of een kind van een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, "woonachtig" is in die andere Lid-Staat in de zin van artikel 12 van de verordening (EEG) nr. 1612/68? Is het daarbij mogelijk dat een kind dat in verband met het volgen van een studie gedurende enkele jaren verblijf houdt buiten die andere Lid-Staat, toch nog kan worden geacht woonachtig te zijn in die andere Lid-Staat?
4) Brengt het gemeenschapsrecht mee dat een Lid-Staat (zoals Nederland) die de kinderen van zijn nationale werknemers onder bepaalde voorwaarden in financieel opzicht de mogelijkheid biedt om in een andere Lid-Staat bepaalde opleidingen te volgen zonder daarbij de eis te stellen van wonen in de Lid-Staat van herkomst (Nederland), deze mogelijkheid onder dezelfde voorwaarden eveneens dient te bieden aan kinderen van communautaire werknemers werkzaam in die Lid-Staten ook al zou daardoor ten aanzien van die kinderen eerst wel maar na de aanvang van de studie niet langer gesproken kunnen worden van een "woonachtig" zijn in de Lid-Staat van ontvangst in de zin van artikel 12 van de verordening (EEG) nr. 1612/68? Is de eis van woonachtig zijn in de Lid-Staat van ontvangst gesteld aan het kind van een communautair werknemer in dit verband dan bij de toepassing van dat artikel 12 niet langer te stellen, omdat deze toepassing anders in strijd komt met het bepaalde in artikel 48 van het EEG-Verdrag?
5) Kan de toekenning van studiefinanciering (zoals de studiefinanciering ingevolge de Nederlandse WSF) aan een kind van een werknemer als bedoeld in de zin van artikel 7 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 worden gezien als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van die verordening in de situatie waarin de betrokken werknemer anders de kosten van het levensonderhoud en studie van dat kind geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening zou moeten nemen, en waarin derhalve die toekenning aantoonbaar een financiële besparing oplevert voor die betrokken werknemer?
Indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, brengt dit dan mee dat het kind van die werknemer een eigen aanspraak op studiefinanciering kan doen gelden in een geval waarin de nationale regeling van de Lid-Staat (zoals de Nederlandse WSF) die aanspraak uitsluitend toekent aan het studerende kind en niet aan de ouder-werknemer? Is er dan een volledige aanspraak op studiefinanciering, of bijvoorbeeld alleen een aanspraak die overeenstemt met de mate waarin de toekenning van studiefinanciering aan het kind een aantoonbare financiële besparing oplevert voor de betrokken werknemer?
Maakt het daarbij dan nog verschil of het betrokken studerende kind al dan niet woont in de Lid-Staat waar de betrokken ouder-werknemer zijn werkzaamheden verricht in een situatie waarin de nationale wettelijke regeling van die Lid-Staat (zoals de Nederlandse WSF) de eis van wonen in de Lid-Staat niet stelt ten aanzien van de kinderen van eigen nationale werknemers?"
5. Bij brief van 1 maart 1991 bracht de waarnemend voorzitter van het College van Beroep Studiefinanciering het Hof ervan op de hoogte dat de minister naar aanleiding van het arrest van 13 november 1990 in de zaak Di Leo (4), zijn standpunt gewijzigd heeft en nu van mening is dat Bernini als kind van een migrerend werknemer wel degelijk recht heeft op studiefinanciering voor de door haar gevolgde studie. Uit deze brief blijkt dat de verwijzende rechter de twee prejudiciële vragen (vragen 3 en 4) betreffende Bernini' s recht op studiefinanciering op grond van die hoedanigheid bijgevolg niet meer belangrijk acht. Met betrekking tot de andere prejudiciële vragen betreffende Bernini' s recht op studiefinanciering als migrerend werknemer (vragen 1 en 2), dan wel uit hoofde van een aan haar vader als migrerend werknemer toekomend sociaal voordeel (vraag 5), stelt de verwijzende rechter dat op deze vragen in voornoemd arrest geen antwoord te vinden is en dat een antwoord op die vragen zeer op prijs wordt gesteld, mede omdat dat antwoord ook van groot belang is bij de beoordeling van soortgelijke aanspraken op studiefinanciering in andere bij hem aanhangige zaken.
6. Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering bevestigd dat ze haar standpunt inderdaad in bovenvermelde zin had gewijzigd en dat de door Bernini gevraagde studiefinanciering op grond van haar hoedanigheid van kind van een werknemer inmiddels reeds werd uitbetaald.
In die omstandigheden moet ik in de eerste plaats nagaan of het Hof wel bevoegd is om overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag een antwoord op de prejudiciële vragen te geven.
De bevoegdheid van het Hof
7. Het Hof is niet bevoegd om te antwoorden op uitleggingsvragen als daaraan geen werkelijke behoefte bestaat met het oog op de beslechting van een geschil. (5) In het kader van de onderlinge taakverdeling tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie, is het evenwel de nationale rechter die te oordelen heeft, of de in het geding opgeworpen rechtsvragen relevant zijn en of een prejudiciële uitspraak noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen. (6) Het Hof mag zich niet uitspreken over de overwegingen welke tot het verzoek om interpretatie hebben geleid. (7) Dit neemt niet weg dat de bevoegdheid van de nationale rechter hem uitsluitend is verleend met het oog op het beslechten van een bij hem aanhangig geding. (8)
Het Hof dient zich derhalve onbevoegd te verklaren indien er niet langer een bodemgeschil zou zijn of indien de gestelde vragen geen verband zouden houden met de feiten of het onderwerp van het bodemgeschil. (9) Voor zover het Hof bekend, heeft Bernini haar voorziening in beroep niet ingetrokken; dit blijkt althans niet uit de mededeling van de verwijzende rechter en werd evenmin ter zitting gesteld. Het valt overigens niet uit te sluiten dat Bernini, al heeft zij de door haar gevraagde studiefinanciering gekregen, er belang bij kan hebben haar aanspraak op een van de twee andere door haar aangevoerde gronden erkend te zien. Ik ga er dan ook van uit, dat de in verband met die andere gronden gestelde vragen nog wel verband (kunnen) houden met de feiten of het onderwerp van het (nog voor de verwijzende rechter hangende) bodemgeschil en zal ze hierna dan ook beantwoorden. Voor de vragen (3 en 4) die de verwijzende rechter niet meer belangrijk acht voor het bij hem hangende geschil is dat verband niet meer aanwezig, zodat ze niet moeten worden beantwoord. Toch zal ik, met het oog op een juist begrip van de in die vragen aan de orde gestelde eis van "woonachtig zijn", kort verwijzen naar de desbetreffende rechtspraak van het Hof, omdat dit van belang kan zijn voor de door de verwijzende rechter te geven motivering bij de afhandeling van het bodemgeschil.
Het recht op studiefinanciering op grond van de hoedanigheid van migrerend werknemer
8. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 bepaalt dat een onderdaan van een Lid-Staat die werknemer is in een andere Lid-Staat, in deze Lid-Staat dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als een nationale werknemer. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet studiefinanciering worden beschouwd als een sociaal voordeel in de zin van dit artikel. (10) Met de eerste en tweede prejudiciële vraag stelt de verwijzende rechter het punt aan de orde of een student zoals Bernini wel ooit de hoedanigheid van migrerend werknemer in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag en verordening nr. 1612/68 heeft gehad en, zo ja, of zij deze tijdens haar studie heeft behouden.
9. Het is reeds vermeld dat Bernini, in het kader van de technische beroepsopleiding die haar universitaire studie voorafging, gedurende een periode van tien weken van 21 maart tot 31 mei 1985 als bezoldigd stagiaire bij een meubelfabrikant in Nederland heeft gewerkt en dat zij meent aldus de hoedanigheid van migrerend werknemer te hebben verworven.
Volgens de rechtspraak van het Hof dient als migrerend werknemer te worden beschouwd elkeen die reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken. (11) Het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding is, volgens deze rechtspraak, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt. (12)
In de arresten Lawrie-Blum en Brown heeft het Hof erkend dat ook "stagiairs" die als praktische voorbereiding op de eigenlijke uitoefening van een beroep (13) respectievelijk bij wijze van "pre-universitaire bedrijfsstage" (14), voor een ander en onder diens gezag tegen betaling reële en daadwerkelijke arbeid verrichten, als migrerende werknemers kunnen worden beschouwd. In die zaken ging het evenwel, zoals door de Nederlandse regering opgemerkt, over stages van veel langere duur (acht maanden en meer).
Met de eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter dan ook weten of arbeid in loondienst die door een stagiaire gedurende tien weken in het kader van een beroepsopleiding wordt verricht, volstaat om haar de hoedanigheid van migrerend werknemer te verlenen.
10. Het komt aan de nationale rechter toe om, met inachtneming van de concrete omstandigheden, te oordelen of de tijdens een bepaalde periode verrichte arbeid reëel en daadwerkelijk is en niet van zo geringe omvang dat hij louter bijkomstig en marginaal blijkt te zijn. Zoals ook in mijn conclusie in zaak C-357/89, Raulin, uiteengezet, dient hij daarbij na te gaan of de arbeidsverhouding niet zo kort was dat de betrokken persoon zich niet of nauwelijks met het concrete werk vertrouwd kon maken en of het werk voor de werkgever wel enige economische waarde had.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering in dit verband gewezen op het arrest van het Hof van 31 mei 1989 in de zaak Bettray. (15) Daarin heeft het Hof voor recht verklaard dat, ondanks het feit dat een werkzaamheid werd verricht voor een ander en onder diens gezag en dat als tegenprestatie een beloning werd ontvangen, deze werkzaamheid "niet als reële en daadwerkelijke arbeid met economische waarde (kan) worden beschouwd, wanneer zij enkel een middel is ter revalidatie of wederopneming van de betrokkenen in het arbeidsproces en wanneer (...) de arbeid tot doel heeft, het hun mogelijk te maken na kortere of langere tijd weer gewone arbeid te vinden of een zo normaal mogelijk leven te leiden" (r.o. 17). In die zaak ging het over arbeid verricht in het kader van een "sociale werkvoorziening", door personen die ten gevolge van bij hen gelegen factoren niet in staat zijn gedurende langere tijd onder normale omstandigheden arbeid te verrichten en die, zo mag dit worden begrepen, niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. (16) In zijn uitspraak hechtte het Hof veel belang aan het feit dat Bettray niet was tewerkgesteld op grond van zijn geschiktheid om een bepaalde werkzaamheid te verrichten, maar dat andersom de werkzaamheden werden aangepast aan de geschiktheid van degenen die ze moeten verrichten, ten einde hun arbeidsgeschiktheid te behouden, te herstellen of te bevorderen (r.o. 19).
11. Ook van iemand die als student in het kader van een pre-universitaire beroepsopleiding een bezoldigde stage van een tiental weken bij een onderneming loopt, zou men kunnen stellen dat hij niet om reden van zijn geschiktheid voor dat werk werd uitgekozen maar andersom werd tewerkgesteld om zijn arbeidsgeschiktheid te bevorderen.
Ik kan mij evenwel moeilijk inbeelden dat het Hof in het arrest Bettray reeds geciteerd is, willen terugkomen op zijn rechtspraak in de arresten Lawrie-Blum (waarnaar het overigens uitdrukkelijk verwijst) en Brown, reeds geciteerd. Ook in het arrest Bettray vangt het Hof zijn redenering trouwens aan met een verwijzing naar zijn gevestigde rechtspraak, volgens dewelke de werkingssfeer van artikel 48 en derhalve het begrip werknemer ruim moeten worden uitgelegd (r.o. 11) en herhaalt het dat daarbij niet moet worden gelet op de meer of minder grote produktiviteit van de betrokken werknemer (r.o. 15) of op het "sui generis"-karakter van de betrokken arbeidsverhouding (r.o. 16). De draagwijdte van het arrest Bettray dient dan ook te worden beperkt tot de speciale situatie van sociale, op revalidatie afgestemde werkvoorziening voor, in dat geval, drugverslaafden.
12. Dit betekent echter nog niet dat bij de beoordeling van het werknemerschap met de omstandigheid dat arbeid in stageverband wordt verricht geen rekening mag worden gehouden. In de eerste plaats dient door de nationale rechter te worden nagegaan of de stage-arbeid wel degelijk de hoofdkenmerken van een arbeidsverhouding vertoont. Daartoe is vereist, zo blijkt uit het arrest Lawrie-Blum (waar het ging over stage die deel uitmaakte van een lerarenopleiding), dat de stagiair op de door de werkgever bepaalde werktijden werkzaamheden volgens diens aanwijzingen moet verrichten, dat die werkzaamheden voor de werkgever een bepaalde economische waarde hebben en dat hij daarvoor een tegenprestatie ontvangt die als een vergoeding voor de verrichte diensten (en voor de stageverplichtingen) te beschouwen is (r.o. 17 en 18). Zouden de verrichte diensten voor de werkgever geen of een slechts zeer geringe economische waarde hebben (b.v. omdat de stagiair uitsluitend op vraag van de onderwijsinstelling bij de werkgever is geplaatst die door de stagiair te aanvaarden in feite uit welwillendheid of omwille van public relations handelt) en/of zou de door hem betaalde vergoeding, zo er een is, zuiver nominaal zijn, dan is er mijns inziens geen sprake van een arbeidsverhouding op grond waarvan de hoedanigheid van werknemer wordt verkregen. (17)
In de tweede plaats mag de nationale rechter, wanneer de hoofdkenmerken van een arbeidsverhouding wel degelijk aanwezig zijn, ook nog in die zin met het eigen karakter van de stage rekening houden dat hij - bij het onderzoek naar de vraag of de arbeidsverhouding lang genoeg heeft geduurd om niet als louter marginaal en bijkomstig te worden aangemerkt in de zin van de rechtspraak van het Hof - een langere werkperiode mag verlangen bij stage-arbeid, die per definitie bestemd is om een bepaalde arbeidsgeschiktheid te ontwikkelen, dan bij normale arbeid. In de situatie van stage-arbeid komt een periode van tien weken mij dan ook als (te) kort voor. (18)
13. Ingeval de verwijzende rechter tot het besluit zou komen dat Bernini toch ingevolge haar stage-arbeid de hoedanigheid van migrerend werknemer heeft verworven, strekt de tweede prejudiciële vraag ertoe te weten of Bernini de hoedanigheid van werknemer heeft behouden, en nog steeds bezit, nu ze voltijds studeert aan de Universiteit van Napels.
Het Hof heeft in het arrest Lair voor recht verklaard dat een student, met het oog op het recht op studiefinanciering, de eerder verworven hoedanigheid van werknemer behoudt indien er een continuïteit bestaat tussen de voordien uitgeoefende beroepsactiviteit en de begonnen studie, dat is als er een verband bestaat tussen "de aard van de studie en de eerdere beroepsactiviteit". Het Hof voegde eraan toe dat een dergelijk verband evenwel niet kan worden verlangd "wanneer het gaat om een migrerend werknemer die onvrijwillig werkloos is geworden èn door de situatie op de arbeidsmarkt is gedwongen een omscholing voor een andere bedrijfstak te volgen" (r.o. 37).
Uit de prejudiciële vraag blijkt dat de verwijzende rechter het vereiste verband tussen de aard van de studie en de eerdere beroepsactiviteit in de voor hem liggende zaak aanwezig acht. Hij wil echter weten of een student de hoedanigheid van migrerend werknemer ook dan behoudt wanneer hij vrijwillig werkloos is geworden, bij voorbeeld door geheel uit eigen beweging zijn beroepsactiviteit te staken om te gaan studeren (eerste onderdeel van de vraag) en, zo ja, of dat ook nog het geval is wanneer hij pas geruime tijd na de beëindiging van de beroepsactiviteit gaat studeren (tweede onderdeel van de vraag).
14. Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft, meen ik dat uit de arresten Lair en Brown niet kan worden afgeleid dat, in een situatie waarin een band vereist èn aanwezig is tussen de eerdere beroepsactiviteit en de aangevatte studie, de hoedanigheid van migrerend werknemer alleen behouden blijft indien de werknemer "onvrijwillig werkloos" is op het ogenblik dat hij gaat studeren. Inderdaad, in het arrest Lair vond het Hof het niet eens nodig te vermelden dat Sylvie Lair op het ogenblik dat zij ging studeren (waarschijnlijk) onvrijwillig werkloos was (19) en in het arrest Brown ging het over een werknemer die wel degelijk "vrijwillig werkloos" zou worden, aangezien van bij de aanvang duidelijk was dat Steven Brown zijn beroepsactiviteit na acht maanden zou stopzetten om te gaan studeren.
Hoe dan ook, zelfs wanneer men de aanspraak van de student/vroegere werknemer afhankelijk zou stellen van de omstandigheid dat hij "onvrijwillig" werkloos werd ben ik van oordeel dat het begrip "onvrijwillige werkloosheid" om de redenen genoemd in mijn genomen conclusie in de zaak Raulin (nr. 14) ruim moet worden geïnterpreteerd.
15. Wat betreft het tweede onderdeel van de vraag (aangaande de tijd die tussen de eerdere beroepsactiviteit en de begonnen studie mag verstrijken) meen ik dat de in de rechtspraak van het Hof verlangde "continuïteit" slechts voorhanden is wanneer de werknemer zijn beroepsactiviteit heeft opgegeven (of, zo hij werkloos is, het zoeken naar een baan heeft gestaakt), met het werkelijke doel om te gaan studeren en aldus zijn loopbaan- en tewerkstellingsperspectieven te verbeteren. Als de studie pas geruime tijd (20) na het opgeven van de beroepsactiviteit (of van het zoeken naar een baan) wordt aangevat, kan dit een belangrijke aanwijzing zijn dat de beroepsactiviteit (of het zoeken naar een baan) niet werd opgegeven met het doel te gaan studeren. Het staat uiteraard aan de nationale rechter om de duur van de onderbreking in dit kader te beoordelen.
16. Volgens de Deense regering zou een werknemer die de Lid-Staat van ontvangst verlaat met de bedoeling langere tijd te gaan studeren in de Lid-Staat waarvan hij de nationaliteit heeft, geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering in eerstgenoemde Lid-Staat omdat de steun dan geen bijdrage meer levert tot integratie van de migrerende student in de financierende Lid-Staat.
Het reeds vermelde arrest van 13 november 1990 in de zaak Di Leo heeft dit verweer mijns inziens ontkracht. In die zaak hadden de Nederlandse en de Duitse regeringen hetzelfde argument gebruikt om aan te tonen dat de financiering van (medische) studies in het buitenland en met name in de Lid-Staat van herkomst niet onder artikel 12 van verordening nr. 1612/68 kon vallen. Het Hof verwierp deze argumentatie in duidelijke bewoordingen, waarbij uit de redenering blijkt dat dergelijke argumentatie ook met betrekking tot artikel 7, lid 2, van dezelfde verordening moet worden afgewezen. (21)
Het recht op studiefinanciering op grond van de hoedanigheid van kind van een migrerend werknemer
17. Zoals reeds vermeld deelde de verwijzende rechter aan het Hof mede dat de minister, na het hierboven genoemde arrest Di Leo, Bernini' s recht op studiefinanciering in haar hoedanigheid van kind van een migrerend werknemer niet langer betwistte. (22) De minister had aanvankelijk een ander standpunt ingenomen, zich daarbij steunend op de overweging dat Bernini, nu zij in Napels studeerde, niet langer geacht kon worden in Nederland woonachtig te zijn in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1612/68. Hoewel de verwijzende rechter de derde en de vierde prejudiciële vraag die op deze betwisting betrekking hebben niet langer van belang acht en ik op deze vragen dan ook geen antwoord voorstel, wil ik hier toch, zoals reeds vermeld (nr. 7), een enkele beschouwing geven in verband met de rechtspraak van het Hof betreffende het vereiste van "woonachtig zijn" in voornoemd artikel 12.
18. In het arrest Di Leo besliste het Hof, in verband met een Italiaanse, in Duitsland woonachtige studente (dochter van een eveneens in Duitsland wonende Italiaanse werknemer), die haar medische opleiding aan de Universiteit van Sienna wenste te ontvangen, dat zij krachtens artikel 12 op gelijke voet als onderdanen van de Lid-Staat van woonst recht had op financiële steun voor een beroepsopleiding, zelfs wanneer die werd verstrekt in de Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit had. Het Hof heeft hiermee impliciet erkend dat aan het vereiste van woonachtig zijn (waarvan de geldigheid niet in twijfel werd getrokken) in de steunverlenende Lid-Staat kan voldaan zijn, al gaat de studente voor de noden van haar studie in een andere Lid-Staat verblijven. (23)
Een dergelijke interpretatie van het begrip "woonachtig zijn" lijkt mij in de lijn te liggen van de rechtspraak van het Hof in andere domeinen van het gemeenschapsrecht. Daarin wordt onder het begrip "woonplaats" verstaan de plaats waar zich het permanent centrum van iemands belangen bevindt. (24) Nu heeft uiteraard niet elk tijdelijk verblijf in een andere plaats tot gevolg dat dit permanent centrum naar elders wordt overgebracht. Of dit het geval is zal onder meer afhankelijk zijn van de beweegredenen van de verplaatsing en de aard van de elders uitgevoerde bezigheid alsmede van de familiale toestand van de betrokkene. (25) In verband met studerenden is de omstandigheid dat de verblijfsverandering is ingegeven door, en beperkt is tot de duur van de studie, aldus een belangrijk gegeven.
19. De beslissing van de minister om aan Bernini, in strijd met het eerder ingenomen standpunt, toch studiefinanciering toe te staan wijst er derhalve op dat de minister, mijns inziens terecht, tot het besluit is gekomen dat een studente haar woonplaats in de Lid-Staat van ontvangst behoudt in een geval als het voorliggende, wanneer met name blijkt dat de naaste familie van de studente ten wiens laste zij is, in die Lid-Staat blijft wonen en zij er zelf ook sedert haar tweede levensjaar onafgebroken heeft gewoond en gestudeerd, dat zij die Lid-Staat verlaten heeft omwille en voor de duur van haar studie en er nog regelmatig terugkeert bij haar familie, en dat zij tot dusver niet van haar bedoeling heeft laten blijken om zich na haar studie elders te gaan vestigen. (26)
Het recht op studiefinanciering van de student op grond van de hoedanigheid van migrerend werknemer van de ouder
20. Met de vijfde vraag wil de verwijzende rechter weten of de toekenning van studiefinanciering aan het kind van een migrerend werknemer, kan worden aangemerkt als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, voor de ouder/migrerende werknemer indien die ouder de kosten van levensonderhoud en studie van het kind anders zelf geheel of gedeeltelijk zou moeten dragen, en, zo ja, of het kind dan op grond daarvan een eigen aanspraak op studiefinanciering kan doen gelden, indien de nationale regeling die aanspraak uitsluitend aan hem toekent, en of het daarbij een verschil uitmaakt of het kind woonachtig is in de Lid-Staat van ontvangst, nu de nationale wetgeving geen woonplaatsvereiste stelt ten aanzien van de kinderen van nationale werknemers.
21. Sociale voordelen in de zin van genoemd artikel 7, lid 2, zijn alle voordelen "welke, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken". (27) Op grond van die overweging wordt in het arrest Deak (r.o. 24) geoordeeld dat een Lid-Staat wiens wettelijke regeling uitkeringen voorziet ten behoeve van jeugdige werkzoekenden en dit uit hoofde van hun persoonlijke situatie (28), die uitkeringen ingevolge artikel 7 van verordening nr. 1612/68 niet mag ontzeggen aan kinderen ten laste van een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat, op grond van de omstandigheid dat die kinderen een nationaliteit bezitten die niet deze is van een van de Lid-Staten. In het arrest Lebon stelde het Hof evenwel dat een door de wetgeving van de ontvangende Lid-Staat voorziene sociale uitkering welke op algemene wijze een bestaansminimum waarborgt, aan een kind (van in dat geval meer dan 21 jaar) kan worden ontzegd "voor zover (...) de werknemer niet meer opkomt voor het onderhoud van zijn bloedverwant in neergaande lijn, (aangezien) die uitkering voor hem geen sociaal voordeel (vormt) in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68". (29)
Daarmee lijkt mij een antwoord te zijn gegeven op het eerste onderdeel van de vraag: in tegenstelling tot wat in deze zaak door de Belgische en de Deense regeringen wordt voorgehouden, volgt uit het arrest Deak dat ook sociale voordelen die door de betrokken nationale wetgeving aan het kind zelf worden toegekend als een sociaal voordeel voor de ouder/migrerende werknemer in de zin van artikel 7, lid 2, te beschouwen zijn, en dit omdat zij geschikt zijn om de mobiliteit van de werknemers binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken. Dit geldt echter alleen, zo wordt in het arrest Lebon gepreciseerd, wanneer de werknemer nog opkomt voor het onderhoud van het kind. Indien dat laatste zo is - het staat aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen - dan lijkt mij dat het gehele bedrag van de studiefinanciering als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, moet worden aangemerkt.
22. De verwijzende rechter wil verder ook nog weten of het kind van een migrerend werknemer, ingeval studiefinanciering een sociaal voordeel is voor de ouder in de zin van artikel 7, lid 2, op die financiering een eigen aanspraak kan doen gelden, en of, bij bevestigend antwoord, die aanspraak onafhankelijk is van een woonplaatsvereiste in hoofde van het kind.
Volgens de rechtspraak van het Hof, zoals verwoord in het voormelde arrest Lebon, kunnen familieleden van een migrerend werknemer in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1612/68, slechts indirect aanspraak maken op de gelijkheid van behandeling die de werknemer zelf aan artikel 7 van die verordening ontleent. Met andere woorden, slechts als de betrokken studiefinanciering ten aanzien van de ouder/migrerende werknemer zelf als een sociaal voordeel te beschouwen is in de zin van artikel 7, lid 2, van genoemde verordening, wat hier het geval is, kunnen zijn kinderen een gelijke aanspraak als kinderen van nationale werknemers doen gelden.
Als indirecte aanspraak van het kind op gelijke behandeling, dat is als uitvloeisel van de aanspraak van de ouder/migrerende werknemer op studiefinanciering gezien als sociaal voordeel in zijnen hoofde, is de aanspraak van het kind mijns inziens niet gebonden aan een voorwaarde van woonst van het kind in de Lid-Staat die studiefinanciering toekent (evenmin als zij, volgens het arrest Deak aan het bezit in hoofde van het kind van de nationaliteit van een van de Lid-Staten gebonden is: zie hiervoor, nr. 21). De omstandigheid dat artikel 12 van verordening nr. 1612/68 aan kinderen van migrerende werknemers bepaalde voordelen in verband met de toelating tot het algemeen onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding rechtstreeks toekent maar dan onder voorwaarde dat het kind woonachtig is in de betrokken Lid-Staat, is mijns inziens niet van aard om afbreuk te doen aan de eigen en ruimere toepassingssfeer van artikel 7, lid 2, wanneer op grond daarvan een volgens de nationale wetgeving toegestane studiefinanciering als een sociaal voordeel van de ouder/migrerende werknemer kan worden aangemerkt.
Besluit
23. Op grond van wat voorafgaat, stel ik het Hof voor alleen de eerste, tweede en vijfde prejudiciële vraag te beantwoorden en wel als volgt:
"1) Een onderdaan van een Lid-Staat die in een andere Lid-Staat als stagiair in het kader van een opleiding arbeid presteert is als een migrerend werknemer in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 aan te merken, indien de door hem onder het gezag van de werkgever verrichte werkzaamheden een bepaalde economische waarde hebben waarvoor hij van de werkgever een niet louter nominale tegenprestatie ontvangt èn de duur van de arbeid als stagiair, gelet op de bijzondere aard ervan en de mogelijkheid van de stagiair om zich met de verrichte arbeid vertrouwd te maken, lang genoeg is om niet als louter marginaal en bijkomstig te worden aangemerkt.
2) Een persoon die de hoedanigheid van werknemer heeft verworven, behoudt die hoedanigheid - in een geval waarin een verband aanwezig moet zijn en ook daadwerkelijk is tussen de aard van de eerdere beroepswerkzaamheid en de latere studie - wanneer hij zijn werkzaamheden heeft opgegeven met het doel die studie aan te vatten, en de tijdspanne verstreken tussen de eerdere werkzaamheid en de latere studie niet zo lang is dat daaruit in de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat de werknemer zijn eerder werk niet met het doel te gaan studeren heeft opgegeven.
5) Studiefinanciering die in een Lid-Staat aan kinderen van nationale werknemers wordt toegekend is voor een migrerend werknemer een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68, ingeval de werknemer nog instaat voor het levensonderhoud van het kind, in welk geval het kind daaraan een indirecte aanspraak op volledig gelijke behandeling met kinderen van nationale werknemers ontleent en dit ongeacht zijn woonplaats in een geval als het onderhavige waarin de betrokken nationale wetgeving geen woonplaatsvereiste stelt ten aanzien van kinderen van nationale werknemers.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) PB 1968, L 257, blz. 2.
(2) Staatsblad 1986, 252. Deze wet trad in werking op 1 oktober 1986.
(3) Inmiddels voldeed de opleiding architectuur aan de Universiteit van Napels wel aan de eisen van de WSF.
(4) Zaak C-308/89, Di Leo, Jurispr. 1990, blz. I-4185.
(5) Arrest van 16 december 1981, zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r.o. 18.
(6) Arrest van 21 april 1988, zaak 338/85, Pardini, Jurispr. 1988, blz. 2041, r.o. 8; zie ook beschikking van het Hof van 26 februari 1990, zaak C-286/88, Falciola, Jurispr. 1990, blz. I-191, r.o. 7 en ook het in voetnoot 5 reeds geciteerde arrest Foglia, r.o. 14 en 15.
(7) Arrest van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 6; zie ook reeds in arrest van 19 december 1968, zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 632.
(8) Zie rechtsoverweging 9 van het in voetnoot 6 geciteerde arrest Pardini.
(9) Zie rechtsoverweging 6 van het in voetnoot 7 geciteerde arrest Salonia en rechtsoverweging 8 van de in voetnoot 6 geciteerde beschikking Falciola.
(10) Zie bij voorbeeld het arrest van 21 juni 1988, zaak 39/86, Lair, Jurispr. 1988, blz. 3161, r.o. 19-24 en specifiek met betrekking tot studiefinanciering voor een in het buitenland gevolgde studie, het arrest van 27 september 1988, zaak 235/87, Matteucci, Jurispr. 1988, blz. 5589, r.o. 11.
(11) Arresten van 23 maart 1982, zaak 53/81, Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035, r.o. 16, 17 en 21; 3 juni 1986, zaak 139/85, Kempf, Jurispr. 1986, blz. 1741, r.o. 14; 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r.o. 21;, 31 mei 1989, zaak 344/87, Bettray, Jurispr. 1989, blz. 1621, r.o. 13, en 5 oktober 1988, zaak 196/87, Steymann, Jurispr. 1988, blz. 6159, r.o. 13; zie ook mijn heden genomen beslissing, nr. 7, arrest van 26 februari 1992, zaak C-357/89, Raulin, Jurispr. 1992, blz. I-1027, I-1040.
(12) Zie het arrest van 3 juli 1986, zaak 66/85, Lawrie-Blum, Jurispr. 1986, blz. 2121, r.o. 17, en de in voetnoot 11 reeds geciteerde arresten Bettray, r.o. 12, en Brown, r.o. 21 .
(13) In het arrest Lawrie-Blum (geciteerd in voetnoot 12) ging het over een stage die deel uitmaakte van een lerarenopleiding en die bestond uit het geven van elf uur les per week. In rechtsoverweging 19 van dit arrest overwoog het Hof: "Het feit dat de stage, evenals de leertijd bij andere beroepen, kan worden aangemerkt als een praktische voorbereiding op de eigenlijke uitoefening van het beroep, verhindert niet dat artikel 48, lid 1, van toepassing is, wanneer die stage wordt vervuld onder de voorwaarden die voor arbeid in loondienst gelden."
(14) In het arrest Brown (geciteerd in voetnoot 11) betrof het een werkzaamheid die in de verwijzingsbeschikking werd omschreven als "pre-universitaire bedrijfsstage" (r.o. 3). Het Hof besloot niettemin dat Brown door deze werkzaamheid die reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst uitmaakte, de hoedanigheid van migrerend werknemer had verworven (r.o. 20-23).
(15) Reeds geciteerd in voetnoot 11.
(16) Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 8 maart 1989, Jurispr. 1989, blz. 1621, 1637.
(17) In een dergelijk geval is de stagiair, wanneer de stage onderdeel is van een studiecurriculum, veeleer te beschouwen als een migrerend student (met de aan die hoedanigheid verbonden rechten) dan als een migrerend werknemer.
(18) In de zaak Brown (geciteerd in voetnoot 11) werd een periode van acht maanden lang genoeg geacht.
(19) Ik leid dit af uit de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, waarin deze opmerkt dat Lair een werkloosheidsuitkering ontving (Jurispr. 1988, blz. 3161, 3179).
(20) In haar opmerkingen voor het Hof wijst de Commissie er mijns inziens terecht op dat er in casu slechts een korte tijd tussen de werkzaamheden en het aanvatten van de betrokken studies is verstreken, namelijk vijf maanden, die dan nog voor een deel samenvielen met de vakantiemaanden aan de universiteit.
(21) In r.o. 14 en 15 van dit arrest (zie voetnoot 4) ontleent het Hof immers argumenten aan zijn in verband met artikel 7, lid 2, gewezen arrest Matteucci (zie voetnoot 10) om in r.o. 16 tot zijn conclusie te komen in verband met artikel 12.
(22) Zie hiervoor, nrs. 5 en 6.
(23) Het arrest Di Leo (zie voetnoot 4) zou anders enkel relevant zijn voor kinderen van migrerende werknemers die in een grensstreek wonen en tijdens hun studies in het buitenland verblijf houden in de Lid-Staat van ontvangst. Dat was niet het geval van Carmina di Leo zelf.
(24) Zie het arrest van 12 juli 1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr. 1973, blz. 935, r.o. 28-32 en dictum punt 3; zie bij voorbeeld ook het recente arrest van 13 november 1990, zaak C-216/89, Reibold, Jurispr. 1990, blz. I-4163, r.o. 15.
(25) Zie rechtsoverweging 15 van het in vorige voetnoot reeds geciteerde arrest Reibold.
(26) In het arrest van 15 maart 1989 in de gevoegde zaken 389/87 en 390/87, Echternach en Moritz, Jurispr. 1989, blz. 723, werd weliswaar aanvaard dat een student in de Lid-Staat waar hij zijn studie verricht woonachtig is, ofschoon zijn familieleden terug in hun Lid-Staat van herkomst waren gaan wonen. In die zaak was evenwel van doorslaggevend belang dat de student steeds in eerstgenoemde Lid-Staat samen met zijn familieleden (vóór hun terugkeer naar het land van herkomst) had gewoond en gestudeerd en daar, na eerst met zijn familie te zijn meegegaan, zijn studie kwam voortzetten, hetgeen niet mogelijk was in zijn land van herkomst (r.o. 23).
(27) Aldus onder meer het arrest van 20 juni 1985, zaak 94/84, Deak, Jurispr. 1985, blz. 1873, r.o. 21.
(28) In rechtsoverweging 15 van het arrest werd opgemerkt dat de bedoelde wachtuitkeringen aan jeugdige werklozen worden toegekend uit hoofde van hun persoonlijke situatie en niet in hun hoedanigheid van gezinslid van een werknemer op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71.
(29) Arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Lebon, Jurispr. 1987, blz. 2811, r.o. 13.
Full & Egal Universal Law Academy