Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De door het Bundessozialgericht aan het Hof gestelde prejudiciële vraag vindt haar oorsprong in de confrontatie van de Duitse wet inzake de pensioenen van mijnwerkers ( Reichsknappschaftsgesetz, hierna : "RKG ") met de artikelen 7 en 48 tot en met 51 EEG-Verdrag en artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen . ( 1 )
2 . M . Masgio, weduwe van een Italiaans onderdaan die in België en in de Bondsrepubliek Duitsland in de mijnen heeft gewerkt, is rechtsopvolgster van haar echtgenoot in de procedure in het hoofdgeding, waarvan het verloop is beschreven in het rapport ter terechtzitting ( punt I b ).
3 . Voor de discussie zijn de volgende punten van belang .
4 . Masgio ontving sedert 1972 een pensioen wegens silicose, dat werd uitgekeerd door het bevoegde Belgische orgaan . Overeenkomstig de Belgische wettelijke regeling werd dit pensioen in 1983 verminderd, omdat de betrokkene vanaf die datum een Belgisch ouderdomspensioen ontving . Deze vermindering is hier niet in het geding .
5 . In hetzelfde jaar werd Masgio een ouderdomspensioen toegekend uit hoofde van de Duitse mijnwerkersregeling . De positie van mijnwerkers die tegelijkertijd een dergelijk pensioen en een ongevallenpensioen genieten, wordt geregeld door het RKG en meer in het bijzonder door de §§ 75, lid 1, en 76 a daarvan .
6 . In § 75, lid 1, wordt bepaald, dat het pensioen wordt "geschorst" wanneer het te zamen met het ongevallenpensioen meer bedraagt dan 95 % van het jaarinkomen op basis waarvan het ongevallenpensioen wordt berekend, alsmede van de pensioenberekeningsgrondslag . Duidelijkheidshalve, van de beide plafonds wordt het maximumbedrag toegepast dat de geringste vermindering van het ouderdomspensioen mogelijk maakt .
7 . § 76 a, lid 2, RKG sluit deze keuzemogelijkheid uit voor een gepensioneerde die een ongevallenpensioen geniet van een orgaan buiten de Bondsrepubliek Duitsland . In een dergelijk geval "behoeft geen jaarinkomen te worden vastgesteld" en zal alleen rekening worden gehouden met de berekeningsgrondslag van het ouderdomspensioen .
8 . Het Bundessozialgericht, dat het ontbreken van deze keuzemogelijkheid nadelig acht voor Masgio, en dus voor zijn echtgenote, vraagt het Hof of de voornoemde gemeenschapsbepalingen aldus moeten worden uitgelegd, dat een verzekerde die tegelijkertijd een pensioen ingevolge de nationale wettelijke regeling en een ongevallenpensioen van een orgaan van een andere Lid-Staat ontvangt, bij de berekening van het op grond van de nationale wettelijke regeling te schorsen gedeelte minder gunstig mag worden behandeld dan een verzekerde die beide uitkeringen ingevolge de nationale wettelijke regeling ontvangt .
9 . Artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag luidt als volgt :
"Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden ."
10 . Uit het arrest van het Hof van 14 juli 1977 ( 2 ) blijkt eveneens dat "het algemene beginsel van artikel 7 slechts onder voorbehoud van de bijzondere verdragsbepalingen kan gelden ".
Dit artikel behoeft dus niet te worden uitgelegd, zodra bijzondere verdragsbepalingen, inzonderheid de door de verwijzende rechter bedoelde bepalingen, op de zaak van toepassing zijn .
11 . De artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag vormen de grondslag, het raam en de begrenzing van de verordeningen betreffende de sociale zekerheid ( 3 ) en met name van verordening nr . 1408/71, die de belangrijkste beginselen voor de uitvoering van het Verdrag op dit gebied vastlegt . Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt als volgt :
"Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening ".
12 . Het Landessozialgericht van het Land Nordrhein-Westfalen heeft in zijn beschikking, waartegen voor de verwijzende rechter wordt opgekomen, opgemerkt dat "de eventuele verzekeringsrechtelijke benadeling geen aspect is dat voor de keuze van de plaats van tewerkstelling objectief van wezenlijk belang is ". De vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding heeft daarentegen ter terechtzitting opgemerkt, dat iemand die buiten de Bondsrepubliek een ongeval heeft gehad, zou moeten worden afgeraden om daar te komen werken en vervolgens met pensioen te gaan, aangezien de gevolgen van de schorsing van het pensioen daar voor hem ongunstiger zijn dan voor de eigen onderdanen, die de voordeligste berekeningsmethode kunnen kiezen . Wanneer dit het geval is, behoeft volgens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een aspect dat objectief van wezenlijk belang is voor de keuze van de plaats van tewerkstelling, niet te worden aangetoond . ( 4 ) Waar het op aankomt is, dat ervoor moet worden gezorgd dat de in de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen worden verwezenlijkt, en inzonderheid dat het beginsel van gelijke behandeling ( 5 ), dat wordt gehuldigd in artikel 3, lid 1, van verordening nr . 1408/71 ( 6 ), wordt geëerbiedigd .
13 . Wat dit aangaat, heeft de rechtspraak van het Hof zich altijd losgemaakt van het formele criterium van de nationaliteit en beoordeeld of andere aangewende onderscheidingscriteria tot dezelfde discriminaties kunnen leiden . ( 7 ) Met name in het arrest van 12 juli 1979 ( 8 ) verklaarde het Hof dat
"de bepalingen van artikel 3, lid 1, van de verordening inzake gelijkheid van behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van onder de sociale zekerheidsregelingen vallende personen verbieden, doch ook iedere verkapte vorm van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt ".
14 . Onlangs nog ( 9 ) heeft het Hof bepaalde gemeenschapsrechtelijke bepalingen moeten onderzoeken in verband met bepalingen van de Duitse wetgeving op grond waarvan voor de vaststelling van een kwalificatie die diende voor de verkrijging van een pensioenrecht, geen rekening mocht worden gehouden met niet naar Duits recht verzekeringsplichtig uitgeoefende werkzaamheden . Het Hof merkte op, dat deze belemmering weliswaar ongeacht de nationaliteit van de werknemer gold, maar in hoofdzaak migrerende werknemers uit andere Lid-Staten trof, die eerst in die staten en vervolgens in de Bondsrepubliek Duitsland hadden gewerkt . Vervolgens stelde het Hof vast, dat deze voorschriften leidden tot benadeling van sommigen van die migrerende werknemers, wanneer deze in een andere Lid-Staat een hogere kwalificatie hadden verkregen dan zij in de Bondsrepubliek Duitsland hadden, aangezien die werknemers op grond van die voorschriften die laatste kwalificatie niet konden doen gelden, wanneer zij van hun pensioenrecht gebruik wensten te maken .
15 . De lering die uit de arresten Toia en Roviella kan worden getrokken, lijkt beslissend te moeten zijn voor de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak . § 76 a, lid 2, eerste volzin, RKG bevat weliswaar geen enkel nationaliteitscriterium, doch er is alle reden om te veronderstellen, hetgeen de nationale rechter moet nagaan, dat de toepassing ervan, om de bewoordingen van het tweede arrest van het Hof te gebruiken, "in hoofdzaak migrerende werknemers uit andere Lid-Staten treft, die eerst in die Staten en vervolgens in de Bondsrepubliek Duitsland hebben gewerkt ".
16 . In het arrest Toia heeft het Hof bovendien opgemerkt, dat indirecte discriminatie gerechtvaardigd kan zijn door objectieve verschillen . ( 10 ) Het Landessozialgericht van het Land Nordrhein-Westfalen heeft ter zake opgemerkt, dat de bijzondere behandeling van hen die een buitenlands ongevallenpensioen genieten, "objectief gerechtvaardigd kan zijn door de omstandigheid dat in een dergelijk geval geen jaarinkomen kan worden vastgesteld ". De Commissie en verzoekster in het hoofdgeding hebben terecht gesteld, dat het ontbreken van de gegevens over een jaarinkomen bij een buitenlands ongevallenpensioen een dergelijke discriminatie niet kan rechtvaardigen, omdat het mogelijk is een fictief jaarinkomen te berekenen . Dit blijkt ook uit recente ontwikkeling van de Duitse wetgeving ( 11 ), aangezien vanaf 1 januari 1992 het maximumbedrag kan worden berekend op basis van een fictief jaarinkomen, dat wordt verkregen door het bedrag van het maandelijkse ongevallenpensioen met een coëfficiënt 18 te vermenigvuldigen . De Duitse autoriteiten kennen de hoogte van het bedrag van het ongevallenpensioen, omdat zij het ouderdomspensioen schorsen wanneer het te zamen met het ongevallenpensioen een bepaald bedrag bereikt . Bovendien kunnen, zoals ook de Commissie naar voren heeft gebracht, vertragingen in de procedure en onnauwkeurigheden bij het vaststellen van de vereiste berekeningsfactoren geen rechtvaardiging vormen voor indirecte discriminatie, evenmin als het geringe aantal gevallen waarin nadeel wordt geleden en het geringe belang van het geleden nadeel .
17 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren :
"De artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag, alsmede artikel 3, lid 1 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat een migrerend werknemer die gelijktijdig een pensioen ingevolge de nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat en een uitkering uit hoofde van een ongevallenverzekering van een verzekeringsorgaan van een andere Lid-Staat ontvangt, bij de berekening van het op grond van de nationale wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat te schorsen gedeelte van het pensioen, niet minder gunstig mag worden behandeld dan de werknemer die beide uitkeringen ingevolge de nationale wettelijke regeling van de Lid-Staat van ontvangst verkrijgt ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1971, L 149, blz . 2; regeling gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad, van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ).
( 2 ) Zaak 8/77, Sagulo, Jurispr . 1977, blz . 1495, r.o . 11, tweede alinea .
( 3 ) Arresten van 5 juli 1967, zaak 1/67, Ciechelski, ( Jurispr . 1967, blz . 224, inz . blz . 233 ) en 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr . 1975, blz . 1149, r.o . 11 .
( 4 ) Voorbeelden : arresten van 15 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr . 1986, blz . 1, en 7 juni 1988, zaak 20/85, Roviello Jurispr . 1988, blz . 2805 .
( 5 ) zaak 41/84, reeds aangehaald, r.o . 24 .
( 6 ) Arrest van 16 december 1976, zaak 63/76, Inzirillo, Jurispr . 1976, blz . 2057, r.o . 14 .
( 7 ) Zaak 41/84, reeds aangehaald, r.o . 23 .
( 8 ) Zaak 237/78, Toia, Jurispr . 1979, blz . 2645, r.o . 12 .
( 9 ) Zaak 20/85, reeds aangehaald, r.o . 15 en 16 .
( 10 ) Zaak 237/78, reeds aangehaald, r.o . 14 .
( 11 ) § 93, lid 4, eerste volzin, punt 4, en derde volzin van boek zes van het Sozialgesetzbuch; wet van 18 december 1989 ( BGBl . I, blz . 2261 ).
Full & Egal Universal Law Academy