Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
1 . Het Arbeidshof te Luik heeft U de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Kan een Lid-Staat een sociaal voordeel als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, op grond van hun nationaliteit weigeren aan kinderen, die ten laste zijn van een werknemer die onderdaan is van een derde staat ( Marokko ), waarmee de Europese Economische Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten die op het gebied van de sociale zekerheid een bepaling bevat volgens welke de in de Gemeenschap werkzame migrerende werknemers van dat land en hun bij hen woonachtige gezinsleden op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de eigen onderdanen?"
1 . Achtergrond
2 . Bahia Kziber, van Marokkaanse nationaliteit, woont bij haar ouders in België . Haar vader, die eveneens Marokkaans onderdaan is, was loontrekkende in België en is thans gepensioneerd mijnwerker . Na het voltooien van haar studies in België diende Kziber een aanvraag in om toekenning van wachtuitkeringen uit hoofde van artikel 124 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid ( 1 ). Deze bepaling kent, als onderdeel van een stelsel van werkloosheidsvergoedingen, aan jeugdige werknemers die na het beëindigen van hun studie of leertijd geen werk vinden, het recht op een wachtuitkering toe .
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ( hierna "RVA ") oordeelde dat Kziber weliswaar aan alle voorwaarden van artikel 124 voldeed, maar dat haar Marokkaanse nationaliteit in de weg stond aan de toekenning van de bewuste uitkering . Deze beslissing werd vernietigd door de Arbeidsrechtbank te Luik bij vonnis van 3 december 1984 . De verwijzende rechter, het Arbeidshof te Luik, heeft te oordelen over het hoger beroep dat de RVA heeft ingesteld tegen dit vonnis .
Voor de verwijzende rechter vordert Kziber bevestiging van het vonnis van 3 december 1984 . Zij baseert haar argumentatie op artikel 41 van de in 1978 afgesloten samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko ( 2 ) ( hierna "de Overeenkomst "), dat luidt als volgt :
"Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn ."
3 . De verwijzende rechter is van oordeel dat aan de aangehaalde bepaling directe werking toekomt; hij twijfelt er evenwel aan of het hiervoor aangehaalde artikel 41 een voldoende basis vormt ter ondersteuning van Kzibers aanspraak op een wachtuitkering . Immers, zo wordt in de verwijzingsbeslissing gesteld, Kziber is niet te beschouwen als een "werknemer" in de zin van deze bepaling, aangezien zij na haar studies nooit reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst heeft verricht . Bovendien zou zij evenmin aanspraak kunnen maken op de uitkering uit hoofde van haar hoedanigheid van gezinslid van een werknemer, omdat artikel 41 van de Overeenkomst haar slechts "afgeleide rechten" zou toekennen, terwijl de bewuste wachtuitkering een prestatie is waarvoor jeugdige werkzoekenden in aanmerking komen uit hoofde van hun persoonlijke situatie ( 3 ).
In de verwijzingsbeslissing wordt vervolgens het arrest Deak van 1985 ( 4 ) in herinnering gebracht . Daarin heeft het Hof voor recht verklaard dat uitkeringen zoals deze voorzien door artikel 124 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 te beschouwen zijn als een "sociaal voordeel" in de zin van artikel 7 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 ( 5 ), dat ook dient te worden toegekend aan de gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, van een werknemer die zelf onderdaan is van een van de Lid-Staten ( 6 ). De verwijzende rechter wenst nu te vernemen of deze in het arrest Deak gegeven interpretatie ook geldt voor een gezinslid van een werknemer die onderdaan is van een derde land waarmee de Europese Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten . Meer concreet wenst hij te vernemen of de hiervoor aangehaalde gelijkbehandelingsclausule van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Marokko aldus is te interpreteren dat de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden aanspraak kunnen maken op een "sociaal voordeel" als bedoeld in artikel 7, lid 2 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 .
2 . Het voorwerp van de prejudiciële vraag
4 . Uit het voorgaande blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de interpretatie van een bepaling van de Overeenkomst . Het geschil betreft met andere woorden niet de interpretatie van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 ( 7 ), evenmin als het de interpretatie betreft van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregeling op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( 8 ). Geen van beide verordeningen is immers van toepassing op een persoon in de situatie van Kziber ( d.w.z . een werkzoekende van Marokkaanse nationaliteit die een gezinslid is van een Marokkaans onderdaan ). Inderdaad, verordening ( EEG ) nr . 1408/71 is, blijkens artikel 2 van deze verordening, van toepassing op werknemers die onderdanen zijn van een der Lid-Staten en op de gezinsleden van die onderdanen, ongeacht hun nationaliteit . Verordening ( EEG ) nr . 1612/68 is alleen van toepassing op werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat . Deze verordeningen zijn dus niet van rechtstreeks belang voor de beoordeling van de rechtssituatie van Kziber, gezien er geen aanwijzingen bestaan dat zij een gezinslid is van een werknemer/onderdaan van een Lid-Staat . De rechten van Kziber in het bodemgeschil moeten met andere woorden uitsluitend worden beoordeeld op basis van de Overeenkomst .
5 . Eerst nog een nadere beschouwing over de omvang van het onderzoek waartoe het Hof is geroepen . Zoals hiervoor ( nr . 3 ) is gebleken, gaat de verwijzende rechter ervan uit, ten eerste dat artikel 41 van de Overeenkomst rechtstreekse werking heeft, en ten tweede dat Kziber geen aanspraak kan maken op de betwiste uitkering als "werknemer" noch als "gezinslid" van een werknemer . De eerste stellingname wordt betwist in de opmerkingen van de Commissie, de Franse regering en de RVA; de tweede stellingname wordt aangevochten in de opmerkingen van Kziber en van de Commissie . De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag betreft strikt genomen enkel de aanspraak op een "sociaal voordeel" in de zin van het tweede lid van artikel 7 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68, die de kinderen van een werknemer van een derde staat ( i.c . Marokko ) waarmee de Gemeenschap een overeenkomst heeft gesloten zouden kunnen laten gelden . Aangezien, zoals hiervoor aangeduid, Kziber niet rechtstreeks rechten kan ontlenen aan verordening ( EEG ) nr . 1612/68 ( en evenmin aan verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ), betreft de prejudiciële vraag evenwel in wezen de interpretatie van de Overeenkomst, in het bijzonder de rechtstreekse werking en het toepassingsgebied van het daarin voorkomende artikel 41 .
Voor de uitleggingsbevoegdheid van het Hof mag de enge omschrijving van de prejudiciële vraag geen bezwaar vormen . Het lijdt immers geen twijfel dat de Overeenkomst, gesloten overeenkomstig artikel 238 van het Verdrag, wat de Gemeenschap betreft te beschouwen is als een handeling welke door een der instellingen van de Gemeenschap is verricht in de zin van artikel 177, eerste alinea, sub b van het Verdrag . De bepalingen van een dergelijke overeenkomst vormen vanaf de inwerkingtreding ervan een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde ( 9 ). Als dusdanig moet de eenvormige toepassing ervan in de Gemeenschap door het Hof worden verzekerd ten einde te voorkomen dat de Overeenkomst een verschillende uitwerking zou hebben naargelang van de uitlegging die er in de onderscheidene Lid-Staten aan wordt gegeven ( 10 ). Mijn onderzoek moet en mag dus wel degelijk de interpretatie van de Overeenkomst betreffen, en meer in het bijzonder de rechtstreekse werking, het toepassingsgebied en de interpretatie van de in artikel 41 van de Overeenkomst vervatte regelen .
6 . Ten slotte vermeld ik dat mijn onderzoek enkel artikel 41, en in samenhang daarmee artikel 42 van de Overeenkomst betreft . Artikel 41 bevat een discriminatieverbod "op het gebied van de sociale zekerheid ". In haar opmerkingen wijdt de Commissie eveneens aandacht aan artikel 40 van de Overeenkomst, dat een non-discriminatieregel uitvaardigt "voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen ". Ik ben het evenwel met haar vaststelling eens dat een wachtuitkering zoals deze die in het bodemgeschil aan de orde staat, niet is te beschouwen als een arbeidsvoorwaarde of een loonbestanddeel, maar wel als een prestatie op het gebied van de sociale zekerheid .
3 . Het vraagstuk van de rechtstreekse werking
7 . De in Uw rechtspraak steevast gehanteerde regel luidt als volgt :
"Een bepaling van een door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomst moet worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is" ( 11 ).
Rekening moet dus worden gehouden met het doel en de aard van de overeenkomst als geheel en op de bewoording van de betrokken bepaling van de overeenkomst, ten einde na te gaan of de onderzochte bepaling een duidelijke en nauwkeurig beschreven verplichting behelst .
3.1 . Aard en doel van de Overeenkomst
8 . Het Hof heeft zulk onderzoek reeds doorgevoerd in verband met een bepaling uit een vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Portugese Republiek, op dat moment nog een EVA-land ( 12 ), in verband met associatieovereenkomsten met de met de Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar ( 13 ), en in verband met associatieovereenkomsten met Griekenland ( 14 ), op dat moment nog geen Lid-Staat, respestievelijk met Turkije ( 15 ). Het Hof kwam daarbij telkens tot de conclusie dat, in weerwil van de aanzienlijke verschillen tussen de onderzochte overeenkomsten, de aard en de opzet van deze overeenkomsten zich niet verzetten tegen de rechtstreekse werking van een of andere bepaling ervan . Een andere conclusie werd bereikt in verband met het Gatt . Het Hof hield daarbij rekening met de grote soepelheid van de bepalingen van het Gatt, met name die betreffende de uitzonderingsmogelijkheden, de maatregelen die in geval van bijzondere moeilijkheden kunnen worden genomen, en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen ( 16 ).
Bij dit onderzoek naar aard en doel van een internationale overeenkomst gaat het Hof na of deze overeenkomst meer doet dan slechts het opleggen van wederzijdse verplichtingen tussen de ondertekenende staten, met andere woorden of de overeenkomst van aard is om, of ertoe strekt, de rechtssituatie van particulieren te regelen . Uit de rechtspraak van het Hof blijkt in dat verband dat de strekking van een overeenkomst niet noodzakelijk "verreikend" ( m.a.w . op integratie met de Gemeenschap gericht ) hoeft te zijn opdat de bepalingen van die overeenkomst directe werking zouden kunnen hebben . Weliswaar heeft het Hof in het arrest Van Gend en Loos ( 17 ) onderstreept dat het in de ratio van een gemeenschappelijke markt besloten ligt dat de regels hiervan zich rechtstreeks tot de gemeenschapsonderdanen richten . Dat neemt evenwel niet weg dat ook overeenkomsten met een meer bescheiden strekking dergelijke regels kunnen bevatten ( 18 ).
9 . Bekijken we dan het doel en de aard van de in het bodemgeschil voorliggende overeenkomst . Deze overeenkomst heeft tot doel een algemene samenwerking tussen de Gemeenschap en Marokko te bevorderen, ten einde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Marokko en de versteviging van de wederzijdse betrekkingen ( 19 ). "Te dien einde", aldus nog artikel 1 van de Overeenkomst, "worden er bepalingen en maatregelen vastgesteld en ten uitvoer gelegd op het gebied van de economische, technische en financiële samenwerking, op het gebied van het handelsverkeer alsmede op sociaal gebied ". Inhoudelijk regelt de Overeenkomst drie gebieden : de economische, technische en financiële samenwerking ( Titel I ), de commerciële samenwerking ( Titel II ) en de samenwerking op het gebied van de arbeidskrachten ( Titel III ). Het komt mij voor dat doel noch aard van deze Overeenkomst zich verzetten tegen de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan, evenmin als doel en aard van diverse in de rechtspraak van het Hof reeds aan bod gekomen overeenkomsten met uiteenlopende strekking ( hiervoor, nr . 8 ) zich volgens het Hof tegen de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan verzetten .
In het arrest Bresciani ( 20 ) kwam het Hof tot deze conclusie niettegenstaande de vaststelling dat de Overeenkomst ( Jaoende I ) niet was gesloten teneinde een gelijkheid van de verplichtingen van de Gemeenschap en de geassocieerde staten te verzekeren maar veeleer om de ontwikkeling van die staten te bevorderen . In het arrest Kupferberg ( 21 ) heeft het Hof de mogelijkheid van rechtstreekse werking erkend van een vrijhandelsovereenkomst niettegenstaande de aanwezigheid van een bijzonder institutioneel kader voor onderlinge beraadslagingen en onderhandelingen en van de aanwezigheid van vrijwaringsclausules, die weliswaar slechts in bijzondere situaties toepassing konden vinden . En ofschoon in het arrest Demirel ( 22 ) het Hof aan een tweetal bepalingen van de associatieovereenkomst met Turkije rechtstreekse werking ontzegde omwille van hun programmatisch karakter, ontkende het geenszins dat ( andere ) bepalingen van die Overeenkomst rechtstreekse werking zouden kunnen hebben . In het arrest Pabst & Richarz ( 23 ) werd overigens rechtstreekse werking toegekend aan bepalingen van een associatieovereenkomst met Griekenland die grote overeenstemming vertoonde met de associatieovereenkomst met Turkije ( 24 ).
De thans voorliggende Overeenkomst met Marokko is veel minder gekenmerkt door ongelijkheid inzake verplichtingen, zeker op sociaal gebied, dan de associatieovereenkomst die in het arrest Bresciani ter sprake kwam, zij heeft een gelijkaardig institutioneel kader en zeker geen ruimere vrijwaringsclausules dan de in het arrest Kupferberg voorliggende overeenkomst ( zie volgend nr .) en zij vertoont niet het "programmatisch karakter" van de in het arrest Demirel besproken overeenkomst . Dit laatste geldt in het bijzonder voor de bepalingen van Titel II van de Overeenkomst ( die voor een aantal produkten van oorsprong uit Marokko de afschaffing vereist van kwantitatieve beperkingen en douanerechten of van maatregelen met gelijke werking ) en van Titel III ( die een gelijke behandeling wil verzekeren van werknemers uit Marokko en uit de Gemeenschap ). Het gaat daarbij niet zelden om gedetailleerde regelen, die er duidelijk toe strekken de rechtssituatie van particulieren te regelen .
10 . De omstandigheid dat de Overeenkomst een bijzonder institutioneel kader voorziet ( m.n . de oprichting van een "Samenwerkingsraad ") ( 25 ), dat zij de partijen toelaat in zekere omstandigheden eenzijdige maatregelen te treffen ( 26 ) en eveneens een regeling bevat voor het beslechten van geschillen tussen de partijen bij de overeenkomst, die de partijen niet verplicht of zelfs niet in de mogelijkheid stelt dergelijk geschil aan het Hof van Justitie voor te leggen ( 27 ), is, zo blijkt uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof, niet van aard om de rechtstreekse werking van een overeenkomst principieel uit te sluiten ( 28 ). Weliswaar oordeelde het Hof in verband met het Gatt dat de in die overeenkomst opgenomen regeling van geschillen en de erdoor geboden mogelijkheden om vrijwaringsmaatregelen te treffen, in de weg stonden van de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan ( 29 ). Anders dan het GATT bevat de thans voorliggende Overeenkomst echter veel minder vergaande mogelijkheden voor het treffen van vrijwaringsmaatregelen, en voorziet zij ook in een bindende ( scheidsrechterlijke ) beslechting van geschillen . In beide opzichten bevat zij zelfs strakkere bepalingen dan de in de zaak Kupferberg ( 30 ) besproken Overeenkomst met Portugal ( 31 ). Welnu, met betrekking tot deze laatste overeenkomst werd in het arrest Kupferberg gesteld :
"( r.o . 20 ) Het enkele feit dat de overeenkomstsluitende partijen een bijzonder institutioneel kader voor de onderlinge beraadslagingen en onderhandelingen over de uitvoering van de overeenkomst hebben voorzien, is niet voldoende om iedere toepassing van de overeenkomst door de rechter uit te sluiten . Wanneer een rechterlijke instantie van een der partijen in een concreet, voor haar aanhangig geschil een bepaling van de overeenkomst toepast die een onvoorwaardelijke en nauwkeurige verplichting bevat en dus geen voorafgaand optreden van (( het door de Overeenkomst ingestelde gemengde comité )) noodzakelijk maakt, dan wordt daardoor geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheid die dit comité ingevolge de overeenkomst toekomt ".
"( r.o . 21 ) Met betrekking tot de vrijwaringsclausules, die partijen toestaan af te wijken van bepaalde voorschriften van de overeenkomst, moet worden opgemerkt dat deze slechts van toepassing zijn onder bepaalde omstandigheden en, in het algemeen, na een onderzoek binnen het gemengd comité, waaraan beide partijen deelnemen . Afgezien van de bijzondere situaties die tot de toepassing ervan kunnen leiden, kan het enkele bestaan van deze clausules, die overigens niet van invloed zijn op de bepalingen waarin belastingdiscriminatie wordt verboden, op zichzelf niet de rechtstreekse toepasselijkheid van een aantal bepalingen van de overeenkomst aantasten ."
Deze overwegingen gelden evengoed, zelfs nog meer voor de thans voorliggende Overeenkomst met Marokko .
3.2 . De bewoordingen van de betrokken bepalingen van de Overeenkomst
11 . Aangenomen dat aard en doel van de Overeenkomst zich niet verzetten tegen de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan, moet vervolgens worden nagegaan of de bewoordingen van het eerste lid van artikel 41 van de Overeenkomst zodanig zijn dat zij een voldoende nauwkeurige verplichting opleggen, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is . Ik acht het nuttig om de tekst van de artikelen 40, 41 en 42 in extenso aan te halen :
"Artikel 40
Elke Lid-Staat past op de werknemers van Marokkaanse nationaliteit die werkzaam zijn op zijn grondgebied een regeling toe die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en zijn eigen onderdanen voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen .
Marokko past dezelfde regeling toe op de op zijn grondgebied werkzame werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten .
Artikel 41
1 . Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn .
2 . Deze werknemers komen in aanmerking voor samentelling van de tijdvakken van verzekering, van arbeid of van woonplaats die zij in de verschillende Lid-Staten vervuld hebben, voor wat betreft de ouderdoms -, invaliditeits - en overlevingspensioenen en -renten alsmede de gezondheidszorg voor de werknemer en zijn binnen de Gemeenschap woonachtig gezin .
3 . Deze werknemers komen in aanmerking voor gezinsbijslagen voor de leden van hun gezin die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn .
4 . Deze werknemers mogen ouderdoms - en overlevingspensioenen en -renten, pensioenen en renten wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten en invaliditeitspensioenen en -renten ingevolge arbeidsongevallen of beroepsziekten, vrij overmaken naar Marokko tegen die koers die geldt krachtens de wetgeving van de Lid-Staat of de Lid-Staten die de desbetreffende bedragen moeten betalen .
5 . Marokko past een soortgelijke regeling als vermeld in de leden 1, 3 en 4 toe op de op zijn grondgebied werkzame werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten en op hun gezinsleden .
Artikel 42
1 . Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst stelt de Samenwerkingsraad de nodige bepalingen vast ten einde de toepassing van de in artikel 41 vervatte beginselen te verzekeren .
2 . De Samenwerkingsraad stelt de regels vast voor een administratieve samenwerking die de nodige waarborgen inzake beheer en controle biedt voor de toepassing van het bepaalde in lid 1 ."
De bewoordingen van het eerste lid van artikel 41 zijn duidelijk en nauwkeurig : op het gebied van de sociale zekerheid is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden . Ze zijn identiek met de bewoordingen gebruikt in het eerste lid van artikel 40, dat een discriminatieverbod inhoudt voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen, waarvan ook de Commissie aanvaardt dat het rechtstreekse werking heeft . Het feit dat het discriminatieverbod van artikel 41 wordt gesteld "behoudens het bepaalde in de onderstaande leden ...", doet aan de duidelijkheid van het verbod geen afbreuk . Het bepaalde in de overige leden van artikel 41 kwalificeert respectievelijk verduidelijkt de non-discriminatieregel, zonder de duidelijkheid of de nauwkeurigheid van de regel van het eerste lid te verminderen .
12 . Het argument van de Commissie, de Franse regering en de RVA om artikel 41 directe werking te ontzeggen is gebaseerd op de omstandigheid dat het eerste lid van artikel 42 de Samenwerkingsraad machtigt om uitvoeringsbepalingen te treffen voor artikel 41 ( en niet voor artikel 40 ). Naar hun oordeel kunnen de in artikel 41 vervatte "beginselen" zonder een optreden van de Samenwerkingsraad geen rechtstreekse werking worden toegedacht . Dit argument overtuigt me niet . Uit de redactie van de Overeenkomst is weliswaar af te leiden dat de nakoming van het discriminatieverbod van artikel 41 moet worden vergemakkelijkt door het optreden van de Samenwerkingsraad, maar niet dat het er steeds door wordt geconditioneerd ( 32 ). Anders uitgedrukt : de samenlezing van de artikelen 41 en 42 ontzegt enkel directe werking aan dié bepalingen van artikel 41 die een uitvoeringsmaatregel behoeven om de erin vervatte verplichting "duidelijk en nauwkeurig" te maken ( 33 ). Dat zou bij voorbeeld het geval kunnen zijn voor uitvoeringsmaatregelen om de toepassing te verzekeren van het in het tweede lid van artikel 41 vervatte principe ( samentelling van tijdvakken ). Het aan de verwijzende rechter voorliggende geval betreft evenwel een situatie die rechtstreeks kan worden beoordeeld onder het discriminatieverbod van het eerste lid van artikel 41 van de Overeenkomst ( 34 ): het staat vast dat Kziber voldoet aan alle toekenningsvoorwaarden van de uitkering, en dat deze uitkering haar werd geweigerd enkel om reden dat zij van Marokkaanse nationaliteit is . In een dergelijk geval hoeft ( in de bewoordingen van artikel 42 ) de toepassing van het non-discriminatiebeginsel niet te worden "verzekerd" door een uitvoeringsmaatregel van de Samenwerkingsraad, aangezien de werking ervan reeds is verzekerd door een duidelijk discriminatieverbod dat rechtstreeks door de nationale rechter kan worden toegepast .
13 . Een bijkomende reden waarom artikel 42 niet in de weg staat van de rechtstreekse werking van duidelijke en nauwkeurige bepalingen van artikel 41, is dat de in het eerste lid van artikel 42 gestelde termijn binnen dewelke de uitvoeringsbepalingen door de Samenwerkingsraad moesten worden vastgesteld, op 1 november 1979 verstreek ( 35 ). In dit verband wil ik eraan herinneren dat het Hof niet geaarzeld heeft de rechtstreekse werking te erkennen van een aantal verdragsbepalingen ( zoals b.v . de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag ), in weerwil van de omstandigheid dat door andere Verdragsartikelen "uitvoeringsmaatregelen" voor die bepalingen in het vooruitzicht worden gesteld ( 36 ). Door deze vergelijking te maken poneer ik niet dat er een volkomen parallellisme bestaat tussen het leerstuk van de rechtstreekse werking van bepalingen van communautair recht en dat van bepalingen van met een derde staat gesloten overeenkomsten . Maar de vergelijking gaat mijns inziens wèl op inzoverre in het voorliggende geval wordt geargumenteerd dat een duidelijke en nauwkeurige bepaling geen rechtstreekse werking heeft om de enkele reden dat een andere bepaling het treffen van uitvoeringsmaatregelen in het vooruitzicht stelt .
4 . De reikwijdte en de interpretatie van artikel 41 van de Overeenkomst
14 . Gegeven de rechtstreekse werking van artikel 41 van de Overeenkomst in een geval zoals het voorliggende dient nog een antwoord te worden gegeven op verschillende vragen in verband met het toepassingsgebied ( m.a.w . de reikwijdte ) èn de interpretatie van deze bepaling . Wat de reikwijdte betreft moet worden nagegaan of een uitkering zoals deze waarover het bodemgeschil handelt en die zoals gezegd onderdeel is van een regeling inzake werkloosheidsvergoedingen, kan worden geacht onder het toepassingsgebied te vallen van artikel 41, lid 1, dat in het algemeen regelingen viseert op "het gebied van de sociale zekerheid ". Wat de interpretatie betreft moet worden nagegaan of Kziber is te beschouwen als een "werknemer" dan wel als een bij een werknemer van Marokkaanse nationaliteit woonachtig "gezinslid" in de zin van artikel 41, lid 1 . Het gaat daarbij telkens om uitdrukkingen die overeenkomen ( of althans een zekere gelijkenis vertonen ) met uitdrukkingen in de Verdragen of in secundaire communautaire regelgeving . Volgens de rechtspraak van Uw Hof moeten de bepalingen van internationale overeenkomsten evenwel worden geïnterpreteerd overeenkomstig de bewoordingen en gelet op het doel van de Overeenkomst, en kan de interpretatie die door het Hof werd gegeven aan gelijkaardige regels of uitdrukkingen in de Verdragen of in secundair communautair recht niet zonder meer bij wege van analogie op een internationale overeenkomst worden getransponeerd : daarvoor moet eerst worden vastgesteld dat de tekst en de strekking van de overeenkomst zich niet tegen een dergelijke transpositie verzetten ( 37 ).
4.1 . De reikwijdte van artikel 41
15 . Bekijken we eerst de betekenis van de uitdrukking "sociale zekerheid", welke bepalend is voor de reikwijdte van het discriminatieverbod van artikel 41, lid 1 van de Overeenkomst . Ter terechtzitting is door de vertegenwoordiger van de Franse regering betoogd dat werkloosheidsuitkeringen ( en dus ook, als een bijzondere vorm daarvan, wachtuitkeringen ) niet worden geviseerd door deze uitdrukking . Daarvoor werden twee redenen aangehaald : ten eerste, de omstandigheid dat het tweede lid van artikel 41, dat handelt over de samentelling van de tijdvakken van verzekering of arbeid in de verschillende takken van de sociale zekerheid, deze samentelling niet voorziet voor wat betreft het recht op werkloosheidsuitkeringen; ten tweede, de omstandigheid dat er in Marokko geen werkloosheidsverzekering zou bestaan .
Weliswaar vallen werkloosheidsuitkeringen voor wat betreft migrerende gemeenschapswerknemers duidelijk onder het ruime begrip "sociale zekerheid", zoals blijkt uit artikel 4 van verordening nr . 1408/71 . De twee door de Franse regering aangestipte omstandigheden doen echter twijfel rijzen of het in artikel 41 van de Overeenkomst gebruikte begrip "sociale zekerheid" eenzelfde ruime reikwijdte heeft . Ten eerste worden in het tweede lid van artikel 41 samentellingsregels voorzien voor alle takken van sociale zekerheid waarvoor in verordening ( EEG ) nr . 1408/71 eveneens samentellingsregels worden voorzien, met uitzondering van de tak werkloosheid . Dit gegeven kan op een dubbele wijze worden geïnterpreteerd . Ofwel duidt het aan dat Marokkaanse werknemers voor wat betreft werkloosheidsuitkeringen in beginsel wel recht hebben op een niet-discriminatoire behandeling, doch dat zij niet in aanmerking komen voor samentelling van tijdvakken van verzekering . Ofwel is het er een aanduiding van dat werkloosheidsuitkeringen helemaal niet binnen de werkingssfeer van artikel 41 vallen . Voor deze laatste conclusie pleit ook de omstandigheid dat het vierde lid van artikel 41 een specifieke regel voorziet inzake het vrij overmaken van geldsommen naar Marokko voor alle traditionele takken van de sociale zekerheid, maar niet voor de tak werkloosheid .
Zou er in Marokko inderdaad geen werkloosheidsverzekering bestaan ( tweede argument van de Franse regering ), dan wijst deze omstandigheid in dezelfde richting, mede gelet op het feit dat het vijfde lid van artikel 41 bepaalt dat Marokko soortgelijke regelingen toepast als deze voorzien in lid 1 ( d.i . het discriminatieverbod ) en in leden 3 en 4 . Deze opzet van wederzijdse toepassing van voorzieningen, gekoppeld aan de afwezigheid van specifieke regelen betreffende werkloosheidsuitkeringen, kan er een aanduiding van zijn dat het niet de bedoeling was de in de Lid-Staten wèl maar in Marokko niet bestaande werkloosheidsuitkeringen onder het toepassingsgebied van artikel 41 te brengen .
Enige twijfel is dus gewettigd, doch ik acht het niet nodig om de knoop op dit punt door te hakken . Hierna zal immers blijken dat, ook wanneer men zou aanvaarden dat artikel 41 eveneens werkloosheidsuitkeringen viseert, het discriminatieverbod van artikel 41, lid 1 een persoon als Kziber toch geen aanspraak verleent op de wachtuitkering die in het bodemgeschil aan de orde staat .
4.2 . De begrippen "gezinslid van een werknemer" en "werknemer" in artikel 41
16 . De vraag die ik nu zal onderzoeken is of een persoon als Kziber is te beschouwen als een bij een werknemer van Marokkaanse nationaliteit woonachtig gezinslid in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst .
De Duitse regering betwist dit, erop wijzend dat uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat Kzibers vader gepensioneerd is, en derhalve niet is te beschouwen als een "werknemer van Marokkaanse nationaliteit" die "werkzaam is" in één van de Lid-Staten van de Gemeenschap in de zin van genoemde bepaling, zodat Kziber zelf niet een bij een dergelijke werknemer inwonend gezinslid is . Deze stelling komt erop neer te beweren dat een pensioengerechtigde niet langer werknemer is en geen aanspraak kan maken op de non-discriminatieregels van de Overeenkomst, iets wat mijns inziens niet de bedoeling kan geweest zijn van de verdragsluitende partijen : een belangrijk deel van het "gebied van de sociale zekerheid" waarop artikel 41 van toepassing is betreft immers de rechten van gepensioneerde werknemers . Dat blijkt o.m . uit het vierde lid van artikel 41 dat "werknemers" van Marokkaanse nationaliteit het recht geeft allerhande soorten pensioenen en renten naar Marokko over te maken . Ik ben dan ook van mening dat artikel 41 niet derwijze mag geïnterpreteerd worden, dat personen van Marokkaanse nationaliteit die in de Gemeenschap gewerkt hebben en vervolgens een pensioenuitkering genieten, van het toepassingsgebied van artikel 41 worden uitgesloten .
17 . Een andere vraag is of een gezinslid van een Marokkaans werknemer op basis van de gelijkbehandelingsregel van artikel 41 aanspraak kan maken op de wachtuitkering die in het bodemgeschil aan de orde staat ( steeds in de veronderstelling dat werkloosheidsuitkeringen binnen de werkingssfeer van artikel 41 zouden vallen ). De verwijzende rechter is in dat verband van mening dat dergelijke personen enkel aanspraak kunnen maken op "afgeleide rechten", met andere woorden rechten waarop zij aanspraak kunnen maken in hun hoedanigheid van gezinslid van een Marokkaans werknemer . Welnu, de Belgische wachtuitkering is, zo meent de verwijzende rechter uit de rechtspraak van het Hof te mogen afleiden, geen "afgeleid recht" maar een "eigen recht" van de jeugdige werkzoekende .
18 . Het begrip "afgeleid recht" is in de jurisprudentie ter sprake gekomen bij de interpretatie die het Hof aan het personele toepassingsgebied van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 heeft gegeven . De artikelen 2 en 3 van deze verordening stellen een gelijkbehandelingsregel in voor migrerende werknemers die onderdanen zijn van een der Lid-Staten "alsmede [voor] hun gezinsleden" ( 38 ). In het arrest Kermaschek van 1976 ( 39 ) heeft het Hof beslist dat deze verordening van toepassing is op twee duidelijk onderscheiden categorieën : werknemers enerzijds, hun gezinsleden anderzijds . Terwijl de tot de eerste categorie behorende personen de door verordening ( EEG ) nr . 1408/71 geviseerde rechten op uitkering als "eigen rechten" kunnen inroepen, kunnen hun gezinsleden enkel aanspraak maken op "afgeleide rechten", dat wil zeggen rechten die worden verkregen in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer . Daaruit werd besloten dat de gezinsleden ( ongeacht hun nationaliteit ) van migrerende werknemers die onderdanen zijn van een Lid-Staat, slechts aanspraak kunnen maken op de uitkeringen welke in de nationale wettelijke regelingen van de Lid-Staat zijn voorzien specifiek ten behoeve van gezinsleden van migrerende werknemers ( 40 ).
Het arrest Kermaschek werd bevestigd in het arrest Deak van 1985 ( 41 ), ditmaal specifiek in verband met de Belgische wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden . In Deak oordeelde het Hof dat het bij dergelijke wachtuitkeringen gaat om een prestatie die aan jeugdige werkzoekenden wordt toegekend uit hoofde van hun persoonlijke situatie en niet uit hoofde van hun hoedanigheid van gezinslid van een werknemer, met andere woorden het gaat om een eigen recht, waarop de gezinsleden van een migrerend werknemer bijgevolg geen aanspraak kunnen maken uit hoofde van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ( 42 ).
De in het arrest Kermaschek gegeven en in het arrest Deak bevestigde en op de bewuste wachtuitkering toegepaste interpretatie van de artikelen 2 en 3 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, lijkt me ook te moeten gelden voor artikel 41 van de Overeenkomst . Gelet op doel en strekking van de Overeenkomst en op de bewoordingen van artikel 41 dat gelijke behandeling op het oog heeft, kan immers niet worden aangenomen dat deze bepaling aan gezinsleden van een Marokkaanse werknemer verderreikende ( m.n . niet alleen afgeleide maar ook eigen ) rechten zou verlenen dan deze welke verordening ( EEG ) nr . 1408/71, die het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap op het oog heeft, verleent aan de gezinsleden van een werknemer uit de Gemeenschap . Daarom kan een gezinslid van een Marokkaans werknemer op basis van Artikel 41 van de Overeenkomst geen aanspraak maken op de bewuste wachtuitkering .
19 . In het arrest Deak werd echter ook onderzocht of, gelet op artikel 7, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 ( 43 ), de bewuste wachtuitkering mocht worden ontzegd aan de kinderen ( ongeacht hun nationaliteit ) van werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat . Deze vraag heeft het Hof ontkennend beantwoord omdat ingevolge voornoemd artikel 7, lid 2 alle sociale voordelen aan werknemers uit andere Lid-Staten moeten worden gewaarborgd welke geschikt zijn "om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken" ( 44 ). Welnu, zou aan de kinderen van een migrerend werknemer niet een wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden zijn gewaarborgd in de Lid-Staat waar hij zich heeft gevestigd en werk heeft gevonden, dan zou die werknemer "ertoe worden gebracht niet te blijven in d(i)e Lid-Staat" ( 45 ).
Voor werknemers van Marokkaanse nationaliteit bestaat er evenwel geen bepaling zoals artikel 7, lid 2 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 . Moet niettemin ingevolge het algemene discriminatieverbod van artikel 41 van de Overeenkomst worden aangenomen dat ook de kinderen van deze werknemers aanspraak kunnen maken op "sociale voordelen", daaronder begrepen wachtuitkeringen voor jeugdige werkzoekenden? Ik meen van niet . Uit de motivering van het arrest Deak blijkt duidelijk dat de beslissing van het Hof ingegeven was door overwegingen betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap . De Overeenkomst heeft evenwel niet de vergemakkelijking van de toegang van Marokkaanse werknemers tot de arbeidsmarkt van de Gemeenschap ( en vice versa ) op het oog en evenmin de migratie van deze personen binnen de Gemeenschap; enkel wil zij de gelijke behandeling verzekeren van reeds tot de arbeidsmarkt toegelaten werknemers . Gelet op doel en aard van deze overeenkomst kan aan artikel 41 ervan beslist niet dezelfde interpretatie worden gegeven als deze die het Hof in het arrest Deak gaf aan artikel 7, lid 2 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 .
Toegepast op de in het bodemgeschil voorliggende situatie betekent dit dat een persoon als Kziber op basis van het in artikel 41 van de Overeenkomst vervatte discriminatieverbod geen aanspraak kan maken op een wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden, al is die uitkering een sociaal voordeel in de zin van artikel 7 van verordening nr . 1612/68 .
20 . Rest nog de vraag of Kziber is te beschouwen als een "werknemer" in de zin van artikel 41 van de Overeenkomst, en of zij in die hoedanigheid aanspraak kan maken op de bewuste wachtuitkering .
Ook hier geldt dat het begrip "werknemer" moet worden geïnterpreteerd met inachtneming van het doel van de Overeenkomst en overeenkomstig de bewoordingen van de betrokken bepaling . Welnu, het komt mij voor dat de ruime interpretatie die het Hof heeft gegeven aan het begrip "werknemer" in de zin van artikel 48 van het EEG-Verdrag niet zomaar bij wege van analogie kan worden getransponeerd op het in artikel 41 van de Overeenkomst voorkomende begrip "werknemer ".
In de rechtspraak betreffende artikel 48 van het Verdrag wordt het begrip "werknemer" ruim geïnterpreteerd, omdat het de werkingssfeer bepaalt van een der fundamentele vrijheden van de Gemeenschap ( 46 ). De thans voorliggende overeenkomst heeft evenwel andere doelstellingen dan het EEG-Verdrag . Zoals hiervoor aangestipt beoogt zij niet de toegang van personen van Marokkaanse nationaliteit tot de arbeidsmarkt van de Gemeenschap te vergemakkelijken, noch de migratie van deze personen binnen de Gemeenschap te bevorderen . Zij strekt er enkel toe om personen van Marokkaanse nationaliteit die reeds werkzaam zijn ( of zijn geweest ) op het grondgebied van een Lid-Staat en de bij hen woonachtige gezinsleden te verzekeren van een niet-discriminatoire behandeling . Het feit dat iemand, zoals het geval blijkt te zijn voor Kziber, gedurende een zekere tijd was ingeschreven bij de diensten voor arbeidsbemiddeling van een Lid-Staat zonder echter ooit reële en daadwerkelijke arbeid in het kader van een ondergeschiktheidsverhouding te hebben verricht, volstaat derhalve niet om deze persoon te beschouwen als een "werknemer" in de zin van artikel 41 van de Overeenkomst .
5 . Conclusie
21 . Op grond van voorgaande beschouwingen geef ik U in overweging om de prejudiciële vraag van het Arbeidshof te Luik te beantwoorden als volgt :
"Artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko verzet er zich niet tegen dat een Lid-Staat een wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden waarin zijn wettelijke regeling voorziet, weigert toe te kennen aan een inwonend gezinslid van een werknemer van Marokkaanse nationaliteit om reden dat de werkzoekende van Marokkaanse nationaliteit is ."
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Belgisch Staatsblad, 18 januari 1964, blz . 506 .
( 2 ) Deze samenwerkingsovereenkomst werd namens de Gemeenschap goedgekeurd door verordening ( EEG ) nr . 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, PB 1978, L 264, blz . 1 . De overeenkomst trad in werking op 1 november 1978 .
( 3 ) Zie blz . 7 bovenaan van de verwijzingsbeslissing .
( 4 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 94/84, RVA/Deak, Jurispr . 1985, blz . 1873 .
( 5 ) Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, PB 1968, L 257, blz . 2 . In het bewuste tweede lid van artikel 7 wordt bepaald dat een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat op het grondgebied van andere Lid-Staten dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers .
( 6 ) Zie r.o . 20 tot en met 24 van het arrest . Over deze interpretatie verder hierna in nr . 19 .
( 7 ) Reeds aangehaald in noot 5 .
( 8 ) Zoals gewijzigd en bijgewerkt door verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 .
( 9 ) Zie het arrest van 30 september 1987, zaak 12/86, Demirel / Stad Schwaebisch Gmuend, Jurispr . 1987, blz . 3719, r.o . 7, met verwijzing naar het arrest van 30 april 1974, zaak 181/73, Haegeman, Jurispr . 1974, blz . 449, en het arrest van 14 november 1989, zaak 30/88, Griekenland/Commissie, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o . 12 .
( 10 ) Arrest van 20 september 1990, zaak C-192/89, Sevince/Staatssecretaris van Justitie, Jurispr . 1990, blz . I-3461, r.o . 11, met verwijzing naar de arresten van 26 oktober 1982, zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr . 1982, blz . 3641, en 16 maart 1983, gevoegde zaken 267/81 tot en met 269/81, SPI en SAMI, Jurispr . 1983, blz . 801 .
( 11 ) Arrest Demirel, reeds aangehaald in noot 9, r.o . 14 .
( 12 ) Zie het arrest Kupferberg, reeds aangehaald in noot 10 .
( 13 ) Zie het arrest van 5 februari 1976, zaak 87/75, Bresciani, Jurispr . 1976, blz . 129 .
( 14 ) Zie het arrest van 29 april 1982, zaak 17/81, Pabst & Richarz, Jurispr . 1982, blz . 1331 .
( 15 ) Zie het arrest Demirel, reeds aangehaald in noot 9, en het arrest Sevince, reeds aangehaald in noot 10 .
( 16 ) Zie het arrest van 12 december 1972, gevoegde zaken 21/72 tot en met 24/72, International Fruit Company, Jurispr . 1972, blz . 1219, r.o . 19-27, zoals bevestigd in het arrest van 24 oktober 1973, zaak 9/73, Schlueter, Jurispr . 1973, blz . 1135, het arrest van 16 maart 1983, zaak 266/81, SIOT, Jurispr . 1983, blz . 731, en het arrest van 16 maart 1983, gevoegde zaken 267/81 tot en met 269/81, SPI en SAMI, Jurispr . 1983, blz . 801 .
( 17 ) Arrest van 5 februari 1963, zaak 26/62, Jurispr . 1963, blz . 3 .
( 18 ) Zie de in noten 12 tot en met 15 aangehaalde rechtspraak, en de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Sevince, genomen ter terechtzitting van 15 mei 1990, Jurispr . 1990, blz . I-3473, nrs . 27 tot en met 28 .
( 19 ) Zie artikel 1 en de tweede alinea van de aanhef van de Overeenkomst .
( 20 ) Hiervoor aangehaald in noot 13 .
( 21 ) Hiervoor aangehaald in noot 10 .
( 22 ) Hiervoor aangehaald in noot 9 .
( 23 ) Hiervoor aangehaald in noot 14 .
( 24 ) Daarover de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Sevince, reeds aangehaald in noot 18, nrs . 22 tot en met 29 .
( 25 ) Zie de artikelen 44 tot en met 48 van de Overeenkomst .
( 26 ) Zie de artikelen 51 en 53 van de Overeenkomst .
( 27 ) Zie artikel 52 van de Overeenkomst, dat de beslechting van geschillen tussen de partijen, als zij niet door de Samenwerkingsraad kunnen worden opgelost, uitsluitend aan een scheidsgerecht "ad hoc" toevertrouwt .
( 28 ) Dit blijkt b.v ., voor wat betreft de regeling i.v.m . de beslechting van geschillen, uit het arrest Bresciani met betrekking tot de Overeenkomsten van Jaoende . Daarin wordt bepaald dat geschillen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomsten, zo zij niet in de Associatieraad kunnen worden bijgelegd, door een Arbitragehof zullen worden beslecht, dat door deze verdragen werd opgericht ( zie artikel 51 van de Overeenkomst van 1963 en artikel 53 van de Overeenkomst van 1969 ). Dit is een regeling die gelijkt op deze vervat in artikel 52 van de Samenwerkingsovereenkomst met Marokko . De omstandigheid dat, omwille van het gemengd karakter van een overeenkomst, geen verplichte of zelfs geen facultatieve jurisdictie wordt toegekend aan het Hof van Justitie, neemt overigens niet weg dat het Hof bevoegd is om de Overeenkomst uit te leggen in verband met binnen de Gemeenschap gerezen interpretatieproblemen : aldus uitdrukkelijk artikel 5 van het intern akkoord 80/1154/EEG inzake maatregelen en procedures ter toepassing van de tweede ACS-EEG-Overeenkomst ( PB 1980, L 347, blz . 206 ) en artikel 6 van het intern akkoord 86/127/EEG inzake maatregelen en procedures ter toepassing van de derde ACS-EEG-Overeenkomst ( PB 1986, L 86, blz . 221 ).
( 29 ) Zie het arrest International Fruit Company, hiervoor reeds aangehaald in noot 16 .
( 30 ) Hiervoor aangehaald in noot 10 .
( 31 ) Vergelijk de artikelen 51 en 53 van de Overeenkomst met Marokko met de in de artikelen 25 tot en met 31 van de Overeenkomst met Portugal vervatte mogelijkheden om eenzijdige of vrijwaringsmaatregelen te treffen, en artikel 52 van de Overeenkomst met Marokko met de in artikel 30 van de Overeenkomst met Portugal uitgestippelde verzoeningsprocedure . De Overeenkomst met Marokko bevat in verband met vrijwaringsmaatregelen een op zijn minst even nauw omlijnde regeling en in verband met geschillenbeslechting een meer verbindende regeling .
( 32 ) Vgl . de hiervoor ( nr . 10 ) aangehaalde r.o . 20 van het arrest Kupferberg, waarin het Hof de rechtstreekse werking aanvaardde van een bepaling "die een onvoorwaardelijke en nauwkeurige verplichting bevat en dus geen voorafgaand optreden ( van het door de Overeenkomst met Portugal ingestelde gemengde comité ) noodzakelijk maakt " ( cursivering toegevoegd ).
( 33 ) Overigens werd in het arrest Sevince ( reeds aangehaald in noot 10 ) gesteld dat bepalingen van een internationale overeenkomst zelfs rechtstreekse werking kunnen hebben in een geval waarin voor deze bepalingen nog verdere uitvoeringsmaatregelen ( in dat geval op nationaal vlak ) moeten worden getroffen . In r.o . 22 van het arrest werd in dat verband overwogen : "die bepalingen vormen immers slechts een nadere uitwerking van de verplichting van de Lid-Staten om uitvoeringsmaatregelen te treffen die in voorkomend geval voor de tenuitvoerlegging van die bepalingen noodzakelijk zijn, en zij verlenen de Lid-Staten niet de bevoegdheid, de toepassing van het nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijk recht aan voorwaarden te binden of te beperken ...".
( 34 ) Ongeacht de reikwijdte van die bepaling : daarover meer hierna, in nrs . 14 tot en met 20 van de tekst .
( 35 ) De overeenkomst trad immers in werking op 1 november 1978 ( zie hiervoor, noot 2 ).
( 36 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 21 juni 1974 in zaak 2/74, Reyners, Jurispr . 1974, blz . 631 .
( 37 ) Zie het arrest van 9 februari 1982, zaak 270/80, Polydor, Jurispr . 1982, blz . 329, r.o . 14 tot en met 21, en het arrest Kupferberg, reeds aangehaald in noot 10, r.o . 29 tot en met 31 .
( 38 ) Zie artikel 3, lid 1 juncto artikel 2, lid 1 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 .
( 39 ) Arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Jurispr . 1976, blz . 1669 .
( 40 ) Zie r.o . 7 tot en met 9 van het arrest .
( 41 ) Hiervoor reeds aangehaald in voetnoot 4 .
( 42 ) Zie r.o . 15 van het arrest .
( 43 ) Hiervoor aangehaald in noot 5 .
( 44 ) Zie r.o . 21 van het arrest .
( 45 ) Zie r.o . 23 .
( 46 ) Zie het arrest van 31 mei 1989, zaak 344/87, Bettray, Jurispr . 1989, blz . 1621, r.o . 11, met verwijzing naar het arrest van 3 juli 1986, zaak 66/85, Lawrie-Blum, Jurispr . 1986, blz . 2121 .
Full & Egal Universal Law Academy