Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het onderhavige beroep van de Commissie strekt tot vaststelling, dat de Helleense Republiek haar gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen, door het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk te stellen van de overlegging van een verklaring die vergezeld gaat van inlichtingen en bewijsstukken, en van het bijhouden van een dossier met gegevens die hetzij reeds op de verpakkingen, recipiënten of etiketten van deze produkten voorkomen, hetzij niet gerechtvaardigd zijn met het oog op een snelle en afdoende behandeling.
2. Bij richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976(1) (hierna: de "richtlijn") zijn de nationale wettelijke bepalingen inzake kosmetische produkten geharmoniseerd. Volgens artikel 7, lid 1, "is het de Lid-Staten niet toegestaan het in de handel brengen van kosmetische produkten die beantwoorden aan de voorschriften van deze richtlijn en haar bijlagen, te weigeren, te verbieden, of te beperken om redenen betreffende de eisen die zijn vervat in deze richtlijn en haar bijlagen".
3. In artikel 6, lid 1, wordt het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat op de verpakking, de recipiënt of het etiket ervan "in onuitwisbare letters, goed leesbaar en zichtbaar", bepaalde in dit lid opgesomde vermeldingen zijn aangebracht.
4. Voorts heeft een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 3, van de richtlijn de mogelijkheid te "eisen dat met het oog op een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid passende en voldoende informatie over stoffen die in kosmetische produkten zijn verwerkt ter beschikking wordt gesteld van de ter zake bevoegde instantie, die erop moet toezien dat van deze informatie alleen gebruik zal worden gemaakt voor de bedoelde behandelingen".
5. In het arrest Provide(2) overwoog het Hof, dat
"de richtlijn een volledige harmonisering van de nationale bepalingen inzake verpakking en etikettering (...) tot stand heeft gebracht"(3)
en dat ook de lijst van de in artikel 6, lid 1, van de richtlijn voorgeschreven vermeldingen uitputtend is.(4)
6. De Commissie stelt in haar beroep wegens niet-nakoming, dat het Griekse recht in tweeërlei opzicht onverenigbaar zou zijn met de richtlijn.
7. Zij doelt in de eerste plaats op presidentieel decreet nr. 532 van 23 mei 1981, dat in artikel 2 bepaalt, dat "kosmetische produkten in de handel kunnen worden gebracht zodra de fabrikant of, ten aanzien van de ingevoerde produkten, de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, bij de KEEPH(*) een verklaring heeft ingediend die de volgende inlichtingen en bewijsstukken omvat:
a) naam van het produkt,
b) vorm van het produkt,
c) kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van het produkt,
d) naam en adres van het laboratorium of de fabriek waar het produkt is vervaardigd,
e) naam, voornaam en adres van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen,
f) fysisch-chemische constanten en beschrijving van het produkt,
g) voorbeeld van de bijsluiter,
h) voorbeeld van de tekst vermeld op het etiket of op elke recipiënt."
8. Volgens de Commissie is deze bepaling in strijd met de richtlijn. Mijns inziens zouden de sub a, c en f vereiste vermeldingen in voorkomend geval de "passende en voldoende informatie over stoffen die in kosmetische produkten zijn verwerkt" kunnen vormen, waarvan de Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 3, van de richtlijn kan eisen dat zij "met het oog op een snelle en afdoende medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid" wordt verstrekt aan de ter zake bevoegde instantie. Naast de mededelingsverplichting jegens de nationale geneesmiddelencommissie bepaalt artikel 2, lid 2, van presidentieel decreet nr. 523/81 echter, dat "de fabrikanten, of de personen die verantwoordelijk zijn voor het in de handel brengen van kosmetische produkten, met het oog op een onmiddellijke en afdoende medische behandeling in geval van moeilijkheden verplicht zijn voldoende aanwijzingen en informatie over de stoffen die in hun produkten zijn verwerkt, ter beschikking te stellen van het Centrum voor toxicologie. Het Centrum voor toxicologie ziet erop toe, dat van deze informatie alleen gebruik zal worden gemaakt voor de medische behandeling". Deze bepaling lijkt de uitwerking te zijn van de in artikel 7, lid 3, van de richtlijn voorziene optie.
9. Wanneer een Lid-Staat op grond van een richtlijn mag eisen, dat ter voorkoming van eventuele gevaren voor de volksgezondheid bepaalde informatie wordt verstrekt aan de ter zake bevoegde instantie, is daarmee niet gezegd dat de nationale wetgeving die verstrekking van dergelijke informatie aan verscheidene instellingen voorschrijft, onverenigbaar is met de richtlijn. Gegeven de bestuurlijke organisatie van een Lid-Staat zou het gerechtvaardigd kunnen zijn, dat twee instanties, die beide bevoegd zijn het publiek snel in te lichten over de maatregelen die moeten worden getroffen in geval van door een kosmetisch produkt veroorzaakte stoornissen van de gezondheid, de daartoe vereiste informatie ontvangen, en met name die betreffende de samenstelling van het produkt. Aan de andere kant is het echter niet uitgesloten, dat een Lid-Staat die mededelingsverplichtingen jegens diverse instellingen creëert - zelfs wanneer hij dit doet om redenen van volksgezondheid -, meer afwijkt van het beginsel van het vrije verkeer van goederen dan de richtlijn toestaat.
10. Het Hof hoeft evenwel zeker thans niet over deze netelige kwestie te beslissen. Het kan er mijns inziens mee volstaan vast te stellen, dat van de informatie die moet worden verstrekt aan de nationale geneesmiddelencommissie, de vermeldingen sub b, d, e, g en h niet noodzakelijk zijn met het oog op een snelle medische behandeling in geval van stoornissen van de gezondheid.
11. Ter terechtzitting heeft de Griekse regering gewezen op een presidentieel decreet (nr. 40/91) van 28 februari 1991, waarbij decreet nr. 532/81 zou zijn ingetrokken. De Commissie heeft geen afstand gedaan van haar beroep. Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat wanneer de oorzaak van het verzuim na het instellen van het beroep wegvalt, dit niet van invloed is op de gegrondheid van het beroep van de Commissie.(5) Het is aan haar om los van de door haar ingestelde procedure, de nieuwe nationale wettelijk bepaling te onderzoeken en te bepalen, of deze de richtlijn op de juiste wijze in nationaal recht omzet. Blijkens de stukken van het dossier wil de Griekse regering enkele van de inlichtingen laten vervallen die moesten worden opgenomen in de aanmelding bij de nationale geneesmiddelencommissie. De eerder aangeroerde netelige kwestie zal in voorkomend geval alsnog ter beslissing aan het Hof kunnen worden voorgelegd. In de omstandigheden van het onderhavige geval dient het Hof mijns inziens hierover thans echter geen uitspraak te doen.
12. Over het tweede punt waarop volgens de Commissie onverenigbaarheid bestaat, kan ik korter zijn. Het gaat hier om artikel 5 van presidentieel decreet nr. 532/81, volgens hetwelk iedere fabrikant, of persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een kosmetisch produkt, op het kantoor van zijn onderneming in Griekenland voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier moet bijhouden met alle gegevens betreffende de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling, de fysisch-chemische constanten, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode, zodat de fabrikant of de importeur in geval van steekproefsgewijze controle de kenmerken van het produkt kan aantonen.
13. Bij brief van 23 februari 1987 van haar Permanente Vertegenwoordiging liet de Griekse regering de Commissie weten, dat deze eis zou worden geschrapt.
14. Het is de Lid-Staten immers krachtens geen enkele bepaling van de richtlijn toegestaan, een dergelijke bepaling vast te stellen.
15. Op dit punt lijkt het door de Griekse regering ter terechtzitting genoemde decreet nr. 40/91 het Griekse recht in overeenstemming met de richtlijn te hebben gebracht. Dit neemt echter niet weg, dat de Griekse regering het met redenen omkleed advies niet binnen de gestelde termijn heeft opgevolgd en dat het verzuim ter zake vaststaat.
16. Resumerend geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten,
a) door het in de handel brengen van kosmetische produkten afhankelijk te stellen van de indiening van een verklaring bij de ter zake bevoegde nationale instantie, die andere informatie bevat dan die welke een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 3, van genoemde richtlijn kan verlangen,
b) door van iedere fabrikant en iedere persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een kosmetisch produkt te verlangen, dat hij op het kantoor van zijn onderneming in Griekenland voor elk vervaardigd of ingevoerd produkt een dossier bijhoudt met alle gegevens betreffende de samenstelling, de kenmerken, de beschrijving van het produkt, het fabricage- en controleverslag van iedere partij en de voor deze controle gebruikte methode;
2) de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - Betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PB 1976, L 262, blz. 169).
(2) - Arrest van 23 november 1989 (zaak C-150/88, Jurispr. 1989, blz. 3891).
(3) - Rechtsoverweging 28.
(4) - Zie rechtsoverweging 17.
(*) - NvdV: nationale geneesmiddelencommissie.
(5) - Bij voorbeeld arrest van 21 september 1978 (zaak 69/77, Commissie/Italië, Jurispr. 1978, blz. 1749).
Full & Egal Universal Law Academy