Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1. In de onderhavige niet-nakomingsprocedure, die in nauw verband staat met de zaak Ryborg(1), verwijt de Commissie het Koninkrijk Denemarken dat dit richtlijn 83/182/EEG betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap(2), met name artikel 9, lid 3, daarvan, niet heeft uitgevoerd. Zij vormt voor mij aanleiding, de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van beroepen krachtens artikel 169 te verduidelijken.
2. In het hiernavolgende zou ik mij willen beperken tot een korte bespreking van het door de richtlijn omlijnde kader en van het verband met de zaak Ryborg. Voorts zal ik de verschillende punten noemen die als mogelijk voorwerp van het beroep of van de precontentieuze procedure moeten worden onderzocht; voor het overige wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
3. De doelstelling van de richtlijn wordt in de eerste twee overwegingen van de considerans omschreven als volgt:
"Overwegende dat het vrije verkeer van ingezetenen van de Gemeenschap binnen de Gemeenschap wordt belemmerd door de belastingregelingen die worden toegepast bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen voor persoonlijk of beroepsmatig gebruik;
Overwegende dat het opheffen van de door deze belastingregelingen veroorzaakte belemmeringen vooral noodzakelijk is voor de vorming van een economische markt met soortgelijke kenmerken als een binnenlandse markt."
4. Om deze redenen bevat de richtlijn - voor wat betreft de omzetbelasting, accijnzen en alle andere verbruiksbelastingen, alsmede de in de bijlage genoemde belastingen (voor Denemarken de Vaegtafgift af motorkoeretoejer) - in de artikelen 3 tot en met 6 bepalingen over de belastingvrije invoer van bepaalde vervoermiddelen, waaronder personenvoertuigen. Bovendien bevatten de artikelen 7, 8 en 9, lid 3, regels ter bepaling van de gewone verblijfplaats, waardoor zij een criterium geven aan de hand waarvan in twijfelgevallen antwoord kan worden gegeven op de vraag, welke van de twee in aanmerking komende landen belasting mag heffen en - omgekeerd - welk land het land van "tijdelijke invoer" is.
5. De uitlegging van een van deze bepalingen, artikel 7, stond centraal in de zaak Ryborg. In die zaak was aan het Deense Hoejesteret een geval voorgelegd waarin de verdachte overtreding van de Deense belastingvoorschriften ten laste was gelegd. In eerste en tweede aanleg was hij ter zake veroordeeld tot betaling van BTW over de invoer van een in Duitsland geregistreerde auto alsmede tot een boete wegens de illegale invoer van dit voertuig. Hierbij was men ervan uitgegaan dat Ryborg, destijds Deens staatsburger, die sinds 1973 in Duitsland een woning had en aldaar werkzaam was, sedert november 1982 in Denemarken woonde. Deze stelling was hierop gebaseerd, dat betrokkene volgens zijn eigen verklaring van juli/augustus 1982 tot aan de inbeslagneming van zijn auto op 17 januari 1984 vrijwel iedere nacht en de meeste weekends in Denemarken bij een vriendin had doorgebracht; voor de reis naar Denemarken en terug had hij steeds zijn eigen personenwagen gebruikt, maar sinds november 1982 gebruikte hij een nieuwe auto die hij rond die tijd had gekocht. Op verzoek van verdachte verzocht het Hoejesteret het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om uitlegging van artikel 7, lid 1, van de richtlijn in het licht van de hem voorgelegde feiten. Het Hof verklaarde in deze zaak voor recht:
"1) De gewone verblijfplaats in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, is de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft; deze plaats moet worden bepaald aan de hand van alle in genoemde bepaling vermelde criteria en van alle relevante feitelijke elementen. Daarbij moet worden gepreciseerd, dat het enkele feit dat een onderdaan van Lid-Staat B, die naar Lid-Staat A is verhuisd, waar hij werk en huisvesting heeft gevonden, vanaf een bepaald tijdstip met behoud van zijn werk en zijn woning in Lid-Staat A meer dan een jaar lang nagenoeg alle nachten en weekends bij een vriendin in Lid-Staat B heeft doorgebracht, niet volstaat om te concluderen, dat hij zijn gewone verblijfplaats naar Lid-Staat B heeft overgebracht."
6. Het Hoejesteret stelde eveneens een vraag over de uitlegging en de rechtstreekse werking van artikel 10, lid 2, van de richtlijn, dat luidt als volgt:
"Wanneer de praktische toepassing van deze richtlijn op moeilijkheden stuit, nemen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten in onderlinge overeenstemming de noodzakelijke besluiten, met name rekening houdende met de overeenkomsten en communautaire richtlijnen op het gebied van wederzijdse bijstand."
7. Het Hof oordeelde hierover als volgt:
"Artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182/EEG verplicht de Lid-Staten niet, overleg te plegen in elk individueel geval waarin de toepassing van de richtlijn moeilijkheden oplevert.
Particulieren kunnen zich voor de nationale rechterlijke instanties niet beroepen op artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182/EEG."
8. Naar aanleiding van de uitspraken van de lagere Deense rechters in die zaak diende Ryborg klachten in bij het Europees Parlement en bij de Commissie. Dit blijkt uit een brief van de Commissie van 11 juli 1985 aan de verwerende Lid-Staat. In deze brief wees de Commissie erop, dat de door Ryborg gemaakte reizen geen verandering brachten in zijn rechtspositie ten aanzien van de communautaire regels betreffende de verblijfplaats. Zij deed hierbij een beroep op artikel 9, lid 3, van de richtlijn, dat onder meer het volgende bepaalt:
"Het Koninkrijk Denemarken wordt gemachtigd tot handhaving van de in Denemarken geldende voorschriften met betrekking tot de gewone verblijfplaats volgens welke iedereen, studenten daaronder begrepen voor het geval bedoeld in artikel 5, lid 1, sub b, geacht wordt zijn gewone verblijfplaats in Denemarken te hebben als hij er in een tijdvak van 24 maanden gedurende één jaar of 365 dagen verblijft.
Om evenwel elke dubbele heffing te vermijden:
- wanneer de toepassing van deze voorschriften ertoe leidt te besluiten dat een persoon twee verblijfplaatsen heeft, bevindt de normale verblijfplaats van deze persoon zich op de plaats waar zijn echtgenote en zijn kinderen verblijven;
- in soortgelijke gevallen pleegt het Koninkrijk Denemarken met de andere betrokken Lid-Staat overleg om te bepalen welke van de twee verblijfplaatsen voor de belasting moet worden gekozen."
9. De Commissie was van mening, dat in het geval van Ryborg niet kon worden gezegd dat hij in een tijdsbestek van 24 maanden een jaar of 365 dagen in Denemarken had doorgebracht, aangezien hij zich slechts bij gelegenheid naar dit land had begeven. Bovendien moest haars inziens het begrip "echtgenote" in de zin van artikel 9, lid 3, tweede alinea, eerste gedachtenstreepje, eng worden uitgelegd, zodat het niet kon worden toegepast op Ryborg, die niet getrouwd was met de persoon die hij bezocht.
10. Deze brief werd gevolgd door de in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde aanmaningsbrief en een met redenen omkleed advies, waarna de Commissie ten slotte het onderhavige beroep instelde. In de aanmaningsbrief maakt de Commissie bepaalde toespelingen op een tweede geval (naast de zaak Ryborg), namelijk het geval Hansen. De details van deze zaak werden vervolgens in het met redenen omklede advies geschetst: Hansen, een Duits staatsburger, ging in de weekends en soms ook door de week naar Denemarken om zijn zoon te bezoeken, die daar bij zijn moeder woonde, met wie Hansen niet gehuwd was; op grond van deze feiten werd Hansen (naar het schijnt wegens belastingontduiking) veroordeeld.
11. De Commissie wijst er in de aanmaningsbrief en in het met redenen omklede advies op, dat artikel 9, lid 3, restrictief moet worden uitgelegd, zodat indien een persoon binnen een periode van 24 maanden minder dan een jaar of 365 dagen in Denemarken verblijft, in geen geval kan worden aangenomen dat hij zijn verblijfplaats in Denemarken heeft. Volgens beide brieven blijkt uit de zaken Hansen en Ryborg, dat de Deense autoriteiten - ten onrechte - ervan uitgaan dat personen die in een tijdsbestek van 24 maanden minder dan één jaar of 365 dagen in Denemarken verblijven, aldaar hun gewone verblijfplaats hebben indien zij een "vriendin" of kind bezoeken.(3)
12. In beide brieven merkte de Commissie op, dat het begrip "echtgenoot" slechts betrekking heeft op een persoon die met degene wiens woonplaats ter discussie staat, volgens de wet gehuwd is.
13. Uit de aangehaalde feiten trekt zij de conclusie dat artikel 9, lid 3, dat alleen op Denemarken van toepassing is, niet is nageleefd, en dat artikel 7 voor Denemarken niet geldt.
14. Ten slotte beroept zij zich in het met redenen omkleed advies onder verwijzing naar het arrest Abbink(4) op het verbod van dubbele belasting dat geldt indien een voertuig tijdelijk wordt gebruikt in een andere Lid-Staat dan die waar het is geregistreerd.
15. In haar antwoord op het met redenen omkleed advies voert de Deense regering aan, dat artikel 9, lid 3, niet de enige bepaling op het gebied van de gewone verblijfplaats is die op Denemarken van toepassing is, maar dat ook de algemene regel van artikel 7 geldt. Naast haar opmerkingen over de uiteenzetting van de Commissie in het met redenen omkleed advies, maakt zij een opmerking over artikel 9, lid 3, tweede alinea, tweede gedachtenstreepje, van de richtlijn. Hierbij voert zij aan dat Denemarken in 1986 en 1987 met de Bondsrepubliek Duitsland over de in deze bepaling genoemde overlegprocedure heeft onderhandeld en dat het resultaat van deze onderhandelingen is vastgelegd in een briefwisseling. Deze briefwisseling zou bevestigen, dat de Duitse autoriteiten in alle opzichten akkoord waren met de manier waarop Denemarken meende de richtlijn (inzonderheid artikel 9) op Deens grondgebied te moeten uitvoeren.
16. Het verzoekschrift van de Commissie bestaat uit twee delen. In het eerste deel (feiten en procedure) wordt eerst een overzicht gegeven van het doel en de relevante bepalingen van de richtlijn (A), vervolgens een samenvatting van de briefwisseling die aan het beroep vooraf is gegaan (B) en ten slotte, "voor de goede orde", een verwijzing naar de (destijds nog aanhangig zijnde) zaak Ryborg (C). Volgens de Commissie tonen de in deze zaak gestelde prejudiciële vragen aan, dat de in casu aan de orde gestelde fiscale problemen van grote betekenis zijn en dat met de vaststelling van de richtlijn werd beoogd het vrije verkeer van de inwoners van de Gemeenschap te verzekeren.
17. Het tweede deel van het verzoekschrift, dat de Commissie aanduidt als "juridisch standpunt", begint met het onderdeel "voorkoming van dubbele belasting", waarin de Commissie onder verwijzing naar artikel 9, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn en de arresten Profant(5), Ledoux(6) en Abbink(7) verschillende aspecten behandelt van de huidige bescherming tegen dubbele belasting bij tijdelijke invoer van in een andere Lid-Staat geregistreerde vervoermiddelen. Vervolgens bespreekt zij in het tweede onderdeel, betreffende de "samenwerking met de autoriteiten van andere Lid-Staten", de uitlegging van de artikelen 10, lid 2, en 9, lid 3 (waarbij wordt gedoeld op artikel 9, lid 3, tweede alinea, tweede gedachtenstreepje); zij komt tot de conclusie, dat de Lid-Staten volgens deze bepalingen verplicht zijn tot samenwerking ten einde dubbele belasting op voertuigen, in die gevallen waarin twee Lid-Staten registratie van een zelfde voertuig eisen, te voorkomen. Aan het einde van dit onderdeel betoogt zij dat Denemarken blijkens haar antwoorden (op de brief van 11 juli 1985, de aanmaningsbrief en het met redenen omklede advies) nooit heeft erkend dat de Deense autoriteiten bij de beoordeling van klachten over de praktische toepassing van de richtlijn verplicht zijn in overleg met andere betrokken Lid-Staat te bepalen op welke wijze dubbele belasting moet worden voorkomen.
18. Aan het slot van haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door de bepalingen van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, met name artikel 9, lid 3, van deze richtlijn, niet uit te voeren, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- het Koninkrijk Denemarken in de kosten te veroordelen.
19. Verweerder is van mening dat het beroep om verschillende redenen niet-ontvankelijk is en voor het overige ongegrond. Hij concludeert dat het den Hove behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, het beroep te verwerpen;
- de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
B - Beoordeling
20. I - Alvorens de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep te onderzoeken, wil ik in de eerste plaats beklemtonen dat de ondubbelzinnige formulering van de conclusies van het verzoekschrift enkele grieven dekt betreffende de niet-nakoming van de richtlijn. Waar de Commissie in haar verzoekschrift onder verwijzing naar het arrest Abbink ingaat op de in de arresten Schul(8) ontwikkelde verplichting van de Lid-Staten ex artikel 95 EEG-Verdrag, rekening te houden met het resterende bedrag aan BTW dat in de Lid-Staat van uitvoer is betaald en dat op het moment van invoer nog in de waarde van het produkt begrepen is, wordt hierover in de conclusies van het verzoekschrift niet gesproken. In verband met de belasting op voertuigen die in andere Lid-Staten zijn geregistreerd, hebben de conclusies evenmin betrekking op de gevallen die - naar de mening van de Commissie - nog niet onder de richtlijn vallen omdat zij zich voor haar inwerkingtreding hebben voorgedaan. Voor zover de Commissie deze gevallen onder het kopje "voorkoming dubbele belasting" noemt en in dit verband aan de arresten Profant en Ledoux refereert, moet dit slechts als een verduidelijking van de opgeworpen problemen worden gezien. Kortom, de beoordeling van de ontvankelijkheid kan zich niet uitstrekken tot problemen in verband met dubbele belasting die niet onder de in de conclusies genoemde richtlijn vallen.
21. II - In het kader van de aldus afgebakende beoordeling van de ontvankelijkheid moet thans worden vastgesteld, of de Commissie zich heeft gehouden aan artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten.
22. 1. In dit verband wil ik wederom de conclusies van de Commissie als uitgangspunt nemen, ten einde vast te stellen in hoeverre het voorwerp van het geschil en de middelen reeds voldoende nauwkeurig vaststaan of dat daarentegen de uiteenzetting van de middelen nog nadere gegevens moest bevatten ten einde aan bovengenoemde bepaling te voldoen.
23. a) In de eerste plaats moet ten aanzien van het voorwerp van geschil worden vastgesteld, dat de Commissie Denemarken blijkens de in casu ingediende conclusies verwijt, de bepalingen van richtlijn 83/182, met name artikel 9, lid 3, niet te hebben toegepast. De rechtsregel die zou zijn geschonden, wordt derhalve slechts door een verwijzing naar de richtlijn aangeduid, zij het dan dat er een artikel in het bijzonder wordt genoemd. Indien men naar deze richtlijn kijkt, stelt men vast dat zij een groot aantal zeer verschillende situaties regelt, die zowel op de invoerprocedure als op de problemen in verband met de vaststelling van de gewone woonplaats betrekking hebben. Artikel 10 regelt voorts - afgezien van de verplichting tot omzetting - bepaalde nevenverplichtingen van de Lid-Staten. Hieruit volgt dat het voorwerp van het geschil in de conclusies nog niet voldoende was gepreciseerd. Verzoekster moest derhalve in haar verzoekschrift uiteenzetten, welke bepaling van de richtlijn de verwerende Lid-Staat heeft geschonden. Voor een juiste afbakening van het voorwerp van het beroep is namelijk onontbeerlijk dat in het verzoekschrift de grieven worden vermeld waarover een uitspraak van het Hof wordt gevraagd.(9)
24. b) Wat de aangevoerde middelen betreft was deze nauwkeurigheid des te meer noodzakelijk. De Commissie geeft namelijk in haar verzoekschrift - naar mijn mening tegen haar gewoonte in - zelfs geen beknopte omschrijving van de concrete feiten, met andere woorden van de gedraging die naar haar mening schending van het Verdrag oplevert.(10) Zij gebruikt veeleer de abstracte bewoordingen: Denemarken heeft het Verdrag geschonden omdat het de richtlijn niet heeft uitgevoerd.
25. 2. Welke noodzakelijke preciseringen bevat het verzoek van de Commissie nu eigenlijk?
26. a) Ten aanzien van de vermelding van de geschonden rechtsregels moet worden vastgesteld dat het verzoekschrift - afgezien van enkele regels die onder het kopje "voorkoming van dubbele belasting" worden genoemd, maar die niet in de conclusies zijn opgenomen(11) - slechts naar artikel 9, lid 3, en artikel 10, lid 2, van de richtlijn verwijst. Deze verwijzing voldoet echter niet aan de reeds genoemde eisen van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering.
27. aa) Wat in de eerste plaats artikel 9, lid 3, betreft, moet worden vastgesteld, dat de Commissie uit deze bepaling naar het schijnt twee verschillende regels afleidt waarvan de schending voorwerp van geschil zou kunnen zijn. In haar weergave van de precontentieuze procedure betoogt zij dat in de aan haar voorgelegde gevallen artikel 9, lid 3, geen grond vormt om aan te nemen, dat de betrokken autobestuurders hun gewone woonplaats in Denemarken hebben(12) en dat de Deense gewoonte om bij tijdelijke invoer van een voertuig belastingvrijstelling te weigeren, in strijd is met de bepalingen van de richtlijn.(13) Het schijnt de Commissie er hier derhalve om te doen te zijn, dat Denemarken de omschrijving van het begrip "gewone woonplaats" in de zin van genoemde bepaling verkeerd heeft uitgelegd (en derhalve niet heeft gehandeld overeenkomstig de uit de richtlijn voortvloeiende verplichting, belastingvrijstelling te verlenen indien er, bij gebreke van een gewone woonplaats in Denemarken, slechts sprake is van tijdelijke invoer).
28. In het laatste deel van het verzoekschrift ("samenwerking met de fiscale autoriteiten van de andere Lid-Staten") trekt de Commissie uit artikel 9, lid 3 - ditmaal in samenhang met artikel 10, lid 2 - de volgende conclusie:
"De bepalingen van artikel 9, lid 3, juncto artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182/EEG van de Raad kunnen derhalve uitsluitend aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten verplichten samen te werken ten einde dubbele belasting op voertuigen te voorkomen indien twee staten registratie van hetzelfde voertuig eisen."
29. Artikel 9, lid 3, wordt in zoverre derhalve beschouwd als de grondslag voor een verplichting tot samenwerking tussen de Lid-Staten.
30. In het verzoekschrift wordt nergens duidelijk gezegd dat Denemarken (een van) beide genoemde rechtsregels heeft geschonden. Slechts in verband met de plicht tot samenwerking merkt de Commissie zoals gezegd op, dat Denemarken deze verplichting "nooit heeft erkend". Dit hoeft echter niet te betekenen, dat de Commissie genoemde plicht (ofwel de hieraan ten grondslag liggende rechtsregel) geschonden acht.
31. De bedoelingen van de Commissie kunnen evenmin uit de enkele vermelding van de twee genoemde standpunten worden afgeleid. De bepaling die zij in beide gevallen geschonden acht - artikel 9, lid 3 - is namelijk zo opgebouwd, dat het gedeelte waaruit de Commissie de verplichting tot samenwerking afleidt - tweede alinea, tweede gedachtenstreepje - slechts aan de orde kan komen indien aan de voorwaarden van artikel 9, lid 3, eerste alinea, is voldaan, aangezien deze bepaling alleen in dat geval tot dubbele belasting kan leiden. Uit het verzoekschrift blijkt niet, of de Commissie aanneemt dat in het onderhavige geval al dan niet aan deze voorwaarden was voldaan. In de precontentieuze procedure, die in het eerste deel van het verzoekschrift is samengevat, had de Commissie enerzijds als haar mening naar voren gebracht, dat Denemarken de eerste alinea toepaste, hoewel aan de hierin gestelde voorwaarden niet was voldaan(14); anderzijds had zij Denemarken tegengeworpen dat het het begrip "echtgenoot" verkeerd had uitgelegd(15), wat ervoor lijkt te pleiten dat zij ervan uitging dat aan de voorwaarden van de eerste alinea was voldaan.
32. Derhalve is het niet alleen onzeker, welk voorschrift in verband met de gewone woonplaats zou zijn overtreden, maar kan bovendien niet worden uitgesloten dat de Commissie zich beroept op schending van rechtsregels die in geen geval door een en dezelfde feitelijke gebeurtenis(16) tegelijkertijd kunnen zijn overtreden.
33. In dit kader moeten nog twee aspecten worden toegelicht.
34. Ten eerste moet, wat de verplichting tot samenwerking betreft, uit het eerder aangehaalde citaat uit het verzoekschrift worden afgeleid dat het de Commissie te doen is om de beweerde verplichting tot samenwerking in incidentele gevallen, en niet om de eventuele verplichting tot het vaststellen van overlegprocedures met algemene werking. Deze opzet van het verzoekschrift wordt door de conclusie van repliek duidelijk bevestigd.
35. In de tweede plaats heeft de Commissie pas in repliek te kennen gegeven, dat zij niet meer het in de precontentieuze procedure ingenomen standpunt huldigt, dat artikel 7 van de richtlijn niet op Denemarken van toepassing is.(17) Het verzoekschrift wekt daarentegen de indruk, dat wanneer Denemarken bij de betrokken invoer heeft vastgesteld dat de normale woonplaats van de betrokken persoon in Denemarken lag (en om die reden geen belastingvrijstelling heeft verleend), dit slechts een kwestie van schending (verkeerde toepassing) van artikel 9, lid 3, kan zijn.
36. Hieruit volgt dat de Commissie in haar verzoekschrift noch uitdrukkelijk, noch concludent heeft uiteengezet, welke van de haars inziens in artikel 9, lid 3, van de richtlijn vervatte rechtsregels, en derhalve welke verplichtingen, de verwerende Lid-Staat zou hebben geschonden.
37. bb) Uit het voorgaande blijkt voorts, dat ook de niet- nakoming van de uit artikel 10, lid 2, van de richtlijn voortvloeiende verplichting onvoldoende duidelijk is uiteengezet, aangezien deze bepaling niet afzonderlijk is behandeld, maar samen met artikel 9, lid 3, is aangevoerd als grondslag voor de op de Lid-Staten rustende verplichting tot samenwerking.
38. b) Bovendien ben ik van mening, dat de Commissie geen middelen heeft aangevoerd die aan artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering voldoen. Ingevolge deze bepaling dient de verzoekende partij ter ondersteuning van haar grieven concrete feiten aan te voeren, hetgeen in casu niet is gebeurd.
39. De enige concrete feiten die in het verzoekschrift - maar ook in de hele precontentieuze procedure - worden genoemd, zijn de zaken Hansen en Ryborg. Blijkens punt I.B.5 van het verzoekschrift zijn deze gevallen echter niet het voorwerp van geschil. Daar heet het dat de door de Commissie vermelde klachten er slechts toe hadden gediend te illustreren, hoezeer de Deense gewoonte, belastingvrijstelling bij tijdelijke invoer van voertuigen uit een andere Lid-Staat te weigeren, in strijd was met de bepalingen van de richtlijn. Buiten de twee genoemde zaken wordt niet gezegd waarin de bestreden gewoonte bestaat.
40. Het ontbreekt derhalve aan concrete feiten. Hieraan doet niet af dat de Commissie, onder punt I.C. van haar verzoekschrift, zaak C-297/89 met name vermeldt, aangezien zij deze zaak slechts "voor de goede orde" vermeldt en daar deze zaak volgens de Commissie aantoont, hoe belangrijk de in het onderhavige geval aan de orde gestelde fiscale problemen zijn en wat de doelstelling van de richtlijn is.
41. Het bezwaar van de Commissie tegen de stelling dat geen concrete feiten zijn vermeld, namelijk dat een verzoekschrift moet worden gezien in samenhang met de stukken van de precontentieuze procedure (aanmaningsbrief, met redenen omkleed advies), is ongegrond. Volgens de rechtspraak van het Hof moeten in procedures op grond van artikel 169 de juridische en feitelijke gronden waarop de grieven van de Commissie zijn gebaseerd, althans in beknopte vorm, in het verzoekschrift zelf worden opgenomen en is een verwijzing naar de stukken van de precontentieuze procedure daartoe onvoldoende.(18) Dergelijke verwijzingen kunnen hooguit in aanmerking worden genomen indien zij bedoeld zijn om de strekking van de in het verzoekschrift aangevoerde grieven te verduidelijken.(19) Gelet op deze beginselen is het a fortiori onaanvaardbaar wanneer de Commissie, zoals in het onderhavige geval, zelfs niet uitdrukkelijk naar de stukken van de precontentieuze procedure verwijst en het Hof en verweerder daardoor volledig in onzekerheid laat omtrent de werkelijke gronden van het beroep. In de tweede plaats geldt het onderhavige gebrek niet alleen voor het verzoekschrift, maar ook voor het met redenen omkleed advies - ik kom hier zo dadelijk op terug -, zodat een beschouwing in samenhang met de stukken van de precontentieuze procedure evenmin zinvol is.
42. III - Ten slotte is het verzoekschrift niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een regelmatig verlopen precontentieuze procedure.
43. 1. De reeds genoemde bijzonderheid, dat de Commissie tot staving van haar grieven geen concrete feiten vermeldt, betreft niet alleen het verzoekschrift, maar ook het met redenen omkleed advies. De opmerking dat de zaken Ryborg en Hansen slechts dienen om het aan de orde zijnde uitleggingsprobleem te verduidelijken, vindt men daar onder punt 5 A; zij wordt voorafgegaan door de aanvullende opmerking, dat de bedenkingen van de Commissie niet betekenen dat zij het niet eens is met de in de betrokken gevallen genomen beslissingen.
44. Volgens vaste rechtspraak is het een essentiële voorwaarde voor een regelmatig verloop van de precontentieuze procedure bedoeld in artikel 169 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staat in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken. Deze mogelijkheid vormt voor de betrokken Lid-Staat - ook wanneer hij meent hiervan geen gebruik te moeten maken - een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg.(20) Uit dit beginsel heeft het Hof afgeleid(21) dat het met redenen omklede advies.
"een coherente, gedetailleerde uiteenzetting (moet) bevatten van de redenen die de Commissie tot de overtuiging hebben gebracht, dat de betrokken Lid-Staat een van de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen".
45. Aan deze voorwaarden wordt niet voldaan indien de Commissie niet aangeeft, welke handeling of welk nalaten als niet-nakoming moet worden beschouwd. Daardoor moet de betrokken Lid-Staat gissen naar de werkelijke gronden waarop de grieven van de Commissie berusten; daardoor wordt afbreuk gedaan aan zijn recht op het kenbaar maken van zijn standpunt en wordt het doel van de precontentieuze procedure, de eerbiediging van de beginselen van het recht, gemist.
46. 2. De precontentieuze procedure is nog onregelmatig op een ander punt, aangaande de grief in verband met de verplichting tot samenwerking. De Commissie heeft namelijk noch in de aanmaningsbrief, noch in het met redenen omkleed advies een dergelijke grief opgeworpen of hiervan ook maar gewag gemaakt.(22) Voor zover de Commissie zich dienaangaande in haar verzoekschrift op artikel 10, lid 2, van de richtlijn baseert, moet worden vastgesteld dat deze bepaling in de precontentieuze procedure nergens is genoemd. Wat vervolgens artikel 9, lid 3, tweede alinea, tweede gedachtenstreepje, betreft, deze bepaling wordt weliswaar in de aanmaningsbrief en in het redenen omkleed advies genoemd, maar slechts als onderdeel van een letterlijk citaat van het gehele artikel 9, lid 3. De conclusies die de Commissie hieruit trekt hebben echter slechts betrekking op een onjuiste toepassing van de eerste alinea, respectievelijk miskenning van het begrip "echtgenoot" in de zin van de tweede alinea, eerste gedachtenstreepje. Niets wijst erop, dat de Commissie Denemarken ook een verwijt wilde maken van schending van een verplichting tot samenwerking, die zij uit de tweede alinea, tweede gedachtenstreepje, afleidt.
47. Overeenkomstig het hiervoor genoemde doel van de precontentieuze procedure gaat de rechtspraak ervan uit, dat de aanmaningsbrief het voorwerp van geschil moet afbakenen.(23) Het met redenen omkleed advies en het beroep moeten op dezelfde overwegingen en middelen berusten.(24) Aan deze voorwaarden voldoet de onderhavige grief niet. De Commissie heeft ook verder geen enkele brief aan de Deense regering overgelegd die de nodige informatie bevatte en op grond waarvan onder omstandigheden een uitzondering zou kunnen worden gemaakt op de voorwaarden waaraan de aanmaningsbrief en het met redenen omklede advies moeten voldoen.(25)
48. 3. De in de twee voorgaande paragrafen vastgestelde onregelmatigheden van de precontentieuze procedure worden niet gedekt door het feit dat verweerder in zijn antwoord op het met redenen omkleed advies een standpunt heeft ingenomen over de gebeurtenissen in de zaken Ryborg en Hansen en over de verplichting tot overleg in de zin van artikel 9, lid 3, tweede alinea, tweede gedachtenstreepje, van de richtlijn. Door dit antwoord wordt het voorwerp van geschil niet verruimd en worden de onregelmatigheden van deze procedure niet gedekt.(26)
C - Conclusie
49. Uit al deze overwegingen volgt, dat het onderhavige beroep om een groot aantal redenen niet-ontvankelijk is. Gezien de onduidelijke aanduiding van het voorwerp van het geschil en de gronden van het beroep lijkt het mij onmogelijk, en gezien het aantal en de ernst van de gebreken overigens onjuist, subsidiair op de gegrondheid van het beroep in te gaan. Ik geef het Hof derhalve in overweging
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- de Commissie overeenkomstig artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te veroordelen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Arrest van 23 april 1991 in zaak C-297/89, Ryborg, Jurispr. 1991, blz. I-1943.
(2) - Richtlijn van de Raad van 28 maart 1983 (PB 1983, L 105, blz. 59).
(3) - Voor zover deze formulering in de aanmaningsbrief voorkomt, heeft de Commissie in het verzoekschrift opgemerkt dat in deze brief als gevolg van een schrijffout minder dan een jaar staat, maar dat hier meer dan een jaar moet worden gelezen. Nog afgezien van het feit dat de Commissie bij het indienen van het verzoekschrift de inhoud van de aanmaningsbrief niet meer kan veranderen, heeft deze laatste formulering naar mijn mening ook geen zin.
(4) - Arrest van 11 december 1984, zaak 134/83, Abbink, Jurispr. 1984, blz. 4097.
(5) - Arrest van 3 oktober 1985, zaak 294/84, Profant, Jurispr. 1985, blz. 3237.
(6) - Arrest van 6 juli 1988, zaak 127/86, Ledoux, Jurispr. 1988, blz. 3741.
(7) - Reeds aangehaald.
(8) - Arresten van 5 mei 1982, zaak 15/81, Schul, Jurispr. 1982, blz. 1409 en 21 mei 1985, zaak 47/84, Schul, Jurispr. 1985, blz. 1491; zie ook de arresten van 23 januari 1986, zaak 39/85, Bergeres-Becque, Jurispr. 1986, blz. 259; 25 februari 1988, zaak 299/86, Drexl, Jurispr. 1988, blz. 1213 en 26 februari 1991, zaak C-120/88, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-621, zaak C-119/89, Commissie/Spanje, Jurispr. 1991, blz. I-641, en zaak C-159/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-691.
(9) - Arrest van 13 december 1990, zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4747, r.o. 29.
(10) - Zie het in noot 9 aangehaalde arrest, r.o. 28.
(11) - Zie hierboven, paragraaf 20.
(12) - Zie het verzoekschrift, punt I.B.3 (blz. 7).
(13) - Zie het verzoekschrift, punt I.B.5 (blz. 8).
(14) - Zie hierboven, punt 11.
(15) - Zie hierboven, punt 12.
(16) - Het verzoekschrift van de Commissie kan in ieder geval niet aldus worden uitgelegd dat het feiten van verschillende aard tot voorwerp van geschil zou willen maken. Voor zover het betrekking heeft op concrete gevallen (de zaken Ryborg en Hansen) valt niet in te zien dat de geschonden regels of verplichtingen in het ene geval zouden verschillen van het andere; zie ook punt 38 en volgende.
(17) - Zie hierboven, punt 13.
(18) - Arrest van 13 december 1990, zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, r.o. 16 en volgende.
(19) - Conclusie van advocaat-generaal Tesauro bij arrest van 13 december 1990, zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4747, resp. I-4767, punt 8 in fine; conclusie van advocaat-generaal Darmon bij arrest van 13 maart 1992, zaak C-43/90, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1992, blz. I-1909, resp. 1924, punt 4.
(20) - Zie bij voorbeeld het arrest van 17 februari 1970, zaak 31/69, Commissie/Italië, Jurispr. 1970, blz. 25, r.o. 13.
(21) - Arresten van 28 maart 1985, zaak 274/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 1077, r.o. 21; reeds aangehaald, 13 december 1990, zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, r.o. 24; zie ook het arrest van 14 februari 1984, zaak 325/82, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1984, blz. 777, r.o. 8.
(22) - Zie voor de in dit opzicht versoepelde eisen voor de aanmaningsbrief bij voorbeeld het reeds aangehaalde arrest van 28 maart 1985, zaak 274/83, Commissie/Italië.
(23) - Arresten van 15 december 1982, zaak 211/81, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1982, blz. 4547, r.o. 8, en 15 november 1988, zaak 229/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 6347, r.o. 12.
(24) - Arresten van 15 december 1982, zaak 211/81, aangehaald in noot 23, r.o. 14, en 14 juli 1988, zaak 298/86, Commissie/België, Jurispr. 1988, blz. 4343, r.o. 10.
(25) - Zie in dit verband het arrest van 15 december 1982, zaak 211/81, Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, r.o. 11
(26) - Zie arresten van 11 juli 1984, zaak 51/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 2793, r.o. 6; 10 juli 1990, zaak C-217/88, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1990, blz. I-2879, r.o. 11, juncto punt I.3 van het rapport ter terechtzitting (blz. I-2884, rechter kolom, tweede alinea).
Full & Egal Universal Law Academy