Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met het onderhavige beroep vraagt Weddel & Co. BV het Hof om de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie die haar werd medegedeeld bij brief van 12 januari 1990 en die de weigering betreft een ambtenaar van de Commissie machtiging te verlenen om als getuige op te treden in een nationale gerechtelijke procedure.
Feitelijke achtergrond
2. De feitelijke achtergrond van de onderhavige zaak is aan het Hof al ten dele bekend uit de zaak C-354/87, Weddel & Co. BV, waarin op 6 november 1990 een arrest werd gewezen. Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2539/87 van de Commissie van 24 augustus 1987 betreffende de hoeveelheid rundvlees van hoge kwaliteit die uit de Verenigde Staten en uit Canada mag worden ingevoerd in het kader van de regeling vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3928/86 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent, bepaalde dat:
"Overeenkomstig artikel 12 van verordening (EEG) nr. 2377/80 kunnen gedurende de eerste tien dagen van september 1987 certificaataanvragen worden ingediend voor een totale hoeveelheid van 4 617 ton rundvlees van oorsprong en van herkomst uit de Verenigde Staten van Amerika en uit Canada." (1)
In het kader van deze inschrijvingsprocedure, diende Weddel & Co. BV, een handelsmaatschappij die zich bezighoudt met de in- en uitvoer van vlees en andere voedselprodukten (hierna "Weddel"), op 9 en 10 september 1987 bij het Produktschap voor Vee en Vlees, het Nederlandse uitvoeringsorgaan belast met de afgifte van invoercertificaten (hierna "het Produktschap"), certificaataanvragen in voor de invoer van in totaal 320 000 ton rundvlees.
Na door het Produktschap te zijn ingelicht over het totaal van de in Nederland ingediende certificaataanvragen, deelde de Commissie op 15 september 1987 aan het Produktschap mede dat een certificaataanvraag slechts betrekking mocht hebben op een totale hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheid (d.i. 4 617 ton) niet overschreed. Bij verordening (EEG) nr. 2806/87 van 18 september 1987 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit, voerde ze vervolgens een zogenaamde maximeringsregel voor certificaataanvragen in volgens welke de aangevraagde hoeveelheden proportioneel werden verminderd. (2) Als gevolg van deze maximeringsregel kreeg verzoekster slechts een certificaat voor 0,2425 % van de beschikbare 4 617 ton en mocht zij derhalve maar 11,196 ton rundvlees invoeren.
Tegen deze verordening van 18 september 1987 en de daarin neergelegde maximeringsregel stelde verzoekster in de hierboven reeds vermelde zaak C-354/87 een beroep tot nietigverklaring in. Dit beroep werd bij arrest van 6 november 1990 verworpen. (3)
3. In november 1989 vatte Weddel het voornemen op om naast dit bij het Hof ingestelde beroep tot nietigverklaring, bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage tegen het Produktschap een beroep tot schadevergoeding in te stellen. (4)
Weddel wijst er op dat vóór én in het kader van de voormelde inschrijvingsprocedure het Produktschap haar (spontaan) aanwijzingen gaf op grond waarvan ze aanvragen voor invoercertificaten indiende die het beschikbare contingent van 4 617 ton te boven gingen. Het Produktschap zou aldus aansprakelijk zijn voor de schade die Weddel naar eigen zeggen heeft geleden als gevolg van de gedeeltelijke afwijzing van haar certificaataanvragen. Het Produktschap betwist niet dat het aan Weddel had medegedeeld dat de aanvragen voor invoercertificaten het beschikbare contingent mochten overschrijden maar werpt op dat het zich hierbij had gebaseerd op uitdrukkelijke en bij herhaling gedane mededelingen die de Commissie hem via één van haar ambtenaren had gedaan in antwoord op zijn vragen betreffende het bestaan van maximumhoeveelheden voor de aanvragen voor invoercertificaten.
Ten einde de kansen op slagen van een beroep tot schadevergoeding tegen het Produktschap juist in te schatten heeft Weddel bij de Arrondissementsrechtbank een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van vijf personen waaronder de ambtenaar van de Commissie die de mededelingen aan het Produktschap heeft gedaan. (5) Op 11 december 1989 werd dit verzoek door de Arrondissementsrechtbank ingewilligd (6) en op 16 januari 1990 werden reeds vier van de vijf getuigen door de bevoegde rechter-commissaris gehoord. Deze getuigen bevestigden dat voormelde ambtenaar van de Commissie in de periode voorafgaand aan de inschrijvingsperiode uitdrukkelijk, bij herhaling en zonder voorbehoud op vragen van het Produktschap had verklaard dat "meer kan worden aangevraagd dan het beschikbare contingent". (7)
4. De betrokken ambtenaar werd gedagvaard om op 23 januari 1990 als getuige voor de rechter-commissaris een verklaring af te leggen omtrent zijn mededelingen aan het Produktschap. Artikel 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna "het Statuut") bepaalt echter dat:
"De ambtenaar mag onder geen beding in rechte gewag maken van hetgeen hij in verband met zijn ambtsbezigheden heeft bevonden zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag. Deze machtiging kan slechts worden geweigerd, indien de belangen van de Gemeenschappen zulks vorderen en indien weigering niet kan leiden tot strafrechtelijke gevolgen voor de betrokken ambtenaar. (...)"
Bij brieven van 15 en 29 november 1989 verzocht Weddel de Commissie de betrokken ambtenaar te machtigen in het kader van voormeld voorlopig getuigenverhoor als getuige te verschijnen. (8) Op 11 januari 1990 weigerde de Commissie haar ambtenaar deze machtiging te verlenen (9) en bij brief van 12 januari 1990 werd Weddel hiervan op de hoogte gesteld. (10)
In de onderhavige zaak verzoekt Weddel het Hof om de nietigverklaring van deze weigering van de Commissie. In wat volgt zal ik eerst de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring (hierna nrs. 5 tot 7), daarna de toepasselijkheid van voormeld artikel 19 van het Statuut (hierna nrs. 8 en 9) en ten slotte het gerechtvaardigd zijn van de weigering om te getuigen (hierna nrs. 10 tot 14) onderzoeken. Ik wil er aan herinneren dat het door de Commissie ingediende verzoek om verwijdering van bepaalde stukken of delen van stukken uit het dossier door het Hof reeds bij beschikking van 15 mei 1991 werd afgewezen.
De ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring
5. De Commissie voert aan dat het verzoek van Weddel tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is zowel omwille van het feit dat in het verzoekschrift het onderwerp van het geschil onvoldoende duidelijk wordt aangegeven (hierna nr. 6) als omwille van het feit dat verzoekster niet de adressaat van de aangevochten beschikking is en door deze beschikking ook niet rechtstreeks en individueel geraakt is (hierna nr. 7).
6. Artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering stelt dat het verzoekschrift waarmee een zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt onder anderen het onderwerp van het geschil moet vermelden. Zoals reeds vermeld verzoekt Weddel om de nietigverklaring van "de beschikking van de Commissie, haar medegedeeld bij brief van 12 januari 1990". De Commissie betoogt echter dat uit het door Weddel neergelegde verzoekschrift niet of onvoldoende duidelijk blijkt tegen welke beschikking diens beroep zich richt: tegen de brief van 12 januari 1990 van de directeur-generaal Landbouw aan verzoekster dan wel tegen de (daarbij in bijlage gevoegde) interne nota van 11 januari 1990 van de directeur-generaal Personeel en administratie aan de betrokken ambtenaar.
Ik deel de opvatting van de Commissie niet. Artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering heeft tot doel de wederpartij en het Hof rechtens in voldoende mate duidelijk te maken waartegen het beroep is gericht. Uit het verzoekschrift blijkt echter duidelijk dat het beroep tot nietigverklaring zich richt tegen de weigering van de Commissie haar ambtenaar toestemming te geven als getuige een verklaring af te leggen in het kader van het voormeld voorlopig getuigenverhoor. Het door de Commissie gemaakte onderscheid tussen de brief van 12 januari 1990 en de nota van 11 januari 1990 is kunstmatig en in casu niet relevant. Verzoekster werd van het weigeringsbesluit van de Commissie, neergelegd in de interne nota van 11 januari 1990, op de hoogte gebracht bij brief van 12 januari 1990 waarin uitdrukkelijk verwezen werd naar voornoemde nota. Bovendien blijkt uit haar verweerschrift dat het ook voor de Commissie volkomen duidelijk was wat het onderwerp van het onderhavige beroep tot nietigverklaring was.
7. Overeenkomstig artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan een natuurlijke of rechtspersoon enkel een beroep tot nietigverklaring instellen tegen een beschikking die tot hem gericht is of hem rechtstreeks en individueel raakt. Zoals vermeld stelt de Commissie dat in de onderhavige zaak aan geen van de twee toepassingsvoorwaarden voldaan is.
Zoals terecht door verzoekster wordt opgeworpen, sluit de tekst van artikel 19 van het Statuut geenszins uit dat een verzoek om een ambtenaar te machtigen als getuige te verschijnen door een derde belanghebbende wordt gedaan. Uit de hiervoor in nr. 4 vermelde briefwisseling tussen verzoekster en de Commissie blijkt duidelijk dat verzoekster in de onderhavige zaak zulk een verzoek aan de Commissie heeft gericht (11) en dat de weigeringsbeschikking van de Commissie, zoals die besloten ligt in de brief aan Weddel én in de eraan toegevoegde interne nota, een rechtstreeks antwoord is op dat verzoek. In tegenstelling tot wat de Commissie meent, is deze beschikking derhalve tot verzoekster gericht en kan laatstgenoemde er een beroep tot nietigverklaring tegen instellen.
Maar ook als de weigeringsbeschikking niet tot verzoekster zou zijn gericht, dient te worden aanvaard dat zij verzoekster rechtstreeks en individueel raakt. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage had Weddel' s verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van onder andere de betrokken ambtenaar immers ingewilligd opdat verzoekster zou kunnen vaststellen of er voldoende gronden zijn voor een mogelijk beroep tot schadevergoeding bij de nationale rechter. De weigering van de Commissie om haar ambtenaar toestemming te geven te getuigen raakt aldus verzoekster rechtstreeks en individueel in haar belangen aangezien deze weigering het verzoekster moeilijker kan maken te beoordelen of er voldoende gronden zijn voor een dergelijk beroep.
De toepasselijkheid van artikel 19 van het Statuut
8. Het hierboven geciteerde artikel 19 van het Statuut, heeft enkel betrekking op hetgeen een ambtenaar "in verband met zijn ambtsbezigheden heeft bevonden". Derhalve - aldus Weddel in haar verzoekschrift - is artikel 19 van het Statuut in casu niet toepasselijk, want de ambtenaar zou niet gehoord worden over hetgeen hij in verband met zijn ambtsbezigheden heeft bevonden, maar over zijn eigen mededelingen aan het Produktschap. De Commissie daarentegen is van oordeel dat artikel 19 van het Statuut wel degelijk van toepassing is, omdat dit artikel aldus moet worden begrepen dat het betrekking heeft op al wat een ambtenaar uit hoofde van zijn functie heeft gedaan of niet gedaan, inclusief mondelinge en schriftelijke verklaringen binnen de instelling zelf of naar buiten toe.
In haar repliek betwist Weddel de gegrondheid van de door de Commissie voorgestane maximalistische interpretatie van artikel 19 van het Statuut. Verzoekster wijst erop dat het artikel moet geïnterpreteerd worden in het licht van de geheimhoudingsplicht van een ambtenaar zoals geformuleerd in artikel 214 EEG-Verdrag en artikel 17 van het Statuut. Verzoekster is aldus van oordeel dat artikel 19 van het Statuut uitsluitend betrekking heeft op alle feitelijke gegevens en inlichtingen welke een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie of ter gelegenheid daarvan ter kennis zijn gekomen voor zover deze informatie niet eerder aan de openbaarheid is prijsgegeven en deze informatie van vertrouwelijke aard is. Vermits de informatie die door de ambtenaar aan het Produktschap werd medegedeeld niet van vertrouwelijke aard is, valt deze informatie - zo redeneert verzoekster - niet onder de toepassing van artikel 19 van het Statuut en mag in rechte gewag gemaakt worden van deze informatie zonder machtiging.
9. Mijns inziens kan aan het toepassingsgebied van artikel 19 zoals bepaald in de eerste zin daarvan niet de restrictieve interpretatie worden gegeven die verzoekster voorstaat. Het toepassingsgebied van artikel 19 betreft "(al) hetgeen (een ambtenaar) in verband met zijn ambtsbezigheden heeft bevonden", waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt en informatie die daar niet onder valt en waarbij de term "bevinding" mijns inziens inderdaad verwijst naar alles wat de ambtenaar uit hoofde van zijn functie heeft gedaan of niet gedaan, heeft geschreven of gezegd. (12) Wel is het zo, dat wanneer het gaat om informatie die niet onder de geheimhoudingsplicht valt, "het tot aanstelling bevoegde gezag" de machtiging om in rechte melding te maken van deze informatie nauwelijks zal kunnen weigeren. Men kan zich immers moeilijk voorstellen hoe het in rechte melding maken van deze informatie (die een ambtenaar in beginsel mag bekendmaken) de belangen van de Gemeenschap dermate zou kunnen aantasten dat een weigering van machtiging om er in rechte melding van te maken gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Daarover gaat het in de volgende nummers.
Is de weigering van de machtiging om te getuigen gerechtvaardigd?
10. Nu is vastgesteld dat artikel 19 toepasselijk is en de betrokken ambtenaar dus een machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag nodig heeft om te getuigen, rijst de vraag of de weigering om die machtiging te verlenen gerechtvaardigd was. Artikel 19 bepaalt dat een machtiging slechts kan geweigerd worden indien de belangen van de Gemeenschappen zulks vorderen én indien de weigering niet kan leiden tot strafrechtelijke gevolgen voor de betrokken ambtenaar.
11. In de aangevochten beschikking voerde de Commissie als rechtvaardiging voor haar weigering aan:
"(...) aangezien er bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een zaak met betrekking tot dezelfde feiten aanhangig is (Weddel/Commissie), zal daar door de daartoe gemachtigde instantie (juridische dienst, gemachtigde van de Commissie) het officiële antwoord van de Commissie worden gegeven op de vragen waarover u zou moeten getuigen". (13)
In haar verzoekschrift stelt Weddel dat de Commissie haar weigering aldus niet heeft gebaseerd op de "belangen van de Gemeenschappen" zoals vereist in artikel 19 van het Statuut.
In zijn beschikking van 13 juli 1990 in zaak C-2/88 Imm., Zwartveld en anderen, verklaarde het Hof voor recht dat er op de gemeenschapsinstellingen in beginsel een verplichting rust om loyaal samen te werken met de nationale rechterlijke autoriteiten. (14) Daaruit mag worden afgeleid dat de "belangen van de Gemeenschappen" die overeenkomstig artikel 19 van het Statuut een weigering tot machtiging om te getuigen kunnen rechtvaardigen, enkel zwaarwegende, vitale belangen van de Gemeenschappen kunnen zijn. Ik meen aldus dat Weddel in haar verzoekschrift terecht opwerpt dat de in de aangevochten beschikking gegeven rechtvaardiging niet kan worden weerhouden als een voldoende rechtvaardiging voor de weigering. Het door de Commissie ingeroepen motief, namelijk dat het officiële antwoord van de Commissie voor het Hof zal worden gegeven in een verwante zaak, maakt immers niet duidelijk in welk opzicht de weigering de vitale belangen van de Gemeenschappen zou raken.
De Commissie lijkt dat ook zelf in te zien aangezien zij in haar verweerschrift in het geheel niet meer rept over deze rechtvaardigingsgrond maar integendeel andere, hierna in de nrs. 12 en 13 besproken rechtvaardigingsgronden aanvoert. De aangevochten beschikking was dus gebrekkig gemotiveerd en moet om die reden vernietigd worden.
12. In haar verweerschrift stelt de Commissie in de eerste plaats dat de weigering tot machtiging gerechtvaardigd was door het feit dat de getuigenis van haar ambtenaar het goed functioneren van het landbouwbeleid in gevaar zou kunnen brengen. De Commissie merkt op dat indien iedere ambtenaar die aan een nationale instantie in het kader van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid inlichtingen verstrekt, daarvoor later ter verantwoording zou kunnen worden geroepen in procedures voor een nationale rechter, de Commissie dan zou gedwongen zijn haar huidige praktijk van veelvuldige informele contacten te wijzigen. Dergelijke informele contacten zijn nochtans nuttig om een oplossing te geven aan de vele praktische problemen die zich bij de tenuitvoerlegging van het landbouwbeleid stellen. Bij ontstentenis daarvan zou het goed functioneren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar kunnen komen.
Het spreekt voor zich dat het goed functioneren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoort tot de vitale belangen van de Gemeenschap. Ik meen echter dat, in de onderhavige zaak, dit goed functioneren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar wordt gebracht door de getuigenverklaring van de betrokken ambtenaar. Vooreerst is het onjuist te stellen dat de ambtenaar voor de mededelingen die hij aan het Produktschap zou hebben gedaan, voor de Nederlandse rechter ter verantwoording wordt geroepen. Er zal hem enkel worden gevraagd welke mededelingen hij heeft gedaan. Belangrijker nog is dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (waar trouwens ook de Commissie naar verwijst), mededelingen die door ambtenaren van de Commissie aan nationale overheden worden gedaan betreffende de toepassing van de landbouwregeling, de Commissie niet officieel kunnen binden (15) evenmin als, volgens rechtspraak van het Hof, het geven van een onjuiste uitlegging van een communautaire bepaling, behoudens uitzonderingsgevallen, voor de betrokken ambtenaar geen dienstfout oplevert (16). Nationale overheden handelen op eigen verantwoordelijkheid, ook wanneer ze afgaan op uitspraken van individuele ambtenaren van de Commissie. Ik zie dan ook niet in hoe een getuigenis van de betrokken ambtenaar over de mededelingen die hij aan het Produktschap heeft gedaan, de Commissie ertoe zou dwingen de huidige praktijk van samenwerking tussen de Commissie en de nationale overheden te wijzigen.
Een getuigenis omtrent mededelingen gedaan door een ambtenaar van de Commissie aan een nationale administratie zou het goed functioneren van het landbouwbeleid wel kunnen ondermijnen wanneer het mededelingen van vertrouwelijke aard betreft. De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde mededelingen betreffen echter de wijze waarop een nationale instantie een gemeenschapsregeling op particulieren moet toepassen en belangen particulieren rechtstreeks aan. Zulke mededelingen zijn bijna van nature uit bestemd om aan particulieren te worden meegedeeld en kunnen dus moeilijk van vertrouwelijke aard zijn.
13. In haar verweerschrift voert de Commissie ook nog aan dat de weigering van machtiging gerechtvaardigd was omdat de getuigenis van haar ambtenaar aan de situatie waarin verzoekster zich bevindt niets verandert, er tussen verzoekster en de Commissie nooit enig direct contact is geweest en de Commissie niet kan toestaan dat een individuele ambtenaar wordt gedwongen tot een getuigenis waarbij hij rechtsvoorschriften uitlegt. De eerste twee van deze gronden raken zeker niet de belangen van de Gemeenschappen en kunnen dus niet worden ingeroepen als rechtvaardiging voor de weigering van de machtiging. Het staat overigens uiteindelijk aan de nationale rechter, in een eventuele procedure ten gronde, om uit te maken of de getuigenis van de ambtenaar van de Commissie de situatie van verzoekster kan veranderen. Met betrekking tot de derde grond moet er op gewezen worden dat het onjuist is dat, zoals de Commissie stelt, haar ambtenaar zou gevraagd worden het toepasselijke gemeenschapsrecht te interpreteren. Zoals hierboven reeds werd vermeld zal hem enkel worden gevraagd wat hij aan het Produktschap heeft medegedeeld.
14. Ten slotte moet er aan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 19 van het Statuut een machtiging om te getuigen slechts mag geweigerd worden indien zulke weigering niet kan leiden tot strafrechtelijke gevolgen voor de ambtenaar. Deze tweede voorwaarde is ten aanzien van de eerste, hiervoor (nrs. 11 tot 13) genoemde, een aanvullende voorwaarde in die zin dat, wanneer het communautaire belang een weigering van machtiging zou verantwoorden, er misschien toch aanleiding zou kunnen zijn de machtiging toe te staan omwille van het risico van strafvervolging voor de betrokken ambtenaar. Nu ik hiervoor tot het besluit ben gekomen dat de weigering van machtiging in onderhavige zaak niet door een communautair belang kan worden verantwoord, dien ik deze tweede voorwaarde niet te onderzoeken.
Besluit
15. Op grond van de voorgaande overwegingen kom ik tot het besluit dat de Commissie haar weigering van de machtiging te getuigen gebrekkig heeft gemotiveerd aangezien zij voor die weigering in de aangevochten beschikking geen grond heeft ingeroepen die verband houdt met "de belangen van de Gemeenschappen", zoals vereist door artikel 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Ook de latere door de Commissie in haar verweerschrift aangevoerde gronden kunnen zich niet beroepen op dergelijk gemeenschapsbelang. De beschikking is dus in elk geval gebrekkig gemotiveerd en dient door het Hof te worden vernietigd. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de Commissie in de kosten van het geding worden verwezen.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) PB 1987, L 241, blz. 6.
(2) PB 1987, L 268, blz. 59.
(3) Weddel, Jurispr. 1990, blz. I-3847, r.o. 35 en 36. Het Hof was van mening dat het gelijkheidsbeginsel noch het rechtszekerheidsbeginsel geschonden waren. Het Hof overwoog onder meer dat de betwiste maximeringsregel niet onwettig was omdat dit geen nieuwe regel was doch slechts een verduidelijking en een noodzakelijk uitvloeisel van de bestaande gemeenschapsregeling.
(4) Zie het verzoekschrift aan de Arrondissementsrechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te houden, punt 1, bijlage 3, sub b, bij het verzoekschrift.
(5) Zie bijlage 3, sub a, bij het verzoekschrift met betrekking tot het doel en de regeling van het voorlopig getuigenverhoor en bijlage 3, sub b, dat is het verzoekschrift aan de Arrondissementsrechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te houden.
(6) Zie bijlage 3, sub c, bij het verzoekschrift met betrekking tot de beschikking van de Arrondissementsrechtbank.
(7) Verzoekschrift, blz. 7 en proces-verbaal van 16 januari 1990 van de getuigenverhoren, bijlage 4 bij het verzoekschrift, zie vooral blz. 7, de getuigenis van het hoofd van de afdeling EEG-regelingen bij het Produktschap, en ook blz. 10 en 11, de getuigenis van het hoofd van de hoofdafdeling vlees- en pluimveeprodukten van de directie marktordeningsvraagstukken.
(8) De brief van 15 november 1989 was gericht aan een ambtenaar van de juridische dienst van de Commissie (bijlage 6, sub b, bij het verzoekschrift). De brief van 29 november 1989 was gericht aan de directeur-generaal Landbouw van de Commissie (bijlage 6, sub d, bij het verzoekschrift). De daarin gedane verzoeken waren in die zin voorbarig dat het verzoek van Weddel tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor slechts op 11 december 1989 door de Arrondissementsrechtbank werd ingewilligd. In de brief van 14 december 1989 aan de directeur-generaal Landbouw werd de Commissie op de hoogte gebracht van de dagvaarding van de betrokken ambtenaar om te verschijnen op 23 januari 1990.
(9) Zie de interne nota van de directeur-generaal Personeel en administratie van de Commissie, aan de betrokken ambtenaar, gedateerd 11 januari 1990, bijlage 2, sub b, bij het verzoekschrift.
(10) Brief van de directeur-generaal Landbouw van de Commissie, van 12 januari 1990, bijlage 2, sub a, bij het verzoekschrift.
(11) Zie de in voetnoot 8 reeds vermelde brieven van 15 en 29 november 1989.
(12) Zie hiervoor, nr. 8. De andere taalversies bevestigen deze interpretatie. De Franse tekst bij voorbeeld luidt: "(...) des constatations qu' il a faites en raison de ses fonctions"; de Engelse tekst: "(...) information of which he has knowledge by reason of his duties"; de Duitse tekst: "(...) bei seiner amtlichen Taetigkeit bekannt gewordenen Tatsachen" en de Italiaanse tekst: "(...) fatti di cui sia venuto a conoscenza a causa del suo ufficio".
(13) Zie bijlage 2, sub b, bij het verzoekschrift.
(14) Jurispr. 1990, blz. I-3365, r.o. 18.
(15) Zie bij voorbeeld de arresten van 16 november 1983, zaak 188/82, Thyssen, Jurispr. 1983, blz. 3721, 10 juni 1982, zaak 217/81, Interagra, Jurispr. 1982, blz. 2233, en 27 maart 1980, zaak 133/79, Sucrimex, Jurispr. 1980, blz. 1299.
(16) Arrest van 28 mei 1970, gevoegde zaken 19/69, 20/69, 25/69 en 30/69, Richez-Parise, Jurispr. 1970, blz. 325, r.o. 36.
Full & Egal Universal Law Academy