Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag vast te stellen, dat Duitsland de krachtens artikel 30 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door particulieren te verbieden geneesmiddelen die in Duitsland enkel op recept verkrijgbaar zijn, voor eigen gebruik in te voeren wanneer deze produkten zijn gekocht in een apotheek in die andere Lid-Staat op basis van een door een in die andere Lid-Staat gevestigde arts afgegeven recept.
De feiten
2. De aandacht van de Commissie werd op de bestreden Duitse wetgeving gevestigd door een prejudiciële verwijzing van het Hessische Finanzgericht (zaak 215/87, Schumacher, Jurispr. 1989, blz. 617). Die zaak, die het Hof in juli 1987 werd voorgelegd, vond zijn oorsprong in de poging van een inwoner van Frankfurt am Main om per post een geneesmiddel in te voeren dat door een in Straatsburg gevestigde apotheker was afgeleverd. Dit geneesmiddel was in Duitsland toegelaten en was er zonder doktersrecept in apotheken verkrijgbaar. Schumacher werd het recht om het produkt in Duitsland in te voeren, ontzegd op grond van § 73, lid 1, van het Gesetz zur Neuordnung des Arzneimittelrechts van 24 augustus 1976 (hierna: "AMG"). Krachtens die bepaling mochten, behoudens uitzonderingen, geneesmiddelen enkel worden ingevoerd door farmaceutische ondernemingen, groothandelaren, dierenartsen of apothekers. Bij arrest van 7 maart 1989 verklaarde het Hof voor recht, dat
"met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag onverenigbaar is een nationale bepaling op grond waarvan het particulieren verboden is, in de Lid-Staat van invoer toegelaten en aldaar zonder recept verkrijgbare geneesmiddelen, die zijn gekocht bij een apotheek in een andere Lid-Staat, voor eigen gebruik in te voeren".
Ik wil erop wijzen, dat de uitspraak Schumacher uitsluitend betrekking heeft op geneesmiddelen die zonder recept in de staat van invoer verkrijgbaar zijn, terwijl het in deze zaak gaat om geneesmiddelen die in Duitsland alleen op recept verkrijgbaar zijn.
3. Hangende deze zaak verzocht de Commissie de Duitse regering bij brief van 22 februari 1988, haar opmerkingen te maken over de verenigbaarheid van de betrokken wetgeving met het Verdrag. In een brief van 17 juni 1988 betoogde de Duitse regering, dat haar wetgeving gerechtvaardigd was om redenen van bescherming van de volksgezondheid overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag. In een op 23 november 1988 uitgebracht met redenen omkleed advies stelde de Commissie, dat Duitsland, door de invoer door particulieren van voor eigen gebruik bestemde geneesmiddelen te verbieden, de krachtens artikel 30 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen. Duitsland werd verzocht de nodige maatregelen te nemen om zich binnen een termijn van twee maanden aan het advies te conformeren. De Commissie stelde haar beroep evenwel eerst op 12 maart 1990 in. Intussen had het Hof zijn arrest in de zaak Schumacher gewezen, hetgeen Duitsland ertoe bracht zijn wetgeving te wijzigen. In verband met deze op 11 april 1990 vastgestelde wijzigingen paste de Commissie het voorwerp van haar beroep aan en zij deed dit nogmaals in haar antwoorden op schriftelijke vragen van het Hof.
4. § 73 AMG luidde oorspronkelijk als volgt:
"1) Geneesmiddelen waarvoor een toelatings- of registratieplicht geldt, mogen op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is ° uitgezonderd de andere douanevrije zones dan het eiland Helgoland ° enkel worden ingevoerd, wanneer zij in dat gebied tot het verkeer zijn toegelaten of zijn geregistreerd dan wel van toelating of registratie zijn vrijgesteld, en:
1. in geval van invoer uit een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, de geadresseerde farmaceutisch ondernemer dan wel groothandelaar, dierenarts of apotheker is;
2. in geval van uitvoer uit een niet-Lid-Staat, de geadresseerde beschikt over een vergunning in de zin van § 72.
2) Lid 1 geldt niet voor geneesmiddelen die:
1. incidenteel in geringe hoeveelheden worden ingevoerd met het oog op de medische verzorging van bepaalde dieren bij tentoonstellingen, wedstrijden of soortgelijke evenementen;
2. bestemd zijn om te worden gebruikt door instellingen van onderzoek en wetenschap, en noodzakelijk zijn voor wetenschappelijke doeleinden;
3. onder douanetoezicht worden vervoerd door het gebied waarop deze wet van toepassing is, dan wel weer worden uitgevoerd na tijdelijke opslag in een douane-entrepot of een verzegelde douaneloods;
4. bestemd zijn om te worden gebruikt door een buitenlands staatshoofd of zijn gevolg tijdens een verblijf op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is;
5. bestemd zijn voor eigen ge- of verbruik van leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is, of van ambtenaren van aldaar gevestigde internationale organisaties, alsmede van hun gezinsleden, mits die personen niet de Duitse nationaliteit hebben of duurzaam gevestigd zijn binnen het geldingsgebied van deze wet;
6. in het reizigersverkeer worden binnengebracht in een hoeveelheid die niet groter is dan normaal tijdens de reis nodig is;
7. in voertuigen worden meegevoerd en uitsluitend bestemd zijn voor eigen ge- of verbruik van de in die voertuigen vervoerde personen;
8. bestemd zijn voor ge- of verbruik op zeeschepen en aan boord van die schepen worden verbruikt;
9. als monster worden gezonden naar de bevoegde federale instantie met het oog op de toelating of de controle door middel van chargenummers;
10. door instanties van de bond of de deelstaten worden betrokken in het kader van de internationale handel.
3) In afwijking van lid 1 mogen gebruiksklare geneesmiddelen die op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is, niet tot het verkeer zijn toegelaten of zijn geregistreerd noch van toelating of registratie zijn vrijgesteld, in dat gebied worden ingevoerd wanneer zij door apotheken zijn besteld. Apotheken mogen dergelijke geneesmiddelen slechts in geringe hoeveelheden betrekken (...) op speciale bestelling van een particulier, en ze uitsluitend in het kader van het normale apothekersbedrijf afleveren."
5. De wijzigingswet van 11 april 1990 voegde aan § 73, lid 2, AMG de punten 2a en 6a toe en wijzigde de bewoordingen van punt 6. Blijkens deze bepalingen is § 73, lid 1, niet van toepassing op geneesmiddelen die:
"2a. in geringe hoeveelheden door een farmaceutische onderneming worden ingevoerd als monsters bestemd voor proefnemingen of analyses (...)
6. bij binnenkomst op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is, worden ingevoerd in met normaal persoonlijk gebruik overeenkomende hoeveelheden;
6a. zonder recept verkrijgbaar zijn, in het land van herkomst in de handel mogen worden gebracht en in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen worden gekocht in met normaal persoonlijk gebruik overeenkomende hoeveelheden;
(...)".
Het voorwerp van het beroep
6. Uit de bewoordingen van § 73, lid 2, AMG blijkt niet duidelijk, of deze bepalingen de invoer toestaan van produkten die in Duitsland niet tot het verkeer zijn toegelaten of er zijn geregistreerd. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Duitse regering evenwel verklaard, dat § 73, lid 2, daadwerkelijk deze werking heeft. Men merke in ieder geval op, dat de Commissie in antwoord op vragen van het Hof heeft verklaard, dat het beroep geen betrekking heeft op geneesmiddelen die in Duitsland niet zijn toegelaten. De Commissie betwist derhalve niet het recht van Duitsland om invoer door particulieren van geneesmiddelen die wel in de Lid-Staat van uitvoer, maar niet in Duitsland tot het verkeer zijn toegelaten, te beperken. Uit de conclusies van de Commissie, zoals geformuleerd in haar antwoord op de schriftelijke vragen van het Hof, blijkt duidelijk, dat het voorwerp van het beroep thans betrekkelijk beperkt is. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen, dat
"de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door ° behoudens in de gevallen bedoeld in § 73, lid 2, sub 6 en 6a, AMG ° particulieren te verbieden, in een apotheek in een andere Lid-Staat gekochte geneesmiddelen voor eigen gebruik in te voeren, wanneer deze geneesmiddelen in de Bondsrepubliek Duitsland uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn, ook wanneer zij zijn voorgeschreven door een in de Lid-Staat van uitvoer gevestigd arts".
Het beroep heeft derhalve enkel betrekking op de beperkingen van de invoer in Duitsland van geneesmiddelen die voor eigen gebruik bestemd zijn en door een in de Lid-Staat van uitvoer gevestigd arts zijn voorgeschreven, wanneer die geneesmiddelen in Duitsland alleen op recept verkrijgbaar zijn. Het Hof behoeft derhalve niet te onderzoeken, of de Lid-Staten verplicht zijn de invoer door particulieren toe te staan van geneesmiddelen die in de staat van uitvoer zonder recept zijn afgeleverd, maar die in de staat van invoer uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn.
7. Bovendien betoogt de Duitse regering, dat deze zaak, gelet op de wijziging van de Duitse wetgeving na het arrest Schumacher, uitsluitend betrekking kan hebben op de invoer per post van geneesmiddelen die in Duitsland enkel op recept verkrijgbaar zijn. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Commissie verklaard, dat haar beroep alleen nog betrekking heeft op de verzending van geneesmiddelen, maar niet beperkt is tot verzending per post.
8. Sinds de wijziging van § 73, lid 2, sub 6, AMG wordt de invoer door particulieren van geneesmiddelen die tegelijk met de persoon voor wiens gebruik zij bestemd zijn, de grens overschrijden, door de Duitse wetgeving niet meer beperkt. § 73, lid 2, sub 6, staat de invoer van geneesmiddelen toe die "bij binnenkomst op het grondgebied waarop deze wet van toepassing is, worden ingevoerd in met normaal persoonlijk gebruik overeenkomende hoeveelheden". Gezien de ruime formulering van deze bepaling, kan § 73, lid 2, sub 6a, dat alleen betrekking heeft op geneesmiddelen die (in Duitsland) zonder recept verkrijgbaar zijn, enkel werking hebben voor geneesmiddelen die niet in Duitsland worden binnengebracht door de persoon zelf voor wiens gebruik zij bestemd zijn.
De toepasselijke communautaire regeling
9. Het lijkt nuttig in dit stadium de toepasselijke communautaire regeling kort samen te vatten. Richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, blz. 369), bepaalt in artikel 3, dat een farmaceutische specialiteit in een Lid-Staat slechts in de handel mag worden gebracht als daartoe van tevoren door de bevoegde overheidsinstantie van deze Lid-Staat een vergunning is afgegeven. De artikelen 4-12 van de richtlijn harmoniseren de voorwaarden waaronder dergelijke vergunningen worden afgegeven. Artikel 4 somt de gegevens op die een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel moet bevatten. De artikelen 13-20 bevatten geharmoniseerde regels betreffende de etikettering van geneesmiddelen. Van 1975 dateert een tweede richtlijn van de Raad (richtlijn 75/319/EEG ° PB 1975, L 147, blz. 13) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten. Artikel 1 hiervan verplicht de Lid-Staten erop toe te zien, dat een naar behoren gekwalificeerd persoon zich bezighoudt met de voorbereiding van aanvragen voor vergunningen. Artikel 8 van de tweede richtlijn stelt een comité voor farmaceutische specialiteiten in. Een van de taken van het comité is het geven van een met redenen omkleed advies, wanneer vergunning om een geneesmiddel in de handel te brengen, in de ene Lid-Staat wordt verleend en in de andere wordt geweigerd. Dergelijke adviezen zijn echter niet bindend. Krachtens artikel 16 van de tweede richtlijn mogen alleen vergunninghouders farmaceutische specialiteiten fabriceren. De volgende artikelen harmoniseren de voorwaarden waarvan de toekenning van dergelijke vergunningen afhangt. Richtlijn 75/318/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (PB 1975, L 147, blz. 1), legt uiterst gedetailleerde regels vast inzake proeven op geneesmiddelen.
10. Verder zijn er twee richtlijnen betreffende de toegang tot het beroep van apotheker. Richtlijn 85/432/EEG van de Raad van 16 september 1985 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde werkzaamheden op farmaceutisch gebied (PB 1985, L 253, blz. 34), harmoniseert de nationale wetgevingen die de opleiding van apothekers regelen. Richtlijn 85/433/EEG van de Raad van 16 september 1985 inzake de onderlinge erkenning van diploma' s, certificaten en andere titels op het terrein van de farmacie, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging voor bepaalde werkzaamheden op farmaceutisch gebied (PB 1985, L 253, blz. 37), verplicht de Lid-Staten bepaalde titels te erkennen die door andere Lid-Staten op farmaceutisch gebied afgegeven zijn. De Raad heeft eveneens richtlijnen vastgesteld die de toegang tot het medische beroep harmoniseren en voorzien in de onderlinge erkenning van titels van artsen: zie richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB 1975, L 167, blz. 14), en richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1975, L 167, blz. 1).
Argumenten van partijen
11. Duitsland stelt dat de door § 73 AMG gestelde beperkingen op de invoer van geneesmiddelen voor eigen gebruik gerechtvaardigd zijn om redenen van bescherming van de gezondheid van personen overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag. Duitsland merkt op, dat de nationale wetgevingen die de verkoop van geneesmiddelen regelen, nog niet volledig geharmoniseerd zijn, hetgeen inhoudt dat de Lid-Staten nog steeds het recht hebben zich te beroepen op artikel 36. Duitsland verklaart dat, indien het de invoer per post van geneesmiddelen voor eigen gebruik moest toestaan, de basis van de bescherming die het tracht te verzekeren voor de gezondheid van zijn onderdanen, zou worden ondermijnd. Deze bescherming omvat drie aspecten: a) de toezichthoudende functie van de arts, b) de adviserende functie van de apotheker en c) het verstrekken van informatie door middel van adequate etikettering en bijsluiters. Volgens de Duitse regering zou de toezichthoudende functie van de arts worden beperkt indien hij geen voortdurend contact met de patiënt had; wanneer geneesmiddelen werden voorgeschreven door een in een andere Lid-Staat gevestigd arts, zou er geen garantie zijn dat de arts zijn toezicht kan uitoefenen gedurende de gehele periode waarin het geneesmiddel wordt gebruikt. Ook de adviserende functie van de apotheker zou worden beperkt, indien geneesmiddelen per post werden verzonden, want de apotheker zou dan geen direct contact hebben met de patiënt. Ook zou er geen waarborg meer zijn dat de etikettering op de verpakking en de bijsluiter de patiënt alle nodige informatie over het gebruik van het geneesmiddel zou verschaffen, want het zou kunnen zijn dat die informatie in een vreemde taal is gesteld. Ten slotte stelt Duitsland, dat er een risico bestaat dat hetzelfde recept twee maal wordt gebruikt, hetzij omdat de apotheker niet weet dat het reeds gebruikt is, hetzij omdat de wetgeving van het betrokken land anders dan de Duitse wetgeving het herhaald gebruik van recepten toestaat.
12. De Commissie bestrijdt alle bovengenoemde argumenten. De arts vervult zijn toezichthoudende functie op het moment dat hij het betrokken geneesmiddel voorschrijft. Indien de patiënt aanvullend advies van de arts nodig heeft, kan hij dit krijgen door een afspraak te maken of, in geval van nood, door met hem te telefoneren. De adviserende functie van de apotheker is overbodig, wanneer het geneesmiddel door een arts is voorgeschreven; het is dan de taak van de apotheker ervoor te zorgen, dat het door de arts gekozen geneesmiddel in passende vorm aan de patiënt wordt afgeleverd. Wat etikettering en bijsluiters betreft, betoogt de Commissie, dat deze gewoonlijk voldoende informatie geven, ook al is de wetgeving op dit gebied nog niet volledig geharmoniseerd. De Commissie stelt de taalproblemen als onbeduidend voor en merkt op, dat mensen die geneesmiddelen uit het buitenland betrekken, gewoonlijk wel de nodige talenkennis zullen hebben of contact zullen hebben met andere personen die hen in dit opzicht kunnen helpen.
Juridische beoordeling
13. Het lijdt geen twijfel ° en dit punt wordt niet bestreden °, dat de in geding zijnde wetgeving een maatregel is van gelijke werking als een kwantitatieve handelsbeperking tussen de Lid-Staten in de zin van artikel 30 van het Verdrag. Zij heeft tot gevolg, dat in bepaalde gevallen particulieren die woonachtig zijn in Duitsland, die anders geneesmiddelen zouden kunnen kopen bij apothekers in andere Lid-Staten, verplicht zijn ze bij Duitse apothekers te kopen. Het is waar dat de gevolgen voor de intracommunautaire handel gering zijn, in het bijzonder sinds de wijziging van het AMG, maar daardoor wordt een maatregel nog niet onttrokken aan het toepassingsgebied van artikel 30 (zie gevoegde zaken 177/82 en 178/82, Van de Haar en Kaveka de Meern, Jurispr. 1984, blz. 1797).
14. De enige vraag die rijst, is of de maatregel gerechtvaardigd is om redenen van bescherming van de gezondheid krachtens artikel 36 van het Verdrag. Zeker, er zijn omstandigheden waarin een beroep kan worden gedaan op artikel 36 om invoer door particulieren te verhinderen. Indien bij voorbeeld een Lid-Staat de invoer van levende dieren of planten verbiedt ten einde de verbreiding van een ziekte (zoals hondsdolheid of de iepziekte) te verhinderen, lijdt het geen twijfel, dat een dergelijk verbod in beginsel geldt voor invoer door particulieren; anders zou het hele verbod geen zin hebben, want de incidentele invoer van een besmet dier of een besmette plant kan zeer wel leiden tot een algehele verbreiding van een ziekte.
15. Ik denk evenwel niet, dat men zich op artikel 36 kan beroepen ter rechtvaardiging van het verbod voor particulieren om geneesmiddelen per post voor eigen gebruik in te voeren, zelfs wanneer dit geneesmiddel in het land van invoer enkel op recept verkrijgbaar is. In ieder geval kan een dergelijk verbod niet gerechtvaardigd zijn in het geval van geneesmiddelen die op recept gekocht zijn in een apotheek in een andere Lid-Staat.
16. In rechtsoverweging 20 van het arrest Schumacher verklaarde het Hof:
"De aankoop van een geneesmiddel in een apotheek in een andere Lid-Staat is namelijk omgeven met waarborgen die gelijkwaardig zijn aan die (...) die worden verzekerd bij verkoop van het geneesmiddel door een apotheek in de Lid-Staat waarin het door een particulier wordt ingevoerd. Dit geldt te meer, waar de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van apotheker en de wijze van uitoefening ervan zijn geregeld in de richtlijnen 85/432 en 85/433 van de Raad (...)."
17. In de zaak Schumacher ging het om geneesmiddelen die zonder recept in Duitsland verkrijgbaar waren. De gedachtengang waarop het arrest is gebaseerd, geldt echter ook voor geneesmiddelen die in het land van invoer enkel op recept kunnen worden verkregen, althans wanneer de geneesmiddelen op recept zijn verkregen in een andere Lid-Staat. In een dergelijk geval is de waarborg die besloten ligt in de omstandigheid dat de geneesmiddelen zijn voorgeschreven door een arts en zijn afgeleverd door een apotheker in een andere Lid-Staat, gelijkwaardig aan de waarborg die zou bestaan indien zij waren voorgeschreven door een Duitse arts en afgeleverd door een Duitse apotheker. In de zaak Schumacher hechtte het Hof belang aan de omstandigheid dat de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van apotheker waren geharmoniseerd; in deze zaak moet erop worden gewezen, dat het beroep van arts het voorwerp is geweest van een soortgelijke harmonisatie krachtens de richtlijnen 75/362 en 75/363.
18. Het is waar dat er nog geen volledige harmonisatie op farmaceutisch gebied bestaat. Dit betekent echter niet, dat de Lid-Staten vrij zijn om willekeurige beperkingen te stellen aan de invoer van geneesmiddelen. Het zou beslist onjuist zijn te denken, dat de Lid-Staten onbeperkt een beroep kunnen doen op artikel 36, totdat de laatste stap op weg naar volledige harmonisatie is gezet. Wanneer harmonisatie geleidelijk wordt verwezenlijkt, verkleint iedere stap van het proces de mate waarin een beroep op artikel 36 gerechtvaardigd is. Dat is, naar mijn mening, wat er gebeurd is met betrekking tot de farmaceutische sector.
19. Na de vaststelling van de richtlijnen tot harmonisatie van de toegang tot de beroepen van arts en apotheker en inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s van arts en apotheker mag men ervan uitgaan, dat in andere Lid-Staten gevestigde artsen en apothekers evenmin als hun Duitse collega' s schadelijke of ongeschikte geneesmiddelen aan hun patiënten zullen verstrekken. En na de gedeeltelijke harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van farmaceutische produkten is het duidelijk, dat alle geneesmiddelen die op wettige wijze in een Lid-Staat in de handel worden gebracht, zijn toegelaten na een goeddeels vergelijkbare procedure die vergelijkbare proeven omvat. Hoewel de Lid-Staten vrij blijven om het in de handel brengen van een in een andere Lid-Staat toegelaten farmaceutische specialiteit te verbieden indien zij niet overtuigd zijn van de onschadelijkheid ervan, kunnen zij mijns inziens particulieren niet verbieden dat geneesmiddel voor eigen gebruik in te voeren. De particulier heeft het recht, voor zichzelf te beslissen dat de waarborg die geboden wordt door geneesmiddelen die in een apotheek in een andere Lid-Staat op recept zijn gekocht, gelijkwaardig is aan de waarborg die geboden wordt door in vergelijkbare omstandigheden in Duitsland gekochte geneesmiddelen.
20. In ieder geval geloof ik niet, dat de door de Duitse regering aangevoerde specifieke gronden de in geding zijnde beperkingen kunnen rechtvaardigen. Zoals gezegd, heeft Duitsland drie punten genoemd, te weten de controlerende functie van de arts, de adviserende functie van de apotheker en de voorlichting door middel van etikettering en bijsluiter. Wat het eerste punt betreft, stelt Duitsland, dat wanneer geneesmiddelen door een arts in een andere Lid-Staat worden voorgeschreven, deze arts niet in staat is zijn toezicht uit te oefenen gedurende de gehele periode waarin de geneesmiddelen worden gebruikt. Dit argument komt er echter op neer, dat aan Duitse ingezetenen het recht wordt ontzegd een in een andere Lid-Staat gevestigde arts te raadplegen, en is duidelijk onverenigbaar met de rechtspraak van het Hof (zie gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984, blz. 377, r.o. 16). Indien echter Duitse ingezetenen het recht hebben een arts in een andere Lid-Staat te raadplegen, zou het onlogisch zijn hun het recht te ontzeggen een door die arts geschreven recept te gebruiken om geneesmiddelen te kopen bij een apotheker in dezelfde Lid-Staat. En wanneer het, om welke reden ook, niet mogelijk is de voorgeschreven geneesmiddelen onmiddellijk te krijgen, is het een doodgewone zaak af te spreken dat ze per post zullen worden nagezonden.
21. Met betrekking tot de adviserende functie van de apotheker kunnen twee opmerkingen worden gemaakt. In de eerste plaats, voor zover de apotheker een adviserende taak heeft bij de aflevering van door een arts voorgeschreven geneesmiddelen, kan hij zijn advies even goed schriftelijk als mondeling geven; direct persoonlijk contact tussen apotheker en patiënt is daarvoor niet noodzakelijk. In de tweede plaats, indien dat contact noodzakelijk was, zou de Duitse regering de bezorging per post binnen Duitsland stellig aan dezelfde beperkingen moeten onderwerpen als de bezorging per post vanuit het buitenland. Zoals wij echter ter terechtzitting hebben vernomen, bestaan er geen beperkingen op de binnenlandse verzending van geneesmiddelen per post.
22. Wat de informatieverschaffing door middel van etikettering en bijsluiter betreft, wijst de Duitse regering op het risico dat patiënten die geneesmiddelen uit het buitenland ontvangen, schade lijden indien de aanwijzingen over het juiste gebruik van het geneesmiddel in een vreemde taal zijn gesteld. Naar mijn mening moet dit argument om meerdere redenen worden afgewezen. In de eerste plaats is dat risico minder groot dan de Duitse regering beweert, omdat farmaceutische bedrijven de gebruiksaanwijzingen voor hun produkten dikwijls in meer talen afdrukken. In de tweede plaats zou de patiënt een zekere kennis kunnen hebben van de taal van het land waarin hij de geneesmiddelen betrekt. Het kan zelfs zijn dat hij uit dat land afkomstig is, migrerend werknemer is in de zin van het Verdrag en zijn geneesmiddelen betrekt in zijn land van herkomst. Hem te verbieden die geneesmiddelen in te voeren op grond dat de gebruiksaanwijzing wellicht niet in het Duits is gesteld, zou absurd zijn. Het is alleszins redelijk dat Duitsland erop staat, dat geneesmiddelen die in Duitsland worden verkocht, voorzien zijn van een etiket in de Duitse taal; het is minder redelijk dat Duitsland verlangt, dat geneesmiddelen die door een particulier voor eigen gebruik worden ingevoerd, een Duits etiket hebben. In de derde plaats is de Duitse wetgeving onlogisch voor zover zij invoer per post anders behandelt dan invoer door de patiënt in persoon; want wat de risico' s die het gevolg zijn van taalproblemen ook mogen zijn, het is duidelijk dat zij in beide gevallen even groot zijn.
23. Nog één opmerking met betrekking tot het taalprobleem. Wanneer bij voorbeeld een Duitse patiënt een arts in Frankrijk raadpleegt en een in het Frans gesteld recept krijgt, lijkt het veel praktischer dat hij de voorgeschreven geneesmiddelen aanschaft bij een Franse en niet bij een Duitse apotheker, die moeilijkheden zou kunnen hebben om het recept te begrijpen. Indien de Duitse regering zich werkelijk zorgen maakt over de risico' s die het gevolg zijn van taalproblemen, zie ik niet in, waarom zij aandringt op handhaving van een regel die ertoe kan leiden, dat Duitse apothekers recepten moeten uitvoeren die in een andere taal zijn gesteld.
24. Ten slotte betoogt de Duitse regering, dat het mogelijk is dat geneesmiddelen op basis van hetzelfde recept meer dan één keer worden afgeleverd. Zij wijst erop, dat in Duitsland een recept slechts eenmaal gebruikt mag worden, terwijl het in andere Lid-Staten mogelijk kan zijn hetzelfde recept herhaaldelijk te gebruiken. Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat in sommige Lid-Staten herhaald gebruik van een recept mogelijk is wanneer de arts dit uitdrukkelijk heeft toegestaan. De Commissie wijst erop, dat het kan voorkomen dat een chronisch zieke patiënt af en toe een buiten Duitsland gevestigd arts bezoekt en dat hem vervolgens periodiek geneesmiddelen worden toegezonden door een apotheker op basis van één enkel door de arts geschreven recept. Volgens de Commissie kan dit geen kwaad, wanneer het door de arts is goedgekeurd.
25. Naar mijn mening is ook dit argument van de Duitse regering niet overtuigend. Wanneer herhaald gebruik van een recept door een arts is toegestaan, is er geen reden om aan te nemen dat de patiënt meer gevaar loopt schadelijke of ongeschikte geneesmiddelen toegediend te krijgen dan wanneer het recept slechts eenmaal wordt gebruikt. De Duitse regering heeft niet aangetoond, waarom de waarborg die voortvloeit uit de professionele kennis van de arts en van de apotheker, in dergelijke gevallen niet zou blijven gelden.
26. Dienovereenkomstig geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door beperkingen te stellen aan het recht van particulieren om geneesmiddelen die in de Bondsrepubliek Duitsland uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn, voor persoonlijk gebruik in te voeren wanneer zij in een andere Lid-Staat in een apotheek zijn gekocht op een recept dat door een in die andere Lid-Staat gevestigd arts is afgegeven;
2) de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy