CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 26 februari 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In het onderhavige beroep tot nietigverklaring, door het Europees Parlement (hierna: „het Parlement”) ingesteld tegen een handeling van de Raad, te weten verordening (EEG) nr. 4059/89 van 21 december 1989 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoersondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten ( 1 ), zal het Hof een nadere omschrijving moeten geven van de omvang van de „actieve legitimatie” die het Parlement in het zogenoemde „Tsjernobyl”-arrest ( 2 ) onder bepaalde voorwaarden is ingeruimd.
2.
Het Parlement tekent namelijk bezwaar aan tegen het feit, dat het niet opnieuw is geraadpleegd over het voorstel voor een verordening, dat door de Commissie in december 1989 aan de Raad werd voorgelegd en waaruit de onderhavige verordening is voortgekomen, zulks terwijl dat voorstel wezenlijke verschillen vertoonde met het aanvankelijke, door de Commissie op 5 december 1985 ingediende voorstel ( 3 ), waarover het Parlement bij resolutie van 12 september 1986 advies ( 4 ) heeft uitgebracht.
3.
De Raad werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, stellende dat in het „Tsjernobyl”-arrest niet de bevoegdheid van het Parlement werd erkend om te ageren krachtens artikel 173 EEG-Verdrag, maar uitsluitend het recht om beroep tot nietigverklaring in te stellen „in uitzonderlijke omstandigheden, in het geval dat het evenwicht van het in het EEG-Verdrag geregelde stelsel in gevaar komt, dus bij wezenlijke schending van de essentiële prerogatieven van het Parlement”. ( 5 ) De Raad leidt hieruit af, dat de ontvankelijkheid van een door het Parlement ingesteld beroep tot nietigverklaring van twee voorwaarden afhangt: een „kennelijke en voor de hand liggende” schending en een even „voor de hand liggende” verstoring in het institutionele evenwicht.
4.
In casu zou daar geen sprake van zijn, nu het Parlement niet de rechtsgrondslag van de bestreden verordening in geding brengt en deze grondslag, artikel 75 EEG-Verdrag, geen samenwerkingsprocedure, maar een eenvoudige raadpleging van het Parlement voorschrijft. Aangezien een tweede raadpleging van het Parlement volgens de rechtspraak eerst nodig is in geval van een wezenlijke wijziging van het voorstel, zou het Hof ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep genoodzaakt zijn van het geschil ten gronde kennis te nemen.
5.
Daarnaast zou het Parlement, aldus nog steeds verweerder, door zich stelselmatig te beroepen op het ontbreken van een tweede raadpleging, zijn mogelijkheid erkend zien om beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen alle handelingen van de Raad.
6.
Verweerder meent voorts, dat het advies van het Parlement, anders dan bij de samenwerkingsprocedure het geval is, tegenover hem geen enkele juridische consequentie heeft. Dat betekent volgens hem, dat nu raadpleging eenmaal heeft plaatsgevonden, van schending van prerogatieven van het Parlement geen sprake is, aangezien deze instelling zich langs informele weg op de hoogte kan houden van het verdere verloop van de beraadslagingen binnen de Raad over het oorspronkelijke voorstel van de Commissie.
7.
Maar ook wanneer er geen onderscheid tussen de samenwerkingsprocedure en de eenvoudige raadpleging van het Parlement moest worden gemaakt, zo voegt de Raad daar ten slotte aan toe, is het aan het Parlement toegekende recht om beroep tot nietigverklaring in te stellen een uitzondering op een in de artikelen 4 en 173 EEG-Verdrag neergelegd algemeen beginsel. De voorwaarden waaronder van dit recht gebruik kan worden gemaakt, dienen dus eng te worden uitgelegd. Het Parlement kan niet volstaan met een beroep op schending van zijn prerogatieven, want daarmee zou het „automatische” karakter van zijn recht van beroep worden bezegeld.
8.
Het Parlement brengt daartegen in, dat uit de overwegingen van het Hof in het „Tsjemobyl”-arrest niet de conclusie kan worden getrokken, dat zijn recht om beroep tot nietigverklaring in te stellen slechts bij wijze van uitzondering is erkend, namelijk in geval van kennelijke schending van zijn prerogatieven. Om het beroep in die zaak ontvankelijk te verklaren, had het Hof genoeg aan de vaststelling, dat „het Parlement zich beroept op een schending van zijn prerogatieven, die een gevolg is van de keuze van de rechtsgrondslag voor de bestreden handeling”. De opvatting van de Raad zou er automatisch toe leiden, dat de zaak ten gronde reeds in het stadium van de ontvankelijkheidsvraag moet worden onderzocht. Ten slotte is het recht te worden geraadpleegd, en dus opnieuw te worden geraadpleegd in geval van een wezenlijke wijziging van het oorspronkelijke voorstel, evenals de samenwerkingsprocedure, een prerogatief van het Parlement.
9.
Zoals advocaatgeneraal Van Gerven in zijn conclusie bij het „Tsjernobyl”-arrest ( 6 ) verklaarde, zal „het aflijnen van de gevallen waarin het Parlement geacht mag worden de eigen bevoegdheidssfeer te verdedigen, ongetwijfeld voor toepassingsproblemen zorgen”. In het arrest wordt overigens de te volgen weg duidelijk aangegeven.
10.
In de eerste plaats wordt, anders dan de Raad beweert, in de rechtsoverwegingen van deze uitspraak nergens, al was het maar impliciet, gesproken van een uitzonderlijk karakter van het recht van het Parlement om een beroep tot nietigheidsverklaring in te stellen.
11.
Na immers te hebben vastgesteld, dat de prerogatieven van het Parlement
„een van de elementen van het door de Verdragen tot stand gebrachte institutionele evenwicht” ( 7 )
vormen, overwoog het Hof het volgende:
„de eerbiediging van het institutionele evenwicht houdt in, dat iedere instelling haar bevoegdheden dient uit te oefenen met inachtneming van de bevoegdheden van de andere instellingen, en dat iedere eventuele schending van deze regel moet kunnen worden bestraft” ( 8 )
en
„de omstandigheid dat in de Verdragen een bepaling ontbreekt, die het Parlement het recht verleent om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, kan een procedurele leemte vormen, maar het kan niet afdoen aan het fundamentele belang van de handhaving en de eerbiediging van het in de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen neergelegde institutionele evenwicht” ( 9 ),
met als conclusie:
„bijgevolg is een beroep dat het Parlement bij het Hof instelt tegen een handeling van de Raad of de Commissie, ontvankelijk, mits dit beroep slechts strekt tot eerbiediging van zijn prerogatieven en slechts berust op middelen die aan een schending van deze prerogatieven zijn ontleend”. ( 10 )
12.
Volgt men het standpunt van de Raad, dan moet men toegeven dat een beroep van het Parlement tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is in geval van een geringe of niet-klaarblijkelijke schending van diens prerogatieven. De grondregel in het „Tsjernobyl”-arrest — strikte eerbiediging van het institutionele evenwicht en de noodzaak dat de handhaving hiervan langs gerechtelijke weg wordt verzekerd — laat echter geen ruimte voor een dergelijk onderscheid.
13.
In de tweede plaats zou aanvaarding van de opvatting van de Raad noodzakelijkerwijs betekenen, dat het Hof in het stadium van de ontvankelijkheidsvraag de zaak ten gronde moet onderzoeken. In het onderhavige geval zou het Hof dan genoodzaakt zijn na te gaan of er, op het eerste gezicht, zodanige verschillen zijn tussen het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en de vastgestelde verordening, dat nieuwe raadpleging van het Parlement duidelijk geboden was, teneinde te kunnen beoordelen of het uitblijven van een tweede raadpleging een kennelijke schending oplevert van de prerogatieven van het Parlement, in welk geval het beroep ontvankelijk zou zijn.
14.
Er zijn uiteraard gevallen waarin een exceptie van niet-ontvankelijkheid de rechter tot een eerste beoordeling van de zaak ten gronde noopt. Dat is niet de reden waarom de stelling van de Raad mij als onjuist voorkomt; het is veeleer zo dat voor die stelling in het „Tsjernobyl”-arrest geen enkele steun te vinden is.
15.
Er worden in deze uitspraak twee bijzondere voorwaarden genoemd voor de ontvankelijkheid van een door het Parlement ingesteld beroep tot nietigverklaring. Het Hof verlangt dat het beroep van het Parlement „slechts strekt tot eerbiediging van zijn prerogatieven”, daarmee doelend op het voorwerp van het beroep, en dat het „slechts berust op middelen die aan een schending van deze prerogatieven zijn ontleend”.
16.
In de „Tsjernobyl”-zaak bepaalde het Hof zich tot de vaststelling, dat tot de aan het Parlement verleende prerogatieven de deelneming aan de wetgevingsprocedure, met name aan de samenwerkingsprocedure behoort, en dat het Parlement zijn beroep deed steunen op het feit dat de door de Raad gekozen onjuiste rechtsgrondslag alleen raadpleging van het Parlement voorschreef, terwijl de door het Parlement voorgestelde rechtsgrondslag gebruikmaking van de samenwerkingsprocedure verlangde. ( 11 ) Het Hof is dus geenszins nagegaan, of op het eerste gezicht de door de Raad gekozen rechtsgrondslag wellicht onjuist was, maar heeft zich gehouden aan de formele bewoordingen van het door het Parlement aangevoerde middel tot nietigverklaring. ( 12 )
17.
De argumenten waarmee de Raad in deze zaak een andere benadering door het Hof bepleit, zijn niet erg overtuigend. De Raad waarschuwt voor wat men zou kunnen noemen „ontaarding” van het stelsel van beroepswegen. Naar hij stelt, zou het Parlement elk verschil tussen het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en de vastgestelde verordening maar behoeven aan te grijpen en aldus beschikken over een algemeen recht van beroep tot nietigverklaring, dat dus tegen alle handelingen van de Raad kan worden uitgeoefend.
18.
In dit verband zijn drie opmerkingen op hun plaats.
19.
In de eerste plaats is de situatie niet anders waar het de keuze van de rechtsgrondslag voor een verordening van de Raad betreft. Het Parlement zou heel goed stelselmatig de rechtsgrondslag kunnen betwisten wanneer daarvoor een verdragsbepaling wordt gekozen die alleen raadpleging van deze instelling voorschrijft. De Raad vreest dat wanneer het onderhavige beroep ontvankelijk wordt verklaard, het Parlement zich gerechtigd zou kunnen achten om in alle gevallen een tweede raadpleging te verlangen. Maar volgens de voorwaarden die het Hof in het „Tsjernobyl”-arrest voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring door het Parlement heeft gesteld, kan het Parlement nu reeds alle handelingen van de Raad aanvechten, wanneer het niet via de samenwerkingsprocedure bij de voorbereiding daarvan betrokken is geweest.
20.
In de tweede plaats is deze mogelijkheid van stelselmatig beroep —die niet absoluut kan worden uitgebannen, bij voorbeeld in geval van een ernstige institutionele crisis binnen de Gemeenschappen— aan alle beroepswegen gemeen. Men zou zich eveneens stelselmatige beroepen van de Commissie tegen handelingen van de Raad kunnen voorstellen. Een dergelijke situatie is zo uitzonderlijk, dat zij naar mijn mening geen rol behoort te spelen bij de bepaling van wat naar „gemeen recht” de voorwaarden zijn voor ontvankelijkheid van de beroepen.
21.
Het valt bovendien te betwijfelen of het door de Raad verdedigde standpunt wel het adequate antwoord is op diens bezwaren. In geval van stelselmatig gevoerde beroepsprocedures zou, als men op deze redenering verder gaat, het Hof in ieder geval gehouden zijn nog in het stadium van de ontvankelijkheidsvraag de ernst van de door het Parlement aangevoerde middelen te onderzoeken.
22.
Ten slotte belet mijns inziens de ratio decidendi in het „Tsjernobyl”-arrest het Parlement niet, alle handelingen van de Raad aan te vechten, wanneer het van mening is dat elk van die handelingen zijn prerogatieven schendt. Het wezenlijke verschil tussen een beroep tot nietigverklaring door het Parlement en dat krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag is niet gelegen in de aard of de hoeveelheid van de voor beroep vatbare handelingen, maar in het nuttig resultaat waarop het beroep moet zijn gericht — handhaving van de prerogatieven van het Parlement — en in de bijzondere aard van de middelen die kunnen worden aangevoerd — schending van die prerogatieven.
23.
Deze dubbele beperking is de reden waarom het aan het Parlement toekomende recht van beroep tot nietigverklaring, anders dan het recht dat genoemde bepaling aan de Raad en de Commissie alsmede aan de Lid-Staten toekent, niet als „algemeen” kan worden beschouwd.
24.
Beperk ik mij tot de in het „Tsjernobyl”-arrest getrokken grenzen voor de ontvankelijkheid van een door het Parlement ingesteld beroep tot nietigverklaring, dan hoef ik dus enkel na te gaan of het voorwerp van het onderhavige beroep inderdaad strekt tot handhaving van zijn prerogatieven en of het Parlement met zijn argument, dat een tweede raadpleging noodzakelijk was omdat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie wezenlijk was gewijzigd, inderdaad een middel aanvoert dat aan schending van zijn prerogatieven is ontleend. Daarmee kom ik toe aan de laatste argumenten waarmee de Raad de niet-ontvankelijkheid van het beroep bepleit. Deze beweert immers, dat het advies van het Parlement voor hem geen juridische consequenties heeft. Nu raadpleging heeft plaatsgevonden, zou geen schending van prerogatieven van het Parlement kunnen worden vastgesteld, waarbij het Parlement zich overigens langs informele weg op de hoogte zou kunnen houden van de onderhandelingen met het oog op de vaststelling van de verordening.
25.
Het argument dat raadpleging van het Parlement voor de Raad geen juridische consequenties zou hebben, is onhoudbaar. Dat de Raad juridisch niet aan het advies van het Parlement gebonden is, wil nog niet zeggen dat het achterwege blijven van een tweede raadpleging in geval van wezenlijke wijziging van het oorspronkelijke voorstel geen aantasting vormt van de prerogatieven van deze instelling, waarvoor aan deelneming aan het wetgevingsproces in de Gemeenschap zoveel gelegen is. De politiek laat zich niet terugbrengen tot het enkele juridische aspect. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat op bepaalde gevoelige terreinen een negatief advies van het Parlement de Raad juridisch weliswaar niet hoeft te binden, maar toch een niet onaanzienlijke uitwerking kan hebben op het totstandkomingsproces en zelfs op de inhoud van de betrokken handeling. De mogelijkheid voor het Parlement om dat advies te geven, en in voorkomend geval een tweede advies uit te brengen, is een van zijn belangrijkste prerogatieven. Zulks is ook in de rechtspraak van het Hof bevestigd.
26.
In de fameuze „Isoglucose”-arresten ( 13 ) oordeelde het Hof:
„De raadpleging (...) is het middel dat het Parlement in staat stelt daadwerkelijk aan de communautaire regelgeving deel te nemen. De hierin besloten liggende bevoegdheid is een wezenlijk bestanddeel van het door het Verdrag gewilde institutionele evenwicht. (...) Waar het Verdrag voor bepaalde gevallen een reguliere raadpleging van het Parlement verlangt, heeft men dan ook te maken met een wezenlijk vormvoorschrift, welks nietnaleving tot nietigheid van de betrokken handeling leidt.”
27.
Het Hof heeft evenwel te kennen gegeven dat een tweede raadpleging van het Parlement niet nodig is, wanneer de betrokken wijzigingen „het ontwerp, in zijn geheel gezien, niet wezenlijk aantasten” ( 14 ), of wanneer het meer een „andere methode dan een materiële wijziging” ( 15 ) betreft, of die wijziging ten slotte „ruimschoots beantwoordde aan hetgeen er in zoverre door het Parlement was bepleit”. ( 16 )
28.
Advocaatgeneraal Mancini heeft in zijn conclusie bij het arrest Roviello ( 17 ) deze rechtspraak als volgt samengevat:
„Een tweede raadpleging over een ontwerp waarin een bepaling wordt gewijzigd of toegevoegd, is alleen dan overbodig, wanneer de wijziging of toevoeging voldoet aan een van de volgende voorwaarden: zij moet a) de wezenlijke punten van de betrokken bepaling in haar geheel genomen onaangetast laten (Chemiefarma, r. o. 69); b) louter technisch zijn, anders gezegd alleen een andere methode behelzen doch in geen geval een materiële wijziging (Buyl, r. o. 23, Chemiefarma, r. o. 178); c) beantwoorden aan de wens van het Parlement (Buyl, ibidem)”. ( 18 )
29.
Het middel inhoudende dat een tweede raadpleging omtrent een wezenlijk gewijzigd voorstel van de Commissie achterwege is gebleven, is dus ontleend aan schending van de prerogatieven van het Parlement. Indien de bestreden handeling door het Hof nietig wordt verklaard, zal de Raad gehouden zijn het Parlement te raadplegen over de inhoud van de betrokken verordening alvorens, in voorkomend geval, tot nieuwe vaststelling over te gaan. Doel van het door het Parlement ingestelde beroep is dus wel degelijk de handhaving van diens prerogatieven. ( 19 )
30.
Bijgevolg moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.
31.
Ten gronde voert het Parlement tot staving van zijn enige middel, inhoudende dat raadpleging over een volgens hem wezenlijk gewijzigd voorstel van de Commissie achterwege is gebleven, vijf punten aan waarop dat voorstel aanzienlijk zou afwijken van het oorspronkelijke, door de Commissie in 1985 ingediende voorstel.
32.
Die vijf punten betreffen respectievelijk het afzien van algemene cabotage ten gunste van een communautair contingentenstelsel, het ontbreken in de bestreden verordening van zogenoemde „aansluitende” cabotage, de opneming in die verordening van een vrijwaringsclausule, de opneming van een sanctieregeling voor overtredingen, en ten slotte het tijdelijke karakter van de bestreden verordening.
33.
Het vijfde punt van verschil tussen het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en de uiteindelijk door de Raad vastgestelde verordening gaat naar mijn mening in zoverre in het eerste punt op, dat bij de beoordeling van het verschil tussen de liberalisering van het vervoer zoals door de Raad geregeld en die welke de Commissie aanvankelijk had voorgesteld, met dit tijdelijke karakter van de bestreden verordening rekening moet worden gehouden. Ook punt vier kan niet los van het laatste punt worden gezien: de door de Raad vastgestelde sanctieregeling is eveneens tijdelijk. Het tweede en het derde punt daarentegen, waarop de bestreden verordening min of meer negatief afsteekt ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, aangezien de verschillen hier liggen in de schrapping of opschorting van liberaliseringsmaatregelen, moeten onafhankelijk van het tijdelijke karakter van de bestreden verordening worden behandeld.
34.
Het eerste verschil betreft de zogenoemde „algemene” cabotage. Artikel 1 van het oorspronkelijke voorstel behelsde de toegang voor alle voor rekening van derden handelende ondernemers in het beroepsgoederenvervoer over de weg, gevestigd in een Lid-Staat en aldaar gemachtigd tot internationaal goederenvervoer over de weg, tot het binnenhnds beroepsgoederenvervoer over de weg in een andere Lid-Staat dan die waarin zij zijn gevestigd. Ingevolge artikel 3 zou dat vervoer dan onder de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vallen van de Lid-Staat waar het vervoer werd verricht en zouden die bepalingen op de betrokken vervoerders worden toegepast onder dezelfde voorwaarden als die Lid-Staat jegens de eigen ingezetenen hanteert.
35.
De door de Raad op 21 december 1989 vastgestelde verordening regelt de „tijdelijke” ( 20 ) toegang voor vervoersondernemers die in een Lid-Staat zijn gevestigd en gemachtigd tot internationaal goederenvervoer, tot het binnenlands beroepsgoederenvervoer over de weg in een andere Lid-Staat, in het kader van een communautair cabotagecontingent. ( 21 ) Dit contingent omvat 15000 vergunningen met een geldigheidsduur van twee maanden, verdeeld over de Lid-Staten. Het contingent wordt jaarlijks, met ingang van 1 juli 1991, verhoogd met niet minder dan 10 %. ( 22 ) Ingevolge artikel treedt de verordening in werking op 1 juli 1990 en is zij tot en met 31 december 1992 van toepassing, waarbij de Raad vóór 1 juli 1992 een verordening dient vast te stellen met de definitieve cabotageregeling. Het contingent kan dus slechts twee maal worden verhoogd, per 1 juli 1991 en per 1 juli 1992.
36.
De Raad ziet bij vergelijking van de twee regelingen meer een verschil in methode dan in materiële inhoud. Waar het oorspronkelijke voorstel van de Commissie over de gehele lijn de regel van „nationale behandeling” laat gelden, moet er volgens verweerder rekening mee worden gehouden dat in talrijke Lid-Staten kwantitatieve beperkingen voor vervoersverrichtingen gelden. Artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening nu sluit de toepassing uit van nationale regelingen waarbij contingenten worden opgelegd. Over het geheel genomen zou een communautair contingent niet restrictiever werken dan een schijnbare liberalisering van de voorwaarden voor de toegang tot het binnenlands vervoer, waarbij de nationale beperkingen van toepassing zouden blijven. Een communautair contingent zou meer in overeenstemming zijn met de vereisten van een gemeenschappelijk vervoersbeleid.
37.
De rechtspraak van het Hof biedt weinig aanknopingspunten voor de vraag, hoever de wijzigingen kunnen gaan die „in (hun) geheel (gezien)” ( 23 ) het oorspronkelijke voorstel van de Commissie niet wezenlijk aantasten. In het arrest van arrest van 15 juli 1970, Chemiefarma, deed het Hof kort een exceptie van onwettigheid af, die was voorgedragen tegen artikel 15 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening ter uitvoering van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204). ( 24 ) In de zaken Battaglia, Buyl en Adam ( 25 ) lag het verschil tussen het voorstel zoals dat aan de Raad was voorgelegd en de uiteindelijk vastgestelde verordening in de vervanging van de ERE (Europese rekeneenheid) door de geactualiseerde wisselkoersen. Het Hof meende dat het meer ging om een andere methode dan om een materiële wijziging, nu in de aangehouden koersen precies de in nationale valuta's omgerekende ERE-waarde per 1 april 1978 tot uitdrukking kwam. ( 26 )
38.
Het is het Parlement niet ontgaan, dat de in het voorstel van de Commissie beoogde liberalisering door de bestaande nationale kwantitatieve beperkingen gedeeltelijk aan doelmatigheid zou inboeten. In zijn advies van 12 september 1986 stelde het Parlement immers voor, aan artikel 1 een tweede alinea toe te voegen van de volgende inhoud:
„Zodra lid 1 in werking is getreden verhogen de Lid-Staten waar de toelating tot het binnenlandse goederenvervoer aan kwantitatieve beperkingen gebonden is, het aantal vergunningen in zodanige mate dat bij de verlening van extra vergunningen ook vervoerders uit andere Lid-Staten aan het binnenlands vervoer kunnen deelnemen.”
39.
Naar ik meen zou het oorspronkelijke voorstel van de Commissie een onbeperkte toegang tot het binnenlandse vervoer hebben teweeggebracht in de Lid-Staten waarin geen stelsel van kwantitatieve beperkingen gold. Voor de overige Lid-Staten hadden de nationale contingenten vanaf het moment van inwerkingtreding van de op basis van het oorspronkelijke voorstel vast te stellen verordening op niet-discriminerende wijze tussen elders gevestigde en binnenlandse vervoersondernemers moeten worden verdeeld. Ook al wordt in het oorspronkelijke voorstel niet gezegd hoe de nationale contingenten op niet-discriminerende wijze moeten worden verdeeld, men mag aannemen dat de Lid-Staten waar een stelsel van kwantitatieve beperkingen geldt, zich dan genoodzaakt hadden gezien hun nationale contingent te verhogen, omdat talloze binnenlandse vervoersondernemingen anders niet meer in staat waren geweest bepaalde vergunningen te verkrijgen —die zouden dan aan elders gevestigde vervoersondernemingen zijn vergeven — en hun activiteiten hadden moeten inkrimpen of staken. Een Lid-Staat die geen of slechts een zeer gering deel van zijn contingent aan elders gevestigde vervoersondernemers zou hebben afgestaan, was onvermijdelijk in een niet-nakomingsprocedure betrokken geworden, gezien de grote waarschijnlijkheid van discriminatie.
40.
Zonder in te gaan op de vraag of de handhaving van nationale contingenten in feite al dan niet restrictiever is dan het in de bestreden verordening geregelde communautaire contingent — het Hof beschikt trouwens niet over de nodige informatie om zulks te onderzoeken ( 27 )—, acht ik het verschil tussen het oorspronkelijke voorstel en de definitieve verordening van wezenlijke aard, omdat de op basis van het communautaire contingent afgegeven vergunningen tijdelijk zijn met een geldigheidsduur van twee maanden en bovendien het door de Raad ingevoerde algemene stelsel zelf ook tijdelijk is, want de verordening is slechts tot en met 31 december 1992 van toepassing. Er is naar mijn gevoel een verschil in aard tussen een definitieve liberalisering van de vervoerdiensten, ook al zijn die in sommige Lid-Staten aan restricties gebonden die zich overigens, zoals gezegd, mettertijd kunnen versoepelen, en een tijdelijke liberalisering, die dus onzeker is doordat zij door stilzitten van de Raad weer ter discussie kan komen te staan. Het voorstel van de Commissie maakte bovendien een onbegrensde toegang mogelijk tot de markt van Lid-Staten die geen kwantitatieve beperkingen kenden.
41.
Ook zo het stelsel van een communautair contingent meer in overeenstemming is met een eenvormig gemeenschapsrecht, kan dit verschil naar mijn mening niet als eenvoudige verandering van methode worden bestempeld. De keuze tussen een stelsel dat al naar gelang de geldende nationale voorschriften een andere uitwerking zal hebben, maar voor sommige Lid-Staten tot algehele liberalisering van het goederenvervoer over de weg zal leiden, en een minder liberaal, maar meer uniform regiem is wel zo belangrijk dat daarover het advies van het Parlement behoorde te worden ingewonnen.
42.
Het Parlement wijst op een tweede verschil met betrekking tot de zogenoemde „aanvullende” cabotage. Artikel 5, lid 1, van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie behelsde het recht van een vervoersondernemer om in een andere Lid-Staat dan die waarin hij is gevestigd, twee binnenlandse vervoersprestaties te verrichten, waarbij „het vervoer moet aansluiten op een goederenvervoer over de weg tussen twee Lid-Staten dat onder vergunning, of bij geliberaliseerd vervoer zonder vergunning, is uitgevoerd” en „de vervoerprestaties moeten worden verricht op de terugweg naar de Lid-Staat waar de vervoerder is gevestigd of naar die waar zich het vertrekpunt van het voorafgaande internationale vervoer bevindt”. Uit de vijfde overweging van de considerans blijkt de bedoeling van deze bepaling: „het aantal ritten zonder lading in het internationaal vervoer dient te worden beperkt om een efficiënter gebruik van voertuigen en energie te bewerkstelligen en daardoor de produktiviteit van het internationaal goederenvervoer over de weg te verbeteren” en „de vermindering van het aantal voertuigen op de wegen draagt bij tot een verbetering van het milieu in het algemeen”.
43.
Volgens het Parlement nu bevatte artikel 5, lid 1, van het oorspronkelijke voorstel een aanzienlijk potentieel voor verdere ontwikkeling, doordat verordening (EEG) nr. 1841/88 van de Raad van 21 juni 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3164/76 betreffende het communautaire contingent voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten ( 28 ), met ingang van 1 januari 1993 de afschaffing van communautaire en bilaterale contingenten tussen Lid-Staten regelt.
44.
De Raad brengt daartegen in, dat die verordening van latere datum is dan het oorspronkelijke voorstel en daarom geen rol kan spelen voor de vraag, of een tweede raadpleging van het Parlement noodzakelijk was.
45.
De redenering van het Parlement is gebaseerd op het feit, dat de Commissie op 5 december 1985, toen zij haar voorstel voorlegde, al op de hoogte was van de conclusies van de 1040e zitting van de Transportraad, die op 14 november 1985 had plaatsgevonden, alsmede op het feit, dat nog voordat het Parlement op 12 september 1986 zijn advies uitbracht, de Raad in zijn 1090e zitting van 30 juni van hetzelfde jaar tot de conclusie was gekomen, dat „de jaarlijkse groei van het communautaire contingent vanaf 1987 in totaal 40 % zou moeten bedragen totdat in 1993 een vrije markt voor het intracommunautaire goederenvervoer over de weg zonder kwantitatieve beperkingen tot stand zou zijn gebracht”.
46.
Vast staat, dat de bestreden verordening geen enkele bepaling bevat die „aanvullende” cabotage mogelijk maakt.
47.
Om te bezien of er tussen het oorspronkelijke voorstel en de definitieve verordening al dan geen wezenlijk verschil bestaat, moet men uiteraard niet alleen letten op de bepalingen die materiële of methodieke wijzigingen hebben ondergaan, maar ook op die welke in de definitieve regeling zijn verdwenen. Wil men de uitwerking meten van het feit dat in het voorstel dat de Commissie in december 1989 aan de Raad heeft voorgelegd, elke bepaling ter regeling van „aanvullende” cabotage is weggevallen, dan moet men zich verplaatsen naar het moment waarop dat tweede voorstel werd ingediend teneinde, uitgaande van de juridische context op dat moment, te bepalen of de wijziging door deze schrapping zodanige gevolgen had dat nieuwe raadpleging van het Parlement geboden was. In december 1989 moesten immers zowel de Raad als de Commissie zich er wel van bewust zijn, dat het ontbreken van bepalingen inzake „aanvullende” cabotage, in tegenstelling tot wat in het oorspronkelijke voorstel was beoogd, moest worden beoordeeld naar de stand van het gemeenschapsrecht terzake van het intracommunautair vervoer op dat moment. Gesteld daarentegen, dat in december 1989 het gemeenschapsrecht inzake dit vervoer slechts een zeer restrictief stelsel had gekend, dan had schrapping van het bepaalde omtrent „aanvullende” cabotage in de uiteindelijke verordening kunnen worden beschouwd als gelijkwaardig aan hetgeen in het oorspronkelijke voorstel was bepaald.
48.
Het is dus terecht dat het Parlement het bestaan van verordening nr. 1841/88 als argument aanvoert. Bij artikel 1 van deze verordening immers wordt in verordening (EEG) nr. 3164/76 ( 29 ) een artikel 4 bis ingevoegd, inhoudende dat de „communautaire en bilaterale contingenten tussen Lid-Staten alsmede de contingenten inzake doorvoer naar of uit derde landen op 1 januari 1993 worden afgeschaft voor communautaire vervoerson-dernemers”. Voorts wordt een artikel 3 ingevoegd, waarvan lid 2 bepaalt: „Voor 1989 wordt het totale aantal communautaire vergunningen dat in het kader van het communautaire contingent aan de Lid-Staten wordt toegekend, vastgesteld op 24021”, en lid 3: „De Raad neemt uiterlijk op 31 maart 1990, op de grondslag van een vóór 31 december 1989 in te dienen voorstel van de Commissie, een besluit over de verhoging van het communautaire contingent vanaf 1990 en over de in crisissituaties te nemen maatregelen. Het voorstel dient vergezeld te gaan van een verslag over de gevolgen van de tot dusver aangenomen verhogingen, met inbegrip van de verdeling van het communautaire contingent.”
49.
Daardoor bood de invoering van „aanvullende” cabotage, wegens de ophanden zijnde volledige liberalisering van het intracommunautaire vervoer, belangrijke mogelijkheden voor een toeneming van het aantal vervoersverrichtingen door in andere Lid-Staten gevestigde ondernemers. De schrapping daarvan in de bestreden verordening brengt wezenlijke verandering in het aanvankelijke voorstel van de Commissie, zodat nieuwe raadpleging van het Parlement geboden was.
50.
Als derde bezwaar noemt het Parlement de opneming in de bestreden verordening van vrijwaringsmaatregelen, zonder dat in het oorspronkelijke voorstel een vergelijkbare regeling viel aan te treffen. Artikel 2, lid 5, van de verordening bepaalt inderdaad: „Indien de binnenlandse vervoersmarkt in een bepaalde geografische zone ernstig verstoord wordt door cabotageactiviteiten, kunnen de Lid-Staten de kwestie bij de Commissie aanhangig maken zodat vrijwaringsmaatregelen kunnen worden genomen. Na raadpleging van de andere Lid-Staten, neemt de Commissie binnen een maand na ontvangst van een dergelijk verzoek van een Lid-Staat een besluit ten aanzien van de vrijwaringsmaatregelen die noodzakelijk zijn. Deze maatregelen kunnen de tijdelijke uitsluiting van de betrokken zone van de werkingssfeer van deze verordening omvatten. De Commissie deelt elk besluit inzake vrijwaringsmaatregelen mede aan de Raad en aan de Lid-Staten.”
51.
De Raad antwoordt daarop, dat met deze toevoeging tegemoet is gekomen aan een wens die het Parlement in zijn advies van 12 september 1986 te kennen had gegeven.
52.
Inderdaad heeft het Parlement indertijd voorgesteld, aan het oorspronkelijke voorstel van de Commissie een artikel 7 bis toe te voegen van de volgende inhoud: „In geval van bijzondere omstandigheden waarin vervoersaanbod en-vraag niet met elkaar in evenwicht zijn kan de Raad op verzoek van een Lid-Staat en na raadpleging van de Commissie, toestemming verlenen voor een tijdelijke afwijking van het in deze verordening vastgestelde tijdschema.” Dit laatste verwijst, zo schijnt het, naar artikel 1, lid 1, van het voorstel, waarin de datum van inwerkingtreding van de verordening was bepaald op 1 januari 1987.
53.
Sommige verschillen tussen de twee teksten zijn mijns inziens zuiver redactioneel. De „bijzondere omstandigheden waarin vervoersaanbod en-vraag niet met elkaar in evenwicht zijn” in de door het Parlement voorgestelde tekst liggen begripsmatig zeer dicht bij de situatie waarin „de binnenlandse vervoersmarkt (...) ernstig verstoord wordt door cabotageactiviteiten”. In beide gevallen overtreft het vervoersaanbod de vraag in die mate, dat dit het instorten van de vervoersprijzen tot gevolg zal hebben en het bestaan van talloze ondernemers in gevaar zal brengen.
54.
Ofschoon in de door het Parlement voorgestelde tekst niet wordt gespecificeerd tot welke geografische omvang de afwijking zou moeten gelden, is er volgens mij geen reden waarom dat niet het gehele grondgebied van een Lid-Staat zou kunnen zijn, zoals de bestreden verordening dat kennelijk ook mogelijk maakt.
55.
Ten slotte is in beide gevallen de toepassing van de regeling tijdelijk uitgesloten.
56.
Het enige reële verschil is volgens mij van institutionele aard. Volgens de bestreden verordening worden de maatregelen genomen door de Commissie, na raadpleging van de andere Lid-Staten; vervolgens worden die maatregelen ter kennis van de Raad en de Lid-Staten gebracht. In het voorstel van het Parlement daarentegen wordt de bevoegdheid om na raadpleging van de Commissie afwijkingen toe te staan, bij de Raad gelegd. Een beschouwing over de vraag of een verzoek om invoering van vrijwaringsmaatregelen meer kansen zou maken al naar gelang de Raad of de Commissie ter zake bevoegd is, kan hier naar mijn mening achterwege blijven. Volstaan kan worden met de vaststelling dat het voor het institutionele evenwicht van de Gemeenschappen van belang is — getuige de arresten van het Hof inzake de kwestie van de „beheerscomités” ( 30 ) of inzake de uitvoerende bevoegdheden op begrotingsgebied ( 31 )—, of een dergelijke bevoegdheid aan de Raad dan wel aan de Commissie wordt toebedeeld. Ook zo men redelijkerwijs kan aannemen dat het Parlement het niet ongerechtvaardigd zou vinden om die bevoegdheid aan de Commissie toe te vertrouwen, moet toch worden vastgesteld dat het in zijn advies had verkozen deze aan de Raad toe te kennen, en dat hem niet is gevraagd zich uit te spreken over de verandering die in december 1989, bij de vaststelling van de litigieuze verordening, werd voorgesteld. Ook op dit punt was nieuwe raadpleging van het Parlement dus geboden geweest.
57.
Het vierde punt dat verzoeker aanvoert, heeft betrekking op de sancties. Volgens het Parlement is het bepaalde in artikel 6 van de verordening in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie niet terug te vinden.
58.
Genoemd artikel 6 luidt als volgt:
„1.
De Lid-Staten verlenen elkaar bijstand voor de toepassing van deze verordening.
2.
De door een niet in een bepaalde Lid-Staat woonachtige vervoersondernemer begane inbreuken op deze verordening worden, onverminderd de strafvervolging waaraan deze zich daardoor in de Lid-Staat van ontvangst blootstelt, meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vestiging van deze vervoersondernemer.
De bevoegde autoriteiten wisselen alle in hun bezit zijnde gegevens uit over de sancties op deze inbreuken.
Indien blijkt dat een cabotagevergunning vervalst is, wordt de vergunning onmiddellijk ingetrokken; zij wordt toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarin de vervoerder is gevestigd.
3.
De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst kunnen, in geval van ernstige of herhaalde inbreuken, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vestiging verzoeken sancties te treffen.
Deze sancties kunnen met name bestaan uit:
—
een waarschuwing;
—
een tijdelijk of definitief verbod op de toegang van de vervoersonderneming tot het binnenlands vervoer van de Lid-Staat van ontvangst;
—
een tijdelijk of definitief verbod op de toegang van de vervoersonderneming tot het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst.
4.
De Lid-Staat van vestiging moet bij een inbreuk op deze verordening de sanctie treffen die tussen de autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst en van de Lid-Staat van vestiging is overeengekomen of de betrokken vervoersondernemer voor een bevoegde nationale instantie dagvaarden.
De Lid-Staat van ontvangst wordt onmiddellijk in kennis gesteld van de eventuele sanctie.”
59.
De Raad brengt daartegen in, dat deze sanctieregeling eigenlijk al in het voorstel van de Commissie besloten lag, namelijk waar artikel 3 daarvan de vervoersondernemer bond aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staat waar het vervoer wordt verricht. Hij voegt daaraan toe, dat de invoering van deze regeling aan de wensen van het Parlement tegemoet komt.
60.
Het is inderdaad zo, dat het Parlement in zijn advies van 12 september 1986 had voorgesteld aan artikel 3 een tweede lid toe te voegen, luidend als volgt: „Indien met voertuigen van een vervoerder de communautaire vervoerswetgeving, de voorschriften betreffende de veiligheid van het wegverkeer of het bepaalde in lid 1 bij herhaling ernstig wordt overtreden, kan de betrokken Lid-Staat de in artikel 1 bedoelde toelating van deze vervoerder tot het vervoer opheffen; de bevoegde instanties van deze Lid-Staat kunnen de opheffing vermelden op het attest als bedoeld in artikel 2, lid 4.”
61.
De door de Raad vastgestelde regeling is ongetwijfeld gedetailleerder dan die welke het Parlement had voorgesteld. De sancties, van toenemende zwaarte, worden opgelegd door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vestiging (lid 3), onverminderd de strafvervolging waartoe de Lid-Staat van ontvangst kan overgaan (lid 2). De door het Parlement voorgestelde bepaling is op het punt van de tot bestraffing van overtredingen bevoegde instanties niet zo eenduidig, want daarin wordt slechts gesproken van „de betrokken Lid-Staat”, zonder dat hieruit met zekerheid valt op te maken of dat nu de Lid-Staat van ontvangst is of die van vestiging, of misschien zelfs allebei. In deze laatste lezing, die gezien de bewoordingen van het door het Parlement voorgestelde artikel 3, lid 2, niet eens zo gezocht lijkt, zou de door het Parlement voorgestelde regeling zeer sterk gelijken op die welke de Raad heeft vastgesteld. Hoe dat ook zij, ook indien men het voorstel van het Parlement aldus verstaat, dat daarin de bevoegdheid tot de oplegging van sancties alleen aan de Lid-Staat van ontvangst toekomt, brengt mijns inziens het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap mee dat hier veeleer sprake is van een andere methode dan van een materiële verandering. Dat de door de Raad vastgestelde verordening van tijdelijke aard is, kan aan deze analyse niets veranderen, omdat het Parlement niet tegelijkertijd mag klagen over de invoeging van een sanctieregeling èn over het feit dat tijdelijke opschorting van deze regeling mogelijk is. De wijziging komt overigens in beginsel overeen met de wensen van het Parlement. Op dit punt was nieuwe raadpleging van het Parlement dus niet noodzakelijk.
62.
Uit de overwegingen die ik aan de zaak ten gronde heb gewijd, komt naar voren dat de uiteindelijk door de Raad vastgestelde ontwerpverordening „in haar geheel genomen” ( 32 ) aanzienlijk verschilde van het voorstel waarover het Parlement was geraadpleegd. De bestreden verordening ware dus nietig te verklaren.
63.
Twee opmerkingen moeten nog worden gemaakt in verband met de draagwijdte van die nietigverklaring.
64.
De eerste opmerking betreft de omvang van de nietigverklaring. Naar mijn mening moet de nietigverklaring zich in dit geval tot de gehele verordening uitstrekken. Deze bevat immers enerzijds slechts homogene bepalingen, die alle verband houden met de vrije verrichting van diensten in het goederenvervoer over de weg. Voorts beziet het Hof in zijn rechtspraak steeds de twee betrokken teksten „in hun geheel” om te beoordelen, in hoeverre nieuwe raadpleging van het Parlement verplicht was. Weliswaar valt niet uit te sluiten, dat wanneer een verordening uiteenlopende bepalingen bevat waarvan alleen die met betrekking tot één bepaalde materie wezenlijk verschillen van die in het oorspronkelijke voorstel, de nietigverklaring wegens ontbreken van een tweede raadpleging van het Parlement slechts een gedeelte van de bestreden verordening treft, maar in de onderhavige zaak is zulks niet het geval.
65.
Mijn tweede kanttekening betreft de bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 174, tweede alinea, om „die gevolgen van de vernietigde verordening aan (te wijzen) welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd”. Ik wil het Hof dringend aanraden van deze mogelijkheid gebruik te maken. Nietigverklaring van de bestreden verordening zonder een dergelijke maatregel, zou voor het ogenblik — zoals het Hof dit in het arrest Pinaud Wieger ( 33 ) verwoordde— alle vrije verkeer van diensten op het gebied van het goederenvervoer over de weg onmogelijk maken, totdat de Raad na raadpleging van het Parlement een nieuwe verordening ter zake zal hebben vastgesteld. ( 34 )
66.
In casu zal toepassing van artikel 174, tweede alinea, overigens slechts voor enkele maanden effect sorteren, aangezien de bestreden verordening volgens het bepaalde in artikel 9 tot en met 31 december 1992 van toepassing is. De Raad is immers op grond van diezelfde bepaling gehouden om vóór 1 juli 1992 een verordening aan te nemen ter vaststelling van een definitieve cabotageregeling, die op 1 januari 1993 in werking moet treden. Het voorstel van de Commissie ter zake is trouwens op 22 november 1991 ingediend. ( 35 )
67.
Ik geef het Hof dus in overweging:
1)
verordening (EEG) nr. 4059/89 van de Raad van 21 december 1989 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoersondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten, nietig te verklaren;
2)
te bepalen dat de gevolgen van genoemde verordening gehandhaafd zullen blijven totdat de Raad een verordening ter vaststelling van een definitieve cabotageregeling zal hebben aangenomen en uiterlijk tot 31 december 1992;
3)
de Raad te verwijzen in de kosten van deze procedure.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) PB 1989, L 390, biz. 3.
( 2 ) Arrest van 22 mei 1990, zaak C-70/88, Parlement/Raad, Jurispr. 1990, biz. I-2041.
( 3 ) PB 1985, C 349, blz. 26.
( 4 ) PB 1986, C 255, blz. 236.
( 5 ) Aanvullende opmerkingen van de Raad, punt 4.2.
( 6 ) Jurispr. 1990, blz. I-2065.
( 7 ) R. o. 21.
( 8 ) R. o. 22, cursivering van mij.
( 9 ) R. o. 26.
( 10 ) R. o. 27.
( 11 ) R. o. 28 en 29.
( 12 ) In het arrest van 4 oktober 1991 (zaak C-70/88, Parlement/Raad, Jurisor. 1991, blz. I-4529) verklaarde liet Hof twee middelen niet-ontvankelijk, inhoudende dat de Raad een verordening in plaats van cen richtlijn had vastgesteld respectievelijk dat de Raad had verzuimd uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te delegeren (r. o. 19 en 20). Het Hof volstond daarbij met de vaststelling dat „het Parlement tot staving van deze middelen niets aanvoert waaruit een schending van zijn prerogatieven zou kunnen blijken” (r. o. 20).
( 13 ) Arresten van 29 oktober 1980 (zaak 138/79, Roquette Frères, Jurispr. 1980, biz. 3333, r. o. 33 en zaak 139/79, Maizena, Jurispr. 1980, biz. 3393, r. o. 34).
( 14 ) Arrest van 15 juli 1970 (zaak 41/69, Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, r. o. 178).
( 15 ) Arresten van 4 februari 1982 (zaak 1253/79, Battaglia, Jurispr. 1982, blz. 297, r. o. 24; zaak 817/79, Buyl, Jurispr. 1982, blz. 245, r. o. 23 en zaak 828/79, Adam, Jurispr. 1982, blz. 269, r. o. 24).
( 16 ) Ibidem.
( 17 ) Arrest van 7 juni 1988 (zaāk 20/85, Jurispr. 1988, blz. 2805).
( 18 ) Conclusie, Jurispr. 1988, blz. 2828.
( 19 ) Ik geloof niet in te hoeven gaan op liet argument van de Raad, dat het Parlement zich van het verloop van de werkzaamheden „langs informele weg” op de hoogte zou kunnen houden, een argument dat geen hout snijdt waar het gaat om de vereisten van een communautaire rechtsorde.
( 20 ) Artikel 1.
( 21 ) Artikel 2, lid 1.
( 22 ) Artikel 2, lid 4.
( 23 ) Zaak 41/69, r. o. 178.
( 24 ) Arrest in zaak 41/69, reeds aangehaald, r. o. 178 en 179.
( 25 ) Arresten in zaak 1253/79, zaak 817/79 en zaak 828/79, reeds aangehaald.
( 26 ) Bij voorbeeld het arrest in zaak 1253/79, reeds aangehaald, r. o. 24.
( 27 ) Zie evenwel het verslag aan de Raad over het gebruik van cabotagevergunningen in 1990/1991, op 22 november 1991 voorgelegd door de Commissie ((COM (91) 377 dcf.)), waarin de omvang van liet cabotagevervoer voor de periode van medio 1990 tot medio 1991 wordt geschat op 450 tot 600 miljoen KMT (kilometerton), dus beduidend minder dan de drie miljard KMT die werden genoemd in „Analyses et previsions” 1989 uit de serie Eitropatransport; het cabotagevervoer maakt in diezelfde periode naar schatting 0,108 % uit van de binnenlandse markt.
( 28 ) PB 1988, L 163, biz. 1.
( 29 ) Verordening van de Raad van 16 december 1976 betreffende het communautaire contingent voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten (PB 1976. L 357, biz. 1).
( 30 ) Arrest van 17 december 1970 (zaak 25/70, Küster, Jurispr. 1970, blz. 1161).
( 31 ) Arrest van 24 oktober 1989 (zaak 16/88, Commissie/Raad, Jurispr. 1989, blz. 3457).
( 32 ) Arrest 41/69, reeds aangehaald, r. o. 178.
( 33 ) Arrest van 7 november 1991 (zaak C-17/90, Jurispr. 1991, blz. I-5253).
( 34 ) Het Parlement heeft het Hof bij de mondelinge behandeling trouwens zelf gesuggereerd om bij toewijzing van het beroep gebruik te maken van artikel 174, tweede alinea, EEG-Vcrdrag.
( 35 ) Doc. COM (91)377 dcf.
Full & Egal Universal Law Academy