Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak staat een problematiek centraal die nogal frequent terugkeert in de rechtspraak van het Hof: parafiscale heffingen die inzonderheid bestemd zijn voor een publiekrechtelijk lichaam ten einde zijn institutionele activiteiten te bekostigen.
De belasting in casu is een heffing op aardolieprodukten op het moment dat deze op de Franse markt in het verkeer werden gebracht. Deze heffing is door de Franse Republiek bij twee decreten ingesteld (decreet nr. 903 van 30 augustus 1978 en decreet nr. 1043 van 2 november 1978), ten einde de daling van de aardolieprijzen, veroorzaakt door een koersdaling van de dollar (de munteenheid van de aardoliehandel), zo te compenseren, dat de prijzen aan de pomp ongewijzigd bleven.
Ik wijs erop, dat de heffing verschuldigd was, ongeacht of het produkt van binnenlandse of buitenlandse herkomst was. Anderzijds maakte de regeling met betrekking tot de tarieven, de grondslag en de inningsmodaliteiten geen verschil tussen nationale en ingevoerde produkten.
Juist als parafiscale heffing had deze belasting echter een verplichte bestemming. Bij de wet was de opbrengst ervan toegewezen aan de Agence pour les économies d' énergie (hierna: "AEE"), een publiekrechtelijk orgaan met een industrieel en commercieel karakter onder toezicht van de minister van Energie. Op grond van de destijds geldende nationale bepalingen was de AEE gehouden de van de heffing afkomstige financiële middelen aan te wenden voor de bekostiging van acties gericht op energiebesparing en op een rationeel gebruik van onvoldoende geëxploiteerde energiebronnen.
Van mening dat de hierboven beschreven fiscale regeling zowel naar nationaal als naar communautair recht onwettig was, hebben verzoeksters in het hoofdgeding, ondernemingen die olieprodukten in Frankrijk invoeren en verhandelen, zich tot de rechter gewend om terugbetaling van de afgedragen heffingen te bewerkstelligen. Hierop achtte de Cour d' appel de Poitiers het noodzakelijk de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof vragen te stellen over de verenigbaarheid van de fiscale regeling met een groot aantal bepalingen van het Verdrag en in het bijzonder met de artikelen 3, 5, 6, 12, 13, 30, 31, eerste alinea, 32, eerste alinea, 37, 92 en 95.
Nog afgezien van de in de prejudiciële vragen genoemde verdragsbepalingen, lijken de wezenlijke punten waarover het Hof om opheldering wordt gevraagd, duidelijk genoeg. Het gaat om een uitspraak over de verenigbaarheid van de bestreden parafiscale heffing met vijf verschillende groepen van regels, betreffende respectievelijk: de beginselen van de Gemeenschap, maatregelen van gelijke werking, heffingen van gelijke werking en discriminerende binnenlandse belastingen, monopolies van commerciële aard en, tot slot, de bepalingen met betrekking tot overheidssteun.
a) De beginselen
Het onderzoek van dit gezichtspunt levert geen buitengewone moeilijkheden op en kan dan ook snel worden afgehandeld. Op de eerste plaats is het duidelijk, dat zowel artikel 3, waarin de belangrijkste activiteiten van de Gemeenschap worden omschreven, als artikel 6, dat voorziet in het beginsel van cooerdinatie van het economisch beleid van de Lid-Staten, het karakter heeft van een beginselverklaring en derhalve geen regel is die nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke verplichtingen voor de Lid-Staten vastlegt.
Het betreft derhalve voorschriften die geen rechtstreekse werking hebben met betrekking tot de regeling van een bepaalde rechtsverhouding.
Wat de toepassing van artikel 5 betreft, lijkt de situatie nauwelijks ingewikkelder. De rechtstreekse werking van de bepaling is in het algemeen uitgesloten(1): ten onrechte, naar mijn mening, onder voorbehoud van een meer diepgaand onderzoek, dat mij thans niet opportuun lijkt. Het lijkt zeer wel mogelijk, dat deze bepaling, en in het bijzonder de tweede alinea, een zelfstandige normatieve strekking kan hebben als bron van subjectieve rechtssituaties. Overigens is het zeker, dat artikel 5 hoe dan ook slechts als restbepaling van belang kan zijn. In de regel is op een maatregel die onverenigbaar is met artikel 5, tweede alinea, een andere, meer specifieke bepaling van het Verdrag van toepassing. In dat geval moet uiteraard de meer specifieke bepaling worden toegepast en niet het verbod van artikel 5, tweede alinea. Dit lijkt juist in de onderhavige zaak het geval te zijn, aangezien het Verdrag specifieke bepalingen bevat die een exacte beoordeling mogelijk maken van de verenigbaarheid van de in geding zijnde fiscale regeling.
Los van het probleem van de rechtstreekse werking, komt derhalve aan artikel 5 in de onderhavige zaak geen belang toe.
b) Maatregelen van gelijke werking
Verzoeksters in het hoofdgeding en de Commissie menen te kunnen stellen, dat de bestreden parafiscale heffing onverenigbaar is met artikel 30 van het Verdrag. In het bijzonder de Commissie, die uitdrukkelijk erkent dat dit artikel niet op de heffing als zodanig van toepassing is, wijst erop, dat de heffing deel uitmaakt van een stelsel van door de overheid vastgelegde prijzen waarvan alle bestanddelen eenzijdig door de Franse regering worden bepaald. Dit in overweging nemend, zou het denkbaar zijn, dat de instelling van de heffing in casu zonder meer een belemmering voor de invoer van de betrokken produkten heeft gevormd.
Dit argument kan echter niet worden aanvaard. Hiervoor zijn twee redenen: de eerste betreft de verhouding tussen artikel 30 en andere bepalingen van het Verdrag, waaronder inzonderheid die welke met name betrekking hebben op nationale maatregelen van fiscale aard; de tweede reden betreft de kern van de redenering van de Commissie en van verzoeksters in het hoofdgeding.
Wat de eerste reden betreft, herinner ik om te beginnen aan het welbekende feit dat artikel 30 - de basisregel van het stelsel van het vrije verkeer van goederen - een lex generalis is ten opzichte van andere, meer bijzondere bepalingen, in het bijzonder die welke betrekking hebben op belastingen en heffingen van gelijke werking. In zijn arrest Iannelli en Volpi(2) overwoog het Hof,
"dat het toepassingsgebied van artikel 30, hoe uitgestrekt het ook moge zijn, niet de belemmeringen omvat die onder andere bijzondere bepalingen van het Verdrag vallen; dat immers, waar de rechtsgevolgen van toepassing of eventuele schending van die verschillende bepalingen moet worden vastgesteld met het oog op het specifieke doel ervan binnen het geheel der doelstellingen van het Verdrag, deze gevolgen van verschillende aard kunnen zijn, zodat het noodzakelijk is tussen elks toepassingsgebied te onderscheiden, onder voorbehoud evenwel van situaties waarop twee of meer bepalingen van gemeenschapsrecht tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn; dat aldus belemmeringen van fiscale aard of met gelijke werking, zoals bedoeld in de artikelen 9 tot 12 en 95 van het Verdrag, niet onder het verbod van artikel 30 vallen".
De tekst van het arrest, in latere rechtspraak voortdurend bevestigd, is volstrekt duidelijk: artikel 30 is een subsidiaire bepaling ten opzichte van de bepalingen betreffende heffingen van gelijke werking en discriminerende binnenlandse belastingen; wanneer derhalve aan de in het Verdrag genoemde voorwaarden is voldaan, dienen de zo juist genoemde bepalingen te worden toegepast en niet de bepaling betreffende de maatregelen van gelijke werking.
Het is juist, dat het Hof in zijn arrest van 11 december 1990 (zaak C-47/88, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1990, blz. I-4509) heeft verklaard, dat een binnenlandse belasting die niet in strijd is met artikel 95, in bepaalde omstandigheden toch kan worden getoetst aan artikel 30. Het in dat arrest behandelde geval wordt echter gekenmerkt door twee bijzondere aspecten: in de eerste plaats ontkwam de betrokken belasting, bij gebreke van een met het belaste produkt vergelijkbare of concurrerende binnenlandse produktie, aan de verbodsbepalingen van artikel 95; in de tweede plaats ging het om de vraag of de belasting hoe dan ook zo hoog was, dat zij het verkeer van goederen binnen de Gemeenschap belemmerde. Dit arrest kan naar mijn mening echter niet worden toegepast op gevallen waarin de situatie anders ligt.
Indien er, zoals in het onderhavige geval, sprake is van een met het belaste ingevoerde produkt gelijksoortig of concurrerend binnenlands produkt, zal men enkel moeten vaststellen of de belasting wel of geen discriminerende werking heeft. De wettigheid van de belasting zelf zal dus uitsluitend moeten worden getoetst aan artikel 95 (of eventueel aan de artikelen 9 en 12, zoals ik later zal verduidelijken) en niet aan artikel 30. In het tegenovergestelde geval zou men deze laatstgenoemde bepaling, door er een passe-partout-regeling van te maken, buitenproportioneel oprekken, zonder enige samenhang met de systematiek van het Verdrag dat, rekening houdend met de fiscale soevereiniteit van de Lid-Staten, in de artikelen 95 en volgende een bijzondere regeling voor nationale maatregelen op fiscaal gebied bevat.
Ik wil hier overigens niet verhelen, nogal verbaasd te zijn over de weg die het Hof insloeg in zijn arrest Commissie/Denemarken, waar het de mogelijkheid van toepasselijkheid van artikel 30 overwoog zonder zich ook maar af te vragen wat het eventuele belang kon zijn van de artikelen 9 en 12, nu het in die zaak toch ging om een belasting op ingevoerde produkten. Maar hoe dan ook, afgezien van de hypothetische uitzondering van het arrest Commissie/Denemarken, meen ik dat artikel 30 geen subsidiair karakter kan hebben ten opzichte van de fiscale bepalingen van het Verdrag.
Wat de onderhavige zaak betreft, wil ik beklemtonen, dat de Commissie en verzoeksters in het hoofdgeding het erover eens zijn, dat de in geding zijnde parafiscale heffing binnen de werkingssfeer van zowel de artikelen 9 en 12 als artikel 95 valt.
Dit lijkt mij in beginsel juist en het is mijns inziens voldoende om uit te sluiten, dat de genoemde heffing aan de algemene bepaling van artikel 30 van het Verdrag kan worden getoetst.
Afgezien daarvan is er echter, zoals reeds gezegd, nog een andere reden om de toepasselijkheid in casu van artikel 30 af te wijzen. Ten einde deze beter te begrijpen, is het van belang de redenering van in het bijzonder de Commissie aan een nadere beschouwing te onderwerpen. In haar memorie verstrekt zij gegevens over de reglementering van de prijzen van aardolieprodukten, die een duidelijk beeld schetsen van de situatie voor en na de instelling van de bestreden heffing. Uit deze gegevens blijkt, dat tegelijk met de instelling van de heffing de prijs af raffinaderij, die als basis dient voor de eindprijs, verlaagd is met een bedrag dat gelijk was aan dat van de heffing zelf.
Verder moet ik erop wijzen, dat - zoals eveneens uit de genoemde decreten zelf blijkt - de verlaging van de prijs af raffinaderij niets anders was dan een aanpassing aan de prijsdaling van ruwe aardolie, die op haar beurt was veroorzaakt door een daling van de koers van de dollar. Desondanks ging de ontwikkeling van de door de Franse overheid vastgelegde prijzen in tegen die van de prijzen van aardolieprodukten op de internationale markten. Zoals in de loop van de procedure is gebleken, was dit het gevolg van het feit, dat de handelaren op de internationale markten, profiterend van een gunstige conjunctuur en niet onderworpen aan een prijsreglementering, in plaats van de door de lagere dollarkoers veroorzaakte prijsdaling van ruwe aardolie in de prijzen van de aardolieprodukten door te berekenen, ervoor kozen de verkoopprijzen van aardolieprodukten op hetzelfde niveau te handhaven (en daardoor hun winstmarge te vergroten).
Door deze omstandigheden waren de importeurs op de Franse markt in grote moeilijkheden gebracht. Zij zagen zich geconfronteerd met ongewijzigde aankoopprijzen op de internationale markten (terwijl de binnenlandse prijs af raffinaderij als gevolg van de koersdaling van de dollar was verlaagd) en tegelijkertijd zagen zij door de parafiscale heffing hun winstmarge smaller worden. In die situatie was het hun onmogelijk geworden om tegen de door de Franse regering vastgestelde prijzen nog winstgevend te verkopen, en moesten zij dus hun invoer drastisch beperken.
Gezien dit achterliggende feitencomplex (dat uiteindelijk door de nationale rechter moet worden beoordeeld) kan men, geloof ik, niet zeggen dat de heffing onverenigbaar was met artikel 30. De Franse regering wordt immers verweten, de prijzen van aardolieprodukten op een zo laag niveau te hebben vastgelegd, dat invoer niet meer lonend was. Doch zelfs wanneer de eindprijs in de betrokken periode inderdaad was komen te liggen op een niveau waarbij invoer niet meer loonde, dan lijkt dat uitsluitend het gevolg te zijn geweest van het besluit van de Franse regering, wegens de daling van de dollarkoers de prijs af raffinaderij te verlagen. Dat is immers het motief dat in de decreten van de Franse overheid wordt gegeven, en er is in deze zaak niets aangevoerd waaruit zou blijken, dat er andere redenen in het spel waren, of dat de prijsverlaging hoe dan ook onevenredig was aan de koersschommeling.
Bij het tegelijkertijd door de Franse regering genomen besluit om een parafiscale heffing in te stellen, gaat het om een maatregel die vrij vaak in dergelijke situaties wordt genomen. Liever dan toe te laten dat de verlaging van de prijs af raffinaderij tot een grotere winstmarge voor de handelaren zou leiden, of de consumenten ervan te laten profiteren, gaf de regering er de voorkeur aan, de door die prijsverlaging mogelijk geworden besparingen aan de schatkist ten goede te doen komen. Zo gezien - en zo moet men het op grond van de gegevens van het dossier wel zien -, kan de door de importeurs geleden schade bezwaarlijk aan de Franse regering worden toegerekend. In werkelijkheid werden de importeurs door de heffing in gelijke mate geraakt als de binnenlandse raffinaderijen; in feite werden de importeurs niet door de heffing benadeeld, maar door het feit dat zij gedwongen waren in te kopen op de internationale markten, waar de vrije aankoopprijs door de aardoliemaatschappijen ondanks de koersdaling van de dollar niet gewijzigd was.
Naar onze opvatting vloeien uit deze overwegingen twee voorlopige conclusies voort. In de eerste plaats lijken ons onvoldoende termen aanwezig om te kunnen zeggen, dat de prijsinterventie van de Franse regering, in de mate waarin deze beperkt was tot het compenseren van de koersdaling van de Amerikaanse dollar, een belemmering voor de invoer vormde. In de tweede plaats kan, ook los hiervan, de parafiscale heffing - over de wettigheid waarvan de nationale rechter ons vragen heeft gesteld - hoe dan ook niet onverenigbaar met artikel 30 worden geacht. Niet de heffing als zodanig, maar het besluit ze met een verlaging van de prijs af raffinaderij gepaard te doen gaan, kan mogelijkerwijs gevolgen voor de invoer hebben gehad. De invoer op de Franse markt zou immers niet in de knel zijn gekomen wanneer de regering bij de instelling van de heffing besloten had de gereglementeerde prijs af raffinaderij niet te verlagen of hem zelfs te verhogen. Hieruit volgt, dat het besluit de prijs af raffinaderij te verlagen, mogelijkerwijs de invoer heeft belemmerd en eventueel aan artikel 30 kan worden getoetst. Ook wanneer men echter tot de conclusie zou komen, dat deze prijsverlaging een maatregel van gelijke werking is, heeft dat geen gevolgen voor het besluit tot instelling van de heffing. Met andere woorden, ook wanneer artikel 30 de Franse regering ertoe zou hebben verplicht, de prijzen in casu niet te verlagen en deze op een zodanig niveau te handhaven, dat de winstgevendheid van de invoer verzekerd was, hadden de importeurs, uitgaande van het voor hen meest gunstige geval, hoe dan ook de heffing moeten betalen en geen enkele vordering tot terugbetaling kunnen instellen.
Tot besluit kunnen op dit punt de volgende conclusies worden getrokken. Het is een van beide: ofwel de bestreden heffing heeft, om hierna te bespreken redenen, de invoer belemmerd, hetgeen toetsing ervan noodzakelijk maakt niet alleen aan artikel 30, maar ook aan de andere, meer specifieke verdragsbepalingen die van toepassing zijn (de artikelen 9 en 12 of artikel 95); ofwel de parafiscale heffing heeft in het geheel geen gevolgen voor de invoer gehad en dan moet het vermeende nadeel voor de invoer niet in verband worden gebracht met de heffing als zodanig, maar met het besluit van de regering de prijs af raffinaderij te verlagen (in plaats van deze ongewijzigd te laten of zelfs te verhogen); zoals gezegd, valt deze laatste veronderstelling buiten het kader van de onderhavige procedure, waarin het uitsluitend gaat om terugvordering van de als onwettig beschouwde heffing en niet om de reglementering van de prijzen van aardolieprodukten.
c) Heffingen van gelijke werking en discriminerende binnenlandse belastingen
De verenigbaarheid van de heffing met het gemeenschapsrecht dient dus te worden getoetst aan de artikelen 9 en 12 of artikel 95.
Zoals vermeld was de heffing volgens dezelfde voorwaarden op zowel binnenlandse als ingevoerde produkten van toepassing. Op het eerste gezicht voldoet zij derhalve niet aan de voorwaarden voor kwalificatie als heffing van gelijke werking of als discriminerende binnenlandse belasting. Het is echter algemeen bekend, dat - om de volledige werking van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen te garanderen - men niet kan volstaan met toetsing van de regeling waarbij de heffing werd ingesteld, maar ook moet zien naar de bestemming van de opbrengst ervan. Parafiscale heffingen dienen immers ter bekostiging van bepaalde publiekrechtelijke of semi-publiekrechtelijke lichamen, die vervolgens vaak activiteiten ontplooien die op de een of andere wijze ten goede komen aan het met de betrokken heffing belaste binnenlandse produkt.
In een dergelijk geval is de daadwerkelijk op het binnenlandse produkt drukkende last minder, ja zelfs nihil, in vergelijking tot de last die op het ingevoerde produkt drukt. Het is juist deze distorsie van de mededinging en van het handelsverkeer die het onderwerp vormt van de artikelen 9 en 12 of 95.
Over de noodzaak om bij de kwalificatie van de heffing ten aanzien van het Verdrag rekening te houden met de bestemming van de opbrengst ervan, heeft het Hof voor het eerst gesproken toen het erom ging, als heffingen van gelijke werking als een douanerecht aan te merken belastingen die door de Lid-Staten werden voorgesteld als behorend tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen die volgens dezelfde criteria op binnenlandse en ingevoerde produkten van toepassing waren en die derhalve enkel aan artikel 95 konden worden getoetst. Reeds in zijn arrest Capolongo(3) overwoog het Hof,
"dat er aanleiding kan bestaan om bij de uitlegging van de term 'heffing van gelijke werking als een invoerrecht' met de bestemming der opgelegde geldelijke lasten rekening te houden; dat wanneer zulk een geldelijke last of belasting namelijk uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van de belaste nationale produkten worden verricht, het resultaat kan zijn dat de algemene belasting welke volgens dezelfde criteria op het ingevoerde en op het nationale produkt wordt geheven, nochtans voor eerstbedoelde produkten een duidelijke bijkomende geldelijke last en voor laatstbedoelde in feite de tegenhanger voor genoten voordelen of ontvangen steun vormt;
(...) dat dientengevolge een belasting behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn wanneer zij uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het erdoor getroffen nationale produkt worden verricht".
De ratio decidendi van deze rechtspraak is duidelijk verwoord in de conclusie van mijn illustere voorganger advocaat-generaal Trabucchi in de latere zaak IGAV(4), waarin hij, naar aanleiding van een parafiscale heffing bestemd voor de bekostiging van de activiteiten van de Ente nazionale per la cellulosa e la carta, het volgende verklaart:
"Daar men echter, los van formele gegevens, de verschijnselen van het economische leven realistisch moet benaderen ten einde het recht zoveel mogelijk te doen aansluiten op de feiten en aldus de doeleinden van het Verdrag zo goed mogelijk te realiseren, dient in zo' n geval een heffing die louter formeel onder het toepassingsgebied van artikel 95 valt, daaraan te worden onttrokken en te worden ondergebracht bij artikel 13, dat meer is aangepast aan de werkelijke aard van de heffing, bezien in het kader van het bijzondere nationale interventiemechanisme waarvan zij een onderdeel vormt."
De richting die de rechtspraak hiermee insloeg, is nadien bevestigd in een reeks van uitspraken, waaronder de arresten Steinike en Weinlig(5), Cucchi(6), Interzuccheri(7) en Kortmann(8).
Deze richting werd vervolgens ook bevestigd met betrekking tot in het bijzonder de toepassing van artikel 95. In het arrest Commissie/Italië(9) gaf het Hof de volgende precisering:
"Er kan evenwel aanleiding bestaan, bij de uitlegging van de term 'binnenlandse belastingen' in de zin van artikel 95 rekening te houden met de bestemming van de opbrengst van de belasting. Immers, wanneer de opbrengst van een dergelijke belasting bestemd is ter bekostiging van activiteiten die bijzonder de belaste nationale produkten ten goede komen, kan het resultaat zijn dat de volgens gelijke criteria geheven bijdrage toch een discriminatoire belasting vormt, voor zover de fiscale last op nationale produkten wordt geneutraliseerd door de voordelen ter financiering waarvan zij is ingesteld, terwijl die op ingevoerde produkten een nettobelasting vormt."
Ik moet er echter op wijzen, dat - volgens eveneens vaste rechtspraak - de bepalingen betreffende discriminerende binnenlandse belastingen en die betreffende heffingen van gelijke werking niet cumulatief toegepast kunnen worden, zoals het Hof reeds in zijn arrest IGAV(10) heeft bevestigd:
"(...) een zelfde belasting [kan] in het systeem van het Verdrag niet tegelijkertijd tot beide genoemde categorieën behoren, daar de in artikel 13, lid 2, bedoelde heffingen zonder meer moeten worden afgeschaft, terwijl artikel 95 voor de toepassing van binnenlandse belastingen slechts de afschaffing van elke, al dan niet rechtstreekse discriminatie bij de behandeling van nationale produkten van een Lid-Staat en produkten van herkomst uit andere Lid-Staten voorschrijft".
Er is derhalve een criterium nodig om deze twee gevallen van elkaar te onderscheiden. Voor de parafiscale heffingen is de discriminerende werking gebaseerd op het criterium, dat, zoals het Hof het formuleerde, een belasting "nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn wanneer zij uitsluitend is bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste produkt ten goede komen". Deze voorwaarden zijn nog duidelijker verwoord in de arresten Cucchi(11) en Interzuccheri(12), waarin het Hof erkende, dat een heffing
"die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, slechts een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn indien de heffing uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er identiteit bestaat tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt en de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd".
Ondanks enkele verschillen in de formulering van de arresten is het fundamentele onderscheid tussen heffingen van gelijke werking en discriminerende binnenlandse belastingen duidelijk: men dient na te gaan, of als gevolg van de bijzondere bestemming van de heffing het belaste binnenlandse produkt ten opzichte van het ingevoerde produkt is begunstigd door gehele of gedeeltelijke compensatie van de last.
Hiervoor is dus een feitelijke vaststelling door de nationale rechter noodzakelijk. Deze dient in casu vast te stellen, of en in welke mate de activiteiten van de AEE neerkwamen op toekenning aan de binnenlandse aardoliemaatschappijen van financiële middelen van gelijke hoogte als de door hen betaalde parafiscale heffing.
Rekening houdend met de totale opbrengst van de heffing in de betrokken periode, dient men dus de inkomsten uit het in het verkeer brengen van binnenlandse aardolieprodukten te vergelijken met de voordelen die de ondernemingen die die produkten in het verkeer brachten, hebben verkregen dank zij de interventies van de AEE te hunnen gunste.
Indien door deze voordelen de belasting bij het in het verkeer brengen van het binnenlandse produkt volledig wordt gecompenseerd, dient hieruit de conclusie te worden getrokken, dat de heffing die over het ingevoerde produkt is geheven, een heffing van gelijke werking vormt. Zouden die voordelen echter slechts een deel van de belasting op het binnenlandse produkt compenseren, dan zal men tot de conclusie moeten komen, dat het hier besproken stelsel een vorm van fiscale discriminatie creëert, die onverenigbaar is met artikel 95. Dit laatste zal zeer waarschijnlijk het geval zijn wanneer de heffing niet uitsluitend ten goede komt aan het belaste binnenlandse produkt en het belaste binnenlandse produkt dus niet strikt gelijk is aan het binnenlandse produkt waarvoor de met de heffing bekostigde voordelen zijn bestemd. Dit laatste was het geval in de zaak IGAV(13), waarin - zoals advocaat-generaal Trabucchi duidelijk liet zien - de door de Ente nazionale per la cellulosa e la carta uitgekeerde steun ten goede moest komen aan diverse categorieën van ondernemingen, waaronder ook ondernemingen die niet werden getroffen door de parafiscale heffing waarom het in die zaak ging.
Het is in het laatstgenoemde geval duidelijk, dat de door de importeurs betaalde heffing niet als zodanig onwettig is, maar uitsluitend in de mate waarin zij in vergelijking tot de nettobelasting van het binnenlandse produkt discriminerend, dat wil zeggen hoger is. In dat geval komt aan de nationale rechter de taak toe te bepalen, in hoeverre de importeurs het recht hebben de afgedragen gelden terug te vorderen.
d) Artikel 37
Met betrekking tot de toepassing van artikel 37 dient in de eerste plaats te worden beklemtoond, dat er in de relevante periode sprake was van een monopolie op de invoer en verhandeling van aardolieprodukten. Terecht wijst de Commissie er echter op, dat het fiscale stelsel in casu op geen enkele wijze met dit monopolie in verband stond; enerzijds was het stelsel geen organisatiemodaliteit van het monopolie en anderzijds was het bestaan van het stelsel - zoals dat vaker het geval is - niet afhankelijk van het bestaan van een monopolie.
De heffing in casu is niet iets wat specifiek verband houdt met de uitoefening van exclusieve rechten door het nationale monopolie (zie arrest van 13 maart 1979, zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935, r.o. 8) en derhalve kan artikel 37 in de onderhavige zaak geen toepassing vinden.
e) Steunmaatregelen van de staat
Tot slot wenst de nationale rechter van het Hof te vernemen, of de bestreden heffing verenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag betreffende steunmaatregelen van de staat.
Volgens vaste rechtspraak die teruggaat tot het arrest van 15 juli 1964 (zaak 6/64, Costa, Jurispr. 1964, blz. 1207), is, in het algemeen, de enige bepaling betreffende steunmaatregelen die rechtstreekse werking heeft, die van artikel 93, lid 3, laatste zin, dat wil zeggen de bepaling die de Lid-Staten verplicht steunmaatregelen niet tot uitvoering te brengen voordat de instellingen van de Gemeenschap hebben geconstateerd en verklaard, dat zij verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
Dat wil zeggen, dat men zich voor de nationale rechter niet kan beroepen op onverenigbaarheid van de steunmaatregel wegens schending van artikel 92 (deze toetsing komt toe aan de instellingen van de Gemeenschap, in de eerste plaats de Commissie), maar uitsluitend op de onregelmatige tenuitvoerlegging ervan wegens schending van artikel 93, lid 3 (of wegens schending van een op basis van artikel 93, lid 2, door de Commissie gegeven beschikking waarin de onverenigbaarheid van de steunmaatregel is vastgesteld).
Dit vastgesteld hebbende, moet ik er evenwel op wijzen, dat het in deze zaak om een parafiscale heffing gaat en niet om de door deze heffing mogelijk geworden, door de AEE verleende steun. Ook wanneer deze steun op onregelmatige wijze was verleend, zou dat geen invloed hebben op de wettigheid van de heffing als zodanig; deze blijft derhalve verschuldigd en de getroffenen kunnen op geen enkele wijze in rechte terugbetaling vorderen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de nationale rechterlijke instantie te beantwoorden als volgt:
"1) De artikelen 3, 5, 6, 30, 37 en 92 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen de inning van een parafiscale heffing als die welke in deze zaak in geding is.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Zie het antwoord op de parlementaire vraag nr. 1144/82 (PB 1982, C 312, blz. 23); zie in de rechtspraak in het bijzonder het arrest van 24 oktober 1973 (zaak 9/73, Schlueter, Jurispr. 1973, blz. 1135), dat mij echter bij nadere beschouwing op dit punt niet doorslaggevend lijkt.
(2) - Arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, Jurispr. 1977, blz. 557, r.o. 9.
(3) - Arrest van 19 juni 1973, zaak 77/72, Jurispr. 1973, blz. 611, r.o. 13 en 14.
(4) - Arrest van 18 juni 1975, zaak 94/74, Jurispr. 1975, blz. 699; conclusie blz. 718 en 719.
(5) - Arrest van 22 maart 1977, zaak 78/76, Jurispr. 1977, blz. 595.
(6) - Arrest van 25 mei 1977, zaak 77/76, Jurispr. 1977, blz. 987.
(7) - Arrest van 25 mei 1977, zaak 105/76, Jurispr. 1977, blz. 1029.
(8) - Arrest van 28 januari 1981, zaak 32/80, Jurispr. 1981, blz. 251.
(9) - Arrest van 21 mei 1980, zaak 73/79, Jurispr. 1980, blz. 1533, r.o. 15.
(10) - Arrest van 18 juni 1975, reeds aangehaald, r.o. 13.
(11) - Arrest van 25 mei 1977, reeds aangehaald, r.o. 19.
(12) - Arrest van 25 mei 1977, reeds aangehaald, r.o. 12.
(13) - Arrest van 18 juni 1975, reeds aangehaald, in het bijzonder blz. 720.
Full & Egal Universal Law Academy