Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze zaak verzoekt de Arbeidsrechtbank te Brussel het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( zoals gecodificeerd in bijlage I bij verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad, PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 . Cassamali, van Italiaanse nationaliteit, heeft, evenals haar overleden echtgenoot, zowel in Italië als in België gewerkt . Sinds 1 december 1970 ontvangt zij een Italiaans overlevingspensioen . Daarnaast ontvangt zij sedert 1 oktober 1976 een Italiaans ouderdomspensioen, twee Belgische ouderdomspensioenen ( een voor een werknemer en een voor een zelfstandige ) en een Belgisch overlevingspensioen .
3 . Het Belgische overlevingspensioen werd berekend met inachtneming van een Belgische anti-cumulatiebepaling, volgens welke een overlevingspensioen slechts tot een bepaald maximum kan worden gecumuleerd met één of meer rustpensioenen of als zodanig geldende voordelen, toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wettelijke regeling . Daar de som van de vijf pensioenen waarop Cassamali recht had, dit maximum overschreed, werd haar overlevingspensioen met het desbetreffende bedrag gekort . Het beroep op de Belgische anti-cumulatiebepaling was mogelijk op grond van artikel 12, lid 2, van verordening nr . 1408/71 .
4 . Op 3 december 1980 bracht het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan het bevoegde Belgische orgaan ( de voorganger van de Rijksdienst voor pensioenen ) op de hoogte van de aanpassingen die het Italiaanse ouderdomspensioen later had ondergaan . Dat pensioen was aanzienlijk verhoogd : bedroeg het op 1 oktober 1976 nog 57 000 LIT per maand, op 1 juli 1980 was het opgelopen tot 240 600 LIT per maand . Die verhoging was - hoe verrassend dat ook mag lijken - uitsluitend een gevolg van indexering, zoals het Italiaanse orgaan in antwoord op een vraag van het Belgische orgaan bevestigde .
5 . Daarop verminderde het Belgische orgaan het Belgische overlevingspensioen met een zodanig bedrag, dat het in voornoemde Belgische anti-cumulatieregel bepaalde maximum niet werd overschreden . Cassamali kwam tegen dit besluit op, stellende dat het in strijd was met artikel 51 van verordening nr . 1408/71, dat, er zij aan herinnerd, luidt als volgt :
"1 ) Indien de uitkeringen van de betrokken Staten door stijging van de kosten van levensonderhoud, schommelingen van het loonpeil of andere oorzaken van aanpassing, met een bepaald percentage of bedrag worden gewijzigd, moet dit percentage of bedrag rechtstreeks in de overeenkomstig artikel 46 vastgestelde uitkeringen worden verwerkt, zonder dat er een herberekening overeenkomstig genoemd artikel behoeft plaats te vinden .
2 ) Indien echter de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan, vindt wel een herberekening plaats overeenkomstig artikel 46 ."
6 . Volgens de opmerkingen van de Rijksdienst voor pensioenen ( hierna : RVP ) stelde Cassamali op 19 maart 1981 beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Brussel . Bij vonnis van 19 maart 1990 legde de Arbeidsrechtbank te Brussel het Hof de volgende vragen voor :
"- Kan volgens artikel 51 van verordening nr . 1408/71 een Belgisch pensioen worden herberekend op grond van een verhoging van een Italiaans pensioen, die uitsluitend het gevolg is van een stijging van de kosten van levensonderhoud?
- Zo neen, is deze herberekening dan mogelijk op grond van een andere bepaling van gemeenschapsrecht?"
7 . De feiten van deze zaak vertonen opvallend veel gelijkenis met die van zaak C-85/89 ( Ravida ), waarin het Hof op 21 maart 1990 uitspraak deed ( Jurispr . 1990, blz . I-1063 ). In die zaak besliste het Hof, dat artikel 51 van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge nationale anti-cumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering van andere aard, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de sociale en economische situatie later wordt gewijzigd, niet dient te worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
8 . Net als in deze zaak, ontving de betrokkene in de zaak Ravida zowel in Italië als in België ouderdoms - en overlevingspensioenen . Haar Belgische overlevingspensioen werd berekend met inachtneming van dezelfde anti-cumulatiebepaling . Ook in haar geval werd het Italiaanse ouderdomspensioen als gevolg van indexering verhoogd en werd het Belgische overlevingspensioen met een overeenkomstig bedrag verminderd . Voor zover ik kan zien, zijn er geen wezenlijke verschillen tussen de zaak Ravida en de onderhavige zaak . Bovendien was het arrest Ravida niet meer dan een toepassing van eerdere arresten van het Hof, met name die in de zaken Sinatra ( zaak 7/81, Jurispr . 1982, blz . 137 ) en Cinciuolo ( zaak 104/83, Jurispr . 1984, blz . 1285 ).
9 . De RVP komt met een zeer grondig uitgewerkt argument, dat hij tijdens de mondelinge behandeling van de zaak Ravida slechts kort heeft aangestipt . Zou het Hof dit argument thans aanvaarden, dan zou dit een herziening van zijn beslissing in de zaak Ravida betekenen . Het argument luidt als volgt . Bij een aanpassing van het uitkeringsbedrag als gevolg van indexering, mag ingevolge artikel 51, lid 1, van verordening nr . 1408/71 geen herberekening overeenkomstig artikel 46 van de verordening plaatsvinden . Een dergelijke herberekening heeft de RVP echter niet verricht; het enige wat hij heeft gedaan, is het Belgische overlevingspensioen telkens met een zodanig bedrag verminderen, dat de som van de aan Cassamali betaalde uitkeringen het in de Belgische anti-cumulatieregeling vastgestelde maximum niet overschreed . Ging het Italiaanse pensioen omhoog, dan ging het kortingsbedrag mee omhoog . Overigens is het volgens de RVP geenszins zo, dat artikel 51 elke vorm van herberekening verbiedt; het zegt alleen, dat de in artikel 46 bedoelde herberekening mag achterwege worden gelaten .
10 . Op dit laatste punt moet volgens mij worden geantwoord, dat artikel 51 niet aldus kan worden uitgelegd, dat het de sociale-zekerheidsorganen van de Lid-Staten eenvoudig de keuze laat, al dan niet over te gaan tot herberekening . Dat zou niet alleen in strijd zijn met de rechtszekerheid, maar ook met het vereiste, dat de wettelijke regeling door de sociale-zekerheidsorganen van alle Lid-Staten op uniforme wijze moet worden uitgelegd . Gezien het voorgaande ben ik hoe dan ook van mening, dat zowel uit de bewoordingen van artikel 51, lid 1, als uit de structuur van artikel 51 als geheel duidelijk blijkt, dat in de in het eerste lid genoemde omstandigheden een herberekening is uitgesloten .
11 . Het argument van de RVP, dat artikel 51, lid 1, een herberekening overeenkomstig artikel 46 verbiedt, die in casu niet nodig was en ook niet heeft plaatsgevonden, lijkt overtuigender . Dit neemt niet weg, dat tegen dat argument hetzelfde bezwaar kan worden ingebracht : het houdt geen rekening met de bewoordingen van artikel 51, lid 1, of met de structuur van artikel 51 als geheel . Artikel 51, lid 1, bepaalt duidelijk, dat indien een uitkering met een bepaald percentage of bedrag wordt gewijzigd, dit percentage of bedrag rechtstreeks moet worden verwerkt in het bedrag van de overeenkomstig artikel 46 vastgestelde uitkering .
12 . Artikel 51 van verordening nr . 1408/71 maakt onderscheid tussen twee situaties : a ) aanpassingen als gevolg van indexering en b ) aanpassingen als gevolg van een wijziging van de berekeningsmethode . In de laatste situatie vindt er een volledige herberekening plaats . In de eerste situatie wordt er een bepaald percentage of bedrag opgeteld bij de tot dusver verschuldigde uitkeringen, maar afgezien daarvan vindt er geen herberekening plaats . Artikel 51 voorziet niet in een derde mogelijkheid, inhoudende dat een verhoging als gevolg van indexering in de ene Lid-Staat in de andere Lid-Staat in aanmerking mag worden genomen voor de toepassing van een nationale anti-cumulatieregel . Aan artikel 51, lid 1, ligt het beginsel ten grondslag, dat sociale-zekerheidsuitkeringen zich autonoom moeten ontwikkelen . Eenmaal vastgesteld overeenkomstig artikel 46, ontwikkelen zij zich in elk van de betrokken Lid-Staten autonoom : een aanpassing in de ene Lid-Staat laat de in de andere Lid-Staat betaalde uitkering onverlet . Artikel 51, lid 2, maakt een uitzondering op dit beginsel voor het geval dat er zich wijzigingen voordoen in de methode voor de berekening van de uitkering . Die uitzondering is noodzakelijk, omdat dergelijke wijzigingen tot gevolg kunnen hebben, dat de betrokkene in een situatie komt te verkeren waarin een andere formule gunstiger voor hem zou uitpakken . In dit verband wil ik eraan herinneren, dat het Hof artikel 46 steevast aldus heeft uitgelegd, dat een persoon er recht op heeft, dat hetzij de nationale wettelijke regeling, hetzij de gemeenschapsregeling - inclusief de respectieve anti-cumulatiebepalingen - integraal op hem wordt toegepast, al naar gelang welke regeling het gunstigst blijkt te zijn ( zie bij voorbeeld zaak 22/77, Murra, Jurispr . 1977, blz . 1699 ). Het is niet erg waarschijnlijk, dat de in artikel 51, lid 1, bedoelde omstandigheden, te weten een aanpassing van de uitkeringen als gevolg van een stijging van de kosten van levensonderhoud of van het loonpeil, de uitkomst van de vergelijking tussen de twee alternatieven zullen beïnvloeden .
13 . De onderhavige zaak is in zoverre abnormaal, dat de Italiaanse uitkeringen enkel en alleen als gevolg van de indexering uitzonderlijk sterk waren gestegen . Uit het arrest van 21 maart 1990 in de zaak Cabras ( zaak 199/88, Jurispr . 1990, blz . 1023 ) blijkt, dat die uitzonderlijk sterke stijging te wijten was aan een onjuiste uitlegging van de Italiaanse bepalingen inzake indexering . Normaal gesproken zal de door het Hof in de zaak Ravida gegeven uitlegging niet zulke verstrekkende financiële consequenties hebben als in het onderhavige geval . Wanneer sociale-zekerheidsuitkeringen en in anti-cumulatiebepalingen vastgestelde maxima worden verhoogd om gelijke tred te houden met de stijging van lonen of prijzen, zullen de verschillen tussen de door de Lid-Staten toegepaste stijgingspercentages voor een belangrijk deel zijn toe te schrijven aan verschillen tussen de inflatiepercentages . Zelfs indien laatstgenoemde verschillen niet minder worden naarmate de Lid-Staten op economisch vlak meer naar elkaar toegroeien, zullen zij waarschijnlijk in belangrijke mate worden geneutraliseerd door schommelingen in de wisselkoersen . Anders gezegd : indien de inflatie in Italië hoger is dan in België, mogen de Italiaanse pensioenen dan misschien sterker stijgen dan de Belgische, maar dit voordeel zal vermoedelijk weer teniet worden gedaan door de waardevermindering van de lire . In normale omstandigheden zal de in het arrest Ravida gegeven uitlegging dus niet tot abnormale resultaten leiden .
14 . Ook om een andere reden zijn de wisselkoersschommelingen indirect van belang . In casu gaat het weliswaar om verhogingen van de Italiaanse uitkering als gevolg van aanpassingen aan de kosten van levensonderhoud, maar precies dezelfde problemen zouden zich voordoen in geval van een stijging van de waarde van de Italiaanse uitkering, uitgedrukt in de Belgische munteenheid, als gevolg van monetaire ontwikkelingen . Stijgt de waarde van de lire ten opzichte van de Belgische frank met 10 %, dan heeft dit dezelfde gevolgen als een verhoging van het Italiaanse pensioen met 10 %, althans wat de waarde van het Italiaanse pensioen in België betreft . Het zou dan ook logisch zijn, dat het Belgische orgaan bij elke wijziging van de waarde van het Italiaanse pensioen dezelfde regel toepast, of die wijziging nu een gevolg is van indexeringsmaatregelen of van monetaire ontwikkelingen . In dit verband wil ik wijzen op besluit nr . 99 van 13 maart 1975 van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers ( PB 1975, C 150, blz . 2 ). Dat besluit heeft betrekking op de uitlegging van artikel 107 van verordening nr . 547/72, dat - onder meer voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van verordening nr . 1408/71 - voorziet in een driemaandelijkse referentieperiode voor de bepaling van de koers voor de omrekening in een nationale munteenheid van bedragen die in een andere munteenheid luiden . Volgens het besluit moet artikel 107 aldus worden uitgelegd, dat daarin de omrekeningskoers wordt vastgesteld die moet worden toegepast bij de vaststelling van uitkeringen of bij een herberekening van de uitkeringen overeenkomstig artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 . Daarentegen brengt artikel 107 volgens het besluit "niet de verplichting mee om de lopende uitkeringen ( met name de pensioenen ) om de drie maanden met toepassing van de in artikel 107 bedoelde omrekeningskoers opnieuw te berekenen ". Uit het besluit blijkt dus duidelijk, dat zo de waarde van Cassamali' s Italiaanse pensioenen zou stijgen als gevolg van een waardevermeerdering van de Italiaanse munt, de Belgische instantie daarmee enkel rekening moet houden indien de in artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 bedoelde omstandigheden zich voordoen ( dus wanneer de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan ).
15 . Op grond van een en ander ben ik van mening, dat het Hof het in de zaak Ravida gewezen arrest moet bevestigen en de vragen van de Arbeidsrechtbank te Brussel moet beantwoorden als volgt :
"1 ) Artikel 51 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer ingevolge nationale anti-cumulatiebepalingen het door een Lid-Staat aan een werknemer betaalde pensioen op een zodanig bedrag is vastgesteld, dat het, indien gecumuleerd met een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering, een bepaald maximum niet overschrijdt, dat pensioen, wanneer de andere uitkering wegens de algemene ontwikkeling van de economische en sociale situatie later wordt gewijzigd, niet dient te worden herberekend ten einde overschrijding van dat maximum te voorkomen .
2 ) Geen andere bepaling van gemeenschapsrecht staat onder deze omstandigheden een dergelijke herberekening toe ."
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy