Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige conclusie betreft een aantal prejudiciële vragen gerezen in een geding dat is aangespannen door twee Duitse vleesverwerkende bedrijven die, in het kader van de verkoop van vlees door het Belgische interventiebureau tegen vooraf forfaitair vastgestelde prijzen overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1431/87 (1) een partij vlees hadden gekocht dat bij de ontdooiing schimmelvorming vertoonde en waarvan een deel door de Duitse keuringsdienst ongeschikt voor menselijke consumptie is verklaard en derhalve moest worden vernietigd. Dit vlees, waarvan de verwerking overigens door genoemde verordening was opgelegd, was gekocht om te worden verwerkt tot vleesbereidingen bestemd voor menselijke consumptie.
2. De door de betrokken bedrijven bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel ingestelde vordering betreft de vaststelling van de aansprakelijkheid van de Belgische Staat, het interventiebureau, de keuringsdienst en het bedrijf, in de koelhuizen waarvan het vlees was opgeslagen alvorens naar Duitsland te worden gebracht (hierna: verweerders).
De eerste vraag
3. Daar verweerders zich op het toepasselijke gemeenschapsrecht beroepen, legt de verwijzende rechter het Hof allereerst de navolgende vraag voor :
"Houdt artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2173/79 van 4 oktober 1979 in, (dat) de door de aanvrager afgegeven verklaring hem belet aanspraken te doen gelden op basis van niet-conformiteit van de geleverde waren of op basis van verborgen gebreken wanneer de goederen in diepgevroren toestand werden verkocht en pas na ontdooiing ter plaatse van bestemming schimmelvorming vertonen en derhalve niet voor verwerking in aanmerking komen, of geldt deze 'verklaring' niet eerder voor de uiterlijk waarneembare commerciële kenmerken van het produkt?"
4. Om te beginnen zij gezegd, dat de verkoop tijdens de werkingsduur van genoemde verordening nr. 1431/87 heeft plaatsgevonden, zodat hij overeenkomstig de derde overweging van de considerans van die verordening is onderworpen aan de hierna genoemde bepalingen van de verordeningen (EEG) nrs. 2173/79 (2) en 2182/77. (3)
5. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2173/79 bevat de voorwaarden waaraan een koopaanvraag bij een interventiebureau moet voldoen om voor behandeling in aanmerking te komen. In die aanvraag moet met name voorkomen
"(...)
d) een verklaring van de aanvrager waarbij deze afziet van klachten ten aanzien van de kwaliteit en de kenmerken van het eventueel toegewezen produkt".
6. Het is over de draagwijdte van dit "afzien van klachten" dat de nationale rechter het Hof ondervraagt.
7. De regering van het Verenigd Koninkrijk verklaart, dat bij een letterlijke uitlegging van deze bepaling om het even welke klacht is uitgesloten. De gewone betekenis van de woorden zou dit eisen.
8. De Commissie baseert zich evenwel ook op een letterlijke uitlegging, maar dan ter staving van de tegenovergestelde stelling; zij beroept zich op de specifieke betekenis die in de context van de betrokken verordening aan de bewoordingen van die bepaling moet worden gegeven. Zij betoogt dienaangaande, dat het woord "kwaliteit" ook voorkomt in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1431/87, waarin wordt verwezen naar bijlage I. Die bijlage noemt een aantal categorieën vlees die overeenkomen met een bepaalde kwaliteit. Het woord "kenmerken" zou doelen op de staat van het produkt zoals die tot uiting komt in elementen als bijvoorbeeld de presentatie.
9. Mijns inziens kan het probleem niet uitsluitend op basis van de bewoordingen van de betrokken bepaling worden opgelost, maar moeten ook het doel en de opzet van de regeling waarvan deze deel uitmaakt, worden onderzocht.
10. Verweerders verklaren, dat een extensieve uitlegging van de clausule van het "afzien van klachten" absoluut noodzakelijk is om het vlotte verloop van de afzet van de voorraden te vergemakkelijken. Zonder een dergelijke uitlegging zou die afzet op ongeoorloofde wijze worden vertraagd door onophoudelijke geschillen over het geleverde produkt. De Belgische regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk wijzen er ook op, dat de betrokken produkten worden verkocht tegen prijzen die aanzienlijk lager zijn dan de marktprijzen, en dat de kopers derhalve moeten weten dat zij een bepaald risico lopen.
11. Hierop kan evenwel worden geantwoord, dat een dergelijke uitlegging de ondernemingen ervan kan afschrikken zich te interesseren voor de door de interventiebureaus aangeboden produkten, hetgeen uiteraard nadelig is voor de afzet van de voorraden. Men kan natuurlijk wel aannemen, dat de kopers, gelet op de gevraagde prijs, geen produkten van eerste keuze mogen verwachten. Zij weten met name, dat het vlees op den duur kan oxyderen, ook al is het ingevroren volgens de regels van de kunst. Dit chemisch verschijnsel is onvermijdelijk, doch mag niet worden verward met de in het kader van het hoofdgeding vastgestelde schimmelvorming. Dit laatste vloeit voort uit een biologische afbraak veroorzaakt door de veel minder voorzienbare aanwezigheid van kiemen. Men mag immers niet vergeten, dat het in de onderhavige zaak niet gaat om gekoeld vlees, zoals het vlees dat wij allen gedurende enkele dagen in onze koelkast kunnen bewaren bij een temperatuur van ongeveer +4 C, maar om diepgevroren vlees, dat volgens richtlijn 83/90/EEG van de Raad (4) moet worden opgeslagen en vervoerd op een temperatuur die niet hoger mag liggen dan -12 C (zie bijlage I bij de richtlijn, hoofdstuk XIII, punt 65).
12. De oxydatie vermindert de kwaliteit van het vlees, maar door schimmelvorming wordt het vlees oneetbaar; het is dus niet langer vlees dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar wordt een "aliud" (iets anders) en niet alleen een "peius" (iets van mindere kwaliteit). Het begrip "kenmerken" in de verklaring betreffende het afzien van klachten kan mijns inziens evenwel moeilijk een zo diepgaande wijziging dekken. Het door de kopers genomen risico kan niet worden geacht mede te omvatten het risico van het ontvangen van een produkt dat niet geschikt is voor het in de verordening genoemde gebruik, te weten verwerking tot voor menselijke consumptie bestemde conserven.
13. Verder kan niet op redelijke gronden worden aangenomen, dat de verordeningen de kopers een driedubbel risico hebben willen opleggen. De kopers zullen immers een prijs hebben moeten betalen waarvoor zij niets hebben gekregen, en moeten bovendien de vernietiging van het gekochte vlees financieren. Ten slotte verliezen zij ook het bedrag van de waarborg die zij ingevolge de verordening, met name ter garantie van de nakoming van hun verwerkingsplicht, moeten stellen. Artikel 3 van verordening nr. 1431/87 verwijst immers uitdrukkelijk naar artikel 4 van genoemde verordening nr. 2182/77, dat bepaalt:
"Vóór de afsluiting van de koopovereenkomst wordt een waarborg, als garantie voor de verwerking van de produkten, gesteld bij de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarin de verwerking zal plaatsvinden (...)"
14. De regering van het Verenigd Koninkrijk en verweerders in het hoofdgeding beroepen zich eveneens op de band tussen de aan de koper opgelegde verklaring betreffende het afzien van klachten en de in artikel 13 van verordening nr. 2173/79 neergelegde mogelijkheid van een voorafgaande controle van de aangeboden waar. Dit artikel bepaalt:
"De interventiebureaus nemen de nodige maatregelen om de betrokkenen in staat te stellen zich voor het indienen van een aanvraag of een offerte te vergewissen van de toestand van de te koop aangeboden produkten."
15. Tussen partijen wordt niet betwist, dat verzoekers' afzien van eventuele klachten verband houdt met hun recht om deze voorafgaande controle te verrichten. Dit verband wordt overigens bevestigd door de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 2173/79, waarin wordt verklaard,
"dat de indiening van een koopaanvraag of een offerte wordt vergemakkelijkt wanneer de belangstellenden de mogelijkheid wordt geboden zich te vergewissen van de toestand van de produkten; dat derhalve dient te worden bepaald dat de betrokkenen afzien van klachten ten aanzien van de kwaliteit en de kenmerken van het produkt dat hun eventueel wordt toegewezen".
16. Het afzien van klachten moet dus als de tegenhanger van de controlemogelijkheid worden opgevat. Derhalve kan daaraan geen voorwerp of strekking worden toegekend, die de inhoud van de controle overschrijdt. De Commissie verklaart evenwel, dat de koper dit controlerecht in de praktijk moeilijk kan uitoefenen, omdat hij niet weet uit welk koelhuis het vlees dat hem zal worden toegewezen, afkomstig is.
17. Uit verschillende bepalingen van verordening nr. 2173/79 blijkt immers duidelijk, dat de koper de juiste herkomst van de partijen vlees die hij eventueel zal ontvangen, niet met zekerheid kan te weten komen.
18. Zo bepaalt artikel 2, lid 2, tweede alinea:
"De aanvraag mag voorts het koelhuis of, in volgorde van voorkeur, de koelhuizen vermelden, waarin de gevraagde produkten opgeslagen zijn." (5)
19. De aanvrager weet dus niet met zekerheid, uit welk koelhuis de ontvangen goederen afkomstig zijn. Dit is nog verscherpt door de op de litigieuze verkopen toepasselijke verordening nr. 1431/87. De Commissie noemt in dit verband artikel 1, lid 5, van die verordening, dat luidt als volgt:
"In afwijking van artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2173/79, mogen de aanvragen van aankoop niet vermelden in welk koelhuis of welke koelhuizen de gevraagde produkten zijn opgeslagen."
20. De aanvrager heeft dus zelfs niet meer de mogelijkheid een voorkeur te kennen te geven. Dat de aanvrager op het ogenblik waarop hij zijn voorafgaande controle kan uitoefenen, de herkomst van de partij vlees die hem zal worden toegewezen, onmogelijk kan kennen, vloeit ook voort uit artikel 18, lid 2, van verordening nr. 2173/79, waarin wordt bepaald:
"De overname van de produkten geschiedt volgens de aanwijzingen voor uitslag van de interventiebureaus zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op bepaalde partijen."
21. Het is dus duidelijk, dat koper niet weet, uit welk koelhuis de partij vlees die hij zal krijgen, afkomstig zal zijn. Hij is dus niet in staat verificaties te verrichten die hem zekerheid kunnen verschaffen over de staat van het vlees dat hem zal worden toegewezen. Hij kan natuurlijk wel inlichtingen inwinnen over de handelskenmerken van de aangeboden partij in haar geheel. Gelijk verweerders en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben opgemerkt, kan hij ook monsters nemen om deze te ontdooien en te onderzoeken. Hij kan zich daarbij dan wel een beeld vormen van de staat van het onderzochte stuk, maar niet van de staat van het vlees dat juist aan hem zal worden toegewezen.
22. De totale hoeveelheid van het in België in het kader van verordening nr. 1431/87 te koop aangeboden vlees beliep evenwel 1 500 ton. Gelijk met name de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft opgemerkt, was dit vlees uiteraard niet allemaal van dezelfde kwaliteit. De controlemogelijkheid waarover de kopers beschikten, betekende dus eigenlijk nagenoeg niets en kan de balans niet doen overhellen naar een ruime uitlegging van de clausule betreffende het afzien van klachten.
23. Om dezelfde redenen behoeft niet te worden geantwoord op de vraag, of verzoekers in het hoofdgeding, door de aangeboden waar kennelijk niet te onderzoeken, wel naar behoren gebruik hebben gemaakt van hun controlemogelijkheid, daar deze controlemogelijkheid hun in geen geval zekerheid kon verschaffen over de staat van het vlees dat hun uiteindelijk zou worden toegewezen.
24. In het kader van verordening nr. 1431/79 kan het afzien van klachten dus, gelet op het feit dat in de praktijk onmogelijk een controle van enige betekenis kan worden verricht, slechts restrictief worden uitgelegd. Dit afzien van klachten kan dus niet mede omvatten klachten over eventuele verborgen gebreken van het toegewezen produkt.
25. Met betrekking tot de vraag, welke klachten door de clausule betreffende het afzien van klachten worden uitgesloten, verklaart de Commissie, dat het daarbij gaat om klachten over de presentatie of over met het blote oog waarneembare gebreken. Mijns inziens is het evenwel niet nodig hierover een standpunt te bepalen, daar het hoofdgeding betrekking heeft op verborgen gebreken.
26. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt:
"Voor de toepassing van verordening nr. 1431/87 moet artikel 2, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 216/69, aldus worden uitgelegd, dat de aldaar bedoelde verklaring niet ziet op eventuele verborgen gebreken."
De tweede vraag
27. De verwijzende rechter verzoekt verder om een antwoord op de navolgende vraag:
"Is de uitbreiding van de draagwijdte van deze 'verklaring' met betrekking tot niet rechtstreeks in situ waarneembare hygiënische kenmerken die het produkt ongeschikt maken voor verwerking niet strijdig
a) met de opzet van verordening (EEG) nr. 1431/87 waar deze betrekking heeft op verkoop 'voor verwerking' ;
b) met de opzet van richtlijn 64/433/EEG waar deze (de) Lid-Staat van verzending aansprakelijk stelt voor de sanitaire controles op de te exporteren vleesprodukten?"
28. Het is duidelijk dat, nu ik daarnet heb voorgesteld op de eerste vraag te antwoorden dat de "verklaring" betreffende het afzien van klachten restrictief moet worden uitgelegd, de tweede vraag zonder voorwerp is geraakt. Het is derhalve slechts uiterst subsidiair, dat ik laatstgenoemde vraag hier onderzoek.
Vraag 2, sub a
29. Bij het onderzoek van de eerste vraag heb ik er reeds op gewezen, dat een ruime uitlegging van de clausule betreffende het afzien van klachten zich niet zou verdragen met het doel van verordening nr. 1431/87 die betrekking heeft op de verkoop met het oog op verwerking. Daarbij komt, dat indien de auteurs van de verordening werkelijk de bedoeling zouden hebben gehad de kopers te doen instaan voor het risico van het verkrijgen van vlees dat niet geschikt is voor verwerking, zij hadden moeten bepalen dat de waarborg zou worden vrijgegeven in geval van verwerking of van vernietiging van het vlees.
Vraag 2, sub b
30. Er bestaat geen rechtstreeks verband tussen richtlijn 64/433/EEG (6) en artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2173/79. Welke uitlegging men aan de clausule betreffende het afzien van klachten ook geeft, de Lid-Staat blijft ingevolge de artikelen 3, 4 en 5 van de richtlijn (7) aansprakelijk voor de keuring van het voor uitvoer bestemde vlees. Deze aansprakelijkheid moet voor de nationale rechter geldend kunnen worden gemaakt volgens de regels inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de overheid. Dit is, zowel wat de voorwaarden als wat het eventuele resultaat betreft, een andere actie dan de actie tegen de verkoper wegens gebreken van het geleverde vlees; laatstgenoemde actie ziet immers op de contractuele verplichtingen van de verkoper.
31. Bijgevolg staat zelfs een extensieve uitlegging van de clausule betreffende het afzien van klachten niet eraan in de weg, dat een koper die het vlees in een andere Lid-Staat heeft ingevoerd en vaststelt dat de Lid-Staat van oorsprong niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen ter zake van de controle bij de uitvoer, probeert de aansprakelijkheid van laatstgenoemde Lid-Staat door de rechter te laten vaststellen en in voorkomend geval vergoeding probeert te verkrijgen voor de schade die hij door dat verzuim heeft geleden.
32. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
"Voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 1431/87 moet artikel 2, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 216/69, aldus worden uitgelegd, dat de aldaar bedoelde verklaring niet ziet op eventuele verborgen gebreken.
Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft niet te worden geantwoord op de tweede vraag."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Verordening (EEG) nr. 1431/87 van de Commissie van 25 mei 1987 inzake de verkoop, tegen vooraf forfaitair vastgestelde prijzen, voor verwerking in de Gemeenschap, van rundvlees uit de voorraden van de interventiebureaus, houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 786/87 en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2182/77 (PB 1987, L 136, blz. 26).
(2) Verordening (EEG) nr. 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 216/69 (PB 1979, L 251, blz. 12).
(3) Verordening (EEG) nr. 2182/77 van de Commissie van 30 september 1977 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de verkoop van bevroren rundvlees, afkomstig uit de interventievoorraden, dat bestemd is voor verwerking in de Gemeenschap, tevens houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1687/76 (PB 1977, L 251, blz. 60).
(4) Richtlijn 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983 tot wijziging van richtlijn 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1983, L 59, blz. 10).
(5) Hier kan overigens worden opgemerkt, dat juist de moeilijkheden om deze regel toe te passen ertoe hebben geleid, dat deze regel bij verordening nr. 1431/87 werd afgeschaft (zie de zesde overweging van de considerans van deze verordening). Dit bevestigt de verklaringen van de Commissie over de praktische uitoefening van dit controlerecht door de koper.
(6) Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012).
(7) Zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983 tot wijziging van richtlijn 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1983, L 59, blz. 10).
Full & Egal Universal Law Academy