Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak heeft het Kantongerecht te Beetsterzwaag twee vragen verwezen betreffende de gemeenschapsvoorschriften inzake de overgang van melkquota, dat wil zeggen de aan producenten toegekende referentiehoeveelheden die zijn vrijgesteld van de extra heffing op melk.
2. De vragen van het Kantongerecht betreffen in het bijzonder de uitlegging van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12), dat nadere voorschriften voor de toepassing van de extra heffing bevat. Deze verordening diende ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 13), waarin de algemene voorschriften voor de toepassing van de heffing waren vastgesteld. In artikel 7 van verordening nr. 1546/88 wordt in het bijzonder artikel 7 van verordening nr. 857/84 uitgevoerd, volgens hetwelk quota onder diverse omstandigheden kunnen worden overgedragen.
3. Artikel 7 van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1; rectificatie: PB 1985, L 81, blz. 41), bepaalt:
"1. In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveeheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen.
(...)
3. De Lid-Staten kunnen bepalen dat een gedeelte van de desbetreffende hoeveelheden wordt toegevoegd aan de in artikel 5 bedoelde reserve of, naar gelang van het geval, aan de in artikel 6, lid 3, bedoelde reserve.
(...)
4. . Ingeval de pacht verstrijkt kunnen de Lid-Staten, indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproduktie voort te zetten.
(...)"
4. Artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88 bepaalt:
"Voor de toepassing van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel (...)
1. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
2. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of van andere, door de Lid-Staten vastgestelde objectieve criteria. De Lid-Staten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat met deze oppervlakte overeenkomt mag geheel aan de reserve worden toegevoegd;
3. het bepaalde in de punten 1 en 2 (...) is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
(...)"
5. In artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88 werd, met enkele onbelangrijke wijzigingen, een bepaling overgenomen (artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984, PB 1984, L 132, blz. 11), die door het Hof werd onderzocht in zaak 5/88 (arrest van 13 juli 1989, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609). In die zaak overwoog het Hof, dat onder een overgang met "vergelijkbare juridische consequenties" als een verhuur (punt 3 van de eerdergenoemde alinea) ook een geval moet worden verstaan, waarbij een gepacht bedrijf aan het einde van de pacht wordt teruggegeven (r.o. 15 van het arrest). Het Hof overwoog eveneens, dat de betrokken gemeenschapsregeling aan de bevoegde nationale autoriteiten een zodanig ruime beoordelingsbevoegdheid heeft gelaten, dat zij deze regeling in overeenstemming met de uit de bescherming van de fundamentele rechten voortvloeiende eisen kunnen toepassen (r.o. 22 van het arrest).
6. R. en A. Oosterwoud, vader en zoon en verweerders in het hoofdgeding, waren medepachters in een pacht die inmiddels is beëindigd. J. L. Posthumus, de verpachter en eiser in het hoofdgeding, weigerde namelijk om de pachtovereenkomst te verlengen en heeft het perceel zelf in gebruik genomen. De pacht betrof een perceel dat deel uitmaakte van een groter, door de Oosterwouds geëxploiteerd melkveehouderijbedrijf waarop een melkquotum rustte van 145 430 kg. De Oosterwouds hebben de melkproduktie op de rest van het bedrijf voortgezet, maar ook Posthumus is op het aan hem teruggegeven perceel met melkproduktie begonnen. Daarom verzoekt eiser het Kantongerecht om, zakelijk weergegeven, vast te stellen, dat het op dat perceel rustende melkquotum aan hem moet worden afgestaan.
7. Het Kantongerecht verzocht vervolgens om een prejudiciële beslissing over de volgende twee vragen:
"1) Moet artikel 7, lid 1, onder 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie, waarin onder meer wordt bepaald, dat bij verhuur - waaronder tevens te verstaan het beëindigen van de huur - van één of meer gedeelten van het bedrijf, de betrokken referentiehoeveelheid wordt verdeeld op basis van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte, zo uitgelegd worden, dat, indien de Lid-Staat geen ander objectief criterium heeft vastgesteld en evenmin toepassing heeft gegeven aan hetgeen in artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad is bepaald, de veehouder die zijn bedrijf voortzet, maar tengevolge van de beëindiging van de pacht het gebruik van enkele percelen land verliest, eventueel tegen een vergoeding, een deel van de referentiehoeveelheid moet afstaan, zoals de af te stane oppervlakte grond zich verhoudt tot de totale oppervlakte grond die tot het bedrijf behoort, zonder dat rekening moet worden gehouden met de bedrijfsgebouwen (stallen) die hij in eigendom heeft dan wel van een derde pacht?
2) Moeten onder de door de Lid-Staten vast te stellen objectieve criteria worden verstaan: criteria, die gebaseerd zijn op verifieerbare feitelijke omstandigheden zoals eventueel aanwezige gebouwen, land, arbeidskrachten en machines of dergelijke?"
8. Hoewel het duidelijk is dat de Oosterwouds zich verzetten tegen de eis van verzoeker om een gedeelte van hun melkquotum aan hem af te staan, moet wel worden vermeld, dat zij noch Posthumus schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, en evenmin bij de mondelinge behandeling werden vertegenwoordigd. De enige aanwijzing voor de bezwaren tegen de overdracht van het quotum zijn te vinden in het verwijzingsvonnis, dat slechts vermeldt dat de Oosterwouds zich onder meer beroepen op het in paragraaf 5 reeds genoemde arrest van het Hof in zaak 5/88 (Wachauf).
De eerste vraag
9. Zoals ik reeds opmerkte, heeft het Hof in zijn arrest in zaak 5/88 (Wachauf) bevestigd, dat de thans in artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88 vervatte bepalingen inzake de overdracht van quota (die ik hierna de overdrachtsbepalingen zal noemen) van toepassing zijn op gevallen, waarin de grond na beëindiging van een pacht weer in het bezit van de verpachter komt. Het Hof overwoog, dat onder die omstandigheden sprake was van een overgang van het bezit met juridische consequenties die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit het verlenen van de pacht. In de zaak Wachauf ging het om de pacht van het gehele bedrijf, maar dezelfde redenering zou ook moeten gelden bij teruggave van slechts een gedeelte van het bedrijf aan de verpachter.
10. Opgemerkt zij, dat uit de formulering van de eerste vraag kan worden afgeleid, dat er in Nederland geen "andere objectieve criteria" in de zin van punt 2 van de overdrachtsbepalingen zijn vastgesteld; in haar schriftelijke opmerkingen verklaarde de Nederlandse regering, dat dergelijke criteria inderdaad niet bestaan. Anderzijds blijkt uit de relevante nationale wetgeving, dat partijen, althans binnen bepaalde grenzen, zelf bij overeenkomst de referentiehoeveelheden kunnen vaststellen die na beëindiging van een pacht worden overgedragen. Volgens de Commissie zou een dergelijk systeem kunnen worden opgevat als het vaststellen van "andere objectieve criteria", of althans in overeenstemming kunnen worden geacht met de aan de Lid-Staten gegeven mogelijkheid om dergelijke criteria vast te stellen. In het overhavige geval lijkt een dergelijke overeenkomst evenwel niet tot stand te zijn gekomen. Ik zal straks nog terugkomen op de vraag welke rol de overeenkomst tussen partijen bij de verdeling van de quota zou mogen spelen (zie hierna de paragrafen 25-27), maar we kunnen er nu vast van uitgaan, dat er geen "andere objectieve criteria" bestaan die relevant zijn voor de verdeling.
11. Bij gebreke van dergelijke alternatieve criteria, is het in punt 2 van de overdrachtsbepalingen opgenomen criterium van toepassing: het quotum wordt verdeeld "over de producenten die het bedrijf overnemen, (...) op basis van de respectieve, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten". Ik zal dit hierna de basisregel noemen. Uit het verwijzingsvonnis blijkt, dat het Kantongerecht betwijfelt of het in overeenstemming met het arrest van het Hof in de zaak Wachauf zou zijn om de basisregel in de onderhavige omstandigheden toe te passen. Alvorens die vraag te behandelen, lijkt het mij evenwel nuttig om eerst wat dieper in te gaan op de betekenis en de werking van de basisregel. In het bijzonder de Britse regering heeft zich zowel in haar schriftelijke als in haar mondelinge opmerkingen met deze kwestie bezig gehouden.
12. Volgens de schriftelijke opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk, moet bij de toepassing van de basisregel rekening worden gehouden met het feit, dat sommige gedeelten van het bedrijf in veel sterkere mate dan andere tot de melkproduktie kunnen hebben bijgedragen. De regel zou derhalve aldus moeten worden uitgelegd, dat het is toegestaan (maar volgens het Verenigd Koninkrijk niet noodzakelijkerwijze verplicht is) om bij de verdeling van het quotum rekening te houden met het feit, dat het overgedragen gedeelte van het bedrijf in onevenredige mate (onevenredig meer, dan wel onevenredig minder) heeft bijgedragen tot de totale melkproduktie van het bedrijf. Blijkbaar wil het Verenigd Koninkrijk de basisregel dus in die zin uitleggen, dat een verdelingscriterium is toegestaan, maar niet verplicht is, dat de melkopbrengst en niet de oppervlakte van de grond als maatstaf neemt.
13. Het staat een Lid-Staat uiteraard vrij om krachtens punt 2 van de overdrachtsbepalingen een ander objectief criterium vast te stellen dan dat in de basisregel, dat de melkopbrengst als maatstaf neemt. Het lijdt daarom geen twijfel, dat de overdrachtsbepalingen een dergelijk criterium toestaan, zonder het verplicht te stellen. Minder duidelijk is echter, hoe de basisregel zelf kan worden geacht een dergelijke keuzemogelijkheid te geven. Volgens mij is de door de overdrachtsbepalingen aan de Lid-Staten toegestane handelingsvrijheid hun gegeven door de mogelijkheid om andere objectieve criteria vast te stellen en niet door de basisregel zelf.
14. Ter terechtstelling leek het Verenigd Koninkrijk nog een stap verder te gaan door niet alleen te beweren, dat de basisregel zodanig zou kunnen worden toegepast dat rekening wordt gehouden met de melkopbrengst, maar ook dat die regel zo móet worden toegepast. De regeling dient namelijk om te bepalen welke referentiehoeveelheid bij de overgedragen grond hoort, en dit doel zou, zo werd gezegd, enkel door een dergelijke uitlegging gediend zijn. Hoewel in de Engelse tekst van de bepaling de woorden "in proportion to the areas used" worden gebezigd, hetgeen lijkt te duiden op een benadering waarbij het uitsluitend gaat om de oppervlakte van de grond, werd gesteld, dat de woorden "in proportion to" misleidend waren en dat de andere taalversies een minder strikte regel bevatten. De Nederlandse tekst gebruikt bijvoorbeeld de woorden "op basis van", die eerder betekenen "according to" of "on the basis of", dan "in proportion to".
15. Een dergelijke vergelijking van de verschillende taalversies biedt het voordeel, dat duidelijk wordt waarom het antwoord op de vraag van het Kantongerecht, wanneer de vraag in de originele Nederlandse versie wordt gelezen, minder voor de hand ligt dan bij lezing in de Engelse vertaling. Ik vind echter, dat het argument van het Verenigd Koninkrijk niet kan worden aanvaard en wel om twee redenen. In de eerste plaats duidt het begrip "areas used for milkproduction" eerder op een zuiver territoriaal criterium dan de woorden "in proportion to"; de vertaling hiervan in het Nederlands als "op basis van", in het Frans als "en fonction de" of in het Duits als "nach" verandert niets wezenlijks aan de betekenis van dit begrip. In de tweede plaats lijkt het doel van de regeling mij enkel gediend wanneer de basisregel aldus wordt uitgelegd, dat hij een eenvoudig en ondubbelzinnig criterium tot uitdrukking brengt. Het is niet nodig om aan de basisregel een ingewikkelder uitleg te geven, wanneer Lid-Staten reeds de mogelijkheid hebben om met inachtneming van nationale omstandigheden en ervaringen "andere objectieve criteria" vast te stellen. Een Lid-Staat die meent, dat een strikte verdeling naar oppervlakte in een voldoende aantal gevallen geen recht zou doen, mag een verfijnder criterium uitwerken. Volgens mij wilde de gemeenschapswetgever de Lid-Staten die vrijheid geven, zonder evenwel van hen te eisen dat zij een ingewikkelder criterium vaststelden. Daarom behoeft een Lid-Staat niet te redeneren, zoals het Verenigd Koninkrijk blijkbaar wenst te doen, dat hij door te bepalen dat rekening wordt gehouden met de melkopbrengst, slechts de basisregel heeft uitgevoerd.
16. Anderzijds heeft het Verenigd Koninkrijk wel enigszins gelijk wanneer het opmerkt dat bij het bepalen van de oppervlakte die voor melkproduktie wordt gebruikt, rekening moet worden gehouden met de cyclus van het agrarisch gebruik dat recentelijk van het bedrijf is gemaakt. De voor melkproduktie gebruikte oppervlakten zijn dus niet beperkt tot het land dat op dat moment voor een melkveestapel wordt gebruikt, maar dienen mede het land te omvatten dat op dat moment in gebruik is voor koeien tussen twee lactatieperioden in, voor koeien die uiteindelijk in de melkveestapel zullen worden opgenomen, voor de behoefte aan veevoer van de melkveestapel en voor gebouwen en machines. Men mag aannemen, dat het Verenigd Koninkrijk juist op grond van deze ruime opvatting over de betekenis van "voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten" aanbeveelt, rekening te houden met het feit dat sommige oppervlakten naar verhouding meer bijdragen tot de melkproduktie dan andere. Zoals ik reeds heb opgemerkt wijkt die opvatting evenwel af van het territoriale criterium dat in de basisregel besloten ligt; de oplossing voor het door het Verenigd Koninkrijk aangesneden probleem ligt binnen de nationale wetgeving, waarin desgewenst een criterium mag worden vastgelegd dat de melkopbrengst als maatstaf neemt.
17. Zoals wij reeds hebben gezien, wordt in de eerste vraag van het Kantongerecht aangenomen, dat dergelijke "andere objectieve criteria" niet door Nederland zijn vastgesteld. Gegeven het feit dat de basisregel, zoals ik reeds heb gezegd, moet worden uitgelegd als een bepaling die tot een overdracht van de quota moet leiden die strikt op de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten is gebaseerd, rijst de vraag of toepassing van die regel in de onderhavige omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het arrest van het Hof in de zaak 5/88 (Wachauf, reeds aangehaald in paragraaf 5). De twijfels van het Kantongerecht lijken te zijn ingegeven door de volgende overwegingen.
18. In de eerste plaats heeft Nederland geen gebruik gemaakt van de aan de Lid-Staten geboden mogelijkheid om uitvoering te geven aan artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 (reeds aangehaald in paragraaf 3). De nationale rechter in Nederland lijkt dus niet verplicht, de vertrekkende pachter het quotum waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk te laten behouden, indien hij voornemens is de melkproduktie voort te zetten. Het bestaan van die mogelijkheid was echter in de zaak Wachauf een van de redenen voor het Hof om de overdrachtsbepalingen ook geldig te achten voor vertrekkende pachters: zie rechtsoverweging 20 van het arrest. De andere bepaling die het Hof noemde, was artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 857/84, op grond waarvan de Lid-Staten aan producenten die zich ertoe verbinden de melkproduktie definitief te staken, een vergoeding mogen toekennen. De mogelijkheid om voor een dergelijke vergoeding in aanmerking te komen, is van bijzonder belang voor een pachter die na beëindiging van de pacht het bezit van zijn gehele bedrijf verliest, zoals het geval was in de zaak Wachauf. In een geval als het onderhavige, waarin slechts een gedeelte van het bedrijf is verloren, zou de mogelijkheid van een vergoeding voor een volledige beëindiging van de melkproduktie echter een minder bevredigend middel kunnen worden geacht om de rechten te beschermen van verpachters die de melkproduktie wensen voort te zetten.
19. Het Kantongerecht blijkt zich voorts af te vragen of de rechten van de vertrekkende verpachters door de basisregel wel voldoende kunnen worden beschermd, vooral gelet op hun investeringen in bedrijfsgebouwen, machines en veestapel.
20. Het is juist, dat het Hof in zijn arrest in de zaak Wachauf uitdrukkelijk heeft gewezen op de door de artikelen 7, lid 4, en 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 857/84 aan de Lid-Staten gegeven keuzemogelijkheden. Ik denk echter niet, dat het Hof daarmee bedoelde te zeggen, dat die mogelijkheden het enige middel vormden om de rechten van de vertrekkende pachter te beschermen. In de zaak Wachauf was het verzoek van de pachter om een vergoeding voor het staken van de melkproduktie gebaseerd op de nationale regeling ter uitvoering van artikel 4, lid 1, sub a, en dus was de krachtens deze bepaling beschikbare vergoeding van bijzonder belang. In rechtsoverweging 19 van zijn arrest wees het Hof echter op een algemener beginsel:
"(...) moet worden vastgesteld, dat een gemeenschapsregeling die tot gevolg heeft dat de pachter aan het einde van de pacht zonder schadeloosstelling van de vruchten van zijn inspanningen en van zijn investeringen in het gepachte bedrijf zou worden beroofd, onverenigbaar is met de eisen van de bescherming van de fundamentele rechten in de communautaire rechtsorde. Aangezien deze vereisten de Lid-Staten ook bij de uitvoering van deze gemeenschapsregelingen binden, zijn de Lid-Staten gehouden, deze regelingen zo veel mogelijk in overeenstemming met bedoelde eisen toe te passen".
21. Volgens mij is een Lid-Staat dus niet verplicht, gebruik te maken van de mogelijkheid die hem wordt geboden in punt 2 van de overdrachtsbepalingen (om "andere objectieve criteria" vast te stellen), of in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 (om vertrekkende pachters melkquota te laten behouden), mits de pachter een passende vergoeding ontvangt, rekening houdend met de arbeid en de investeringen ter verkrijging van die quota. De rechterlijke instanties in Nederland blijken inderdaad bevoegd te zijn in dergelijke omstandigheden een vergoeding toe te kennen, en op grond van deze bevoegdheid is bij voorbeeld in sommige gevallen aan de pachter een vergoeding toegekend, die de helft van de marktwaarde van het aan de verpachter overgedragen quotum bedroeg.
22. Hieruit volgt dat, zodra een passende vergoeding voor het verlies van het quotum is gegeven, de nationale rechter de betrokken bepalingen van artikel 7 van verordening nr. 1546/88 kan en zelfs moet toepassen. Wanneer dus slechts een gedeelte van het bedrijf naar de verpachter terugkeert, en de Lid-Staten geen andere objectieve criteria voor de overgang van quota hebben vastgesteld, moet het quotum worden overgedragen op basis van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten (onverminderd het recht van de Lid-Staat om een gedeelte van de betrokken hoeveelheden aan de reserve toe te voegen). Wanneer het betrokken land in zijn geheel voor de melkproduktie wordt gebruikt, zal het gedeelte van het quotum dat wordt overgedragen, zich tot het totale melkquotum verhouden als het gedeelte van het land dat wordt overgedragen, zich verhoudt tot de totale oppervlakte van het bedrijf. Wanneer slechts een gedeelte van het land aldus wordt gebruikt, zal deze verhouding overeenkomen met de verhouding tussen de overgedragen oppervlakte die voor de melkproduktie werd gebruikt en het gedeelte van de totale aldus gebruikte oppervlakte. De nationale rechter dient dan te bepalen, welke vergoeding voor het verlies van het quotum onder al deze omstandigheden passend is.
23. Het Kantongerecht heeft zich in zijn eerste vraag ook afgevraagd of rekening moet worden gehouden met de bedrijfsgebouwen (stallen) die de pachter in eigendom heeft dan wel van een derde pacht. Voor zover dergelijke gebouwen voor de melkproduktie worden gebruikt, is het duidelijk dat de grond waarop zij zich bevinden in aanmerking moet worden genomen als een deel van de aldus gebruikte oppervlakte. Voorts kunnen investeringen in dergelijke gebouwen een factor zijn, waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de bijdrage van de pachter tot de opbouw van zijn melkquotum, en zouden dus in zoverre door de nationale rechter in aanmerking moeten worden genomen bij de toekenning van een vergoeding voor het verlies van het quotum: zie zaak 5/88, Wachauf, rechtsoverweging 19 van het arrest, reeds genoemd in paragraaf 20. In andere vormen van vergoeding kan mijns inziens echter alleen het nationale recht voorzien. Het gemeenschapsrecht houdt zich bezig met de toewijzing van de quota en met de eventueel noodzakelijke vergoeding voor het verlies ervan, maar niet met vergoeding voor andere vormen van verlies of van ongerechtvaardigde verrijking.
24. Hoewel de eerste vraag van het Kantongerecht hiermee eigenlijk voldoende is beantwoord, lijkt het mij nuttig om ook nog diverse hiermee samenhangende punten te bespreken die in de schriftelijke opmerkingen en tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof aan de orde kwamen.
25. In de eerste plaats blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Nederlandse regering, dat op grond van de in Nederland geldende regeling, partijen na beëindiging van de pacht van een gedeelte van een groter bedrijf de omvang van het over te dragen quotum zelf bij overeenkomst mogen bepalen. Enkel bij het ontbreken van een dergelijke overeenkomst zal de nationale rechter een oplossing voorschrijven op basis van de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten, waarbij, indien de voorwaarden daartoe zijn vervuld, aan de vertrekkende pachter een financiële vergoeding wordt toegekend. Zowel de Nederlandse regering als de Commissie lijken een dergelijk systeem in overeenstemming met de overdrachtsbepalingen te beschouwen.
26. Hoewel ik er in beginsel geen bezwaar tegen zie om in een situatie waarin de verpachter een vergoeding moet betalen, toe te staan dat partijen het bedrag van die vergoeding bij overeenkomst regelen, lijkt het mij niet geoorloofd, dat partijen in een dergelijke overeenkomst volledig vrij zouden mogen beslissen over de omvang van het over te dragen quotum. Om Lid-Staten toe te staan "andere objectieve criteria" voor de verdeling van het quotum vast te stellen is één ding, maar heel iets anders is het om Lid-Staten te veroorloven de zaak volledig aan partijen over te laten. Dat zou zowel in strijd zijn met de tekst van de regeling, en vooral met het begrip "objectieve criteria", als met wat, naar moet worden aangenomen, het doel van de regeling is, namelijk manipulatie van het quotastelsel te vermijden en handel in quota te voorkomen.
27. Ook al moge het dus normaal zijn, dat partijen in eerste instantie trachten zelf tot overeenstemming te komen over de omvang van het over te dragen quotum, dient een dergelijke overeenkomst wel te zijn gebaseerd op het door de gemeenschapswetgeving vastgestelde criterium of op eventuele andere door de Lid-Staten vastgestelde criteria. Bovendien moeten de Lid-Staten naar mijn mening de noodzakelijke maatregelen nemen om te zorgen dat dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met die criteria. Zouden de Lid-Staten dergelijke maatregelen niet nemen, dan is het onduidelijk hoe aan de vereisten van de gemeenschapswetgeving kan worden voldaan. Dergelijke maatregelen zouden ook een onderzoek van de voorwaarden van de overeengekomen vergoeding kunnen omvatten, ten einde te verzekeren dat dergelijke overeenkomsten niet neerkomen op een verkapte vorm van handel in quota.
28. Anders dan de Commissie te kennen geeft, kan het vaststellen van "objectieve criteria" door de Lid-Staat volgens mij bovendien niet hierin bestaan, dat aan de nationale rechterlijke instanties wordt toegestaan, van geval tot geval te beslissen of en zo ja in welke mate zij rekening moeten houden met objectieve factoren. De Lid-Staat dient de criteria waarmee de nationale rechter rekening moet houden, vooraf vast te stellen, evenals de Lid-Staat, door gebruik te maken van de in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 geboden mogelijkheid, moet beslissen of de nationale rechter de vertrekkende pachter het quotum geheel of gedeeltelijk mag laten behouden.
De tweede vraag
29. Zoals wij hebben gezien, geeft de Nederlandse regering noch het Kantongerecht te kennen, dat Nederland gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid "andere objectieve criteria" vast te stellen. De tweede vraag kan echter worden opgevat als een vraag of dergelijke criteria zijn vastgesteld in omstandigheden waarin krachtens nationaal recht de verdeling van het quotum wordt overgelaten aan een overeenkomst tussen partijen of aan de beslissingsbevoegdheid van de nationale rechter.
30. Zoals gezegd, moet het antwoord op deze vraag luiden, dat de criteria voor partijen bindend moeten zijn en niet bij overeenkomst mogen worden gewijzigd, en dat zij vooraf moeten worden vastgesteld in de vorm van door de nationale rechter toe te passen voorschriften, en niet aan zijn eigen oordeel in elk individueel geval moeten worden overgelaten. Zoals het Verenigd Koninkrijk opmerkt, kan onder "objectieve criteria" worden verstaan elk verifieerbaar criterium dat de objectieve eigenschappen van een melkveehouderij en de aldaar verrichte werkzaamheden betreft. Ik zou hieraan nog willen toevoegen, dat de criteria moeten zijn toegesneden op het doel, een eerlijke verdeling van de quota te bereiken. Het is duidelijk, dat onder dergelijke criteria ook criteria kunnen vallen die dienen te verzekeren, dat in de omvang van het overgedragen quotum tot uitdrukking komt, welke bijdrage de betrokken oppervlakte tot de melkproduktie heeft geleverd.
Conclusie
31. Derhalve geef ik in overweging, de door het Kantongerecht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 7, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie moet aldus worden uitgelegd dat, indien een Lid-Staat geen ander objectief criterium, als bedoeld in punt 2 van die alinea, heeft vastgesteld en evenmin toepassing heeft gegeven aan hetgeen in artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad is bepaald, een veehouder die zijn bedrijf voortzet maar het gebruik van enkele percelen land verliest ten gevolge van de beëindiging van de pacht over die gedeelten, een gedeelte van de aan het bedrijf toebehorende referentiehoeveelheid moet afstaan. Het overgedragen gedeelte moet in dezelfde verhouding tot de totale referentiehoeveelheid staan als de aan de verpachter teruggegeven, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte zich verhoudt tot de totale voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte van het bedrijf. Indien nodig, moet aan de vertrekkende pachter een passende vergoeding voor het verlies van zijn quotum worden toegekend.
2 ) Onder de objectieve criteria die de Lid-Staten overeenkomstig punt 2 van de eerste alinea van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1546/88 mogen vaststellen, moeten worden verstaan: elk verifieerbaar criterium dat de objectieve eigenschappen van het bedrijf en de daarop verrichte melkveehouderijactiviteiten betreft, waarmee het doel van een eerlijke verdeling van de quota kan worden bereikt. Dergelijke criteria moeten in de vorm van bindende voorschriften vooraf in wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen worden vastgesteld."
( *) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy