Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Hof dient zich uit te spreken over de hogere voorziening die de heer Mario Costacurta (hierna "de requirant") heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 13 maart 1990 (1), dat twee beroepen verwierp die de requirant had ingesteld tegen beslissingen van de Commissie dd. 30 oktober 1987 en 26 april 1988. De betwisting waarover het Gerecht van eerste aanleg uitspraak heeft gedaan betrof de intrekking van kinder- en schooltoelagen waarop de requirant recht meende te hebben uit hoofde van zijn dochter Nadia Costacurta.
De feiten die de achtergrond vormen van het geschil en het procesverloop van deze zaak worden reeds uiteengezet in het rapport ter terechtzitting, zodat ik ze hier niet hoef te herhalen.
2. Van bij de aanvang wil ik er de aandacht op vestigen dat de middelen die de requirant ter staving van zijn hogere voorziening opwerpt enkel betrekking hebben op de passage van het bestreden arrest waarin het Gerecht van eerste aanleg het eerste middel van de requirant verwerpt. In dat middel had de requirant betoogd dat hij recht had op schooltoelagen voor zijn dochter voor de periode van 1 april 1987 tot 31 augustus 1987. Dit middel werd door het Gerecht verworpen in rechtsoverwegingen 23 tot en met 32 van zijn arrest.
Ter staving van zijn hogere voorziening heeft de requirant drie middelen voorgedragen. Zij hebben alle betrekking op de interpretatie die in het bestreden arrest wordt gegeven aan de door artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut gestelde toekenningsvoorwaarde van een schooltoelage, met name dat het kind ten laste "regelmatig volledig dagonderwijs volgt bij een onderwijsinstelling".
Ontvankelijkheid van de voorgedragen middelen
3. Luidens artikel 168 A van het EEG-Verdrag is de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht eerste aanleg beperkt tot "rechtsvragen". In overeenstemming daarmee bepaalt artikel 51 van het Statuut (EEG) van het Hof:
"Hogere voorziening bij het Hof kan alleen rechtsvragen betreffen. Zij moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
Hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten."
De taak van het Hof van Justitie zal er dus in bestaan na te gaan of de in hogere voorziening voorgedragen middelen al dan niet de schending, door het bestreden arrest, van het Gemeenschapsrecht aan de orde stellen. Ik meen, dat het Hof zich op dit punt niet al te restrictief mag opstellen, en zou in dat verband een enkele opmerking willen maken.
De ervaring van de hoogste gerechtelijke instanties van de Lid-Staten (2) leert dat de beperking van de controlebevoegdheid tot "rechtsvragen" of tot "schending van het (gemeenschaps-) recht" niet kan uitsluiten dat ook acht wordt geslagen op de (door de lagere rechter vastgestelde) feiten. Een schending van het recht doet zich immers niet alleen voor wanneer een rechtsregel verkeerd wordt geïnterpreteerd (b.v. wanneer men zou oordelen dat een inbreuk op artikel 86 EEG-Verdrag niet het bestaan van een machtspositie veronderstelt), maar ook wanneer een gegeven feitelijke situatie juridisch verkeerd gekwalificeerd wordt (b.v. wanneer men zou oordelen dat een onderneming die op een gegeven markt over een aandeel van 95 % beschikt, geen machtspositie op die markt inneemt). Gezien de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening er toe strekt de eenheid van het gemeenschapsrecht te vrijwaren, mag een middel dat de juridische kwalificatie van een gegeven feitelijke situatie aanvecht, mijns inziens niet onontvankelijk verklaard worden.
4. Over de ontvankelijkheid van de middelen in voorliggende zaak kan in elk geval geen twijfel bestaan. Zoals hierna zal blijken verwijt de requirant in elk van zijn drie middelen het Gerecht zijn oordeel te hebben gebaseerd op een verkeerde interpretatie van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut en/of op een juridisch verkeerde kwalificatie van een feitelijke situatie.
Eerste middel
5. Volgens de requirant heeft het Gerecht van eerste aanleg ten onrechte geoordeeld dat de voorwaarden voor de toekenning van de schooltoelage niet langer waren vervuld toen zijn dochter Nadia Costacurta op 16 maart 1987 haar stage bij de Commissie begon.
De requirant bestrijdt de juistheid van dit oordeel met verwijzing naar de conclusie nr. 166/87 van het college van hoofden van administratie (aangehaald in r.o. 16 van het bestreden arrest) waarin wordt gesteld dat de vereiste dat het kind "regelmatig" onderwijs bij een onderwijsinstelling volgt, vervuld is "wanneer de leerling of student gedurende ten minste drie maanden onderwijs bij een onderwijsinstelling volgt". Welnu, zo leidt de requirant daaruit af, aangezien Nadia Costacurta aan de Universiteit Paris-I een cursus internationaal privaatrecht volgde vanaf 16 november 1986 tot 15 maart 1987 is aan deze voorwaarde voldaan, en moet zij worden geacht regelmatig volledig dagonderwijs te hebben gevolgd voor het gehele universitaire jaar 1986-1987.
6. Anders dan de Commissie beweert heeft dit middel wel degelijk betrekking op de "schending van het gemeenschapsrecht" door het bestreden arrest en meer bepaald op de schending van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut. De requirant beweert immers dat het Gerecht een verkeerde interpretatie heeft aangehouden van het daarin vervatte vereiste dat het schoolbezoek "regelmatig" zou zijn. De argumentatie van de requirant gaat er blijkbaar vanuit dat, wanneer in de loop van een gegeven universitair jaar gedurende ten minste drie maanden cursus wordt gevolgd, de schooltoelage moet worden toegekend voor de gehele duur van dat universitair jaar, ook al volgt het kind de cursussen slechts gedurende een gedeelte van het jaar en oefent het gedurende de rest van dat jaar een winstgevende beroepsbezigheid uit.
Deze opvatting lijkt me onjuist. De hiervoor aangehaalde conclusie nr. 166/87 van het college van hoofden van administratie waarop requirant zich beroept, betreft het ontstaan van het recht op de schooltoelage. Of de toekenningsvoorwaarden voor dat recht ook nadien nog zijn vervuld, moet maand per maand worden beoordeeld. In overeenstemming daarmee wordt in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut bepaald dat de schooltoelage bestaat in een maandelijks bedrag, en dat het recht op de schooltoelage eindigt aan het einde van de maand waarin het kind de 26-jarige leeftijd bereikt. Daaruit volgt dat, wanneer blijkt dat het kind ten laste gedurende een bepaalde maand niet langer dagonderwijs volgt, het recht op de schooltoelage tenietgaat vanaf het einde van die maand. In dit verband heeft het bestreden arrest in feite vastgesteld dat de dochter van de requirant haar collegebezoek heeft onderbroken toen zij op 16 maart 1987 haar stage bij de Commissie begon, en dat derhalve vanaf die datum niet meer was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de schooltoelage (zie r.o. 29 en 30 van het arrest). Het eerste middel moet dus falen.
Tweede middel
7. In een tweede middel voert de requirant aan dat het Gerecht van eerste aanleg ten onrechte heeft geoordeeld dat de stage die zijn dochter vanaf 16 maart 1987 bij de Commissie vervulde niet was gelijk te stellen met het volgen van "regelmatig volledig dagonderwijs". De motivering van deze beoordeling is te vinden in rechtsoverweging 26 en volgende van het bestreden arrest. Daarin wordt gesteld dat een praktische stage enkel kan worden gelijkgesteld met regelmatig collegebezoek "indien de gelopen stage door de universiteit wordt beschouwd als onderdeel van het ter verkrijging van het afsluitdiploma te doorlopen curriculum. Voor de toekenning van de toelage volstaat echter niet, dat de stage in overleg met of zelfs met steun van de onderwijsinstelling is gelopen" (r.o. 27 van het arrest). Welnu, het bestreden arrest wijst erop (zie r.o. 28) dat "uit de gegevens van het dossier noch uit de door verzoeker ter terechtzitting verstrekte inlichtingen is gebleken, dat (de stage die de dochter van verzoeker bij de Commissie liep) daadwerkelijk door de universiteit is erkend als onderdeel van het studieprogramma (...)". Het Gerecht komt dan ook tot het besluit dat de bewuste stage niet kan worden gelijkgesteld met dagonderwijs, en dat derhalve aan de voorwaarden voor de toekenning van de schooltoelage niet meer was voldaan toen de dochter van de requirant op 16 maart 1987 haar stage bij de Commissie aanvatte (zie r.o. 29 en 30 van het arrest).
Ook het tweede middel heeft dus betrekking op een verkeerde interpretatie van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut. Ditmaal echter verwijt requirant aan het bestreden arrest dat het aan een feitelijke situatie, met name een bij de Commissie vervulde stage, een verkeerde juridische kwalificatie heeft gegeven: hij is van mening dat een stage die in overleg met de onderwijsinstelling wordt gelopen gelijk moet worden gesteld met regelmatig collegebezoek. Zoals hiervoor gesteld (nr. 3) is ook dit een rechtsvraag waarvan de beoordeling aan het Hof toekomt.
8. Met dit tweede middel voegt requirant niets toe aan de argumenten die hij reeds voor het Gerecht van eerste aanleg ontwikkelde: hij wijst er nogmaals op dat de stage van de dochter van de requirant werd gelopen "in overleg met de universiteit", dat de universitaire overheden dergelijke stages "toelaten" en hun studenten eventueel ook bij de stagemeester aanbevelen, en dat de Commissie van haar kant het volbrengen van dergelijke stages aanmoedigt door het jaarlijks tewerkstellen van een aantal studenten en het opzetten van het Erasmus-programma.
Mijns inziens is de door het Gerecht van eerste aanleg gegeven uitlegging van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut correct. Het door het Gerecht aangehouden criterium dat de stage door de betrokken onderwijsinstelling als onderdeel van het curriculum moet worden opgelegd, zodat de vervulling noodzakelijk is om een afsluitend diploma te verkrijgen, lijkt mij een objectief, relevant en voldoende zeker criterium te zijn dat aan de bewoordingen en de doelstelling van bedoeld artikel 3 beantwoordt. Weliswaar houdt dit criterium in, dat het van de betrokken onderwijsinstelling afhangt of een stage al dan niet deel uitmaakt van een onderwijscurriculum. Dit komt mij evenwel logisch voor, even logisch als het bij voorbeeld van de onderwijsinstelling (of de inrichtende overheid daarvan) afhangt hoe lang onderwijs moet worden gelopen om een bepaald diploma te verwerven. Ook die beslissing heeft een invloed op de duur van de toekenning van een schooltoelage. Ik ben derhalve van oordeel dat ook het tweede middel moet falen.
Derde middel
9. In zijn derde en laatste middel houdt de requirant staande dat het bestreden arrest niet behoorlijk gemotiveerd is, en wel omdat het de stelling van de Commissie heeft onderschreven volgens dewelke de stage van de dochter van de requirant in feite een "beroepsopleiding" in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut was. Dit middel richt zich op rechtsoverweging 31 van het bestreden arrest, waarin werd ingegaan op het betoog van de requirant in verband met het feit dat hem wel de kindertoelage werd toegekend, doch niet tevens de schooltoelage. Het bestreden arrest onderschreef de stelling van de Commissie dat de stage van de dochter van de requirant te beschouwen was als een "beroepsopleiding", waarvoor uit hoofde van artikel 2, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut wel een kindertoelage maar geen schooltoelage kan worden toegekend. Immers, aldus rechtsoverweging 31 van het bestreden arrest, artikel 2 (dat de toekenning van kindertoelagen betreft) en artikel 3 (dat de toekenning van schooltoelagen betreft) van bijlage VII bij het Statuut houden verschillende toekenningsvoorwaarden in.
Naar de mening van de requirant beschouwt het bestreden arrest de stage van zijn dochter ten onrechte als een "beroepsopleiding". Ter staving van deze stelling voert hij aan dat zijn dochter tijdens haar stage door de diensten van de Commissie gevraagd werd een "verklaring van tenlasteneming" voor te leggen, waaruit haar hoedanigheid van studente zou blijken gedurende de stage, zodat zij zou kunnen worden vrijgesteld van bijdragen in het stelsel van ziektekostenverzekering.
10. Ik geloof niet, dat dit middel enige kans van slagen heeft. Bij de bespreking van het tweede middel van de requirant ben ik hiervoor immers tot de vaststelling gekomen dat het bestreden arrest terecht geoordeeld heeft dat een schooltoelage enkel kan worden toegekend voor een stage wanneer die stage kan worden beschouwd als een onderdeel van het te doorlopen curriculum, en dat het bestreden arrest in feite heeft vastgesteld dat zulks niet het geval was voor de stage van Nadia Costacurta bij de Commissie, zodat er geen aanspraak bestond op de schooltoelage. Het derde middel bestrijdt deze conclusie niet, en betwist evenmin de juistheid van rechtsoverweging 31 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht erop wijst dat de toekenningsvoorwaarden voor kinder- en schooltoelagen verschillend zijn, zodat de requirant geen argument kon halen uit de toekenning van de kindertoelage. Het enige wat in het derde middel tegen het bestreden arrest wordt aangevoerd is de omstandigheid dat het Gerecht van eerste aanleg (impliciet) het oordeel van de Commissie is bijgetreden dat de stage bij de Commissie van de dochter van de requirant te beschouwen was als een "beroepsopleiding", zodat de voorwaarde voor toekenning van (alleen een) kindertoelage vervuld was. Zelfs wanneer de requirant het op dit punt bij het rechte eind zou hebben, dan nog is zulks geenszins van aard om het oordeel van het Gerecht in verband met de intrekking van de schooltoelage in twijfel te trekken.
Met andere woorden, dit derde middel, dat weliswaar de interpretatie betreft van een rechtsregel, kan evenwel op geen enkele wijze tot de vernietiging leiden van de bestreden beslissing en moet derhalve falen.
Conclusie
11. Op grond van het voorgaande stel ik het Hof voor de hogere voorziening ongegrond te verklaren. Wat de kosten betreft: artikel 122, lid 1, van het Reglement voor de Procesvoering bepaalt dat het Hof beslist ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Dit geldt, volgens lid 2 van dat artikel, ook ten aanzien van hogere voorzieningen in ambtenarenzaken, met dien verstande dat het Hof kan beslissen (zonder gehouden te zijn door het bepaalde in artikel 70 van het Reglement) de partijen geheel of gedeeltelijk in hun eigen kosten te verwijzen indien de billijkheid zulks vergt. Aangezien ik hier geen redenen van billijkheid zie stel ik voor de requirant te veroordelen tot de kosten van de hogere voorziening, daarbij inbegrepen de kosten van de Commissie.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) Arrest in de gevoegde zaken T-34/89 en T-67/89, Costacurta/Commissie, Jurispr. 1990, II, blz. 93.
(2) Zie bij voorbeeld, voor een analyse van de Franse en Duitse rechtsstelsels, de leerrijke verslagen van de "3es Journées juridiques franco-allemandes - Le contrôle des constatations de fait par le juge de cassation", gepubliceerd in Revue internationale de droit comparé, numéro spécial - volume 2, Journées de la société de législation comparée, 1981, blz. 87-258. Voor een korte rechtsvergelijkende bespreking van onder meer de functie van de cassatierechter, zie Koopmans, T.: "De Hoge Raad en buitenlandse hoogste gerechten", in De Hoge Raad der Nederlanden, 1938-1988 - Een portret, Zwolle 1988. Voor een wat oudere maar fundamentele studie, zie Rigaux, F.: La nature du contrôle de la Cour de Cassation, Brussel 1966.
Full & Egal Universal Law Academy