Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Europees Sociaal Fonds (hierna: "Fonds") is in 1957 bij het Verdrag van Rome opgericht en is het oudste van de drie communautaire structuurfondsen. De regels voor het Fonds werden naar aanleiding van de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap in 1971, 1977, 1983 en 1988 gewijzigd.
2. De door het Fonds toegepaste financieringsprocedure zoals die voortvloeit uit besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983(1), verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983(2), en beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983(3) ° waarmee het zogenoemde "derde Europees Sociaal Fonds is opgericht"(4) ° vormt de kern van de door Infortec (C-157/90), Consorgan (C-181/90) en Cipeke (C-189/90) ingestelde beroepen tot nietigverklaring.
3. Het Fonds stimuleert de tenuitvoerlegging van beleid, dat er enerzijds op is gericht aan arbeidskrachten de beroepsbekwaamheden te verlenen die noodzakelijk zijn om een vaste arbeidsplaats te verwerven en anderzijds mogelijkheden van werkgelegenheid tot ontwikkeling te brengen.(5)
4. Het Fonds treedt dus op in het kader van door de Lid-Staten gevoerde acties ter bevordering van de werkgelegenheid. Deze acties worden door de Lid-Staten, het Fonds en ° marginaal ° door de particuliere ondernemers(6) gezamenlijk gefinancierd.
5. Dit "partnerschap"(7) tussen het Fonds en de Lid-Staten verklaart, dat laatstgenoemden nauw bij de gang van zaken worden betrokken.
6. Het beheer van het Fonds berust bij de Commissie.(8)
7. De aanvragen om bijstand moeten met gebruikmaking van een standaardformulier(9), en bij het Fonds worden ingediend door tussenkomst van de Lid-Staten, die een eerste selectie maken. Na onderzoek van de aanvraag neemt de Commissie, in voorkomend geval, een besluit tot goedkeuring(10) dat automatisch de uitkering van een voorschot meebrengt.(11)
8. Zodra de opleidingsactie ° of de actie ter bevordering van de werkgelegenheid ° is afgesloten, dient de begunstigde instelling via zijn Lid-Staat bij het Fonds een aanvraag om betaling van het eindsaldo in(12), te zamen met een gedetailleerd verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie.(13) De Lid-Staat bevestigt de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvragen verwerkte gegevens.(14) Vervolgens betaalt de Commissie het eindsaldo uit. In totaal wordt de bijstand van het Fonds verleend voor 50 % van de voor bijstand in aanmerking komende uitgaven, zonder evenwel het bedrag van de financiële deelneming van de overheid van de betrokken Lid-Staten te mogen overschrijden.(15)
9. Het gebruik van de bijstand wordt door de Commissie met behulp van de betrokken Lid-Staat gecontroleerd.(16) De Lid-Staat zorgt ervoor, dat de Commissie de nodige informatie over de lopende acties krijgt.(17)
10. Indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken Lid-Staat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.(18)
11. De Commissie mag de inhoud van een aanvraag om betaling van het saldo ook via een "representatieve steekproef" verifiëren, hetgeen aanleiding kan geven tot vermindering van de bijstand "die naar rato wordt toegepast op het gehele bedrag waarvan de betaling is gevraagd".(19)
12. Bijstand waarvan geen gebruik is gemaakt op de in het besluit tot goedkeuring vastgestelde wijze, kan worden teruggevorderd.(20) De Lid-Staat staat garant voor adequate uitvoering van de acties. Hij is subsidiair aansprakelijk voor terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde bedragen.(21)
13. Vanzelfsprekend is enkel de Commissie bevoegd om het bedrag van de aanvankelijk toegekende bijstand te verminderen. De Lid-Staten dienen namelijk enkel aanvragen om betaling van het saldo bij het Fonds in, waarvan zij de juistheid bevestigen(22) en die zij dus hebben goedgekeurd.
14. Deze financieringsprocedure vertoont twee karakteristieke kenmerken: de gecompliceerde rol van de betrokken Lid-Staat en het belang van het besluit tot goedkeuring.
15. De Lid-Staat selecteert weliswaar zelf de actieprogramma' s die hij aan de Commissie voorlegt en met haar financiert en controleert, maar, zoals reeds gezegd, staat hij ook garant, is hij "borg" voor de begunstigde instelling, wier aanvragen om betaling hij bevestigt. Hij verkeert dus in een positie waarin hij, als debiteur jegens de begunstigde instelling, eveneens debiteur jegens de Commissie kan worden.
16. Als verplicht "passagepunt" tussen de Commissie en de betrokken ondernemingen verzekert hij de tenuitvoerlegging van de besluiten van het Fonds: hij stelt de betrokken ondernemingen ervan in kennis en in programma' s die meerdere ondernemingen betreffen, deelt de Commissie hem mee, hoe de bijstand onder hen moet worden verdeeld. In omgekeerde richting zendt hij de Commissie de oorspronkelijke aanvragen en de door de begunstigde instellingen ingediende aanvragen om betaling van het eindsaldo.
17. Zoals het Hof in zijn arrest van 15 maart 1984(23) verklaarde, ontstaan er:
"(...) in het kader van deze procedure (...) dus financiële betrekkingen enerzijds tussen de Commissie en de betrokken Lid-Staat en anderzijds tussen deze Lid-Staat en de instelling waarvoor de financiële bijstand bestemd is".
18. De situaties waarin de Lid-Staat besluiten van de Commissie uitvoert(24), moeten zorgvuldig worden onderscheiden van die waarin hij zich ten opzichte van haar in de positie van vragende partij bevindt. In het eerste geval verleent de gemeenschapsregeling hem geen enkele eigen bevoegdheid: hij handelt slechts voor rekening van de Commissie. In het tweede geval handelt hij onafhankelijk van de Commissie en kan hij tegen haar besluiten beroep instellen.(25)
19. Het goedkeuringsbesluit is het tweede karakteristieke kenmerk van deze procedure. Het heeft twee essentiële gevolgen:
° het leidt tot uitkering van een voorschot door de Commissie en door de Lid-Staat;(26)
° aan de hand van dit besluit wordt de actie gecontroleerd; ieder gebruik van de bijstand dat niet met de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit in overeenstemming is, kan tot opschorting, vermindering of intrekking van de bijstand aanleiding geven(27) of tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde.(28)
20. Hieruit volgt dat het goedkeuringsbesluit een recht op betaling van het saldo in het leven roept voor de begunstigde ondernemingen, wanneer van de bijstand gebruik is gemaakt op de door de Commissie vastgestelde wijze en wanneer de ondernemingen dit aantonen.(29) Dit biedt de ondernemingen dus rechtszekerheid, aangezien zij erop mogen vertrouwen, dat het saldo van de goedgekeurde bijstand door het Fonds, dat is gebonden aan het goedkeuringsbesluit, hun zal worden uitbetaald zodra zij hebben aangetoond, dat de uitgaven in overeenstemming met dit besluit zijn verricht.
21. Deze voorzienbaarheid bij de toekenning van de bijstand is onontbeerlijk teneinde de begunstigde ondernemingen in staat te stellen betalingsverplichtingen aan te gaan, zonder het risico te lopen uiteindelijk de lasten daarvan alleen te moeten dragen.
22. Het is duidelijk, dat het goedkeuringsbesluit in deze financieringsprocedure een hoofdrol speelt. Het is dit besluit waarom de door Consorgan en Cipeke ingestelde beroepen draaien.
23. Ik zal echter in de eerste plaats het door Infortec ingestelde beroep onderzoeken. Hierin gaat het, eenvoudig gezegd, om het probleem van de toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83, dat het Hof reeds heeft opgelost in zijn arresten van 7 mei 1991 in de zaken Interhotel en Oliveira.(30)
24. De Portugese vennootschap Infortec, die tot doel heeft "het verlenen van diensten en technische hulp in de vorm van projecten en adviezen" heeft via de Portugese staat bij het Fonds een aanvraag om bijstand ingediend, voorzien van een volledig overzicht van de kosten en met vermelding van het aantal stagiaires en de duur van de opleidingsacties (dossier nr. 870889 P3).
25. Op 31 maart 1987 keurde de Commissie deze aanvraag binnen zekere grenzen goed.
26. Bij brief van 13 april 1987 stelde het Departemento para os assuntos do fundo social europeu (hierna: "DAFSE") van het ministerie van Werkgelegenheid, te Lissabon, Infortec in kennis van dit goedkeuringsbesluit, waarbij de bijdrage van het Fonds werd vastgesteld op 8 373 341 ESC voor 138 personen(31), en die van de Lid-Staat ° vertegenwoordigd door het Instituto de Gestão Financeira de Segurança Social (hierna: "IGFSS") ° op 6 850 915 ESC.
27. Op 26 juni 1987 ontving Infortec een voorschot van 4 186 670 ESC van het Fonds en op 7 augustus 1987 een voorschot van 3 425 457 ESC van het IGFSS/DAFSE.
28. Op 30 juni 1988 diende zij een aanvraag om betaling van het eindsaldo in, samen met een verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de actie.
29. Op 9 maart 1990 zond DAFSE Infortec een brief waarin het meedeelde, dat de bijstand in twee dossiers was verminderd: in dossier nr. 870889 P3, het voorwerp van het onderhavige beroep, en in dossier nr. 870965 P1, hetwelk heeft geleid tot een afzonderlijk beroep bij het Hof (zaak C-12/90), dat niet-ontvankelijk is verklaard wegens te late indiening van het verzoekschrift.(32)
30. Met betrekking tot dossier nr. 870889 P3 heeft Infortec op 21 mei 1990 beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie die "op een onbekende datum is gegeven, maar bij brief van 9 maart 1990 is medegedeeld, en waarin vermindering van de aanvankelijk toegekende bijstand van het Fonds werd gelast".
31. Volgens verzoekster is de Portugese staat niet geraadpleegd voordat deze beschikking werd gegeven, zoals artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 vereist, en is de beschikking niet met redenen omkleed.
32. De Commissie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Zij stelt, dat het voorwerp van het geschil in het verzoekschrift niet nauwkeurig is omschreven en dat de handeling waartegen wordt opgekomen, niet duidelijk identificeerbaar is. De brief van 9 maart 1990 is niet aan te merken als een beschikking van de Commissie, maar als een beschikking van het DAFSE dat uit eigen beweging, en zonder dat de Commissie hiertoe opdracht heeft gegeven, twee verschillende dossiers heeft gecompenseerd. Indien het gaat om de brief van 7 september 1989, waarin de Commissie inderdaad een vermindering van de bijstand van het Fonds in dossier nr. 870889 P3 aankondigde, dan is het beroep niet-ontvankelijk: deze brief komt niet ter sprake in het verzoekschrift, dat hoe dan ook te laat is ingediend. De Commissie wijst er bovendien op, dat het bedrag van de betwiste vermindering niet is vermeld.
33. In antwoord op haar aanvraag tot betaling van het eindsaldo ontving Infortec met betrekking tot dossier nr. 870889 P3 van het DAFSE brief nr. 3637 van 9 maart 1990, waarin stond dat:
° de Commissie een beschikking met betrekking tot dit dossier had gegeven;
° de aanvankelijk aan Infortec toegekende bijstand werd verminderd.
Het door het Fonds "goedgekeurde saldo" bedroeg namelijk 2 107 105 ESC, terwijl het verwachte saldo 4 186 670 ESC beliep.(33) Bovendien werd Infortec in de brief meegedeeld, dat zij het Fonds met betrekking tot beide dossiers 16 257 800 ESC schuldig was.
34. Deze brief preciseerde niet de datum of de precieze inhoud van de beschikking van de Commissie tot vermindering van de bijstand.
35. Die brief ° die tijdens de schriftelijke procedure door de Commissie aan het dossier is toegevoegd ° is op 7 september 1989 gedateerd. Hierin staat dat de bijdrage van het Fonds ten hoogste 6 293 775 ESC kan bedragen en dat het saldo, rekening houdend met het reeds uitbetaalde voorschot, 2 107 105 ESC bedraagt.
36. Precies dit bedrag wordt in de brief van 9 maart 1990 genoemd in het vak "door het ESF goedgekeurd saldo". Om de brief van 9 maart 1990 te kunnen opstellen, moest het DAFSE zich dus wel baseren op de beschikking van 7 september 1989.
37. Het is dus duidelijk, dat de vermindering van de bijstand stellig geen initiatief van het DAFSE is en dat de brief van 9 maart 1990 de handeling is waarmee de beschikking van het Fonds aan verzoekster ter kennis is gebracht.
38. In haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Hof, heeft de Portugese regering trouwens elke twijfel op dit punt weggenomen: "(...) het DAFSE heeft Infortec pas op 9 maart 1990(34) bij brief nr. 3637 in kennis gesteld van de inhoud van de beschikking van de Commissie met betrekking tot de aanvraag om betaling van het eindsaldo van dossier nr. 870889 P3".
39. De omstandigheid dat het DAFSE in dezelfde brief Infortec' s tegoed van 2 107 105 ESC in mindering heeft gebracht op een schuld die deze vennootschap nog in het kader van een ander dossier had, ontneemt deze brief niet zijn karakter van een handeling waarbij kennis wordt gegeven van een communautaire beschikking.
40. In haar beroep tot nietigverklaring kon verzoekster niet nauwkeuriger zijn dan de kennisgeving van die beschikking. Het is duidelijk, dat het beroep weliswaar niet de datum van de bezwarende beschikking van de Commissie vermeldt en evenmin het precieze bedrag van de door deze instelling toegepaste verminderingen, maar dit komt omdat verzoekster hiervan niet in kennis was gesteld.
41. Hieruit volgt, dat het voorwerp van het beroep volstrekt duidelijk is en dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
42. De beschikking van de Commissie tot vermindering van de aan Infortec toegekende bijstand is het DAFSE ter kennis gebracht bij de hem in de vorm van een debetnota door het Fonds toegezonden brief van 7 september 1989.
43. Is deze beschikking gegeven met inachtneming van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83, dat de Commissie enkel toestaat om bijstand waarvan niet in overeenstemming met de in het goedkeuringsbesluit vastgestelde voorwaarden gebruik is gemaakt, te verminderen nadat de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te maken?
44. Zoals advocaat-generaal Tesauro in zijn conclusie bij het arrest FUNOC(35) opmerkt, voorziet dit artikel
"niet in een formele raadplegingsprocedure, maar verlangt uitsluitend dat de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid worden gesteld hun opmerkingen te maken voordat een definitief besluit wordt genomen (...)".
45. In de brief van 7 september 1989 wordt de Portugese regering niet verzocht om opmerkingen te maken, maar wordt kennis gegeven van een beschikking. Dit blijkt uit de wijze waarop de brief is geformuleerd: "De diensten van het ESF hebben vastgesteld, dat uitgaven ten bedrage van (...) niet voor vergoeding in aanmerking komen (...) Derhalve kan de bijdrage van het Fonds (...) niet meer bedragen dan (...) Het verschil (...) zal op uw bankrekening worden gestort."
46. Overigens erkent de Commissie in haar verweerschrift, dat zij de Portugese regering in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken, nadat de beschikking reeds was gegeven.
47. Op de haar gestelde schriftelijke vraag van het Hof heeft de Commissie geantwoord, dat de beschikking aan de Portugese regering was meegedeeld met een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 6, lid 1, "hetgeen inhoudt, dat zij desgewenst haar opmerkingen had kunnen maken, wat zij echter niet heeft gedaan, waarmee zij de voorgestelde vermindering heeft aanvaard".
48. Een briefwisseling nadat de Commissie de beschikking heeft vastgesteld, zou dus in overeenstemming met artikel 6, lid 1, zijn, en wanneer de betrokken Lid-Staat niet op de kennisgeving van de beschikking tot vermindering van de bijstand reageert, zou dit als een aanvaarding zijnerzijds moeten gelden.(36)
49. Ik heb reeds gewezen op de bezwaren van een dergelijke praktijk, die bovendien in strijd is met de letter van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83.(37)
50. In zijn arrest van 7 mei 1991 (Oliveira)(38) heeft het Hof deze praktijk met zoveel woorden formeel veroordeeld:
"Het argument van de Commissie, dat de betrokken Lid-Staat met het Fonds in overleg kan treden wanneer hij van de beschikkingen tot vermindering in kennis is gesteld, kan niet slagen.
Het volstaat in dit verband er op te wijzen, dat zowel de rechthebbende op bijstand, die van het voeren van dit overleg in kennis wordt gesteld, als de betrokken Lid-Staat dan geen beroep tot nietigverklaring zouden kunnen instellen tegen beschikkingen tot vermindering van de bijstand, wanneer de Commissie, ondanks de door deze Lid-Staten ingebrachte bezwaren, haar aanvankelijke beschikkingen na het verstrijken van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn van twee maanden bevestigt.
In dat geval zouden de rechthebbende op bijstand en de Lid-Staat evenmin kunnen verzoeken om nietigverklaring van de beschikkingen waarbij de verminderingen van de bijstand worden bevestigd, omdat een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts een niet binnen de termijn bestreden beschikking bevestigt, niet-ontvankelijk is."(39)
51. Onomstreden is, dat in dossier nr. 870889 P3 de Lid-Staat niet in de gelegenheid is geweest zijn opmerkingen te maken voordat de Commissie haar beschikking tot vermindering van de bijstand had vastgesteld. Hieruit volgt, dat deze beschikking nietig moet worden verklaard, zonder dat de overige door verzoekster aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
52. De voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 moeten eveneens ter sprake komen in de zaken Consorgan en Cipeke, maar wel in een ander perspectief. Deze beide zaken gaan voornamelijk over de gevolgen van het goedkeuringsbesluit. Ik zal hier nu nader op ingaan.
53. De vennootschap Consorgan maakte deel uit van een groep van veertien ondernemingen onder leiding van de vennootschap Ceramic, die in 1987 bij het Fonds een aanvraag om bijstand indiende(40) voor "een beroepsopleidingsactie voor jongeren die niet ouder zijn dan 25 jaar (...)", die 1 263 personen betrof (dossier nr. 871106 P1).
54. Afgaande op de aanvraag om betaling van het eindsaldo die op 27 oktober 1988 werd ingediend, heeft de Commissie het totale project bij een besluit van 31 maart 1987 goedgekeurd voor een bedrag van 328 148 959 ESC, dat bij een wijzigingsbesluit van 30 april 1987 tot 337 749 326 ESC is verhoogd. Deze besluiten zijn enkel ter kennis van het DAFSE gebracht, dat volgens verklaringen van de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting vervolgens de voorschotten tussen de betrokken ondernemingen heeft verdeeld.
55. Volgens het door Consorgan opgestelde verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie is de bijdrage van het Fonds, wat haar aangaat, goedgekeurd voor een bedrag van 93 552 788 ESC (de bijdrage van het IGFSS was goedgekeurd voor een bedrag van 76 518 645 ESC).
56. Verzoekster ontving een voorschot van 85 020 716 ESC, waarvan 46 761 394 afkomstig was van het Fonds(41) en 38 259 322 van het IGFSS.
57. Volgens het eerdergenoemde verslag heeft de vennootschap uiteindelijk 177 129 810 ESC besteed. In de door Ceramic namens de gehele groep van ondernemingen ingediende aanvraag om betaling van het eindsaldo wordt de totale bijdrage van het Fonds op een totaalbedrag van 263 965 133 ESC begroot. Deze aanvraag dateert van 27 oktober 1988.
58. Bij brief van 30 maart 1990 liet het DAFSE Consorgan weten, dat de diensten van het Fonds hadden vastgesteld, dat uitgaven ten bedrage van 30 501 109 ESC niet voor vergoeding in aanmerking konden komen: het goedgekeurde saldo bedroeg 6 472 608 ESC wat de bijdrage van het Fonds betrof en 5 295 771 ESC wat de nationale bijdrage betrof.
59. Consorgan kon dus aanspraak maken op in totaal 96 789 095 ESC, waarvan 85 020 716 ESC aan voorschotten en 11 768 379 ESC(42) aan goedgekeurd saldo.
60. Dit bedrag moet worden vergeleken met het goedgekeurde totaal, zijnde 188 934 925 ESC, en met het totaal van de bestede bedragen, namelijk 177 129 810 ESC.
61. Deze beschikking van de Commissie tot vermindering van de aanvankelijk toegekende bijstand, die bij genoemde brief van het DAFSE van 30 maart 1990 aan Consorgan ter kennis is gebracht, vormt het voorwerp van het beroep.
62. Niet-inachtneming van de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 voorgeschreven formaliteit is aan te merken als een schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag. Dit heeft het Hof ambtshalve onderzocht in het arrest Interhotel.(43)
63. In aansluiting op de schriftelijke vraag van het Hof aan de Commissie wil ik dan ook ambtshalve onderzoeken, of de betrokken Lid-Staat is geraadpleegd voordat de Commissie een beschikking tot vermindering van de bijstand van het Fonds gaf, zoals artikel 6, lid 1 verlangt.
64. Terwijl de opleidingsacties reeds waren afgesloten en na onderzoek van de aanvraag om betaling van het eindsaldo, heeft de Commissie in een eerste beschikking, die bij brief van 5 september 1989 ter kennis van het DAFSE is gebracht, de bijdrage van het Fonds in het dossier Ceramic beperkt tot het bedrag van 201 130 494 ESC(44) (een bedrag van 62 834 639 ESC kwam dus niet voor vergoeding in aanmerking).
65. Bij brief van 27 september 1989 verzocht het DAFSE het Fonds, de bedragen die geacht werden niet voor vergoeding in aanmerking te komen, per onderneming en per rubriek uit te splitsen. Bij brief van 27 oktober 1989 ontving het DAFSE een nadere toelichting, samen met een overzicht waaruit bleek welke posten van het formulier waren verminderd.
66. Ten slotte verzocht het DAFSE bij brief van 19 februari 1990 opnieuw om aanvullende inlichtingen, omdat het totaal van de volgens de Commissie niet voor vergoeding in aanmerking komende bedragen 130 118 760 ESC beliep, terwijl in de brief van 5 september 1989 sprake was van een aanzienlijk geringere vermindering. Bij brief van 2 maart 1990 bevestigde de Commissie, dat het bedrag van de uitgaven die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, 62 834 639 ESC bedroeg en slechts de bijdrage van het Fonds aan deze actie betrof.
67. Na deze briefwisseling stelde het DAFSE Consorgan bij de eerdergenoemde brief van 30 maart 1990 in kennis van de vermindering van de bijstand.
68. Aangezien laatstgenoemde brief is voorafgegaan door een briefwisseling tussen de Commissie en de Lid-Staat en deze bij monde van het DAFSE opmerkingen had kunnen maken, moet worden aangenomen, dat de voorschriften van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 in acht zijn genomen, zoals het Hof in zijn arrest FUNOC reeds als zijn oordeel had gegeven.(45)
69. Het beroep tot nietigverklaring van Consorgan steunt op slechts één pijler: het ontbreken van een motivering die aan de voorwaarden van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet.
70. Beantwoordt de brief van 30 maart 1990, waarbij deze vennootschap in kennis werd gesteld van een vermindering van de bijstand, aan het in dit artikel gestelde motiveringsvereiste? In deze brief worden de uitgaven van Consorgan die niet voor vergoeding in aanmerking komen, op een bedrag van 30 501 190 ESC vastgesteld, omdat in de aanvraag om betaling van het eindsaldo in de eerste plaats sprake is van een buitensporig hoog aantal praktijkuren en in de tweede plaats een bepaald aantal niet goedgekeurde uitgaven is opgevoerd.
71. Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft:
"de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel (...), het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld."(46)
72. Zo achtte het Hof de motivering van een door de Commissie na raadpleging van het Comité douanevrijstellingen gegeven beschikking waarbij de invoer van een wetenschappelijk apparaat met vrijstelling van douanerechten werd geweigerd, voldoende:
"Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient weliswaar de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, doch vereist is niet dat alle verschillende gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn, er in worden vermeld. Bij de vraag of de motivering van een beschikking aan deze vereisten voldoet, moet immers niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen."(47)
73. Een individuele beschikking moet dus voldoende zijn gemotiveerd, opdat het Hof zijn toezicht kan uitoefenen en de betrokkene de rechtvaardigingsgronden kan kennen, om haar te kunnen betwisten. De motivering behoeft dus niet verder te gaan dan noodzakelijk is, rekening houdend met de eisen en de dwangmatigheden in verband met het functioneren van de gemeenschapsinstellingen.
74. Met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds heeft het Hof in zijn arrest van 7 februari 1990(48) verklaard, dat het summiere karakter van de motivering van de beschikking van de Commissie, waarbij bijstand van het Fonds voor een beroepsopleidingsactie wordt geweigerd,
"een onvermijdelijk gevolg is van de geautomatiseerde verwerking van vele duizenden aanvragen om bijstand, waarover de Commissie binnen korte tijd dient te beslissen. Zo zij iedere individuele beschikking van een uitvoeriger motivering vergezeld deed gaan, zou afbreuk worden gedaan aan de rationele en efficiënte toekenning van financiële bijstand uit het Fonds."(49)
75. Een aldus vereenvoudigde motivering is toegestaan voor een beschikking tot weigering van bijstand in het kader van de oorspronkelijke aanvraag om bijstand, die de Commissie binnen een zeer kort tijdsbestek moet behandelen.(50) Kan deze oplossing ook dienen voor de beschikking van de Commissie waarbij na de aanvraag om betaling van het eindsaldo het bedrag van de aanvankelijk goedgekeurde bijstand wordt verminderd?
76. Zoals gezien, geeft de Commissie in dit geval een beschikking na ontvangst van een aanvraag, die vergezeld moet gaan van een kwantitatief en kwalitatief verslag waarin de betrokken onderneming een toelichting kan geven. Maar de Commissie staat niet meer onder dezelfde tijdsdruk.
77. Voorts heeft het Hof verklaard, dat wanneer de geadresseerde van de beschikking waarvan de motivering wordt bestreden, bij de voorbereiding ervan was betrokken, deze motivering aan de minimumvereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet, wanneer zij de gegevens bevat die voor de geadresseerde onontbeerlijk zijn om te kunnen beoordelen of de beschikking gebrekkig is.(51)
78. Zoals gezegd, kunnen de Lid-Staten in de loop van de financieringsprocedure van het Fonds hun opmerkingen maken. Daarentegen zijn de door de verminderingen van de bijstand getroffen ondernemingen niet bij de voorbereiding van de Commissiebeschikking betrokken.
79. De zeer bijzondere positie waarin de onderneming zich in afwachting van de betaling van het eindsaldo bevindt, laat niet toe dat met een summiere motivering wordt volstaan.
80. Wanneer de Commissie een oorspronkelijke aanvraag om bijstand afwijst, lijdt de betrokken onderneming namelijk geen andere schade dan het verlies van een financiering: zij heeft nog geen betalingsverplichtingen aangegaan.
81. Wanneer de oorspronkelijke aanvraag daaraantegen is goedgekeurd, heeft de onderneming een voorschot ontvangen, dat niet meer dan 50 % van de goedgekeurde uitgaven dekt.(52) Pas wanneer de opleidingsactie is beëindigd, is het saldo opeisbaar. Over het algemeen heeft de onderneming dan al het geld voorgeschoten in afwachting van de uitbetaling van het eindsaldo waarop zij mag vertrouwen, wanneer de actie overeenkomstig de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit is verlopen.
82. Een vermindering van de bijdrage die de betrokken ondernemingen op het tijdstip van de betaling van het saldo ter kennis wordt gebracht, zal, indien de betrokken beschikking niet voldoende is gemotiveerd om de juistheid ervan te kunnen nagaan, aanzienlijke schade veroorzaken, waardoor degenen tot wie zij is gericht, in ernstige financiële moeilijkheden kunnen geraken.(53)
83. In haar brief van 30 maart 1990 voert de Commissie als eerste reden aan, dat het aantal praktijkuren met 17 % moest worden verminderd om een gelijk aantal te bereiken als het totale aantal theorie-uren.
84. Verzoekster betwist niet, dat zij bij circulaire nr. 10/DAFSE/87 van 8 juni 1987 ervan was verwittigd, dat de duur van de praktijkstages gelijk moest zijn aan het aantal uren theorieonderwijs, en dat elke overschrijding als niet-prioritair zou worden beschouwd en dus niet door het DAFSE zou worden vergoed.
85. In de verklaringen van Consorgan worden de cijfers van de Commissie betwist en tracht zij aan te tonen, dat zij de voorschriften van de circulaire in acht heeft genomen. Consorgan was in elk geval in staat te bepalen, wat de Commissie haar verweet.
86. Hieruit volgt, dat de bestreden beschikking op dit punt niet onvoldoende gemotiveerd kan worden geacht.
87. Alvorens de tweede in de brief van 30 maart 1990 genoemde reden te onderzoeken, wil ik even stil staan bij de procedure die het Fonds en het DAFSE in deze zaak hebben gevolgd. Zij laat zien welke praktijk de Commissie volgt ingeval van bijstandsaanvragen van een groep van ondernemingen.
88. Voor alle betrokken ondernemingen, waaronder Consorgan, is één enkele bijstandsaanvraag ingediend die per rubriek nader was uitgewerkt.
89. De goedkeuring is voor een totaalbedrag gegeven en ter kennis gebracht van het DAFSE(54), die dit bedrag tussen genoemde ondernemingen heeft uitgesplitst aan de hand van hun aandeel in het project.
90. Het was natuurlijk beter geweest, wanneer de Commissie een per rubriek gedetailleerde goedkeuring ter kennis van het DAFSE had gebracht en wanneer het DAFSE de goedgekeurde bedragen per onderneming had verdeeld.
91. Maar aangezien de diensten van het DAFSE ° die hier de mandataris van de Commissie is ° Consorgan enkel hebben kennisgegeven van een totale goedkeuring, was de Commissie aan dat besluit gebonden, zolang het niet door een eventueel nauwkeuriger later besluit was gewijzigd of vervangen.(55)
92. Consorgan had goedkeuring gekregen voor het bedrag van 188 934 925 ESC. Aangezien in de toepasselijke gemeenschapsregeling niet wordt vereist, dat de goedkeuring gedetailleerd per rubriek wordt gegeven, mocht deze onderneming erop vertrouwen, dat haar aanvraag was aanvaard(56) in het kader van een totaal budget dat zij niet mocht overschrijden: zij heeft in totaal dan ook niet meer dan 177 129 810 ESC uitgegeven.
93. Men mag Consorgan dus niet verwijten, dat zij niet heeft gereageerd op een goedkeuringsbesluit ° dat zij perfect mocht achten ° en dat zij het DAFSE niet om toelichtingen op de verdeling van het toegekende bedrag heeft verzocht.
94. Ook de aanvraag om betaling van het eindsaldo is met een totaalbedrag voor het gehele project ingediend.
95. De bijstand is eveneens verminderd met een totaalbedrag dat(57) dat vervolgens op aanwijzing van de Commissie per rubriek is verdeeld. Zij heeft het DAFSE ook de volgende instructie gegeven: "de voor elke onderneming toe te passen vermindering wordt berekend naar rato van het relatieve aandeel in elke post van het formulier waarvoor bepaalde uitgaven geacht worden niet voor vergoeding in aanmerking te komen".
96. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 2950/83 blijkt dus te zijn toegepast. Dit artikel voorziet in een soort versneld onderzoek van de aanvragen om betaling van het eindsaldo en staat enkel verminderingen "naar rato" toe. Dit artikel bepaalt:
"De verificaties van de inhoud van een aanvraag om betaling kunnen via een representatieve steekproef worden verricht. De Commissie stelt het steekproefpercentage vóór het uitvoeren van de verificatie, in overleg met de betrokken Lid-Staat vast aan de hand van de materiële en technische omstandigheden van de desbetreffende actie. Indien de steekproef aanleiding geeft tot vermindering wordt deze naar rato toegepast op het gehele bedrag waarvan de betaling is gevraagd, nadat de Lid-Staat zijn opmerkingen heeft kunnen maken."(58)
97. Tijdens de behandeling van dit dossier heeft de Commissie zich evenwel nooit op de toepassing van dit artikel beroepen. De Lid-Staat, noch de ondernemingen noch, a fortiori, het Hof beschikken dan ook thans over inlichtingen over de omstandigheden waaronder een "steekproefpercentage" zou zijn vastgesteld en over de "representatieve" aard van deze steekproef.
98. Zoveel is zeker, dat de Commissie de verminderingen van de bijstand tussen de ondernemingen heeft kunnen verdelen naar rato van ieders aandeel in de betrokken posten en niet op grond van het precieze bedrag van de onregelmatige uitgaven, zodat ten aanzien van een onderneming een bepaalde post kan zijn verminderd, terwijl zij in staat zou zijn geweest aan te tonen, dat van de desbetreffende bijstand in overeenstemming met het goedkeuringsbesluit gebruik is gemaakt.
99. Het is dus duidelijk, dat de Commissie op de bijstand verminderingen heeft toegepast:
° die zijn berekend op basis van abstracte criteria: er is geen enkel verband tussen de vermindering "naar rato" en het bedrag van de gerechtvaardigde uitgaven die door de ondernemingen met betrekking tot de desbetreffende post daadwerkelijk zijn verricht;
° die de ondernemingen niet zijn verklaard: zij kennen niet de juiste inhoud van het goedkeuringsbesluit waarop de Commissie zich beroept om een dergelijke vermindering te rechtvaardigen: zij worden geconfronteerd met dit besluit waarvan zij geen enkel, hen betreffende instructie kennen, aangezien in de enige hen ter kennis gebrachte beschikking de door de Commissie vermelde uitsplitsingen per rubriek niet worden gemaakt.
100. Dit voert tot de paradox, dat een beschikking die is gegeven om de naleving van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 te verzekeren (schrapping van uitgaven die niet in overeenstemming met het goedkeuringsbesluit waren) tot een omgekeerd resultaat kan leiden (uitgaven die in overeenstemming met het goedkeuringsbesluit waren, kunnen in feite worden geschrapt).
101. Een procedure waarin, uitgaande van het rechtzekerheidsbeginsel, is voorzien in een goedkeuringsbesluit waarin de rechten van partijen worden vastgesteld, blijkt in de praktijk dus zo te kunnen worden toegepast dat dit beginsel wordt geschonden.
102. Onder de vóór 1983 voor het Fonds geldende regeling had de Bundesanstalt fuer Arbeit bij de Commissie vier bijstandsaanvragen ingediend die waren goedgekeurd. De aanvragen om betaling van het eindsaldo waren afgewezen, op grond dat zij niet waren ingediend binnen de termijn van 18 maanden, bedoeld in artikel 4, lid 1, van beschikking 78/706/EEG van de Commissie.
103. Rechtdoende op het verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie tot weigering van betaling van het eindsaldo, verklaarde het Hof, dat
"(...) vooral wanneer een bepaling waarin een fatale termijn wordt vastgesteld, voor een Lid-Staat kan uitlopen op het verlies van reeds toegezegde financiële steun, met het oog waarop die staat reeds aanzienlijke uitgaven heeft gedaan, het beginsel van de rechtszekerheid verlangt, dat deze bepaling duidelijk en nauwkeurig wordt geredigeerd, zodat de Lid-Staten met volle kennis van de rechtstoestand kunnen beoordelen, welk belang de inachtneming van die termijn voor hen heeft. Noch de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van beschikking 78/706/EEG van de Commissie noch de context van deze bepaling rechtvaardigen het, dat deze termijn als een fatale termijn wordt opgevat."(59)
104. Wanneer de Commissie de bijstand vermindert, lijken het ontbreken van een gedetailleerd en nauwkeurig goedkeuringsbesluit dat aan alle betrokken ondernemingen ter kennis is gebracht, en de verdeling naar rato tussen de ondernemingen van de voor een bepaalde post besloten verminderingen evenmin in overeenstemming te zijn met het rechtszekerheidsbeginsel dat in 's Hofs rechtspraak over procedures met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds een groot belang wordt toegemeten.
105. Welnu, de tweede reden in de brief van 30 maart 1990 verwijst specifiek naar het goedkeuringsbesluit. Bovendien is het totale bedrag van de aan Consorgan ter kennis gebrachte vermindering gedeeltelijk het resultaat van een verdeling naar rato van de totale vermindering tussen de betrokken ondernemingen. Deze motivering zal ik dus in het licht van de voorgaande opmerkingen onderzoeken.
106. Ik wil dadelijk wijzen op de vaagheden in de formulering van deze brief: "bepaalde uitgaven zijn in de aanvraag om bijstand niet goedgekeurd (in het bijzonder onder de punten 14.3.3, 4, 5, 7 en 8)".(60)
107. Consorgan kende dus wel het totale bedrag van de vermindering maar niet:
° de precieze lijst van de betrokken posten of rubrieken,
° de uitsplitsing van de vermindering per post,
° de wijze van berekening van deze vermindering.
108. Het is volstrekt wettig, dat de Commissie de niet in het besluit goedgekeurde uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking laat komen. In dit verband is het voldoende, te herinneren aan de in artikel 6 van verordening nr. 2950/83 gestelde regels. Het niet vergoeden van een uitgave omdat daarvoor geen toestemming is gegeven, is mijns inziens een geldige reden. Maar het aanvankelijke goedkeuringsbesluit moet wel met voldoende nauwkeurigheid aan de begunstigde onderneming ter kennis worden gebracht, zodat zij kan nagaan, welke posten zijn goedgekeurd, geweigerd en verminderd.
109. Zoals bekend, is dit in casu niet het geval geweest. De goedkeuring is gegeven voor een totaalbedrag, dat lager was dan het gevraagde bedrag.(61) Voor sommige rubrieken is de bijstand dus verminderd, zonder dat Consorgan, evenmin als de overige betrokken ondernemingen, kon weten voor welke rubrieken dit het geval was.
110. In het dossier van Consorgan is het totale bedrag van de uitgaven die niet voor vergoeding in aanmerking komen, in de beschikking van de Commissie vastgesteld op 30 501 190 ESC.
111. Dit bedrag wordt verkregen door de per rubriek toegepaste verminderingen naar rato van het aandeel van Consorgan in elk van deze rubrieken op te tellen.(62)
112. Van deze "evenredige" berekeningswijze, die de onderneming onmogelijk zelf kon vaststellen, is zij evenwel niet in kennis gesteld.
113. Door het ontbreken van deze verklaring, zonder welke men niet kon weten, hoe de Commissie tot een dergelijk resultaat was gekomen, in combinatie met de verwijzing naar een aan Consorgan ter kennis gebracht besluit tot goedkeuring van een totaal bedrag, is de bestreden beschikking niet voldoende met redenen omkleed in de zin van artikel 190 EEG-Verdrag.
114. Tot slot wil ik nog benadrukken, dat deze motiveringsvereisten volkomen verenigbaar zijn met dwangmatigheden van de bedrijfsvoering en het streven naar doelmatigheid, die de drijvende kracht zijn bij het Fonds.
115. Door 1) aan de betrokken ondernemingen het goedkeuringsbesluit te zenden en 2) de bijstand slechts te verminderen voor uitgaven die niet in overeenstemming met de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit zijn gebruikt, zonder abstracte criteria toe te passen(63), zouden doelmatigheid en wettigheid mijns inziens met elkaar kunnen worden verzoend.
116. De problemen die het gevolg zijn van het gebrek aan duidelijkheid van het goedkeuringsbesluit, zijn de gemeenschapswetgever niet ontgaan: artikel 10 van verordening nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988, dat de financieringsprocedure van het Fonds thans regelt, bepaalt dat de goedkeuringsbesluiten van de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend worden gemaakt.
117. Het door Consorgan ingestelde beroep tot nietigverklaring moet mijns inziens dus slagen.
118. De in deze zaak gerezen problemen zijn dezelfde als die in het dossier Cipeke. Enkel voor de duidelijkheid van de uiteenzetting behandel ik deze zaak afzonderlijk.
119. De vennootschap Cipeke houdt zich bezig met de organisatie van beroepsopleidingen op het gebied van de grafische kunst.
120. Op 17 augustus 1986 diende de vennootschap Partex namens elf ondernemingen, waaronder Cipeke, bij het Fonds een aanvraag om bijstand in.
121. Het project is door de Commissie voor een bedrag van 300 665 191 ESC(64) goedgekeurd bij een besluit van 31 maart 1987, gewijzigd op 30 april 1987: deze documenten zijn niet bij de stukken gevoegd.
122. Volgens het door Cipeke opgestelde verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de actie, is de bijdrage van het Fonds, wat haar betreft, goedgekeurd voor het bedrag van 35 298 094 ESC (de bijdrage van het IGFSS was goedgekeurd voor 28 880 258 ESC).
123. Cipeke heeft een voorschot ontvangen van 32 089 174 ESC, waarvan 17 649 045 ESC van het Fonds.
124. Na afloop van de cursus heeft verzoekster een verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de actie opgesteld en het verschuldigde saldo op 9 316 486 ESC begroot.
125. De aanvraag om betaling van het eindsaldo voor alle door Partex geleide ondernemingen is 28 oktober 1988 ingediend.
126. Bij een brief van het DAFSE die op 15 maart 1990 werd verzonden en op 3 april 1990 werd ontvangen, vernam Cipeke, dat zij 2 084 518 ESC moest terugbetalen omdat "uitgaven ten bedrage van 11 104 748 ESC betreffende de punten 14.2, 14.3 en 14.4 van dit formulier niet voor vergoeding in aanmerking komen".
127. Op 4 april 1990 vroeg Cipeke, haar de redenen voor deze beschikking mee te delen. Zij ontving het antwoord per telefax van 20 april 1990, waarin slechts werd vermeld, dat bepaalde uitgaven hoger waren dan de voorziene uitgaven, dat sommige rubrieken niet waren goedgekeurd en andere niet in de oorspronkelijke aanvraag voorkwamen. Ook werd meegedeeld, dat de vermindering zou worden berekend naar rato van het "relatieve aandeel" van de onderneming "in elk punt van het formulier".
128. Verzoekster heeft tegen de op 3 april 1990 ontvangen beschikking beroep tot nietigverklaring ingesteld wegens schending van artikel 190 EEG-Verdrag.
129. Evenals in de zaak Consorgan zal ik in de eerste plaats onderzoeken, of de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 gestelde voorwaarden in acht zijn genomen.
130. In een eerste beschikking, die op 10 januari 1990 aan DAFSE ter kennis is gebracht, heeft de Commissie de bijdrage van het Fonds in het dossier Partex, nr. 871012 P1, beperkt tot het bedrag van 175 112 651 ESC.
131. Bij brief van 5 februari 1990 verzocht het DAFSE het Fonds, de bedragen die geacht werden niet voor vergoeding in aanmerking te komen, per onderneming en per rubriek uit te splitsen.
132. Bij brief van 2 maart 1990 ontving het DAFSE een nadere toelichting, vergezeld van een overzicht waarin de verschillende posten van het formulier die waren verminderd, werden vermeld. Aan het eind van de brief werd verklaard: "de voor elke onderneming toe te passen vermindering is evenredig aan het relatieve aandeel in elk punt van het formulier waarvoor bepaalde uitgaven geacht worden, niet voor vergoeding in aanmerking te komen".
133. Na deze brief stelde het DAFSE op 15 maart 1990 Cipeke in kennis van de bestreden beschikking.
134. De betrokken Lid-Staat is dus geraadpleegd op een wijze die voldoet aan het vereiste van artikel 6, lid 1, van de genoemde verordening.
135. Hoe staat het nu met de motivering van de bestreden beschikking?
136. Ik merk in de eerste plaats op, dat de motivering van de brief van 15 maart 1990 ° waarin Cipeke werd gelast, het verschuldigde bedrag binnen twee weken per bankcheque terug te betalen ° op zichzelf toereikend had moeten zijn.
137. De Commissie mag een toelichting die op een latere datum, nadat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking reeds was gaan lopen, op verzoek van Cipeke is gegeven, niet als een aanvullende motivering van deze beschikking beschouwen, omdat zij anders in een dergelijke situatie verzoekster de mogelijkheid ontneemt om onder de algemene voorwaarden en in het bijzonder binnen de beroepstermijn van twee maanden beroep tot nietigverklaring in te stellen.
138. Vastgesteld moet worden, dat verzoekster uit de brief van 15 maart 1990 niet kon opmaken, hoe de aangekondigde vermindering over de drie genoemde rubrieken van het formulier was verdeeld. Eveneens was zij in onwetendheid gelaten over de redenen van deze vermindering: ging het bij voorbeeld om aanvragen die niet in de oorspronkelijke aanvraag waren voorzien, of om rubrieken waarvoor wel een aanvraag was ingediend, maar die bij de goedkeuring waren verminderd? Indien het verminderingen betrof, waartoe was besloten bij de goedkeuring, was Cipeke van deze goedkeuring dan op een andere wijze in kennis gesteld dan door de mededeling van een totaalbedrag?
139. Bovendien is de wijze van berekening van deze vermindering niet bekend. Is deze vermindering gelijk aan de som van de werkelijk ongerechtvaardigde uitgaven of is zij evenredig aan het "aandeel" van de vennootschap in elke post, zonder te letten op de echte uitgaven?
140. Hieruit volgt, dat de brief van 15 maart 1990 geen enkele motivering in de zin van artikel 190 EEG-Verdrag bevat.
141. Indien het Hof het niettemin mogelijk acht om rekening te houden met de achteraf door de Commissie gegeven toelichting, geef ik, evenals in de zaak Consorgan, in overweging, de beschikking wegens ontoereikende motivering, nietig te verklaren, omdat Cipeke nimmer van een per rubriek gespecificeerd goedkeuringsbesluit in kennis is gesteld.
142. Ik concludeer dus
tot nietigverklaring van de navolgende, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen gegeven beschikkingen tot vermindering van bijstand van het Europees Sociaal Fonds:
1) de beschikking in dossier nr. 870889 P3 van 7 september 1989, waarvan Infortec bij brief van 9 maart 1990 in kennis is gesteld;
2) voor zover zij Consorgan betreft, de beschikking in dossier nr. 871106 P1, waarvan zij bij brief van 30 maart 1990 in kennis is gesteld;
3) voor zover zij Cipeke betreft, de beschikking in dossier nr. 871012 P1, waarvan zij bij brief van 15 maart 1990 in kennis is gesteld,
en tot verwijzing van verweerster in de kosten van de onderhavige gedingen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Besluit betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 38).
(2) ° Verordening houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 1).
(3) ° Beschikking betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 377, blz. 1).
(4) ° Europe sociale, 2/91, blz. 87.
(5) ° Artikel 1 van besluit 83/516/EEG.
(6) ° Zie bijlage bij besluit 83/516, verklaring ad artikel 5, lid 1.
(7) ° Zie bij voorbeeld artikel 6, lid 2, van besluit 83/516.
(8) ° Artikel 124 EEG-Verdrag.
(9) ° Zie bijlage 1 bij beschikking 83/673/EEG.
(10) ° Artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2950/83.
(11) ° Ibidem.
(12) ° De indiening geschiedt middels een formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij beschikking 83/673.
(13) ° Artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83.
(14) ° Ibidem.
(15) ° Behoudens bijzondere gevallen, artikel 5 van besluit 83/516.
(16) ° Artikel 7 van verordening nr. 2950/83.
(17) ° Ibidem.
(18) ° Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83.
(19) ° In dit geval moet de betrokken Lid-Staat ook worden geraadpleegd: artikel 7, lid 2, van verordening nr. 2950/83.
(20) ° Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2950/83.
(21) ° Ibidem en artikel 2, lid 2, van besluit 83/516.
(22) ° Artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83.
(23) ° Zaak 310/81, Eiss, Jurispr. 1984, blz. 1341, r.o. 15, cursivering van mij, gewezen met betrekking tot de in 1977 geldende regeling.
(24) ° Ongeacht of het een kennisgeving van het besluit tot goedkeuring of een kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bedrag van het door de Commissie verschuldigde saldo betreft.
(25) ° Zie voor een voorbeeld het arrest van 1 oktober 1987 (zaak 84/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 3765).
(26) ° Waardoor de betrokken ondernemingen over kasmiddelen beschikt.
(27) ° Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83.
(28) ° Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2950/83.
(29) ° Zie punt 24 van mijn conclusie bij arrest van 7 mei 1991 (zaak C-291/89, Interhotel, Jurispr. 1991, blz. I-2257).
(30) ° Arrest Interhotel, reeds aangehaald; arrest Oliveira (zaak C-304/89, Jurispr. 1991, blz. I-2283).
(31) ° Terwijl het verzoek betrekking had op een bedrag van 66 533 519 ESC voor 380 personen.
(32) ° Beschikking van 21 november 1990, Jurispr. 1990, blz. I-4265.
(33) ° Ik herinner eraan, dat goedkeuring was verleend voor het totale bedrag van 8 373 341 ESC, en dat Infortec reeds een voorschot van 4 186 670 ESC van het Fonds had ontvangen.
(34) ° Cursivering van mij.
(35) ° Arrest van 11 oktober 1990 (zaak C-200/89, Jurispr. 1990, blz. I-3669, inz. blz. 3684).
(36) ° Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie bevestigd, dat zij deze bepaling aldus uitlegt.
(37) ° Zie punt 12 van mijn conclusie bij het arrest van 7 mei 1991, Oliveira, reeds aangehaald.
(38) ° Reeds aangehaald; zie eveneens het arrest in zaak C-291/89 Interhotel, reeds aangehaald, r.o. 15.
(39) ° R.o. 22-24 van het arrest Oliveira, reeds aangehaald.
(40) ° Ten bedrage van 550 668 844 ESC.
(41) ° Anders dan Consorgan in haar verzoekschrift beweert, blijkt uit het bij het verzoekschrift gevoegde document 3 niet van een betaling door het Fonds. Maar dit punt wordt door de Commissie niet weersproken.
(42) ° 6 472 608 ESC van het ESF en 5 295 771 ESC uit de nationale bijdrage (zie brief van 30 maart 1990).
(43) ° Zie r.o. 14 van het arrest Interhotel, reeds aangehaald; zie eveneens r.o. 17 en 18 van het arrest Oliveira, reeds aangehaald.
(44) ° In de aanvraag om betaling van het eindsaldo is van dit bedrag uitgegaan.
(45) ° Arrest C-200/89, reeds aangehaald, r.o. 17.
(46) ° Arrest van 17 april 1987, zaak 32/86, Sisma, Jurispr. 1987, blz. 1645, r.o. 8, cursivering van mij.
(47) ° Arrest van 25 oktober 1984 (zaak 185/83, Rijksuniversiteit te Groningen, Jurispr. 1984, blz. 3623, r.o. 38) cursivering van mij.
(48) ° Zaak 213/87 (Gemeente Amsterdam, Jurispr. 1990, blz. I-221).
(49) ° R.o. 28 van het aangehaalde arrest.
(50) ° Zie artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2950/83.
(51) ° Arrest in zaak 185/83, reeds aangehaald, r.o. 39.
(52) ° Behoudens bijzondere gevallen. Zie artikel 5 van verordening nr. 2950/83.
(53) ° Ik wijs in deze zaak op de omvang van de verminderingen: de bijdrage van het Fonds is verminderd met 30 501 109 ESC, terwijl deze aanvankelijk was goedgekeurd voor een bedrag van 93 552 788 ESC.
(54) ° Zie hiervoor punt 54.
(55) ° Zie hiervoor punt 20.
(56) ° Te meer daar het voorschot was uitgekeerd.
(57) ° De vermindering is bij brief van het Fonds van 5 september 1989 vastgesteld op het bedrag van 62 834 639 ESC.
(58) ° Cursivering van mij.
(59) ° Arrest van 26 mei 1982 (zaak 44/81, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 1855, r.o. 16).
(60) ° Cursivering van mij. Ik merk terloops op, dat uit de aanvraag om betaling van het eindsaldo blijkt, dat Consorgan onder post 14.7 niets had gedeclareerd. Bovendien moet de vermindering ook andere dan de genoemde posten raken, want de som van de onder deze rubrieken opgenomen bedragen is namelijk geringer dan het totale bedrag van de vermindering.
(61) ° 337 749 326 ESC in plaats van 550 668 844 ESC.
(62) ° Zie hiervoor punt 95.
(63) ° Zoals het relatieve aandeel van elke onderneming in de diverse rubrieken.
(64) ° Afgaande op de aanvraag om betaling van het saldo, vakken 5 en 6, bijlage 2 bij het verweerschrift.
Full & Egal Universal Law Academy