Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De prejudiciële vragen van de Pretore di Lecce hebben in hoofdzaak betrekking op de procedures voor het onderzoek van olijfolie in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector oliën en vetten waaronder dit produkt valt. Om te beginnen enkele opmerkingen over de opzet van deze marktordening.
2. De prijsregeling berust enerzijds op een stelsel van steun aan de produktie en de consumptie, en anderzijds op een interventiemechanisme volgens hetwelk de interventiebureaus verplicht zijn de olie aan te kopen die in de laatste vier maanden van elk verkoopseizoen, te weten van juli tot en met oktober, wordt aangeboden. Deze aankopen, die worden gefinancierd door het EOGFL, afdeling "Garantie", geschieden tegen een interventieprijs die met name afhangt van de verschillende benamingen en de kwaliteit van de olie.
3. In de bijlage bij de basisverordening (1) zijn voor de indeling van olijfolie verkregen bij de eerste persing vier verschillende benamingen en twee kenmerken voorzien. De benamingen zijn:
- extra olijfolie;
- fijne olijfolie;
- courante olijfolie;
- olijfolie voor verlichting.
De kenmerken hebben betrekking op de zuurheid, uitgedrukt in oliezuur, en de smaak. Deze moet volkomen onberispelijk zijn voor extra olijfolie, en goed voor courante olijfolie.
4. Artikel 3, lid 2, derde en vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 3472/85 (2), die van toepassing was op het moment dat de feiten van het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil zich afspeelden, luidt als volgt:
"Voor spijsolie verkregen bij de eerste persing vindt het onderzoek van de organoleptische kenmerken plaats volgens een communautaire procedure.
In afwachting van de vaststelling van deze procedure voeren de Lid-Staten dit onderzoek uit overeenkomstig nationale procedures."
5. Die communautaire procedure voor het onderzoek van de organoleptische kenmerken is nog niet vastgesteld. Voorts kunnen de interventiebureaus volgens de artikelen 5, lid 3, en 9, lid 2, van deze verordening andere instellingen, de zogenoemde opslagbedrijven, met de interventieverrichtingen belasten. Eén van de opslagbedrijven in Italië ten tijde van de feiten van het geschil was de AIPO (Associazione Italiana Produttori Olivicoli).
6. De Commissie stelt, dat vóór de inwerkingtreding van de communautaire bepalingen de indeling van olijfolie en de analysemethodes in Italië werden geregeld door wet nr. 1407/60 van 13 november 1960 (3) en een ministerieel decreet van 26 november 1963. (4) Deze wet zou een andere indeling volgen dan die vastgesteld bij verordening nr. 136/66/EEG: zij zou uitgaan van andere benamingen en de chemische en organoleptische kenmerken van het produkt volgens andere criteria definiëren dan de communautaire verordening. Met name waar de communautaire verordening voor olijfolie verkregen bij de eerste persing (fijn) een "onberispelijke" smaak verlangt, zou artikel 1 van wet nr. 1407/60 slechts verlangen dat de olie "geen onaangename geur verspreidt, dat wil zeggen niet ranzig, bedorven, rokerig, muf, naar ongedierte en dergelijke ruikt". In het decreet zou de uitvoering van de chemische analyses nader zijn geregeld. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen gesteld, dat er omtrent het organoleptisch onderzoek in de Italiaanse wetgeving in het geheel niets is bepaald; ter terechtzitting verklaarde zij echter, dat er op dat gebied wel "iets" zou bestaan, daarbij zinspelend op de bepalingen van een decreet uit 1959.
7. AIMA, het Italiaanse interventiebureau, heeft nadere uitvoeringsregels vastgesteld betreffende de interventie en daarin voor het seizoen 1987/1988 de benamingen en kenmerken van olijfolie opgenomen, met een uitdrukkelijke verwijzing naar de bepalingen van verordening nr. 136/66. (5)
8. Volgens de opmerkingen van de Commissie dienen in Italië de opslagbedrijven op eigen verantwoordelijkheid te verifiëren, of de ter interventie aangeboden oliën de voor de verschillende benamingen vereiste kenmerken bezitten; zij zijn vrij in de keuze van de laboratoria die de analyses uitvoeren (uitgezonderd voor de olie die wordt ingedeeld als extra olie verkregen bij de eerste persing, waarvoor de analyses verplicht moeten worden verricht door het Istituto sperimentale per l' Elaiotecnica de Pescara).
9. In de loop van het seizoen 1987/1988 liet AIMA de Commissie weten, dat de gegevens voor het lopende seizoen over de ter interventie aangeboden olijfolie haar argwaan wekten en dat zij de interventiecentra voor een controle en verificatie wilde bezoeken in aanwezigheid van ambtenaren van de Commissie.
10. De Commissie verklaarde daarop te willen deelnemen aan het door AIMA op gang gebrachte administratieve onderzoek.
11. De vermoedens omtrent onregelmatigheden waren met name ontstaan, doordat het grootste deel van de ter interventie aangeboden olie van zuivere (fijne) kwaliteit zou zijn en de marktprijzen 7 tot 22 % hoger zouden zijn dan de interventieprijs, die bovendien pas vier maanden later zou worden uitbetaald. Deze situatie was des te vreemder, daar Italië olijfolie moest importeren om in zijn behoeften te voorzien.
12. Uit onderzoeken van twee publiekrechtelijke instellingen, het Istituto sperimentale per l' Elaiotecnica de Pescara en het laboratorium van het Spaanse Ministerie van Landbouw, bleek dat bijna alle ter interventie aangeboden olie niet in de categorie viel waarin deze aanvankelijk was ingedeeld. Deze twee laboratoria gebruiken voor het organoleptisch onderzoek de door de Internationale Olijfolieraad aanbevolen methode. De analyse werd verricht op monsters die met name afkomstig waren van door de AIPO ter interventie aangekochte olie die was opgeslagen bij door haar ingeschakelde particuliere opslagbedrijven. Vervolgens was nog eens een reeks monsters genomen en aan twee analyses onderworpen, de ene door het particuliere laboratorium van doctor Rampino, president van de vereniging van chemici van de provincies Lecce en Brindisi, de andere door het laboratorium van het Spaanse ministerie.
13. Volgens het eerste van deze onderzoeken was de olie "olijfolie verkregen bij de eerste persing" of "courante olijfolie verkregen bij de eerste persing", volgens het tweede echter ging het bijna uitsluitend om olijfolie "voor verlichting". In haar opmerkingen stelt de Commissie, dat in het laboratorium van doctor Rampino bij de analyse de verkeerde criteria zijn toegepast, aangezien dit de criteria waren van de Italiaanse wettelijke regeling vóór de totstandkoming van de communautaire verordening.
14. Bij het onderzoek zouden overigens ernstige onregelmatigheden in het beheer door de opslagbedrijven en de eigenaars van de opslagplaatsen aan het licht zijn gekomen.
15. Bij brieven van 20 februari en 8 mei 1989, ondertekend door de directeur-generaal Landbouw van de Commissie, werd de AIMA op de hoogte gesteld van de resultaten van de analyses van het laboratorium van het Spaanse ministerie. Volgens de tweede brief konden de uitgaven voor de in 1988 in Italië verrichte interventies niet ten laste van het EOGFL worden gebracht. Op 2 november 1989 liet de AIMA de Commissie weten, ermee akkoord te gaan dat de uitgaven voor olijfolie voor het seizoen 1987/1988 niet ten laste van het EOGFL zouden komen, "voor zover de resultaten van de door de communautaire laboratoria verrichte analyses als overtuigend zijn te beschouwen".
16. Bij beschikking van 30 april 1990 betreffende de voorschotten van het EOGFL, afdeling "Garantie", voor de maand maart 1990 (6), heeft de Commissie de interventieuitgaven van Italië over de periode van 1 oktober 1988 tot en met 30 september 1989 voor olijfolie uitgesloten van de communautaire financiering. De uitgaven over de periode 1 juli tot en met 30 september 1988 werden in mindering gebracht in het kader van de beschikking van 30 november 1990 tot goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL voor het begrotingsjaar 1988. (7)
17. Volgens de Commissie is de AIPO door AIMA voor het seizoen 1988/1989 geschorst als opslagbedrijf en zou er een procedure zijn ingeleid om haar definitief te schrappen uit het officiële register van opslagbedrijven. AIMA heeft de opslagbedrijven verzocht om terugbetaling van de voor de interventieaankopen betaalde bedragen. Deze bedrijven zouden op hun beurt terugbetaling van deze bedragen hebben verlangd van de producenten die de betrokken olie hadden geleverd.
18. Verzoeksters in de hoofdgedingen, mevrouw Petruzzi en mevrouw Longo, zijn nu juist producenten die olie hebben laten afhalen door een vereniging van producenten (ASO) om deze ter interventie te verkopen. Deze vereniging zou de olie aan de AIPO hebben geleverd in de opslagplaatsen van door haar aangewezen groothandelaren. Petruzzi en Longo hebben de verwijzende rechter verzocht, elke vordering tot terugbetaling van de uit hoofde van de interventie uitbetaalde bedragen "ongegrond en onwettig" te verklaren.
19. Voor de Pretore di Lecce is in feite gesteld, dat bij gebreke van een communautaire procedure voor het onderzoek van de organoleptische kenmerken van bij eerste persing verkregen olijfolie, de analysemethodes van de ter interventie aangeboden olie uitsluitend zouden worden beheerst door de in het nationale recht voorziene procedures. De analyses waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, zouden derhalve in strijd zijn met artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3472/85, aangezien daarbij gebruik was gemaakt van methodes die niet in de nationale regeling zijn voorzien.
20. De Pretore di Lecce heeft zich vervolgens tot uw Hof gewend met drie prejudiciële vragen die ik hieronder zal onderzoeken.
21. In zijn eerste vraag vraagt de verwijzende rechter, of artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3472/85 aldus moet worden uitgelegd dat het onderzoek van de organoleptische kenmerken van spijsolie verkregen bij eerste persing, andere dan olie voor verlichting, uitsluitend moet plaatsvinden volgens de nationale procedures, zolang er geen communautaire procedure is vastgesteld.
22. Ik wil allereerst opmerken, dat de verordening met zoveel woorden bepaalt, dat zolang geen communautaire procedure is vastgesteld, en dit is het geval, het onderzoek plaatsvindt volgens de nationale procedures.
23. Niet minder duidelijk is echter ook, dat de nationale procedures, hoe deze er ook precies uitzien, uitsluitend ertoe kunnen dienen om na te gaan, of de in de communautaire regeling vastgelegde indelingscriteria juist zijn toegepast. Met andere woorden, de nationale procedures mogen niet tot gevolg hebben, dat de door het gemeenschapsrecht vereiste kenmerken worden miskend en een indeling resulteert die daarmee in strijd is.
24. In zover wil ik opmerken, dat indien het nationale recht andere criteria gebruikt dan de communautaire regeling, de nationale onderzoeksprocedures uitsluitend tot doel moeten hebben zekerheid te verschaffen, dat de door verordening nr. 136/66 vastgelegde kenmerken en benamingen zijn nageleefd, en dat de nationale bepalingen die daarmee in strijd zouden zijn buiten toepassing moeten blijven.
25. Deze opmerking komt mij noodzakelijk voor gezien de verwijzing, met name door de partijen in de hoofdgedingen, naar de benamingen en kenmerken van de Italiaanse wet. De Commissie heeft in deze zeer terecht gesteld, dat de vaststelling dat de olie geen onvolkomenheden vertoont, dat wil zeggen niet ranzig, flauw of licht fruitig, maar toch uitgerijpt smaakt, of zelfs dat de smaak van de olie "goed" of "tamelijk goed" is, niet volstaat om het produkt in te delen in de categorie olijfolie verkregen bij de eerste persing (fijn), aangezien de communautaire regeling voor een dergelijke indeling, zoals gezegd, een onberispelijke smaak verlangt.
26. Ten slotte wil ik beklemtonen, maar ik zal op dit punt terugkomen in het kader van de tweede vraag, dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3472/85 betrekking heeft op het onderzoek van de olie wanneer die ter interventie wordt aangeboden.
27. De tweede vraag komt er in wezen op neer, of de resultaten van onderzoeken en analyses die volgens de nationale procedure zijn verricht op het moment dat de olie ter interventie werd aangeboden en gedurende de periode waarin deze olie is opgeslagen in de opslagplaatsen van het interventiecentrum, kunnen worden aangetast door de resultaten van onderzoeken die volgens andere procedures en methodes dan de nationale procedures zijn verricht.
28. Deze vraag heeft volgens mij twee aspecten:
- in de eerste plaats, kan de oorspronkelijke indeling van olie op het moment dat deze ter interventie is aangeboden, achteraf worden gecontroleerd?
- in de tweede plaats, aangenomen dat een dergelijke controle mogelijk is, mag die dan zijn gebaseerd op andere procedures dan de nationale procedures?
29. Over het antwoord op de eerste vraag is nauwelijks twijfel mogelijk. Immers, indien de oorspronkelijke resultaten niet zouden kunnen gecontroleerd, zou dat de deur wijd openzetten voor misbruiken. De indeling die heeft plaatsgevonden op het moment dat de olie ter interventie werd aangeboden, zou dan definitief zijn. Het behoeft geen betoog, dat een dergelijke conclusie hoe dan ook onverenigbaar zou zijn met de verplichtingen van de staten op het gebied van de controle van de verrichtingen van het EOGFL. In dit verband wil ik er slechts aan herinneren dat:
"ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 (...) het in de eerste plaats aan de Lid-Staten staat zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd". (8)
30. De nakoming van deze verplichting brengt mee, dat de Italiaanse Republiek noodzakelijkerwijs het recht had tot verificatie van het resultaat van de organoleptische onderzoeken dat had geleid tot de indeling van de olijfolie. En waar de Commissie aan deze verificaties deelnam, was zij natuurlijk gerechtigd gebruik te maken van de haar door artikel 9 van verordening (EEG) nr. 729/70 (9) verleende bevoegdheid tot controle van de regelmatigheid van de uitvoering van de interventiemaatregelen.
31. Het lijkt dus wel niet te betwisten, dat Italië en de Commissie gerechtigd waren de analyses, verricht op het moment waarop de olie ter interventie werd aangeboden, te controleren.
32. Het tweede aspect van de vraag is, of de procedures bij de controle mogen verschillen van de nationale procedures en methodes.
33. Vooraf moet ik erop wijzen, dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen had vermeld dat de Italiaanse wetgeving geen bepalingen omtrent de organoleptische onderzoeken kent, doch ter terechtzitting heeft verklaard dat dergelijke bepalingen wel bestaan.
34. Het is vanzelfsprekend niet de taak van het Hof, zich uit te spreken over het al dan niet bestaan van een nationale procedure en de overeenstemming daarvan met de bij de controle daadwerkelijk toegepaste procedure.
35. Bovendien behoort de Pretore di Lecce een antwoord te worden gegeven in de door hem gekozen algemene bewoordingen die impliciet een verschil lijken te veronderstellen tussen de nationale onderzoeksprocedure en de controleprocedure.
36. Nu bepaalt verordening nr. 3472/85 in zoverre weliswaar ontegenzeglijk, dat het onderzoek van de organoleptische kenmerken in afwachting van de communautaire procedure plaatsvindt volgens een nationale procedure.
37. Deze bepaling regelt echter uitdrukkelijk slechts de onderzoeken die worden verricht op het moment dat de olie ter interventie wordt aangeboden. Zij bevat geen enkele aanwijzing, dat het daarin bepaalde eveneens zou moeten gelden voor de controles die de Lid-Staat of de Commissie verricht om de regelmatigheid van de interventieverrichtingen na te gaan.
38. Het lijdt geen twijfel, dat deze laatste controles een organoleptisch onderzoek van de eerder ter interventie aangeboden olie impliceren volgens strenge betrouwbaarheidsnormen. Om dit te bereiken lijkt het mij niet onregelmatig, dat de methode bij een dergelijke controle niet een loutere herhaling is van de aanvankelijk gevolgde.
39. Bij dit laatste geval moet worden bedacht, dat indien er een verschil zou bestaan tussen de criteria van de nationale wettelijke regeling voor het organoleptisch onderzoek en die van de communautaire verordening, "eenheid in de onderzoek- en analysemethodes" - om met verzoeksters in de hoofdgedingen te spreken - herhaling van hoe dan ook onjuiste analyses zou betekenen, terwijl de controle nu juist bedoeld is om zekerheid te krijgen over de regelmatigheid van de interventieverrichtingen.
40. Om een concreet voorbeeld te nemen, indien volgens de nationale analysemethode als goed beschouwde olie moet worden ingedeeld in de categorie "fijne" olijfolie verkregen bij de eerste persing, een criterium dat in strijd is met de communautaire indeling omdat, zoals ik reeds heb gezegd, alleen olijfolie met een onberispelijke smaak tot deze categorie mag worden gerekend, dan zou met een gewone herhaling van de volgens een dergelijk, onjuist criterium verrichte analyses natuurlijk niet de regelmatigheid van de interventieverrichtingen kunnen worden geverifieerd.
41. Bij de uitvoering van de controles mogen de betrokken Lid-Staat en de Commissie derhalve ontegenzeglijk organoleptisch onderzoek verrichten volgens onbetwiste en erkende betrouwbaarheidsnormen, ook al zou daarbij worden afgeweken van de nationale onderzoeksprocedures die zouden zijn gebruikt op het moment dat de olie ter interventie werd aangeboden.
42. De juridische grondslag van de door de Italiaanse Republiek en de Commissie verrichte controle lijkt derhalve buiten twijfel.
43. Rest ons de derde en laatste prejudiciële vraag, waarmee de Pretore di Lecce vraagt, of de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en alle andere besluiten van deze instelling, erop neerkomende dat de uitgaven voor aankoop en beheer van de partijen olie, bedoeld in de brieven van AIMA van 29 maart 1989, nr. 4387, en 3 augustus 1989, nr. 1120, niet voor vergoeding in aanmerking komen, geldig zijn, en om zo nodig overlegging van de beschikking van de Commissie en elk ander besluit van die instelling te bevelen.
44. Blijkens de verwijzingsbeschikkingen was de Pretore namelijk van oordeel, dat "om vorderingen tot terugbetaling eventueel ongegrond en onwettig te verklaren (...) het niet voldoende is om de juiste uitlegging van de hierboven genoemde bepaling van verordening nr. 3472/85 te kennen, maar dat daarvoor bovendien onwettig moet worden verklaard het door AIMA uitgevaardigde bevel tot terugbetaling van het betrokken bedrag, welk bevel het bestaan van een beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen vooronderstelt om de uitgaven voor de aankoop en het beheer van de olie waarvan de kwaliteit wordt bestreden, niet te vergoeden".
45. De Pretore di Lecce concludeerde dat "om een uitspraak te kunnen doen over de wettigheid van de maatregel van AIMA (...) ook de geldigheid moet worden getoetst van de communautaire handeling waarop de nationale maatregel is gebaseerd". En hij heeft het Hof vervolgens vragen in de hierboven aangegeven zin voorgelegd.
46. Op grond van de stukken die de Commissie heeft overgelegd in de bijlage bij haar schriftelijke opmerkingen en de analyse van de daaruit voortvloeiende juridische situatie staat mijns inziens onomstotelijk vast, dat er geen beschikking van de Commissie, dat wil zeggen een handeling met definitieve rechtsgevolgen, heeft bestaan op de dag dat de prejudiciële vraag werd gesteld, en a fortiori niet toen de brieven van AIMA strekkende tot terugbetaling van de betrokken bedragen werden verzonden.
47. Zeker, de directeur-generaal Landbouw heeft de Italiaanse Republiek de twee reeds genoemde brieven van respectievelijk 20 februari en 8 mei 1989 gezonden, waarin werd gesteld dat volgens de diensten van de Commissie de interventie-uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, en waarin AIMA werd verzocht, de netto-verliesrekening te zuiveren van alle kosten vanaf de dag dat de olie ter interventie was aangeboden. Allereerst zou men zich de vraag kunnen stellen, of er sprake was van delegatie aan de ondertekenaar van deze brieven - die uitdrukkelijk van het standpunt van de diensten van de Commissie spreken -, zodat de Commissie als de auteur van de handeling zou kunnen worden beschouwd. Maar dan nog zouden deze brieven hoe dan ook slechts voorbereidingshandelingen vormen voor later door de Commissie te nemen besluiten.
48. De Commissie heeft namelijk consequenties getrokken uit de onregelmatigheden bij de Italiaanse interventieverrichtingen: enerzijds door middel van de reeds genoemde beschikking van 30 april 1990, en anderzijds door middel van de beschikking van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL voor het begrotingsjaar 1988. Ik wil overigens opmerken, dat de Italiaanse Republiek met betrekking tot deze laatste beschikking een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld dat op het moment bij uw Hof aanhangig is. (10)
49. Met de destijds verstuurde terugbetalingsverzoeken gaf de AIMA dus geen uitvoering aan een juridisch bindend besluit van de Commissie. Het Italiaanse interventiebureau, dat moet zorgen voor een juiste toepassing van de communautaire regeling, heeft niet meer gedaan dan de consequenties te trekken uit de vastgestelde onregelmatigheden
50. En indien de controles waardoor deze onregelmatigheden aan het licht kwamen, in strijd zouden moeten worden geacht met de communautaire regeling, dan dunkt mij, dat de verzoeken van AIMA reeds op grond van deze uitlegging onwettig waren.
51. Het is echter wel duidelijk, dat de hierboven genoemde brieven uit 1989, zo dit al handelingen van de Commissie waren, hoogstens voorbereidingshandelingen zijn geweest voor later vast te stellen besluiten. En mijns inziens kan in het kader van een prejudicieel verzoek alleen de geldigheid van handelingen met definitieve rechtsgevolgen worden getoetst, want:
"het gebied van de geldigheidstoetsing kan niet verschillen naar gelang het een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring of een prejudiciële verwijzing voor de geldigheidsbeoordeling betreft" (11)
en
"alleen handelingen die vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring behoren het voorwerp te kunnen zijn van een verwijzing ter beoordeling van de geldigheid". (12)
52. Dat is mijns inziens het onvermijdelijke gevolg van de coherentie in de systematiek van de wettigheidstoetsing in het kader van het communautaire contentieux. Men zou de tegenwerping kunnen maken, dat het niet willen onderzoeken van de geldigheid van voorbereidende handelingen zou leiden tot een miskenning van de prerogatieven van de nationale rechter die zich met een prejudiciële vraag tot het Hof wendt, doch naar mijn mening baat dit niet. Het gaat er namelijk niet om te beoordelen of zijn vraag relevant is, maar om vast te stellen of de betrokken handeling behoort tot die waarvan het Hof krachtens artikel 177 de geldigheid kan toetsen. En vanuit dit oogpunt "moet het begrip handeling in artikel 177 identiek zijn aan dat in artikel 173". (13)
53. Ik verzoek u derhalve vast te stellen, dat er op de dag dat de zaak bij uw Hof aanhangig werd gemaakt, geen beschikking van de Commissie bestond waarvan de wettigheid zou kunnen worden gecontroleerd wat betreft de financierbaarheid van de uitgaven voor de aankoop en het beheer van de partijen olijfolie die in het kader van de hoofdgedingen ter discussie staan. De derde vraag van de verwijzende rechter behoeft derhalve niet te worden beantwoord.
54. Voor het geval u van mening mocht zijn dat u de brieven van de Commissie terzake toch behoort te onderzoeken, wil ik slechts de volgende, zeer beknopte opmerkingen maken, zo ongefundeerd lijkt mij in elk geval de door verzoeksters aangevoerde onwettigheidsgrond.
55. De onwettigheid zou voortvloeien uit de omstandigheid, dat de bij de controle verrichte analyses in strijd waren met de communautaire regeling. Dienaangaande volstaat de opmerking dat, zoals ik heb betoogd, de controle van de indeling, die aanvankelijk werd verricht op verzoek van het opslagbedrijf, niet in strijd was met het gemeenschapsrecht, zodat dit in geen geval tot onregelmatigheid van de betrokken "beschikkingen" over het niet-vergoeden van de kosten kan leiden.
56. Een laatste opmerking nog. Ik deel het standpunt van de Commissie, dat de onregelmatigheid van de interventieverrichtingen niet alleen tot gevolg heeft dat de betrokken kosten niet voor communautaire financiering in aanmerking komen, maar dat de Lid-Staat eveneens verplicht is de consequenties daaruit te trekken jegens de producenten die daarvan hebben geprofiteerd, een consequentie die wordt gedicteerd door het beginsel van gelijke behandeling. Ik wil hier echter niet dieper op deze vraag ingaan, omdat de verwijzende rechter hierover niet uitdrukkelijk vragen heeft gesteld.
57. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
- In de huidige stand van het gemeenschapsrecht moet artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 aldus worden uitgelegd, dat het organoleptisch onderzoek van olijfolie, verkregen bij de eerste persing, op het moment van de interventieaankoop moet plaatsvinden volgens de nationale procedures, die uitsluitend tot doel mogen hebben, de door de communautaire bepalingen voorziene kenmerken vast te stellen voor de bepaling van de aankoopprijs die met de door diezelfde bepalingen voorziene benamingen overeenkomt;
- de Lid-Staten en de Commissie hebben het recht, de organoleptische kenmerken van ter interventie aangekochte olijfolie te controleren; deze controle kan geschieden aan de hand van een onderzoek volgens strenge betrouwbaarheidsnormen, waarbij zo nodig gebruik kan worden gemaakt van andere methodes dan die voorzien voor de nationale procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, nr. 172, blz. 3025), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1858/88 van de Commissie van 30 juni 1988 (PB 1988, L 166, blz. 10).
(2) Van de Commissie van 10 december 1985 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus (PB 1985, L 333, blz. 5).
(3) GURI nr. 295 van 2.12.1960, blz. 4411.
(4) GURI nr. 320 van 10.12.1963, blz. 5850.
(5) Deliberazione 18 giugno 1988, GURI nr. 146 van 23.6.1988, algemene serie blz. 18.
(6) Opgenomen in bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
(7) PB 1990, L 350, blz. 82.
(8) Arrest van 21 februari 1989, zaak 214/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1989, blz. 369.
(9) Van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13).
(10) Zaak C-55/91.
(11) Joliet: Le droit institutionnel des Communautés européennes, Le contentieux, 1981, universiteit van Luik, blz. 196; zie eveneens Vandersanden, Barav: Contentieux communautaire, Bruylant, Brussel, 1977, blz. 304; Isaac: Droit communautaire général, Mason, Parijs, 3e editie, blz. 271; contra Waelbroeck, Louis, Vignes, Dewost: "Le droit de la Communauté economique européenne", vol. 10, La Cour de Justice, deel 1, blz. 190.
(12) Vandersanden, Barav, ibidem.
(13) Vandersanden, Barav, ibidem.
Full & Egal Universal Law Academy