Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen een arrest van 6 april 1990 van het Gerecht van eerste aanleg, waarbij een besluit van de Commissie van 20 mei 1988 inzake de vaststelling van verweerders invaliditeitspensioen werd nietigverklaard en de Commissie in de kosten werd veroordeeld. In deze zaak rijst ook een vraagstuk dat meer in het algemeen van belang is voor de behandeling door het Hof van Justitie van zaken in hogere voorziening.
2. Bij het besluit dat de aanleiding vormt voor de onderhavige procedure, had de Commissie geweigerd verweerder in aanmerking te laten komen voor toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Ambtenarenstatuut, en had zij diens pensioen vastgesteld overeenkomstig artikel 78, derde alinea. Verweerder maakt aanspraak op de gunstiger regeling van de tweede alinea, op grond dat zijn invaliditeit voortkwam uit een "beroepsziekte" als in die alinea bedoeld.
3. Gedurende een groot deel van zijn beroepsleven heeft verweerder ondergronds in kolenmijnen gewerkt. Tussen 1948 en 1971 maakte hij vijf tot zeven afdalingen per week, en tussen 1971 en 1974 meerdere afdalingen per maand. Tot 1974 was hij werkzaam in Groot-Brittannië; in dat jaar werd hij door de Commissie aangeworven als hoofdadministrateur met als werkgebied de gezondheid en veiligheid in de mijnen. Tussen 1974 en 1979 moest hij in totaal tussen twintig en dertig maal ondergronds gaan. Na een ongeluk in 1979 is hij tussen 1979 en 1981 nog slechts één- of tweemaal ondergronds gegaan. Op 11 juni 1981 vroeg verzoeker pensioen aan wegens algehele en blijvende invaliditeit. Niet in geschil is, dat Gill op dat moment aan een ziekte leed, chronische broncho-pneumopathie, die hem geheel buiten staat stelde om zijn werkzaamheden te vervullen. Tevens blijkt, dat verweerder in 1974, toen het verplichte medisch onderzoek vóór indiensttreding bij de Commissie plaatsvond, reeds leed aan een zekere mate van broncho-pneumopathie, maar niettemin geschikt werd verklaard voor zijn functie. Na enige misverstanden en vertragingen kwam in maart 1987 een invaliditeitscommissie bijeen om de aard en omvang van verweerders arbeidsongeschiktheid vast te stellen, hoewel hem inmiddels een voorlopig invaliditeitspensioen op basis van artikel 78, lid 3, was toegekend. In haar rapport van 31 maart 1987 kwam de invaliditeitscommissie tot de bevinding, dat verweerder inderdaad algeheel arbeidsongeschikt was als gevolg van de verergering van de in 1974 vastgestelde broncho-pneumopathie, maar ook dat de verergering niet aan zijn dienst bij de Gemeenschappen kon worden toegeschreven. Op grond van dat rapport concludeerde de Commissie, dat de invaliditeit van verweerder niet voortsproot uit een "beroepsziekte" in de zin van artikel 78 van het Statuut. Of de Commissie zulks terecht heeft beslist, is de vraag waar het in deze zaak om gaat.
4. Alvorens de vier door de Commissie aangevoerde middelen te bespreken, is het misschien nuttig om een overzicht te geven van de ter zake geldende regeling. Hoofdstuk 3 (artikelen 77 tot en met 84) van titel V van het Ambtenarenstatuut draagt als opschrift: "Pensioenen". Artikel 78 luidt als volgt:
"Overeenkomstig de artikelen 13 t/m 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen.
Indien de invaliditeit het gevolg is van een ongeval tijdens of in verband met de dienst, van een beroepsziekte of van een daad van zelfopoffering in het algemeen belang of tengevolge van het feit dat hij zijn leven heeft gewaagd om een mensenleven te redden, bedraagt het invaliditeitspensioen 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar.
Indien de invaliditeit aan een andere oorzaak is te wijten, bedraagt het invaliditeitspensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht gehad zou hebben bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, indien hij tot deze leeftijd in dienst zou zijn gebleven.
(...)."
Bijlage VIII bij het Statuut en hoofdstuk 3 daarvan (artikelen 13 tot en met 16) zijn respectievelijk getiteld "Nadere uitwerking van de pensioenregeling" en "Invaliditeitspensioen". Artikel 13 luidt als volgt:
"Onverminderd het in artikel 1, lid 1, bepaalde heeft de ambtenaar die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij tijdens de periode gedurende welke hij recht op pensioen verkreeg, door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt in zijn loopbaan overeenkomen, (...) recht op het in artikel 78 van het statuut bedoelde invaliditeitspensioen.
(...)."
Ingevolge artikel 1, lid 1, van bijlage VIII kan het tot aanstelling bevoegde gezag besluiten, wanneer het aan de indiensttreding voorafgaand medisch onderzoek een ziekte of gebrek uitwijst, betrokkene, wat de gevolgen of de nasleep van die ziekte of dat gebrek betreft, niet eerder in het genot te stellen van de ter zake van invaliditeit of overlijden geldende rechten dan vijf jaar na zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen.
5. Samenstelling en werkwijze van de in bijlage VIII van het Statuut bedoelde invaliditeitscommissie zijn in de artikelen 7 tot en met 9 van bijlage II geregeld. Die commissie bestaat uit drie artsen, waarvan één door de ambtenaar, één door de betrokken instelling en één in onderlinge overeenstemming door de twee andere artsen wordt aangewezen. Artikel 9, lid 1, geeft de ambtenaar het recht om aan de invaliditeitscommissie rapporten en attesten van zijn eigen behandelende artsen te overleggen.
6. Vermelding verdient, dat artikel 13 van bijlage VIII niet met zoveel woorden zegt dat het de invaliditeitscommissie is die bepaalt, of een invaliditeit "het gevolg is van een beroepsziekte" in de zin van artikel 78 van het Statuut. Aangezien evenwel de commissie tot taak heeft te beoordelen of een ambtenaar algeheel en blijvend invalide is, kan haar bevoegdheid worden geacht zich tot alle kwesties van medische aard uit te strekken: zie zaak 76/84 (Rienzi/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 315, r.o. 9).
7. Artikel 78 bevat geen definitie van "beroepsziekte" en verwijst ter zake ook niet naar enige andere bepaling. Het is evenwel niet de enige bepaling waarin dat begrip wordt gebruikt. Hoofdstuk 2 (artikelen 72 tot en met 76) van titel V van het Statuut heeft als opschrift: "Sociale zekerheid". Artikel 73, lid 1, luidt als volgt:
"Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekte en ongevallen voortvloeiende risico' s (...)."
De uitkeringen van deze verzekering bestaan uit een bedrag ineens of een lijfrente in geval van blijvende invaliditeit. Een dergelijke uitkering kan bovenop de in hoofdstuk 3 van titel V geregelde uitkeringen worden betaald en dus bovenop een invaliditeitsuitkering ex artikel 78.
8. Krachtens artikel 73 is in onderlinge overeenstemming tussen de instellingen vastgesteld de "Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten" (hierna: "de Regeling"). Artikel 3 van de Regeling bevat de volgende definitie van "beroepsziekte":
"1. Worden beschouwd als beroepsziekten de ziekten vermeld in de Europese lijst van beroepsziekten gevoegd bij de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962 en de eventuele aanvullingen, voor zover de ambtenaar in zijn beroepswerkzaamheden bij de Europese Gemeenschappen aan het risico deze ziekten op te doen heeft blootgestaan.
2. Wordt eveneens als beroepsziekte beschouwd elke ziekte of verergering van een reeds bestaande ziekte, niet vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst, wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat zij is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen."
Vaststaat, dat de broncho-pneumopathie niet op de Europese lijst voorkomt.
9. Ten slotte is het bepaalde in artikel 25 van de Regeling hier van belang:
"De vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het Statuut en van deze regeling prejudicieert niet de toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd."
10. Het Gerecht van eerste aanleg verklaarde het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 nietig op twee gronden. In de eerste plaats had de Commissie ten onrechte aangenomen, dat voor het aanmerken van een ziekte als "beroepsziekte" een causaal verband moet bestaan tussen de ziekte, of de verergering daarvan, en de werkzaamheden van de ambtenaar in dienst van de Gemeenschappen; in het bijzonder zou de definitie van "beroepsziekte" in artikel 3 van de Regeling niet mogen worden gebruikt in het kader van artikel 78 van het Statuut. In de tweede plaats zou, zelfs wanneer een dergelijk causaal verband was vereist, dit in de omstandigheden van het geval ook aanwezig kunnen worden geacht.
11. De Commissie vecht het arrest van het Gerecht van eerste aanleg aan met vier middelen. Naar mij voorkomt, volstaan reeds de eerste twee middelen om in deze hogere voorziening een oordeel te kunnen vellen.
Het eerste middel
12. Het eerste middel van de Commissie houdt in, dat het Gerecht van eerste aanleg is uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip "beroepsziekte" in artikel 78, tweede alinea, van het Statuut. De Commissie splitst dit middel in twee onderdelen: 1) In tegenstelling tot wat het Gerecht meent, kan de betekenis van het begrip "beroepsziekte" niet variëren naar gelang het gaat om toepassing van artikel 73 of van artikel 78 van het Statuut. 2) Het begrip beroepsziekte in artikel 78 moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder valt elke ziekte, of verergering daarvan, die haar voornaamste of hoofdoorzaak vindt in de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar in dienst van de Gemeenschappen, met uitsluiting van ziekten die het gevolg zijn van vóór de indiensttreding uitgeoefende beroepswerkzaamheden.
13. Zoals het Gerecht van eerste aanleg in rechtsoverweging 19 van het arrest overweegt, zijn de uitkeringen ingevolge artikel 73 respectievelijk artikel 78 van het Statuut verschillende uitkeringen die op grond van verschillende en van elkaar onafhankelijke procedures worden toegekend: zie artikel 25 van de Regeling (geciteerd in punt 9) en zaak 731/79 (B./Parlement, Jurispr. 1981, blz. 107) en zaak 257/81 (K./Raad, Jurispr. 1983, blz. 1). De definitie van "beroepsziekte" in artikel 3 van de Regeling is opgesteld voor de toepassing van artikel 73 en niet voor die van artikel 78. Wanneer er dus voldoende grond zou zijn om het begrip in elk van beide bepalingen een andere betekenis te geven, dan zou dat in beginsel toelaatbaar zijn.
14. Ik zie echter geen reden om aan het woord "beroepsziekte" in artikel 78 een ruimere strekking toe te kennen dan in artikel 73. Nu hetzelfde woord in dezelfde regeling wordt gebruikt, zou men juist verwachten dat het in beide gevallen dezelfde betekenis heeft. Bovendien vindt de zienswijze van het Gerecht geen steun in de rechtspraak van het Hof van Justitie, volgens welke voor de erkenning van het bestaan van een "beroepsziekte" in de zin van artikel 78 een oorzakelijk verband moet worden aangetoond tussen de ziekte, of de verergering daarvan, en de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar in dienst van de Gemeenschappen.
15. In zaak 257/81 (K./Raad, zie punt 13 hierboven) bij voorbeeld, verklaarde het Hof een besluit van de Raad nietig waarbij de toepassing van artikel 78, tweede alinea, op de betrokkene werd geweigerd, op grond dat bepaalde rapporten van de invaliditeitscommissie onvoldoende waren gemotiveerd. In rechtsoverweging 17 maakte het Hof de volgende aanmerkingen op die rapporten:
"Het rapport van 21 december 1981 spreekt weliswaar niet van een 'beroepsziekte' , maar erkent het bestaan van een oorzakelijk verband tussen verzoekers werkzaamheden of arbeidsomstandigheden en de verslechtering van zijn gezondheidstoestand, evenals overigens de eerste versie van het rapport van 25 januari 1982. En ook al had luidens de definitieve versie van het rapport van 25 januari 1982 een meerderheid van twee artsen vastgesteld, dat verzoekers invaliditeit niet het gevolg was van een beroepsziekte, dan neemt zulks niet weg, dat die versie geen motivering bevat aan de hand waarvan zou kunnen worden beoordeeld op welke overwegingen die vaststelling berustte; voorts bevat zij generlei verklaring van de tegenspraak tussen deze vaststelling en die vervat in zowel het tweede rapport ((nl. van 21 december 1981)) als de eerste versie van het derde rapport ((nl. van 25 januari 1982))."
Het Hof ging er in deze passage kennelijk van uit, dat een "beroepsziekte" wordt gekenmerkt door een oorzakelijk verband tussen het werk of de arbeidsomstandigheden van betrokkene en de verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Volgens de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn (blz. 17) waren partijen het erover eens, dat het begrip "beroepsziekte" in de artikelen 73 en 78 van het Statuut dezelfde betekenis heeft, een zienswijze die de advocaat-generaal zelf kennelijk ook deelde. Zoals hij dan ook op bladzijde 18 opmerkt, kan een niet op de Europese lijst van beroepsziekten vermelde ziekte pas als beroepsziekte worden aangemerkt, wanneer
"de uitoefening van verzoekers werkzaamheden aanleiding moet hebben gegeven tot de ziekte of de verergering ervan; het volstaat niet, dat beide omstandigheden zich tegelijkertijd voordoen (...). Mijns inziens moet de beroepsbezigheid een oorzaak zijn van het ontstaan of van de verergering van de ziekte die tot invaliditeit leidt."
Het besluit van de Raad werd nietigverklaard, en de vraag "of er een voldoende nauwe band ((bestond)) tussen verzoekers pathologische toestand en een aan de door verzoeker verrichte werkzaamheden inherent, specifiek en kenmerkend risico" moest opnieuw worden voorgelegd aan de invaliditeitscommissie: zie rechtsoverweging 20 van het arrest. Ofschoon het Hof in die rechtsoverweging niet met zoveel woorden uitsprak dat een oorzakelijk verband met de verrichte werkzaamheden moest worden aangetoond, lijkt mij toch dat wanneer het Hof het niet eens was geweest met de stelling dat zulk een verband door de invaliditeitscommissie moest worden vastgesteld, het deze misvatting dadelijk zelf zou hebben rechtgezet alvorens de kwestie naar de invaliditeitscommissie terug te verwijzen voor een nieuwe beoordeling.
16. Ik geloof dan ook niet, dat in zaak 257/81 (K./Raad) steun te vinden is voor de stelling dat het woord "beroepsziekte" in artikel 73 een andere betekenis zou hebben dan in artikel 78; eerder de tegenovergestelde conclusie volgt eruit. Anderzijds lijkt me ook niet, dat uit het arrest als criterium moet worden afgeleid, dat de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar de voornaamste of hoofdoorzaak moet zijn geweest van diens ziekte, zoals de Commissie meent. Naar mijn mening is de vraag waarover de invaliditeitscommissie moet beslissen eenvoudig, of de ziekte van betrokkene zich zou hebben voorgedaan als hij de betrokken werkzaamheden niet had uitgeoefend. Dat lijkt mij het criterium dat uit de analyse van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn naar voren komt, en waaraan ik de voorkeur geef boven de eerste van de twee alternatieve formules die advocaat-generaal Roemer in overweging gaf in de zaak Vellozzi/Commissie (zaak 29/71, Jurispr. 1972, blz. 513), geciteerd door advocaat-generaal Slynn in K./Raad op bladzijde 18, welke formule de Commissie kennelijk heeft overgenomen.
17. De hierboven weergegeven uitlegging van het arrest in zaak 257/81, K./Raad, wordt geschraagd door het in punt 6 reeds aangehaalde arrest Rienzi/Commissie, waarin het Hof in de rechtsoverwegingen 9 tot en met 12 verklaarde:
"Uit de samenstelling zelf van de invaliditeitscommissie alsook uit de aard van de haar toevertrouwde taken blijkt, dat zij uitsluitend bevoegd is tot het geven van een medisch oordeel. Zodra een juridische kwalificatie is vereist, houdt haar bevoegdheid op.
Volgens 's Hofs rechtspraak (arrest van 12 januari 1983, zaak 257/81, K./Raad, Jurispr. 1983, blz. 1) is de bevoegdheid van de invaliditeitscommissie ertoe beperkt, de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid te bepalen en na te gaan, 'of er een voldoende nauw verband bestaat tussen verzoekers pathologische toestand en een aan de door verzoeker verrichte werkzaamheden inherent, specifiek en kenmerkend risico' . Dit risico kan evenwel alleen het risico zijn, dat inherent is aan de regelmatig verrichte werkzaamheden.
(...)
Gelet op de aldus begrensde bevoegdheid van de invaliditeitscommissie, kan niet staande worden gehouden dat deze commissie meer zou hebben gedaan dan het vaststellen van een oorzakelijk verband tussen de invaliditeit en een aan bepaalde feiten te wijten ziekte, welke de commissie niet bevoegd was juridisch te kwalificeren.(...)."
De invaliditeitscommissie heeft dus tot taak om na te gaan welke gebeurtenissen tot de ziekte van de ambtenaar hebben geleid, het tot aanstelling bevoegde gezag daarentegen om te beslissen, of die gebeurtenissen tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar zijn voorgevallen. Een beroepsziekte kan alleen worden aangenomen, wanneer aan beide voorwaarden is voldaan, namelijk wanneer een causaal verband met de door de ambtenaar regelmatig verrichte werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen is vastgesteld: zie ook punt 33 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz.
18. In rechtsoverweging 19 van zijn arrest verwijst het Gerecht van eerste aanleg naar zaak 242/85 (Geist/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 2181). In die zaak had de betrokkene een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen een besluit waarbij hem een invaliditeitspensioen op basis van artikel 78, derde alinea, in plaats van artikel 78, tweede alinea, was toegekend, hoewel het pensioenbedrag in beide gevallen even hoog zou zijn geweest. Het Hof oordeelde, dat betrokkene onvoldoende procesbelang had. De vaststelling dat de ziekte geen beroepsziekte is met het oog op een krachtens artikel 78 te nemen besluit, prejudiceert niet op een eventueel krachtens artikel 73 te nemen besluit, aangezien:
"de in artikel 73 Ambtenarenstatuut en de Regeling voorziene procedure en die van artikel 78 Ambtenarenstatuut twee verschillende procedures zijn, die tot verschillende, onderling onafhankelijke besluiten kunnen leiden" (r.o. 13).
Dat de procedures van deze twee bepalingen tot twee onderling onafhankelijke besluiten leiden, wil echter nog niet zeggen dat de aan die twee besluiten ten grondslag liggende begrippen ook verschillend moeten zijn. Het spreekt vanzelf, dat twee commissies van verschillende samenstelling bij gebruik van hetzelfde criterium van "beroepsziekte" tot uiteenlopende uitkomsten kunnen komen. In zaak 242/85, Geist/Commissie, heeft het Hof er alleen op willen wijzen, zo komt mij voor, dat een negatieve conclusie van een in het kader van artikel 78 aangewezen invaliditeitscommissie geen consequenties heeft voor de conclusies van een in het kader van artikel 73 aangewezen medische commissie, en dat Geist daarom geen belang had bij nietigverklaring van het krachtens artikel 78 genomen besluit.
19. In de rechtspraak van het Hof is derhalve geen steun te vinden voor de stelling, dat een beroepsziekte in de zin van artikel 78 van het Statuut kan worden aangenomen zonder dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de ziekte van de ambtenaar en zijn dienst bij de Gemeenschappen; de rechtspraak biedt eerder steun aan de tegenovergestelde conclusie. Bevestiging hiervoor vind ik bij lezing van artikel 78, tweede alinea. Zo kan, wanneer de invaliditeit het gevolg is van een ongeval, die bepaling alleen toepassing vinden als het ongeval heeft plaatsgevonden "tijdens of in verband met de dienst". Bij gebreke van enige uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel lijkt mij dat hetzelfde moet gelden indien de invaliditeit het gevolg is van ziekte. Zoals het Hof in zaak 342/82 (Cohen/Commissie, Jurispr. 1983, blz. 3829, rechtsoverweging 13) onder verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van deze regeling verklaarde:
"De tweede alinea van artikel 78 van het Statuut moet dan ook worden gezien als een uitzondering; dit moet tot voorzichtigheid manen met een extensieve uitlegging."
Er lijkt inderdaad geen principiële reden te bestaan waarom een gemeenschapsinstelling gehouden zou zijn tot betaling van een hoger pensioen in geval van beroepsziekte, zonder dat enig causaal verband valt aan te wijzen met de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar bij de Gemeenschappen.
20. Bovendien rijst de vraag, welk ander criterium zou kunnen worden gebruikt wanneer het causaal verband als criterium moest worden losgelaten. In geval van een ziekte die op de in artikel 3, lid 1, van de Regeling bedoelde Europese lijst staat, is het voor de toepassing van artikel 73 voldoende, dat de betrokkene aan het risico die ziekte op te doen, heeft blootgestaan; alleen in geval van een niet op die lijst voorkomende ziekte moet aan het strengere vereiste van artikel 3, lid 2, worden voldaan. Wat betreft de in de Europese lijst vermelde ziekten zie ik er geen bezwaar tegen om dat lichtere criterium, bloot te hebben gestaan aan het risico, te gebruiken voor de toepassing zowel van artikel 78 als van artikel 73. Uit de rechtsoverwegingen 22 tot en met 24 van het bestreden arrest krijgt men evenwel de indruk, dat het Gerecht van eerste aanleg dat criterium ook in dit geval heeft gebruikt (waarin het, zoals bekend, gaat om een ziekte die niet op de Europese lijst voorkomt). Het kan volgens mij niet juist zijn, dat criterium te gebruiken in het kader van een besluit krachtens artikel 78, in omstandigheden waarin voor de toepassing van artikel 73 een causaal verband zou zijn vereist.
21. Aan deze conclusie doet geenszins af, dat de ziekte van verweerder is toe te schrijven aan zijn loopbaan in de mijnen vóór zijn indiensttreding bij de Commissie, in welke periode hij de beroepservaring verzamelde waarvan de Commissie vervolgens heeft geprofiteerd (zie r.o. 24 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg). Het spreekt vanzelf, dat de Commissie verweerder in dienst heeft genomen omdat zijn kennis en ervaring de Gemeenschappen van nut waren. Het zou echter zowel principieel onjuist als met de rechtspraak van het Hof in strijd zijn om als "beroepsziekte" ook aan te merken een ziekte die moet worden toegeschreven aan werkzaamheden die de ambtenaar vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen heeft uitgeoefend. Een dergelijke beroepservaring kan niet met de uitoefening van werkzaamheden bij de Gemeenschappen worden gelijkgesteld, ook al is het een ervaring waarvan de Gemeenschappen vervolgens zouden hebben geprofiteerd.
22. Ik concludeer derhalve, dat het eerste middel moet slagen; het Gerecht van eerste aanleg heeft ten onrechte aangenomen, dat geen causaal verband behoefde te worden aangetoond tussen verweerders ziekte, of de verergering daarvan, en de uitoefening van zijn werkzaamheden bij de Commissie.
Het tweede middel
23. Zoals gezegd, was het Gerecht eveneens van oordeel, dat zelfs wanneer causaal verband tussen Gill' s ziekte, of de verergering daarvan, en zijn werkzaamheden bij de Commissie moest worden aangetoond, een dergelijk verband ook in de omstandigheden van de onderhavige zaak kon worden vastgesteld. In verband daarmee dien ik nu het tweede middel van de Commissie te bespreken, inhoudende dat het Gerecht van eerste aanleg ten onrechte, tegen het advies van de invaliditeitscommissie in, heeft geoordeeld dat het vereiste causaal verband genoegzaam was komen vast te staan.
24. Zoals de Commissie opmerkt, is de vraag of zulk een verband vaststaat, een feitelijke aangelegenheid waarover uitsluitend de invaliditeitscommissie te oordelen heeft. Er dient hier een onderscheid te worden gemaakt tussen feitelijke vragen van medische aard en problemen die om een juridische beoordeling vragen. Zoals we reeds zagen, is de vraag of de bezigheden die tot ziekte hebben geleid, binnen de taakomschrijving van de betrokken ambtenaar vielen dan wel niet daarmee overeenkwamen, een juridische vraag waarover het tot aanstelling bevoegde gezag moet beslissen: zie zaak 76/84, Rienzi/Commissie, reeds aangehaald in punt 6. Een dergelijke juridische vraag is hier evenwel niet aan de orde, aangezien niet is betwist dat de afdalingen ondergronds die betrokkene tijdens zijn diensttijd maakte, in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij de Commissie hebben plaatsgevonden. Anders dan Gill in de memorie van antwoord betoogt, is het alleen in gevallen waarin zulk een juridische beoordeling aan de orde is, dat de beoordeling of een ziekte een beroepsziekte is, aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomt, en geen medische kwestie meer is waarover de invaliditeitscommissie beslist.
25. Dat causaliteitsvragen in beginsel een medische aangelegenheid zijn waarover de invaliditeitscommissie moet beslissen, volgt duidelijk uit de arresten in zaak 257/81, K./Raad, reeds aangehaald in punt 13, en zaak 76/84, Rienzi/Commissie. Bovendien moet voor ogen worden gehouden, dat de organisatie en benoeming van een invaliditeitscommissie in het kader van artikel 78 op vergelijkbare wijze zijn geregeld als voor een medische commissie in het kader van artikel 73 van het Statuut. In beide gevallen is ernaar gestreefd om het evenwicht en de objectiviteit van de betrokken commissies te verzekeren (vergelijk de artikelen 7 tot en met 9 van bijlage II bij het Statuut met artikel 23 van de Regeling). Zoals het Hof in verband met besluiten ex artikel 73 heeft opgemerkt in zaak 265/83 (Suss/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 4029, r.o. 11):
"(...) (uit) de omstandigheid dat genoemde bepalingen het evenwicht en de objectiviteit van de medische commissie beogen te waarborgen, blijkt de bedoeling dat in geval van geschil alle vragen van medische aard in dat stadium definitief worden beslist. Bijgevolg kunnen de beroepsmogelijkheden die het Statuut biedt in beginsel slechts in die zin worden aangewend, dat het toezicht van het Hof zich beperkt tot de samenstelling en de regelmatige werking van de (...)(medische) commissies. Het onderzoek van het Hof kan zich (...) niet uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen."
Zoals de Comissie opmerkt, gelden deze overwegingen ook voor de invaliditeitscommissie. Dat betekent, dat noch de Commissie, als tot het aanstelling bevoegd gezag, noch het Gerecht van eerste aanleg zelf het eigen oordeel over de feiten in de plaats mag stellen van het oordeel van een regelmatig samengestelde invaliditeitscommissie. Mij dunkt dan ook, dat het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheid te buiten is gegaan door in afwijking van de bevindingen van de invaliditeitscommissie te oordelen, dat er een verband bestaat tussen de verergering van verweerders broncho-pneumopathie in de jaren 1974 tot 1981 en de uitoefening van zijn werkzaamheden bij de Commissie in diezelfde periode. Bovendien is het Gerecht tot dit oordeel gekomen op grond van een - voor het Hof toetsbare - onjuiste rechtsopvatting en niet op grond van een feitelijke vaststelling waartoe het bevoegd was.
26. Evenmin geloof ik dat, zoals het Gerecht lijkt te redeneren in rechtsoverweging 24 van het arrest, de Commissie onder de bijzondere omstandigheden van dit geval moet worden geacht aansprakelijkheid te hebben aanvaard voor het risico dat de ziekte van verweerder uiteindelijk tot diens arbeidsongeschiktheid zou leiden.
27. Natuurlijk valt niet te ontkennen, dat een instelling bij aanstelling van een ambtenaar het risico aanvaardt dat deze ambtenaar ooit een volgens een van de twee grondslagen van artikel 78 van het Statuut te berekenen invaliditeitspensioen aanvraagt. De Commissie heeft echter niet getracht om deze aansprakelijkheid in het geval van Gill te ontkennen, en evenmin heeft zij gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 1, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut, namelijk om bij de indiensttreding van verweerder diens rechten op bepaalde uitkeringen voor vijf jaar op te schorten.
28. Ik meen derhalve, dat de enige aansprakelijkheid die de Commissie kan worden geacht te hebben aanvaard, die is tot uitbetaling van welke uitkering ook die krachtens het Statuut daadwerkelijk zou zijn verschuldigd. In tegenstelling tot het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg, is noch de aanwezigheid van een reeds bestaande, bij de indiensttreding geconstateerde aandoening, noch - zoals ik al zei - het profijt dat de Commissie heeft gehad van de eerdere beroepservaring die mede aan die aandoening heeft bijgedragen, op zich voldoende grond om de verergering van verweerders ziekte te beschouwen als "beroepsziekte" in de zin van artikel 78.
29. Ik kom derhalve tot de conclusie, dat geen van de gronden waarop het Gerecht het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 nietig verklaarde, steekhoudend is. Daarmee kan bespreking van het derde en vierde middel achterwege blijven.
Andere punten
30. Eenmaal tot de conclusie gekomen dat de hogere voorziening van de Commissie moet slagen, moet ik de gevolgen daarvan nog bespreken. Artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG luidt als volgt:
"In geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht."
Naar mij voorkomt, dient het Hof, alvorens de zaak ten gunste van een requirant af te doen, zich er eerst van te overtuigen dat niet toch de verwerende partij in het gelijk dient te worden gesteld op een andere, voor het Gerecht van eerste aanleg aangevoerde grond. Anders zou er ernstig gevaar bestaan voor een jegens de verwerende partij onrechtvaardige uitspraak: deze zou, terwijl hij eigenlijk in zijn vordering had moeten slagen, toch in het ongelijk kunnen worden gesteld, enkel doordat enig overtuigend argument van zijn kant over het hoofd is gezien. Dat zou kunnen gebeuren, wanneer het Gerecht zijn vordering op een andere grond had toegewezen en die beslissing in hogere voorziening ongedaan werd gemaakt.
31. Daarom moet de verwerende partij in hogere voorziening mijns inziens het recht hebben om in zijn memorie van antwoord een punt aan te roeren dat hij reeds eerder aan de orde had gesteld, maar waarop het Gerecht niet is ingegaan, en dat - zou het wel zijn behandeld - het pleit in zijn voordeel had beslecht. Met andere woorden, de verwerende partij zou niet alleen instandhouding van het door de requirant aangevochten arrest van het Gerecht van eerste aanleg moeten kunnen bepleiten, maar ook subsidiair vorderen dat het Hof van Justitie hem in het gelijk stelt op een of meer andere gronden die hij eerder voor het Gerecht had aangevoerd. De verwerende partij heeft daartoe de mogelijkheid ingevolge de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering, hoewel die mogelijkheid in artikel 117, lid 2, van het Reglement niet uitdrukkelijk is voorzien, wat men wel zou verwachten. De opvatting dat het Hof van Justitie andere gronden in aanmerking kan nemen dan die waarop het Gerecht van eerste aanleg zijn arrest heeft gebaseerd, vindt steun in het feit dat het Hof over het complete procesdossier beschikt (artikel 111, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).
32. Ook in het belang van de proceseconomie dient de verwerende partij deze mogelijkheid te worden geboden. Anders zou de zaak, om het risico van een onrechtvaardige uitspraak te vermijden, steeds naar het Gerecht van eerste instantie moeten worden terugverwezen, waardoor weer nog langer moet worden geprocedeerd en de kosten nog verder oplopen, om niet te spreken van de mogelijkheid dat opnieuw hogere voorziening wordt ingesteld en, wanneer daarbij andere middelen aan de orde komen, het gehele proces nog eens moet worden overgedaan.
33. De bevoegdheid van het Hof van Justitie in geval van hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg beperkt zich tot rechtsvragen; de mogelijkheid om zaken terug te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg is, naar moet worden aangenomen, bedoeld voor gevallen waarin nadere vaststelling van de feiten nodig is. Het zou mijns inziens daarom in het algemeen nuttig zijn, wanneer het Gerecht van eerste aanleg, indien het de verzoekende partij op grond van één middel in het gelijk stelt, ook de nodige feitelijke vaststellingen doet ten aanzien van eventuele andere middelen die de verzoekende partij heeft aangevoerd en die hij later, in het geval dat hogere voorziening wordt ingesteld, als verwerende partij zou kunnen inroepen.
34. In casu lijkt mij het enige wezenlijke punt dat verweerder in hogere voorziening subsidiair had kunnen aanvoeren, dat het besluit van de invaliditeitscommissie zelf gebrekkig en dus ongeldig was. Ofschoon verweerder dit punt in zijn memorie van antwoord niet heeft aangeroerd, meen ik dat het Hof het zonder bezwaar kan onderzoeken, omdat er geen nadere vaststelling van de feiten nodig is én omdat het één van de punten is die het Hof moet nagaan alvorens overeenkomstig artikel 54 van het Statuut-EEG te kunnen beslissen, de zaak zelf af te doen dan wel naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen. Het rapport van de invaliditeitscommissie is trouwens als bijlage bij de memorie van antwoord gevoegd en dus aan het Hof overgelegd.
35. Ook hier zouden de andere oplossingen in het nadeel van de verwerende partij werken: ofwel komt er een einduitspraak waarbij een relevant punt niet is onderzocht, ofwel de zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van eerste aanleg, waarmee voor partijen weer extra kosten en tijd zijn gemoeid. De verwerende partij mag niet worden gedupeerd omdat hij in zijn memorie van antwoord bepaalde punten niet opneemt die hij eerder wel in zijn verzoekschrift had aangevoerd, maar waaraan het Gerecht van eerste aanleg niet is toegekomen. Daarbij moet worden bedacht, dat deze hogere voorziening een van de eerste is die is ingesteld, dat de omvang van de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening nog onzeker is en dat in het Reglement voor de procesvoering een uitdrukkelijke bepaling ter zake ontbreekt. Ik wijs erop, dat verweerder de kwestie van de geldigheid van het besluit van de invaliditeitscommissie inderdaad voor het Gerecht van eerste aanleg heeft aangevoerd, waar hij stelde dat de opdracht aan de invaliditeitscommissie onnauwkeurig en onjuist was geformuleerd en het rapport van die commissie onvoldoende met redenen was omkleed (r.o. 16 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg).
36. Onderzocht dient dus te worden, of het rapport van de invaliditeitscommissie een van deze gebreken vertoonde. Dat zou het geval kunnen zijn, wanneer de invaliditeitscommissie zich als gevolg van de haar gegeven opdracht niet met de juiste vraagpunten heeft beziggehouden, of wanneer zij uit is gegaan "van een verkeerde opvatting van het begrip 'beroepsziekte' of wanneer er in haar rapport geen logische band wordt gelegd tussen de medische vaststellingen en de conclusies die daaraan worden verbonden" (zaak 277/84, Jaensch/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 4923, r.o. 15), of ook wanneer het rapport "geen motivering bevat aan de hand waarvan zou kunnen worden beoordeeld op welke overwegingen ((haar)) vaststelling berustte" (zaak 257/81, K./Raad, r.o. 17, hierboven aangehaald onder punt 13).
37. Naar men kan vaststellen, is het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest niet op die punten ingegaan, en ook verweerder en interveniënte hebben deze niet voor het Hof aangevoerd. Niettemin is het duidelijk, dat de geldigheid van het rapport van de invaliditeitscommissie het punt is waar deze zaak om draait. Zoals ik reeds opmerkte, is de vraag, of verweerder aan een beroepsziekte lijdt, een medische beoordelingsvraag, die door een naar behoren samengestelde invaliditeitscommissie moet worden beantwoord. Wanneer de conclusies van het rapport van 31 maart 1987 niet aanvaardbaar zijn, moet de zaak bijgevolg opnieuw naar de invaliditeitscommissie worden verwezen, zodat de Commissie op grond van de bevindingen van deze laatste een nieuw besluit kan nemen (zie zaak 257/81, K./Raad, r.o. 20, hierboven aangehaald in punt 13).
38. Ik kom nu dus tot bespreking van het rapport van de invaliditeitscommissie. Volgens dat rapport luidde haar opdracht als volgt: "zich uit te spreken over het eventuele bestaan van een beroepsziekte en, zo ja, over het verband tussen die ziekte en de werkzaamheden die de heer Gill in dienst van de Gemeenschappen heeft verricht, met uitsluiting van zijn daaraan voorafgaande arbeidsverleden". Weliswaar laten deze bewoordingen aan duidelijkheid en nauwkeurigheid enigszins te wensen over (met name kon de invaliditeitscommissie niet uitmaken, dat een ziekte een beroepsziekte is zonder eerst het verband met de verrichte werkzaamheden te onderzoeken), maar dat schijnt uiteindelijk geen belemmering te zijn geweest voor de invaliditeitscommissie om haar aandacht te richten op de ter zake dienende punten. Uit haar rapport wordt duidelijk, dat de commissie zich uitsluitend heeft beziggehouden met vragen van medische aard (zie blz. 1 van het rapport) en in het bijzonder met de vraag, of een causaal verband bestond tussen verweerders arbeidsongeschiktheid en zijn werkzaamheden tussen 1974 en 1981 (zie de conclusie op blz. 3). De invaliditeitscommissie kwam tot de conclusie - ik zei het reeds -, dat de verergering van verweerders ziekte niet was toe te schrijven aan zijn dienst bij de Commissie. Wat betreft de redenen voor deze conclusie, blijkt uit bladzijde 2 van het rapport, dat de commissie verweerder heeft onderzocht en hem de nodige vragen heeft gesteld, en in het bijzonder het verloop van zijn ziekte na 1981 is nagegaan en zodoende mede heeft gelet op het feit, dat er in de toestand van verweerder na zijn pensionering geen verandering van betekenis is gekomen.
39. Ik ben van mening, dat nu de invaliditeitscommissie verweerder heeft onderzocht en het verloop van zijn symptomen voor, tijdens en na zijn diensttijd bij de Commissie heeft bestudeerd, zij tot de - medische - conclusie is kunnen komen, dat verweerders arbeidsongeschiktheid toe te schrijven was aan diens werkzaamheden vóór 1974. Daarmee heeft de invaliditeitscommissie, waar zij zich met de relevante vraagstelling bezighield, haar conclusies op ter zake dienende overwegingen gebaseerd. De gronden van die conclusie blijken uit het rapport, zodat de lezer inzicht kan verkrijgen in de overwegingen waarop het berust. De redenering van de invaliditeitscommissie had misschien wat duidelijker en meer gedetailleerd kunnen zijn, maar het lijkt me niet dat het rapport ongeldig kan worden genoemd wegens onvoldoende motivering. Mitsdien valt er tegen de geldigheid van het rapport niets in te brengen, en de Commissie heeft derhalve op dat rapport mogen afgaan voor haar beslissing ten aanzien van verweerders pensioen.
Conclusie
40. De hogere voorziening van de Commissie tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg gegrond achtend, concludeer ik tot vernietiging van de beslissing van het Gerecht overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EEG. Gelet op de artikelen 70 en 122 van het Reglement voor de procesvoering, dienen partijen ieder hun eigen kosten te dragen, met inbegrip van de kosten van de procedure voor het Gerecht. De Union Syndicale-Luxembourg, interveniënte aan de zijde van verweerder, dient eveneens haar eigen kosten te dragen.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy