Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De Corte suprema di oassazione (Verenigde civiele kamers) (hierna "de verwijzende rechter") heeft het Hof een vraag gesteld over de uitlegging van sommige bepalingen van titel III, hoofdstuk 8 "Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen", van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. (1)
De vraag is gerezen in een geschil tussen G. Durighello en het Instituto nazionale della previdenza sociale (hierna "INPS") omtrent de toekenning aan eerstgenoemde van "assegni familiari" (hierna kortweg "bijslag") voor zijn echtgenote ten laste.
Achtergrond
2. De verwijzingsbeslissing bevat nuttige informatie omtrent de relevante bepalingen van de Italiaanse wetgeving die de toekenning van bijslagen voor echtgeno(o)t(e) ten laste regelen. Voor de duidelijkheid van mijn betoog vat ik die bepalingen hierna kort samen, ook al zijn ze reeds in het rapport ter terechtzitting aangeduid.
De artikelen 20 en 21 van wet nr. 903 van 21 juli 1965 (2) bepalen onder meer dat de aangepaste pensioenen en de pensioenen die geïntegreerd zijn in de minimumuitkering van de verplichte verzekering voor invaliditeit, ouderdom en voor de nagelaten betrekkingen van werknemers in dienstbetrekking, worden "verhoogd" met een bepaald bedrag per kind ten laste alsmede voor de echtgeno(o)t(e) ten laste, dat is de echtgeno(o)t(e) die geen hogere inkomsten heeft dan een in de wet bepaald bedrag. Deze bepalingen moeten in samenhang worden gelezen met artikel 4, eerste alinea, van wetsdecreet nr. 30 van 2 maart 1974 (3) (omgezet, met wijzigingen, in wet nr. 114 van 16 april 1974 (4)) welke bepaling als volgt luidt:
"Met ingang van 1 januari 1974 krijgen de rechthebbenden op pensioenen van de algemene verplichte verzekering voor invaliditeit, ouderdom en voor de nagelaten betrekkingen van werknemers in dienstverband (...) ten behoeve van de in artikel 21 van wet nr. 903 van 21 juli 1965 bedoelde personen (...), in plaats van de verhogingsbedragen, bijslagen (' assegni familiari' ) als bedoeld in de gecodificeerde tekst, goedgekeurd bij presidentieel decreet nr. 797 van 30 mei 1955, zoals nadien gewijzigd."
De verwijzende rechter wijst erop dat, gelet op voormeld artikel 4 van wetsdecreet nr. 30 van 1974, met ingang van 1 juli 1974 de bijslag voor personen ten laste van gepensioneerden waaronder de echtgeno(o)t(e) ten laste "thans niet langer te beschouwen is als een 'verhogingsbedrag' dat een bestanddeel van het pensioen vormt, maar dat hij het karakter en de rechtsvorm van een afzonderlijke sociale-zekerheidsuitkering heeft verkregen". Al is die bijslag nog afhankelijk van het bestaan van het recht op pensioen, qua beheer, financiering en rechtsvoorschriften is hij, aldus de verwijzende rechter, autonoom en wordt hij ook los van het pensioen uitbetaald door een daartoe opgericht orgaan (de kas voor bijslagen) dat door het INPS wordt bestuurd.
Later, zo stipt de verwijzende rechter nog aan, werd bij artikel 2 van wet nr. 153 van 13 mei 1988 (5) (tot omzetting van wetsdecreet nr. 69 van 13 maart 1988 (6)) een nieuwe uitkering in de Italiaanse sociale zekerheid ingevoerd, met name de "assegno per il nucleo familiare" die voor werknemers in dienstbetrekking en rechthebbenden op sociale-zekerheidsuitkeringen op grond van arbeid in dienstbetrekking, in de plaats is gekomen van de voornoemde bijslag. Deze nieuwe uitkering staat in het bodemgeschil echter niet aan de orde.
3. De situatie die zich in het bodemgeschil voordoet, is summier in de verwijzingsbeschikking aangeduid. Durighello, zo blijkt daaruit, is een in Italië wonende rechthebbende op een ouderdomspensioen. Hij heeft in drie Lid-Staten (Italië, Frankrijk en Duitsland) in dienstbetrekking gewerkt. Hij ontvangt van de bevoegde organen van de staten waar hij heeft gewerkt en bijdragen heeft gestort een "pro rata"-pensioen. Het recht op het door het bevoegde Italiaanse orgaan uitgekeerde pensioen heeft hij verworven door de "samentelling" van de in elk van de drie Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering en dit overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3 "Ouderdom en overlijden (pensioenen)" van verordening nr. 1408/71.
Als ik het goed begrijp kon Durighello eigenlijk, op basis van uitsluitend de Italiaanse wetgeving (dus los van het gemeenschapsrecht), geen aanspraak maken op een pensioen ten laste van het bevoegde Italiaanse orgaan omdat deze wetgeving het verkrijgen van een recht op pensioen afhankelijk stelt van de vervulling van een aantal tijdvakken van verzekering in Italië en Durighello aan deze voorwaarde niet voldeed. De bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van verordening nr. 1408/71 leggen evenwel aan de bevoegde organen de verplichting op de door een migrerend werknemer in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking te nemen. Zo bepaalt artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 wat volgt:
"Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld."
Ik ga ervan uit dat het bevoegde Italiaanse orgaan zich op deze bepaling van verordening nr. 1408/71 heeft gesteund om aan Durighello toch een pensioen uit te keren.
4. Het bodemgeschil betreft echter niet de pensioenuitkering aan Durighello maar wel diens aanspraak op bijslag voor zijn echtgenote ten laste, een bijslag waarvan de verwijzende rechter, zoals hiervoor (in nr. 2) vermeld, heeft aangemerkt dat in 1974 een afzonderlijke sociale-zekerheidsuitkering was geworden.
Het is deze aanspraak op bijslag die het INPS heeft afgewezen en zowel de Pretore di Udine als het Tribunale di Udine, recht sprekend in beroep, hebben deze afwijzing rechtsgeldig verklaard. In zijn uitspraak overwoog het Tribunale dienaangaande dat verordening nr. 1408/71 de enige rechtsnorm was waarop Durighello zijn aanspraak kon steunen en dat die verordening wel voor kinderen ten laste in een bijslag voorziet maar niet voor de echtgeno(o)t(e) ten laste. Een beroep op de andersluidende bepaling van de Italiaanse wettelijke regeling achtte het Tribunale niet mogelijk omdat de Europese rechtsnorm voorrang heeft op eender welke nationale norm.
5. Durighello heeft het geschil vervolgens bij de Corte di cassazione aanhangig gemaakt. In zijn cassatieberoep betwist hij de stelling dat verordening nr. 1408/71 de enige rechtsnorm is die op zijn geval van toepassing is, aangezien die verordening alleen in een aanvulling voorziet van de Italiaanse wettelijke regeling, zodat toepasselijkheid van deze laatste niet kan worden uitgesloten op grond van het enkele feit dat de communautaire regeling niet uitdrukkelijk in een bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste voorziet.
Van zijn kant heeft het INPS zich voor de verwijzende rechter als volgt verweerd:
- de enige rechtsnorm waaraan Durighello recht op pensioen ontleent, is de communautaire rechtsnorm en het is dan ook op grond van die norm dat moet worden uitgemaakt of er al dan niet een recht op bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste bestaat;
- onder de in artikel 77 van verordening nr. 1408/71 voorziene bijslag wordt uitsluitend een bijslag voor kinderen ten laste, en niet voor een echtgeno(o)t(e) ten laste verstaan;
- de Italiaanse rechtsorde voorziet daarentegen wel in een uitkering voor een echtgeno(o)t(e) ten laste, maar enkel voor rechthebbenden op een pensioen van de algemene verplichte verzekering voor invaliditeit, ouderdom en voor de nagelaten betrekkingen van werknemers in dienstbetrekking, dus voor personen die - anders dan Durighello - een autonoom pensioen genieten dat op basis van de in de Italiaanse wettelijke regeling voorziene tijdvakken van verzekering is verworven.
6. Voor de Corte di cassazione was het door Durighello aanhangig gemaakte probleem niet nieuw. Reeds in een arrest van 4 februari 1988 had de Arbeidskamer van de Corte aan een gepensioneerde die zich in een gelijksoortige situatie als Durighello bevond, het recht op bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste ontzegd. Ook deze uitspraak was op de overweging gesteund dat de enige grondslag van de pensioenrechten van de betrokkene in de communautaire rechtsnorm kon worden gevonden en dat die norm niet in de litigieuze uitkering voorzag. In dat arrest wordt verder gepreciseerd dat volgens de Italiaanse wettelijke regeling alleen "rechthebbenden op een Italiaans pensioen", dat is op een pensioen dat uitsluitend door in Italië betaalde bijdragen is verworven, recht hebben op bijslag voor de echtgeno(o)t(e).
In een enkele maanden later gewezen arrest van 21 juni 1988 heeft de Arbeidskamer van dezelfde Corte echter een andersluidende uitspraak over een soortgelijk probleem gedaan. In dat arrest wordt ervan uitgegaan dat de regeling van verordening nr. 1408/71 inzake kinderbijslag niet in de weg staat aan de uitwerking van voor de betrokkene gunstiger bepalingen uit de nationale (Italiaanse) rechtsorde. Op grond van een systematisch onderzoek van de Italiaanse wettelijke regeling betreffende "verhogingsbedragen" van de pensioenen en van de vervanging van die bedragen door bijslagen voor personen ten laste (zie hiervoor nr. 2), erkent dit arrest het recht op bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste "van - niet nader aangeduide - rechthebbenden op het verplicht pensioen (...), waaronder moet worden verstaan (...) iedereen die, op welke grond ook, recht heeft op de minimumuitkering" van het INPS, en dus ook van rechthebbenden op een pensioen dat overeenkomstig de (samentellings)bepalingen van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld.
7. Gelet op deze twee strijdige uitspraken werd het beroep van Durighello aan de Verenigde kamers van de Corte di cassazione toegewezen. In de verwijzingsbeschikking wordt gepreciseerd dat dit beroep het probleem aan de orde stelt van de verhouding tussen communautaire en nationale rechtsnormen die beide - geheel of gedeeltelijk - dezelfde materie regelen (in casu de bijslag voor pensioengerechtigden), alsmede het daarmee samenhangende probleem of in de voorliggende situatie alleen de communautaire rechtsnorm van toepassing is - op grond van het beginsel dat deze norm, in geval van "strijd" met de nationale wetgeving, voorrang heeft - dan wel of er in dat geval plaats is voor toepassing van nationale bepalingen die recht geven op een sociale-zekerheidsuitkering van dezelfde aard als die welke in een gemeenschapsverordening is overwogen, maar daarin niet specifiek is geregeld.
Dienvolgens wil de verwijzende rechter een antwoord bekomen op de volgende prejudiciële vraag:
"Staan, in het hier beschreven geval, de bepalingen van titel III, hoofdstuk 8, en met name de artikelen 77-79 van verordening nr. 1408/71 van de Raad (en de latere wijzigingen en codificaties) eraan in de weg, dat op iemand die in Italië woont en die recht heeft op een ouderdomspensioen dat is vastgesteld en wordt betaald overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van deze verordening (krachtens welke de tijdvakken van arbeid en verzekering in Italië, in Frankrijk en in Duitsland worden 'samengeteld' ), de bepalingen van de Italiaanse wettelijke regeling worden toegepast, op grond waarvan een gepensioneerde (met ingang van 1 januari 1974 en tot de datum van inwerkingtreding van voormeld wetsdecreet nr. 69 van 1988) ook voor de echtgenoot ten laste recht heeft op gezinsbijslag?"
Beantwoording van de prejudiciële vraag
8. In zijn schriftelijke opmerkingen voor het Hof betwist het INPS de bevoegdheid van het Hof met twee middelen. In de eerste plaats stelt het, met verwijzing naar de beschikking in zaak Falciola (7), dat de prejudicile vraag voor de verwijzende rechter niet nodig is voor het wijzen van zijn arrest omdat die vraag niet in verband staat met het voorwerp van het bodemgeschil. Volgens het INPS gaat het in de communautaire bepalingen waarvan uitlegging wordt gevraagd, om bijslagen voor kinderen ten laste van pensioengerechtigden, daar waar het bodemgeschil handelt over een bijslag voor de echtgenote ten laste van een pensioengerechtigde. De betrokken bepalingen zouden niet in die zin kunnen worden uitgelegd dat zij ook op bijslagen voor een echtgeno(o)t(e) ten laste toepasselijk zijn. In de tweede plaats zou de prejudiciële vraag in wezen handelen over de verenigbaarheid van de Italiaanse wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, een vraag waarover het Hof zich niet kan uitspreken.
Deze twee middelen zijn duidelijk ongegrond. Wat het eerste middel betreft is het vaste rechtspraak van het Hof dat het aan de rechter staat om te beoordelen of een prejudiciële beslissing noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, en of de aan het Hof gestelde vragen relevant zijn.
Het tweede middel dient eveneens op grond van vaste rechtspraak van het Hof te worden afgewezen. Het Hof heeft namelijk herhaaldelijk verklaard:
"dat het zich (...) in een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte procedure niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht. Het is daarentegen wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, aan de hand waarvan hij die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van de voor hem aanhangige zaak". (8)
9. De prejudiciële vraag betreft het geval van een pensioengerechtigde wiens recht op pensioen in de Lid-Staat waar hij woont werd vastgesteld door het bevoegde orgaan van die staat met inachtneming, zoals voorgeschreven door artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71, van de tijdvakken van verzekering die hij in andere Lid-Staten heeft vervuld. De verwijzende rechter wil met de prejudiciële vraag vernemen of de bepalingen van titel III, hoofdstuk 8, van verordening nr. 1408/71, meer bepaald de artikelen 77 en 79 van die verordening, eraan in de weg staan dat de bepalingen van de betrokken Lid-Staat aan een dergelijke pensioengerechtigde ook recht geven op bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste.
10. De verwijzende rechter en de partijen in het bodemgeschil gaan er allen van uit dat de artikelen 77 en 79 van de verordening nr. 1408/71 alleen betrekking hebben op bijslagen voor kinderen ten laste, niet op bijslagen voor een echtgeno(o)t(e) ten laste. Dit uitgangspunt is niet zo evident. Het begrip "kinderbijslagen" (in het Frans "allocations familiales", in het Italiaans "assegni familiari") wordt namelijk in artikel 1, sub u, ii, van verordening nr. 1408/71 als volgt gedefinieerd:
"de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend".
In haar algemeenheid kan deze definitie ook andere periodieke uitkeringen omvatten dan deze voor kinderen ten laste en met name periodieke uitkeringen voor de echtgeno(o)t(e) ten laste wanneer het bedrag van deze uitkeringen in functie van het aantal gezinsleden zou zijn vastgesteld.
Een aantal tekstargumenten wijzen er echter op dat de artikelen 77 en 79 van verordening nr. 1408/71 geen betrekking hebben op bijslagen voor de echtgeno(o)t(e) ten laste. Zo is er uitdrukkelijk en uitsluitend sprake van "kinderen ten laste" in de titel van titel III, hoofdstuk 8, zoals ook in de titel van de artikelen 77 en 79 van verordening nr. 1408/71. In de tekst van de artikelen 77 en 79 worden bovendien geen andere gezinsleden dan kinderen aangeduid. Een bijkomend argument vloeit voort uit het onderscheid dat in de verordening wordt gemaakt tussen "kinderbijslagen" en "gezinsbijslagen". Bijslagen voor de echtgeno(o)t(e) ten laste vallen immers onder het in artikel 1, sub u, i van verordening nr. 1408/71 omschreven begrip "gezinsbijslagen" (9), maar niet onder het engere begrip kinderbijslagen. De artikelen 72 tot 76 van de verordening zijn zowel op de gezinsbijslagen als op de kinderbijslagen van toepassing. De bijslagen waarvan sprake in artikel 77 betreffen daarentegen alleen de kinderbijslagen voor pensioengerechtigden en sommige aanvullingen van het pensioen voor kinderen van deze gerechtigden.
11. De hiervoor onderzochte kwestie staat in deze zaak echter niet centraal. De prejudiciële vraag is er immers niet op gericht te weten of een pensioengerechtigde als Durighello aan de artikelen 77 en 79 van verordening nr. 1408/71 rechtstreeks een recht op bijslag voor de echtgenote ten laste ontleent. De verwijzende rechter komt niet aan die vraag toe. Uit de manier waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd blijkt immers dat hij de mening is toegedaan dat een pensioengerechtigde als Durighello wiens pensioen is vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71, op grond van uitsluitend de Italiaanse wettelijke regeling ook recht heeft op een bijslag voor zijn echtgenote ten laste. De verwijzende rechter wil alleen weten of de artikelen 77 en 79 van verordening nr. 1408/71 voor gevolg hebben dat een pensioengerechtigde als Durighello dit recht op bijslag zou verliezen.
12. Met de Commissie ben ik van oordeel dat in het gemeenschapsrecht geen steun kan worden gevonden voor een weigering als deze van het INPS om aan Durighello bijslag voor zijn echtgenote ten laste uit te keren wanneer hij daarop krachtens de Italiaanse wetgeving aanspraak kan maken.
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de verordeningen betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers:
"niet een gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid (hebben) opgezet, doch verschillende stelsels (hebben) laten voortbestaan die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit, hetzij uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling, hetzij krachtens de nationale regeling zo nodig aangevuld door het gemeenschapsrecht" (r.o. 13 van het arrest Rossi (10)).
Deze rechtspraak maakt duidelijk dat de sociale zekerheidsrechten die aan een gerechtigde als Durighello toekomen, niet in de eerste plaats, laat staan uitsluitend, krachtens verordening nr. 1408/71 verschuldigd zijn. Zo ontleent hij zijn aanspraak op pensioen rechtstreeks aan de Italiaanse wettelijke regeling maar met de "aanvulling" voorzien in voornoemd artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71. Deze "aanvulling" houdt in dat het bevoegde Italiaanse orgaan aan Durighello niet kan tegenwerpen dat hij het door de Italiaanse wetgeving ter verkrijging van het recht op pensioenuitkeringen voorgeschreven aantal tijdvakken van verzekering niet uitsluitend in Italië heeft vervuld, maar dat het ook rekening moet houden met Durighello' s "Franse" en "Duitse" tijdvakken van verzekering.
Wat geldt voor het recht op pensioen geldt ook voor het recht op een in de Italiaanse wetgeving voorziene bijslag voor een echtgeno(o)t(e) ten laste. Ook dit recht steunt op de betrokken nationale regeling. Deze regeling koppelt dit recht namelijk aan het recht op pensioen en dit geldt ook, zoals blijkt uit de manier waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, in het geval van pensioengerechtigden waarvan het pensioen is berekend zoals hiervoor uiteengezet.
De bewering van het INPS dat Durighello, omdat zijn recht op pensioen met toepassing van de "samentellingsregels" van verordening nr. 1408/71 is vastgesteld, alleen aanspraak zou kunnen maken op uitdrukkelijk in verordening nr. 1408/71 voorziene sociale- zekerheidsprestaties, is dan ook onjuist. Een dergelijke gevolgtrekking berust op een verkeerde premisse en is onverenigbaar met verordening nr. 1408/71 in zover die geen gemeenschappelijk stelsel van prestaties heeft opgezet maar de verschillende nationale wettelijke regelingen integendeel heeft laten voortbestaan.
13. Dat Durighello zijn krachtens de Italiaanse wetgeving verworven aanspraak op bijslag voor zijn echtgenote ten laste niet kan verliezen op grond van de bepalingen van verordening nr. 1408/71, blijkt bovendien uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 51 EEG-Verdrag waarop die verordening is gesteund.
De Commissie herinnert terecht aan wat het Hof terzake reeds in 1964 in het arrest Van der Veen (11) heeft verklaard:
"(...) artikel 51 (verleent) geen bevoegdheid om bij de verordening voorschriften te geven welke de in dit artikel gestelde doeleinden miskennen, die immers een begunstiging van het vrije verkeer der werknemers beogen, zodat een vermindering van hun rechten daarmede onverenigbaar moet worden geacht".
In het voornoemde arrest Rossi waarin specifiek de bepalingen van titel III, hoofdstuk 8, van verordening nr. 1408/71 aan de orde waren, heeft het Hof ook verklaard (in r.o. 14):
"Behoudens uitdrukkelijke uitzondering in overeenstemming met de doelstellingen van het Verdrag, mag de gemeenschapsregeling niet op dusdanige wijze worden toegepast, dat de migrerende werknemer - of zijn rechtverkrijgenden - zijn rechten krachtens een deel van de wettelijke regeling van een Lid-Staat verliest." (12)
In verband met de voorliggende situatie kan ik in de gemeenschapsregeling, meer bepaald in de artikelen 77 en 79 van verordening nr. 1408/71, niet een uitdrukkelijke uitzondering lezen die het verlies van het recht op bijslag voor de echtgeno(o)t(e) ten laste, dat aan een pensioengerechtigde zoals Durighello krachtens de wettelijke regeling van zijn woon-Lid-Staat toekomt, zou kunnen verantwoorden.
Conclusie
14. Ik stel voor de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
"De artikelen 77 en 79 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, in de versie zoals vastgesteld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, staan er niet aan in de weg dat op een in een Lid-Staat wonend pensioengerechtigde wiens recht op pensioen door het bevoegde orgaan van die staat werd vastgesteld rekening houdend met de tijdvakken van verzekering die hij in andere Lid-Staten heeft vervuld, de bepalingen van die staat worden toegepast op grond waarvan een pensioengerechtigde ook voor de echtgeno(o)t(e) ten laste recht heeft op bijslag."
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) Rekening houdend met het ogenblik waarop het bodemgeschil aanhangig werd gemaakt (op 26 april 1984, zo blijkt uit de bij de verwijzingsbeschikking gevoegde stukken) komt het me voor dat de verwijzende rechter om uitlegging vraagt van de voornoemde bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 in de versie zoals vastgesteld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(2) GURI nr. 190 van 31.7.1965.
(3) GURI nr. 59 van 4.3.1974.
(4) GURI nr. 113 van 2.5.1974.
(5) GURI nr. 112 van 14.5.1988.
(6) GURI nr. 61 van 14.3.1988.
(7) Beschikking van 26 januari 1990 (zaak C-286/88, Jurispr. I-191).
(8) Arrest van 18 juni 1991 (zaak C-369/89, Piageme, Jurispr. 1991, blz. I-2971).
(9) Artikel 1, sub u, i, van verordening nr. 1408/71 bepaalt "worden onder 'gezinsbijslagen' verstaan, alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte".
(10) Arrest van 6 maart 1979 (zaak 100/78, Jurispr. 1979, blz. 831). Zie ook de arresten van 12 juni 1980, zaak 733/79, Laterza, Jurispr. 1980, blz. 1915, r.o. 8, en van 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205, r.o. 7.
(11) Arrest van 15 juli 1964 (zaak 100/63, Jurispr. 1964, blz. 1161, op blz. 1180.
(12) Zie ook de voornoemde arresten Laterza (r.o. 8) en Gravina (r.o. 7).
Full & Egal Universal Law Academy