Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Bayerische Landessozialgericht, elfde kamer (hierna "de verwijzende rechter"), heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld in verband met de berekening van de aanvullende bijslag ("Unterschiedsbetrag") voor wezen waarvan sprake in de rechtspraak van het Hof in verband met artikel 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71.(2)
Luidens artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 worden de bijslagen voor de wees van een overleden werknemer die aan de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was, toegekend:
"overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die Staat (...)".
In het arrest Gravina(3) heeft het Hof deze bepaling uitgelegd in het licht van artikel 51 EEG-Verdrag en geoordeeld dat zij niet mag leiden tot een vermindering van de krachtens nationaal recht toegekende uitkeringen. Het Hof heeft in dat arrest voor recht verklaard:
"Artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juli 1971 moet aldus worden uitgelegd, dat het recht op uitkeringen ten laste van de staat op het grondgebied waarvan de wees aan wie zij zijn toegekend, woonplaats heeft, het recht op hogere uitkeringen, dat eerder uitsluitend ingevolge de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is verkregen, niet doet vervallen. Wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats daadwerkelijk ontvangen bedrag van de uitkeringen lager is dan dat van de uitkeringen krachtens de wetgeving van de andere Lid-Staat alleen, heeft de wees tegenover het bevoegde orgaan van deze laatste staat recht op een aanvullende uitkering ten belope van het verschil tussen de twee bedragen."
In de arresten D' Amario(4), Ventura(5) en Athanasopoulos(6) heeft het Hof deze uitspraak bevestigd.
Achtergrond van de prejudiciële vraagstelling
2. De prejudiciële vragen zijn gerezen in een geschil dat de genoemde jurisprudentie als achtergrond heeft. Het geschil gaat tussen Mario en Marzio Doriguzzi-Zordanin (hierna "verzoekers in het bodemgeschil" of "de wezen Doriguzzi") en het Duitse verzekeringsorgaan de Landesversicherungsanstalt Schwaben (hierna "LVA Schwaben").
Verzoekers in het bodemgeschil zijn de minderjarige kinderen van de op 29 augustus 1983 overleden werknemer Giancarlo Doriguzzi-Zordanin, die zowel in Duitsland (gedurende 78 maanden) als in Italië (gedurende 123 maanden) verzekeringstijdvakken heeft vervuld. De moeder van verzoekers is nog in leven zodat zij de hoedanigheid van halfwezen hebben. Zij hebben altijd in Italië gewoond.
Vanaf 1 september 1983 heeft het Italiaanse verzekeringsorgaan, het Instituto Nazionale per la Previdenza Sociale (INPS), voor de wezen Doriguzzi een (half)wezenpensioen uit hoofde van de verzekering van hun overleden vader uitgekeerd. Het bedrag per kind van die uitkeringen situeerde zich tussen 59 710 LIT per maand (vanaf 1 september 1983) tot 73 960 LIT per maand (vanaf 1 november 1985). Bovendien heeft het INPS per kind maandelijks een vast bedrag van 19 760 LIT als "gezinstoeslagen" uitgekeerd.
Bij beschikking van 3 september 1985 heeft LVA Schwaben het verzoek om toekenning van een aanvullende bijslag voor de wezen Doriguzzi afgewezen. Zij beriep zich daartoe op de hiervoor geciteerde bepaling van artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71. Aangezien verzoekers in Italië woonden en aan de Italiaanse wetgeving het recht op een wezenpensioen ontleenden, was zij van oordeel dat het INPS uitsluitend bevoegd was.
3. Op 16 juli 1986 stelden verzoekers in het bodemgeschil beroep in bij het Sozialgericht Augsburg met verzoek LVA Schwaben te verplichten een aanvullende bijslag toe te kennen.
Bij beschikking van 7 mei 1987 kwam LVA Schwaben op haar vroegere beschikking terug. Daarin deelde zij verzoekers mee dat zij, gelet op de arresten van het Hof in Gravina en D' Amario, bereid was een aanvullende bijslag (hierna ook "Gravina"-bijslag) toe te kennen voor de periode van 1 september 1983 tot 31 december 1985 - het enige tijdvak dat in geschil is.
De nieuwe beschikking van LVA Schwaben beëindigde het bodemgeschil echter niet omdat verzoekers geen vrede namen met de berekeningswijze van de aanvullende bijslag. LVA Schwaben heeft namelijk alle door het INPS uitgekeerde bedragen - zowel het maandbedrag van het wezenpensioen als het maandbedrag van de gezinstoeslagen - samengeteld en deze som vergeleken met de uitkeringen die krachtens de Duitse wetgeving verschuldigd zouden zijn op basis van uitsluitend de Duitse verzekeringspremies. Vanaf 1 september 1983 bedroeg de aanvullende bijslag aldus 29,30 DM per kind per maand, maar dit bedrag werd geleidelijk lager naarmate het Italiaanse wezenpensioen hoger werd, zodat het op 31 december 1985 nog 19,10 DM per kind per maand bedroeg.
Verzoekers zijn van oordeel dat de aanvullende bijslag berekend moet worden zonder rekening te houden met de door het INPS toegekende gezinstoeslagen ter hoogte van 19 760 LIT per kind per maand. Naar hun mening maken deze gezinstoeslagen geen deel uit van het wezenpensioen, maar vormen zij een met het Duitse "Kindergeld" vergelijkbare zelfstandige uitkering die voor alle kinderen ten laste wordt betaald ongeacht de omstandigheid of zij wees zijn.
Het Sozialgericht Augsburg heeft het beroep verworpen. Het deelde de opvatting van LVA Schwaben dat de Italiaanse gezinstoeslagen bij de berekening van de aanvullende "Gravina"-bijslag in aanmerking moeten worden genomen. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers beroep bij het Bayerische Landessozialgericht ingesteld.
4. De verwijzende rechter is geneigd het beroep om de twee volgende redenen te verwerpen. Hij is vooreerst van oordeel dat de door het IPNS toegekende gezinstoeslagen, "kinderbijslagen" ("Familienbeihilfen", "allocations familiales") zijn waarvan artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk zegt dat zij komen onder het toepassingsgebied van de in dat artikel besloten regelen betreffende bijslagen voor wezen. Dergelijke gezinstoeslagen moeten derhalve volgens hem bij de berekening van de door het Duitse orgaan toe te kennen aanvullende bijslag in aanmerking worden genomen.
Verder is de verwijzende rechter van oordeel dat de in Italië wonende wezen tegenover de in Duitsland wonende wezen zouden worden bevoordeeld indien de gezinstoeslagen bij de berekening van de aanvullende bijslag niet in aanmerking zouden worden genomen. In Duitsland wonende wezen zouden volgens hem namelijk, naast het wezenpensioen, geen "Kindergeld" kunnen ontvangen op grond van § 8, lid 1, nr. 1, van het Bundeskindergeldgesetz (BKGG).
De verwijzende rechter meent evenwel dat de betrokken bepalingen van het gemeenschapsrecht (hij verwijst in dat verband naar artikel 51 EEG-Verdrag evenals naar de artikelen 77 en 78 van verordening nr. 1408/71) voor interpretatie vatbaar zijn en acht het daarom nuttig de twee volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
"1. Welke bijslagen van het Italiaanse verzekeringsorgaan worden in aanmerking genomen bij de berekening van de door het Duitse verzekeringsorgaan toe te kennen toeslag op het wezenpensioen?
2. Worden met name de door het Italiaanse verzekeringsorgaan toegekende gezinstoeslagen ter hoogte van 19 760 LIT per kind per maand meegeteld?"(7)
Onderzoek van de prejudiciële vragen
5. Voor de toepassing van de in artikel 78 van verordening nr. 1408/71 vervatte regeling tot aanwijzing van de nationale wetgeving op grond waarvan "bijslagen voor wezen" worden toegekend, wordt volgens lid 1 van het artikel onder "bijslagen" verstaan:
"kinderbijslagen, en eventueel aanvullende of bijzondere bijslagen voor wezen, alsmede wezenpensioenen of wezenrenten, met uitzondering van wezenrenten welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend".
Uit de bewoording van deze bepaling blijkt onmiskenbaar dat onder bijslagen voor wezen zowel "wezenpensioenen of wezenrenten" (kortheidshalve heb ik het hierna nog alleen over wezenpensioenen) komen als "kinderbijslagen" (en desgevallend "aanvullende of bijzondere bijslagen voor wezen") waaronder, aldus artikel 1, sub u-ii, van verordening nr. 1408/71 worden verstaan de "periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend".(8) Ik teken hierbij onmiddellijk aan dat partijen in het bodemgeschil zowel als de verwijzende rechter, evenals de Commissie, naar blijkt uit haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof, het erover eens zijn dat de door het INPS op grond van de Italiaanse wetgeving, uitgekeerde "gezinstoeslagen" wel degelijk "kinderbijslagen" (in het Italiaans: "assegni familiari") zijn in de daaraan in artikel 1, sub u-ii, van verordening nr. 1408/71 gegeven betekenis. Dit is van belang, zoals de Commissie doet opmerken, omdat wanneer die gezinstoeslagen enkel onder het in artikel 1, sub u-i, van genoemde verordening gedefinieerde ruime begrip "gezinsbijslagen" zouden vallen - en niet onder het engere begrip "kinderbijslagen" zouden komen(9) - zij aan het toepassingsgebied van artikel 78 ontsnappen. Indien de verwijzende rechter de betrokken gezinstoeslagen als "kinderbijslagen" beschouwt, dient daaruit te worden afgeleid dat hij tot de vaststelling is gekomen dat die gezinstoeslagen "periodieke uitkeringen zijn welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend" in de zin van het voornoemde artikel 1, sub u-ii, van de verordening. Dit punt wordt hierna dan ook als vaststaand buiten beschouwing gelaten.
6. De door de verwijzende rechter voorgelegde vragen zijn ingegeven door de omstandigheid dat de prestaties voor wezen die met het oog op de berekening van de aanvullende "Gravina"-bijslag met elkaar moeten worden vergeleken, in de Italiaanse en Duitse wetgeving verschillend zijn geregeld.
Zoals hiervoor (nr. 2) uiteengezet zijn de in de Lid-Staat van woonplaats (Italië) door het bevoegde orgaan (het IPNS) ten voordele van de wezen Doriguzzi uitgekeerde bedragen van een dubbele aard: enerzijds keert het IPNS een variabel bedrag wezenpensioen uit, anderzijds keert het een vast bedrag kinderbijslag uit in de zin van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 (juncto artikel 1, sub u-ii, van die verordening). Daartegenover staat dat de wetgeving in de andere Lid-Staat (Duitsland) waar ten voordele van de wezen Doriguzzi een recht op uitkering is ontstaan, voorziet in een wezenpensioen met daarbovenop, afhankelijk van tijdstip en omstandigheden, een "Kinderzuschuss"(10) dan wel een "Kindergeld".(11) De "Kinderzuschuss" maakt integraal deel uit van het "wezenpensioen" (in de zin van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71), terwijl het "Kindergeld" daarvan geen deel uitmaakt, maar een "kinderbijslag" is (in de zin van diezelfde bepaling juncto artikel 1, sub u-ii, van de verordening). Daarbij komt dat de "Kinderzuschuss" als onderdeel van het wezenpensioen door een verzekeringsorgaan wordt uitgekeerd, in casu LVA Schwaben, terwijl het "Kindergeld" door de Bundesanstalt fuer Arbeit wordt uitgekeerd. In de aan de verwijzende rechter voorliggende zaak is evenwel niet duidelijk welke bijkomende uitkering ("Kinderzuschuss" of "Kindergeld") verschuldigd is aan halfwezen zoals de kinderen Doriguzzi waarvan de vader overleed vóór 1 januari 1984. Uit de opmerkingen namens de wezen Doriguzzi evenals uit de opmerkingen van LVA Schwaben(12) zou blijken dat hen "Kindergeld" toekomt. De Commissie is daarentegen van mening dat, ofschoon de uitkering van "Kinderzuschuss" aan wezen vanaf 1 januari 1984 in beginsel vervangen werd door een uitkering van "Kindergeld", dit niet geldt voor halfwezen en evenmin voor pensioengerechtigden die reeds vóór 1 januari 1984 aanspraak konden maken op "Kinderzuschuss". Ook de verwijzende rechter gaat van laatstgenoemd standpunt uit(13), hetgeen verklaart waarom hij in de eerste prejudiciële vraag verwijst naar "het" Duitse orgaan, in casu LVA Schwaben (d.i. het in die opvatting enig bevoegde orgaan).
7. De beschreven divergentie tussen de Italiaanse en Duitse wetgeving ligt aan de grond van de aarzeling van de verwijzende rechter omtrent de berekening van de aanvullende "Gravina"-bijslag.
In de gevallen waarin het Hof zich tot dusver over deze aanvullende bijslag heeft uitgesproken, ging het steeds om een vergelijking van prestaties van dezelfde aard: in de arresten Gravina, D' Amario en Ventura werd het in de Lid-Staat van woonplaats (Italië) als wezenpensioen uitgekeerde bedrag vergeleken met het wezenpensioen waarop de betrokken wees krachtens de wetgeving van de andere Lid-Staat (Duitsland) aanspraak kon maken; in het arrest Athanasopoulos betrof de vergelijking kinderbijslagen die volgens de wetgeving van beide betrokken Lid-Staten ook aan wezen werden uitgekeerd.
In de voorliggende zaak moeten daarentegen voor de berekening van de "Gravina"-bijslag - althans in de door de verwijzende rechter voor het Duitse recht aangehouden interpretatie - uitkeringen van een verschillende aard met elkaar vergeleken worden. Het gaat namelijk over de vergelijking, aan Italiaanse zijde, van een wezenpensioen èn een gezinstoeslag (die een kinderbijslag is in de zin van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71) met, aan Duitse zijde, een wezenpensioen inclusief een daarvan deel uitmakende "Kinderzuschuss". In dat verband wil de verwijzende rechter weten of met het oog op de berekening van de "Gravina"-bijslag, rekening moet houden met de door het Italiaanse orgaan aan de kinderen Doriguzzi toegekende kinderbijslagen (in casu "assegni familiari") en dit ofschoon volgens de Duitse wetgeving, althans in de visie van de verwijzende rechter, voor de kinderen Doriguzzi alleen een (door LVA Schwaben uit te keren) wezenpensioen, inclusief een "Kinderzuschuss" - en niet een (door een ander Duits orgaan uit te keren) "Kindergeld" - verschuldigd is.
8. Ik ben het eens met de verwijzende rechter, LVA Schwaben en de Commissie, dat bij de berekening van de aanvullende "Gravina"-bijslag voor wezen, met alle daadwerkelijk in de Lid-Staat van woonplaats uitgekeerde prestaties rekening moet worden gehouden in zover die onder de definitie komen van de prestaties die in artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zijn aangeduid - hetgeen in casu niet betwist wordt (hiervoor, nr. 5) -èn bestemd zijn voor het onderhoud van wezen. Steun voor deze ruime opvatting vind ik in de aanduiding "bijslagen voor wezen" in artikel 78, lid 2, waaruit blijkt dat de bestemming (en niet zozeer de aard of de benaming) van de bijslag doorslaggevend is evenals in de brede definitie in artikel 78, lid 1, van wat onder "bijslagen" moet worden verstaan. Bijgevolg dient het bedrag van die aanvullende bijslag te worden vastgesteld door het bedrag van alle in de Lid-Staat van woonplaats voor het onderhoud van de betrokken wees bestemde en daadwerkelijk uitgekeerde prestaties te vergelijken met het bedrag van alle voor het onderhoud van diezelfde wees bestemde prestaties waarop de wees in de andere Lid-Staat aanspraak kan maken.
Dit standpunt impliceert mijns inziens eveneens dat bij gelegenheid van die vergelijking in beide Lid-Staten de globale som van de bedoelde uitkeringen in aanmerking moet worden genomen. Een andere oplossing, waarbij niet alle in beide Lid-Staten voorziene uitkeringen voor wezen in globo vergeleken worden, maar de vergelijking integendeel afzonderlijk per uitkeringen van eenzelfde aard zou worden doorgevoerd (hetgeen meebrengt dat uitkeringen in de Lid-Staat van woonplaats die geen tegenhanger hebben in de andere Lid-Staat, buiten beschouwing zouden worden gelaten), lijkt mij overigens in strijd te zijn met de doelstelling van het arrest Gravina, reeds aangehaald. Volgens die rechtspraak mag aan de wees geen recht worden ontnomen op hogere uitkeringen die hij op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van woonplaats kan doen gelden, zonder dat hem evenwel meer rechten worden toegekend dan hijzelf, op gelijke voet met wezen woonachtig in die andere Lid-Staat, aan de wetgeving van die Lid-Staat kan ontlenen. Dit laatste kan alleen verwezenlijkt worden wanneer het orgaan van de andere Lid-Staat (of de organen indien in die Lid-Staat meer dan één orgaan bevoegd is) op de door hem (hen) te verrichten uitkeringen, alle uitkeringen mag (mogen) imputeren die reeds in de Lid-Staat van woonplaats voor het onderhoud van de wees werden uitgekeerd, ongeacht aard of benaming van de prestaties in beide Lid-Staten, ongeacht ook door welk orgaan (of welke organen) die prestaties in beide Lid-Staten worden uitgekeerd (uiteraard steeds in de veronderstelling dat het gaat om prestaties welke onder de omschrijving vallen van artikel 78, lid 1, van verordening nr. 1408/71).
9. De Commissie wijst er terecht op dat een afzonderlijke vergelijking van prestaties van eenzelfde aard, overigens niet zou toelaten het aan het arrest Gravina, reeds aangehaald, onderliggende doel te bereiken, gelet op de zeer uiteenlopende manier waarop de tegemoetkomingen voor wezen in de Lid-Staten geregeld zijn. Uit de beschrijving die de Commissie van de nationale regelingen heeft gegeven, blijkt dat in sommige Lid-Staten uitsluitend een (verhoogde) kinderbijslag voor wezen wordt uitgekeerd terwijl in andere Lid-Staten een wezenpensioen wordt uitgekeerd al dan niet samen met kinderbijslag. Zo alleen prestaties van eenzelfde aard met elkaar worden vergeleken, zou dit tot willekeurige resultaten leiden. Het bedrag aan uitkeringen dat de wees of de persoon te wiens laste hij is, zou ontvangen, zou dan immers afhankelijk zijn van de manier waarop de tegemoetkomingen voor wezen in de betrokken Lid-Staten zijn geregeld: alleen wanneer zij tussen de betrokken Lid-Staten vergelijkbaar zijn, zouden zij in aanmerking worden genomen. Dit zou leiden tot onverantwoorde verschillen, waardoor de wees nu eens meer dan weer minder zou krijgen dan het bedrag waarop hij op grond van de wetgeving van de andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van woonplaats aanspraak zou kunnen maken indien hij daar zou wonen. De enige berekeningswijze die dit vermijdt, bestaat erin met alle in de betrokken Lid-Staten voor het onderhoud van wezen bestemde bijslagen in de zin van artikel 78, lid 1, globaal met elkaar te vergelijken.
10. Tot slot blijf ik nog even stilstaan bij de mogelijke betekenis van het reeds (in voetnoot 7) geciteerde arrest Laumann voor onderhavige zaak. Volgens dat arrest zijn kinderbijslagen gekenmerkt door het feit dat zij rechtstreeks en uitsluitend aan de werknemer zelf toekomen terwijl een wezenrente (of wezenpensioen) uitsluitend aan de wees toekomt (r.o. 7). In de visie van het Hof was dit verschil inzake de persoon van de uitkeringsgerechtigde van belang bij de interpretatie van de in artikel 79, lid 3, van verordening nr. 1408/71 vervatte anti-cumulatieregel. De daarin voorziene schorsing van bijslagen ter voorkoming van dubbele uitkeringen heeft namelijk, aldus het Hof, slechts betrekking op uitkeringen van eenzelfde aard, hetgeen veronderstelt dat zij aan een en dezelfde gerechtigde toekomen. Het zou immers
"indruisen tegen het doeleinde van de communautaire anti-cumulatieregels op het gebied van de sociale zekerheid, indien de toekenning van een uitkering aan een rechthebbende ongunstig zou kunnen worden beïnvloed doordat een andere rechthebbende een uitkering krijgt" (r.o. 8).
Dient ook in voorliggende zaak belang te worden gehecht aan dit onderscheid naargelang de persoon van de gerechtigde en met name aan de omstandigheid dat een wezenpensioen aan de wees zelf toekomt, terwijl de kinderbijslag uitbetaald wordt aan de persoon te wiens laste de wees is (in casu de weduwe Doriguzzi), en kan daaruit meer bepaaldelijk een argument worden gehaald tegen de hiervoor genoemde globale berekeningsmethode? Ik meen van niet. Ik ben het namelijk eens met de Commissie dat aan de anti-cumulatieregel van artikel 79, lid 3, en de in verband daarmee gewezen rechtspraak een heel andere gedachte voorzit. Inderdaad, terwijl de anti-cumulatieregel van artikel 79, lid 3, bestemd is om dubbele uitkeringen te voorkomen, strekt de "Gravina"-bijslag ertoe aan de rechthebbenden een volledige uitkering op basis van het hoogste uitkeringsbedrag te verzekeren. In acht genomen deze tegengestelde doelstelling kan het in het reeds aangehaalde arrest Laumann gemaakte onderscheid inzake de persoon van de uitkeringsgerechtigde niet als precedent worden gebruikt voor de berekening van de aanvullende "Gravina"-bijslag voor wezen. Wat de onderliggende basisgedachte betreft gaat de in het reeds aangehaalde arrest Laumann gevolgde redenering daarentegen in dezelfde richting als de hier voorgestelde, aangezien aan beide redeneringen eenzelfde verlangen ten grondslag ligt om aan gerechtigden alle verworven rechten te verzekeren, niet minder maar ook niet meer.
Voorgesteld antwoord
11. Concluderend geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
"Artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juli 1971, moet aldus worden uitgelegd dat, voor de berekening van het recht op aanvullende uitkering die verschuldigd is wanneer het in de Lid-Staat van woonplaats daadwerkelijk ontvangen bedrag van de uitkeringen lager is dan dat van de uitkeringen waarop de wees aanspraak kan maken krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, de globale som van alle in de betrokken Lid-Staten voor de wees bestemde uitkeringen in acht moet worden genomen - ongeacht aard, benaming of persoon aan wie de uitkering wordt betaald, ongeacht ook of de uitkeringen door een of door meerdere organen worden uitbetaald - voor zover het gaat om uitkeringen die onder de definitie komen van artikel 78, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71."
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(2) - Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juli 1971betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals vastgesteld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(3) - Arrest van 9 juli 1980 (zaak 807/79, Jurispr. 1980, blz. 2205).
(4) - Arrest van 24 november 1983 (zaak 320/82, Jurispr. 1983, blz. 3811).
(5) - Arrest van 14 december 1988 (zaak 269/87, Jurispr. 1988, blz. 6411, r.o. 14).
(6) - Arrest van 11 juni 1991 (zaak C-251/89, Jurispr. 1991, blz. I-2797, punt 1 van het dispositief).
(7) - Het Bayerische Landessozialgericht (veertiende kamer) heeft het Hof in zaak C-218/91, Gobbis, andermaal de vraag gesteld of het Duitse verzekeringsorgaan bij het berekenen van de aanvullende Gravina -bijslag voor wezen rekening mag houden met de gezinstoeslagen (door deze kamer met de termen assegni familiari aangeduid) die krachtens de Italiaanse wetgeving worden toegekend. Anders dan de elfde kamer (de verwijzende rechter in voorliggende zaak) is de veertiende kamer van dat gerecht van mening dat met deze toeslagen geen rekening moet worden gehouden, omdat zij kinderbijslagen zijn die niet specifiek voor wezen maar voor alle kinderen worden uitgekeerd.
(8) - In een arrest van 16 maart 1978 (zaak 115/77, Laumann, Jurispr. 1978, blz. 805, r.o. 7) heeft het Hof verklaard, in verband met de in artikel 79, lid 3, van de verordening voorkomende communautaire anti-cumulatieregel , dat kinderbijslagen hun oorsprong vinden in een feitelijke arbeidsverhouding en rechtstreeks en uitsluitend aan de werknemer zelf toekomen terwijl wezenrente rechtstreeks en uitsluitend aan de wees zelf toekomt . Daarover verder, nr. 10.
(9) - Inderdaad, in verband met artikel 77, lid 1, van verordening nr. 1408/71 heeft het Hof in zijn arrest van 27 september 1988 (zaak 313/86, Lenoir, Jurispr. 1988, blz. 5391, r.o. 11) binnen het ruime begrip gezinsbijslagen een onderscheid gemaakt tussen kinderbijslagen en andere gezinsbijslagen (zoals een schooltoelage).
(10) - Zie § 1269 van de Reichsversicherungsordnung (RVO).
(11) - Zie de §§ 1 en volgende van het Bundeskindergeldgesetz (BKGG).
(12) - In haar schriftelijke opmerkingen wijst LVA Schwaben erop dat de vraag of de Bundesanstalt fuer Arbeit voor de wezen Doriguzzi Kindergeld verschuldigd is ter aanvulling van de in Italië uitgekeerde kinderbijslag, afhankelijk is van de vraag of de in het BKGG voorziene woonplaatsvereiste tegenstelbaar is aan de rechtverkrijgenden van een migrerend werknemer. In het inmiddels gewezen arrest Athanasopoulos (hiervoor geciteerd in voetnoot 5) heeft het Hof evenwel duidelijk gesteld dat de aanvullende bijslag ook verschuldigd is wanneer de wetgeving van de betrokken Lid-Staat de uitkering van kinderbijslag afhankelijk zou stellen van de voorwaarde dat de rechthebbende of zijn kinderen op het grondgebied van die staat wonen.
(13) - Hij is namelijk van mening dat in casu, op grond van § 8, lid 1, BKGG, geen Kindergeld verschuldigd is.
Full & Egal Universal Law Academy