Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak stelt het Belgische Hof van Cassatie het Hof twee vragen die in wezen betrekking hebben op de uitlegging van de conflictregels van titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 (1), in verband met het geval van een werknemer die het slachtoffer is geworden van een ongeval aan boord van een schip dat voer onder de vlag van een andere Staat dan die waarin de onderneming die hem beloonde, gevestigd was.
Om de inhoud en de strekking van de aan het Hof gestelde vragen beter te begrijpen, is het nuttig de feiten en de juridische context van het geschil kort in herinnering te brengen.
Verweerster in het hoofdgeding, M. De Paep, was directeur van de Belgische vennootschap De Pax, eigenares van het vissersvaartuig "Hosanna". In juli 1979 liep het schip als gevolg van een stranding zware schade op en werd het onzeewaardig verklaard. In januari van het volgende jaar werd het verkocht aan een Engelse vennootschap waarvan De Paep aandeelhoudster was, en werd het derhalve als Brits vaartuig geregistreerd.
Twee weken later leed het vaartuig schipbreuk en bleven vijf bemanningsleden vermist, waaronder de stuurman G. Ackx en de scheepsjongen P. Ackx, respectievelijk echtgenoot en zoon van De Paep. Beiden werden enkele tijd nadien overleden verklaard bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Op het ogenblik van het ongeval werd P. Ackx, die in België woonde, nog steeds beloond door de vennootschap De Pax.
Het Fonds voor Arbeidsongevallen (hierna: het "Fonds"), dat volgens de Belgische arbeidsongevallenwet tot taak heeft de schadeloosstelling voor ongevallen van zeelieden te verzekeren, beschikte afwijzend op het verzoek van De Paep om een lijfrente als vergoeding voor de dood van haar zoon.
De rechterlijke instantie waartoe De Paep zich vervolgens wendde, wees haar vordering evenwel toe en dat vonnis werd bevestigd door het Arbeidshof te Gent. Het Fonds kwam evenwel op tegen de uitspraak van de rechter in hoger beroep en voerde daartoe met name twee middelen aan; het eerste middel was gebaseerd op schending van artikel 76, paragraaf 1, van de Belgische arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, volgens hetwelk voor de toepassing van deze wet als zeelieden worden beschouwd de bemanning van een Belgisch vissersvaartuig, en het tweede op schending van artikel 89 van de Belgische wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, volgens hetwelk een dergelijke overeenkomst ten einde loopt op het ogenblik waarop het schip officieel onzeewaardig wordt verklaard.
Van oordeel, dat de uitkomst van het geding afhangt van de uitlegging van de communautaire regeling inzake sociale zekerheid, heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de vraag voorgelegd, of in een dergelijk geval de artikelen 13, lid 2, sub b (oud - thans c), en 14, lid 2, sub c (oud - thans 14 ter, lid 4), van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat de arbeidsbetrekking tussen de betrokkene en de onderneming die hem tewerkstelt, moet worden beoordeeld volgens de wet van het land waar die onderneming is gevestigd, en of de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer en de gelijke behandeling van werknemers van de Lid-Staten, inzonderheid de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag en de artikelen 3, lid 1, 13, lid 2, sub b, en 14, lid 2, sub c, van genoemde verordening, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat de wet die de arbeidsovereenkomst regelt, en die welke de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen regelt, tot gevolg hebben dat de betrokkene zijn recht op sociale-zekerheidsuitkeringen verliest omdat het vissersvaartuig niet voer onder de vlag van het land waarin de onderneming is gevestigd.
2. De beantwoording van de eerste vraag van de verwijzende rechter vergt een kort overzicht van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, zoals die in de artikelen 2 en 4 van de verordening is bepaald. Artikel 2 bakent de personele werkingssfeer van de verordening af door te bepalen, dat de verordening van toepassing is op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der Lid-Staten zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen. Artikel 4, houdende afbakening van de materiële werkingssfeer, bepaalt in lid 1, dat de verordening van toepassing is op de wettelijke regelingen betreffende verschillende takken van sociale zekerheid.
Hieruit volgt, dat de conflictregels van de genoemde artikelen 13 en 14, die deel uitmaken van titel II van de verordening, bij de bepaling van de wettelijke regeling die op de werknemers of zelfstandigen van toepassing is, uitsluitend verwijzen naar de wettelijke regelingen betreffende de in artikel 4 genoemde takken van sociale zekerheid en niet naar de wettelijke regeling die van toepassing is op de contractuele betrekkingen tussen werknemer en werkgever. Die betrekkingen worden niet geregeld door verordening nr. 1408/71, maar moeten worden beoordeeld op basis van de relevante bepalingen van internationaal privaatrecht.
3. Wat de tweede vraag van het Hof van Cassatie betreft, moet ik toegeven dat, gelet op de relevante nationale regeling, de strekking van die vraag mij niet zeer duidelijk is.
Het is weliswaar evident, dat de toepassing van artikel 76 van de Belgische arbeidsongevallenwet, volgens hetwelk slechts de bemanning van een Belgisch vissersvaartuig als zeelieden worden beschouwd, tot gevolg heeft dat verweerster in het hoofdgeding haar recht op vergoeding verliest omdat haar zoon op een onder Britse vlag varend schip voer, doch de zaak ligt mijns inziens wat anders met betrekking tot de Belgische wet houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, gesteld dat volgens de regels van internationaal privaatrecht deze wet in het onderhavige geval van toepassing is.
Dienaangaande moet immers worden opgemerkt dat, gelijk de verwijzende rechter zelf heeft verklaard, artikel 89 van die wet weliswaar bepaalt dat de arbeidsovereenkomst ten einde loopt op het ogenblik waarop het schip onzeewaardig wordt verklaard, doch dat in artikel 17 wordt gezegd, dat de betrokken regeling niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, door een Belgisch zeeman in voorkomend geval ook in België gesloten voor dienst op een vreemd schip.
Verder moet met de Commissie worden opgemerkt, dat ingevolge artikel 6, paragraaf 1, van de arbeidsongevallenwet de nietigheid van de arbeidsovereenkomst niet in de weg staat aan de toepassing van deze wet.
Het zou trouwens nogal verrassend zijn, dat iemand, ofschoon alle wezenlijke bestanddelen van een betrekking van arbeid in dienstverband voorhanden zijn - dat wil zeggen het verrichten van arbeid, de bezoldiging en de ondergeschiktheidsrelatie -, als gevolg van de nietigheid van de arbeidsovereenkomst elke bescherming zou verliezen.
4. Dit gesteld zijnde, laat ik het aan de nationale rechter over de Belgische wettelijke regeling inzake arbeidsongevallen uit te leggen, en beperk ik mij ertoe, een antwoord te geven met betrekking tot het door de verwijzende rechter beschreven geval, dat wil zeggen het geval dat de regeling betreffende de arbeidsovereenkomst en die betreffende de arbeidsongevallen van dien aard zijn, dat zij door de betrokkene niet kunnen worden ingeroepen wanneer het vaartuig niet voer onder de vlag van het land waarin de onderneming is gevestigd.
Allereerst zij opgemerkt, dat artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 een vrij ruime definitie geeft van het begrip werknemer. In dat artikel wordt immers met name gezegd, dat voor de toepassing van deze verordening onder werknemer wordt verstaan "ieder die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers of zelfstandigen van toepassing is".
Die bepaling is overigens de codificatie van een beginsel dat het Hof heeft geformuleerd met betrekking tot verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (2); volgens dat beginsel moet ook voor de toepassing van die eerdere regeling het begrip "werknemer of daarmede gelijkgestelde" worden geacht een gemeenschapsrechtelijke strekking te hebben en al diegenen te omvatten die, onder welke benaming ook, onder de onderscheiden nationale stelsels van sociale verzekering vallen. (3)
Het Hof heeft bovendien verklaard, dat de hoedanigheid van werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71 in ieder geval moet worden geacht te zijn verkregen zodra de werknemer voldoet aan de objectief vastgestelde materiële voorwaarden van het op hem toepasselijke stelsel van sociale zekerheid, ook indien niet de nodige stappen voor aansluiting bij dat stelsel zijn gedaan. (4)
Titel II van de verordening bevat dan de conflictregels voor het bepalen van de toepasselijke wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
Volgens artikel 13, lid 2, sub b, van de verordening in de versie die van toepassing was op het ogenblik van de feiten (5), is, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17, op de werknemer die werkzaam is aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing. Artikel 14, lid 2, sub c (6), bepaalt evenwel bij wege van uitdrukkelijke uitzondering op bovengenoemde regel, dat "op de werknemer die werkzaam is aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart en voor die werkzaamheden wordt beloond door een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn domicilie op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft, de wetgeving van laatstbedoelde Staat van toepassing is indien hij zijn woonplaats op het grondgebied van die Staat heeft; de onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever beschouwd".
Welnu, volgens vaste rechtspraak van het Hof vormen de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 een volledig stelsel van conflictregels (7), dat niet alleen tot doel heeft de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van de betrokken verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele sociale bescherming genieten. (8)
Al staat het dus aan de wetgever van elke Lid-Staat te bepalen in welke gevallen het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid ontstaat (9), toch beschikken de Lid-Staten dienaangaande niet over een absolute beoordelingsvrijheid, maar dienen zij te blijven binnen de grenzen van hetgeen het gemeenschapsrecht dienaangaande heeft bepaald.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers, dat ofschoon "de Lid-Staten niet zelf kunnen bepalen in hoeverre hun eigen wettelijke regeling of die van een andere Lid-Staat van toepassing is" (10), zij niettemin zijn "gehouden de vigerende gemeenschapsbepalingen na te leven". (11) De door de Lid-Staten vastgestelde voorwaarden voor aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid mogen vooral niet tot gevolg hebben, dat personen op wie de betrokken wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is, buiten de werkingssfeer van deze wettelijke regeling vallen. (12)
5. In de recente en reeds meermaals genoemde zaak Kits van Heijningen heeft het Hof deze beginselen toegepast op een geval dat analoog is aan dat in de onderhavige zaak. Na eraan te hebben herinnerd, dat volgens artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst verricht, de wetgeving van die Staat van toepassing is, "zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont", heeft het Hof erop gewezen, dat een dergelijke bepaling elk nuttig effect zou verliezen, indien het woonplaatsvereiste waarvan een Lid-Staat de aansluiting bij de aldaar geldende verzekeringsregeling afhankelijk stelt, zou kunnen worden tegengeworpen aan de in genoemd artikel bedoelde personen. Artikel 13, lid 2, sub a, heeft immers tot gevolg, dat het woonplaatsvereiste voor deze personen wordt vervangen door een voorwaarde die betrekking heeft op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat. (13)
De redenering die het Hof met betrekking tot bovengenoemde bepaling heeft gevolgd, moet mijns inziens ook gelden voor artikel 14 van de verordening, dat op nagenoeg dezelfde wijze tot gevolg heeft, dat de voorwaarde dat de betrokkene zijn werkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Lid-Staat waar de onderneming haar zetel heeft, wordt vervangen door een uitsluitend op de zetel van de onderneming en de woonplaats van de werkgever gebaseerd vereiste. Dit geldt uiteraard niet alleen voor een regeling die uitdrukkelijk een andere aanknoping noemt, zoals artikel 76 van de Belgische arbeidsongevallenwet, maar ook voor bepalingen die - al is het ook indirect - in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Wanneer de nationale wetgever met betrekking tot de in een dergelijke bepaling voorziene gevallen een andere aanknoping zou mogen hanteren dan de door de gemeenschapswetgever genoemde, zouden de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 elk nuttig effect verliezen.
Mitsdien moet worden aangenomen, dat de krachtens het internationaal privaatrecht op de arbeidsovereenkomst toepasselijke wettelijke regeling, welke dit ook zij, in geen geval tot gevolg kan hebben dat de conflictregels van verordening nr. 1408/71 buiten spel worden gezet en personen die binnen de personele werkingssfeer van de verordening vallen, elke bescherming verliezen.
6. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
"1) Het bepalen van de wettelijke regeling die van toepassing is op de arbeidsbetrekking tussen een werknemer en de onderneming die hem tewerkstelt, valt buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).
(2) PB 1958, blz. 561.
(3) Arrest van 19 maart 1964, zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 369.
(4) Arrest van 15 december 1976, zaak 39/76, Mouthaan, Jurispr. 1976, blz. 1901, r.o. 10.
(5) Zie de gecodificeerde versie van verordening nr. 1408/71 bekendgemaakt in PB 1980, C 138, blz. 1; de betrokken bepaling komt in wezen overeen met artikel 13, lid 2, sub c, van de huidige versie van de verordening.
(6) Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met artikel 14 ter, lid 4, van de huidige versie van de verordening.
(7) Arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Luijten, Jurispr. 1986, blz. 2365, r.o. 14.
(8) Arrest van 3 mei 1990, zaak C-2/89, Kits van Heijningen, Jurispr. 1990, blz. I-1755, r.o. 12.
(9) Arresten van 24 april 1980, zaak 110/79, Coonan, Jurispr. 1980, blz. 1445, r.o. 12, en 12 juli 1979, zaak 266/78, Brunori, Jurispr. 1979, blz. 2705, r.o. 6.
(10) Arrest van 23 september 1982, zaak 276/81, Kuijpers, Jurispr. 1982, blz. 3027, r.o. 14.
(11) Arrest van 23 september 1982, zaak 275/81, Koks, Jurispr. 1982, blz. 3013, r.o. 10.
(12) Arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, reeds aangehaald, r.o. 20.
(13) Arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, reeds aangehaald, r.o. 21.
Full & Egal Universal Law Academy