Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Italiaanse Republiek het Hof om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(90) 687 def. van 19 april 1990, waarbij de Commissie ten aanzien van drie Lid-Staten, waaronder Italië, beschikking 89/627/EEG (1) houdende goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1987, heeft gewijzigd.
2. Blijkens de eerste overweging van de bestreden beschikking zijn in beschikking 89/627 bij de goedkeuring van de rekeningen onder meer de door Italië gemelde uitgaven voor steun voor de verwerking van magere-melkpoeder en voor steun voor het verbruik van olijfolie, buiten beschouwing gelaten. Deze goedkeuring is dus vervat in de beschikking die het voorwerp vormt van het onderhavige beroep en waarin wordt geweigerd door de verzoekende staat gedeclareerde uitgaven voor een totaal bedrag van 10 214 635 858 LIT ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (hierna: EOGFL) te brengen.
3. De door Italië geuite kritiek heeft betrekking op steun voor de verwerking van melk en steun voor het verbruik van olijfolie. Beide aspecten zullen daarom achtereenvolgens worden onderzocht.
I - Steun voor de verwerking van magere-melkpoeder
4. De door de Commissie niet gefinancierde uitgaven belopen een bedrag van 5 862 632 980 LIT, dat overeenkomt met 10 % van de door de Italiaanse autoriteiten gedurende het betrokken begrotingsjaar uitgekeerde steun voor de verwerking van melk.
5. In het verzoekschrift worden twee middelen aangevoerd: schending van de toepasselijke gemeenschapsverordeningen en gebrek in de motivering. Het lijkt er echter op, dat het middel ontleend aan gebrek in de motivering in feite samenvalt met het middel dat is ontleend aan schending van het recht. Italië verwijt de Commissie immers, onvoldoende rekening te hebben gehouden met de door de Italiaanse autoriteiten uitgevoerde extra controles en met de gegevens die in het kader daarvan aan de gemeenschapsinstelling zijn verstrekt. Het voert daarentegen niet aan dat het niet of onvoldoende heeft deelgenomen aan de voorbereiding van de bestreden beschikking, noch dat het niet bekend was met de motivering van deze beschikking. Zoals bekend, zouden alleen dergelijke grieven een middel ontleend aan gebrek in de motivering kunnen rechtvaardigen, omdat het op het gebied van de goedkeuring van de rekeningen vaste rechtspraak van het Hof is, dat de regeringen van de Lid-Staten nauw betrokken zijn bij de voorbereiding van de goedkeuringsbeschikking. (2)
6. Alvorens gericht in te gaan op de feiten naar aanleiding waarvan de Commissie ten onrechte, aldus de verzoekende regering, de controles als onvoldoende zou hebben aangemerkt, moet aandacht worden besteed aan de redenen waarom de steun voor de verwerking van melk niet kon worden opgenomen in goedkeuringsbeschikking 89/627. Zoals de Commissie in haar verweerschrift vermeldt zonder op dat punt te worden tegengesproken door de Italiaanse regering, bracht een dienstreis van controleurs van het EOGFL van 2 tot 6 mei 1988 naar de bedrijven Wessanen, Frabes en Plodari in de provincie Brescia aan het licht, dat de controles van de Ispettorato Provinciale per l' Agricoltura zich niet uitstrekten tot de handelsdocumenten van de bedrijven, dat de uniform opgestelde controleverslagen niet vermeldden dat de lijsten waren vergeleken met de financiële boekhouding en dat bepaalde driemaandelijkse controles slechts de afsluiting vormden van de werkzaamheden van de voorafgaande periode van drie maanden. (3)
7. Daarop besloot de Commissie, de Italiaanse autoriteiten te verzoeken extra controles uit te voeren bij bovengenoemde drie bedrijven; zij nam de gedeclareerde uitgaven voor verwerkingssteun voor melk niet op in de lijst van beschikking 89/627.
8. De extra controles vonden plaats in oktober 1989. Drie ambtenaren van de Gemeenschap woonden de controle gedeeltelijk bij en op 19 oktober 1989 verstrekte het EOGFL de Italiaanse autoriteiten aanvullende instructies over de wijze waarop deze controle moest worden uitgevoerd. Krachtens deze instructies moest een vergelijking plaatsvinden tussen de afzonderlijke boekhouding (4), de voorraadboekhouding en de algemene boekhouding van het bedrijf, tussen de cijfers van het door de externe accountant goedgekeurde jaarverslag en de afzonderlijke boekhouding en tussen de grondstoffenvoorraad, de produktie en de eindproduktenvoorraad. Voorts moesten alle verrichte controles gedetailleerd worden beschreven, de omvang en de uitkomst van de controle worden aangegeven, "de statistieken betreffende de bedragen van de vrijgegeven waarborgen en betreffende het bedrag van de per gecontroleerd bedrijf voor het begrotingsjaar 1987 betaalde steun" worden opgenomen, en de samenstelling van de groep van controleurs en de duur van deze controles worden vermeld. In bovengenoemde instructies werd bovendien vastgesteld, dat Wessanen niet in het bezit was van enkele vereiste documenten, te weten de uitkomsten van de laboratoriumonderzoeken waarom het bedrijf had verzocht, de produktiegegevens en de inventaris voor het begrotingsjaar 1987.
9. Eind november 1989 deden de Italiaanse autoriteiten de Commissie een syntheseverslag toekomen, vergezeld van analytische rapporten voor elk van de drie bedrijven alsmede diverse documenten. Over de vraag of deze extra controles al dan niet grondig waren en of dit wordt aangetoond met de geproduceerde documenten, verschillen partijen voor het Hof van mening.
10. De Italiaanse Republiek kritiseert de bevindingen van de ambtenaren van het EOGFL in hun aanvullend syntheseverslag van 12 maart 1990. (5) Volgens paragraaf 3 van dit rapport vermelden de door de Italiaanse autoriteiten overgelegde verslagen immers niet dat voor alle transacties de afzonderlijke boekhouding is vergeleken met de financiële boekhouding van de bedrijven. Bovendien wordt er melding gemaakt van vijf bijzondere feiten waardoor de verrichte controles gebreken zouden vertonen. Ik zal achtereenvolgens de grief met betrekking tot het ontbreken van de algehele vergelijking en die met betrekking tot de beweerde vijf gebreken onderzoeken.
11. Wat het ontbreken van een algehele vergelijking betreft, heeft Italië verklaard dat de groep van controleurs de gehele boekhouding en in het bijzonder de resultaten van de registers van het AIMA, het Italiaanse interventiebureau, hebben vergeleken met de registers die de bedrijven op grond van het Italiaanse recht houden. Evenwel zijn slechts voor de belangrijkste transacties documenten opgesteld.
12. De Commissie antwoordt hierop, dat zij in de boeken van de bedrijven niet de geringste aantekening heeft gevonden en geen enkele berekening die aantoont dat de vergelijking zou zijn uitgevoerd.
13. De door de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie gezonden documenten bevatten geen aanwijzing omtrent het aantal geselecteerde transacties of de uitkomsten van de controles ervan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ambtenaar van het EOGFL overigens bevestigd dat de gemeenschapsinstelling enkel fotokopieën van bepaalde transacties had ontvangen.
14. Voorts moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse regering geen aanvullend bewijs heeft geleverd in vergelijking met hetgeen zij de Commissie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking had doen toekomen. Het Hof heeft evenwel reeds overwogen, dat indien
"verzoekster (...) deze vaststellingen (van de Commissie) niet met bewijzen (weerlegt), maar (...) enkel (stelt), dat in feite administratieve controles en controles ter plaatse hebben plaatsgevonden (...)" (6),
op grond daarvan niet
"de onjuistheid van de bevindingen van de Commissie kan worden aangetoond". (7)
In dat geval, aldus het Hof, zijn er termen aanwezig om het beroep tot nietigverklaring van de beschikking houdende weigering van gemeenschapsfinanciering te verwerpen. (8)
15. Het antwoord zou ongetwijfeld anders luiden in geval van een beroep wegens niet-nakoming, maar de bewijslast rust hier op de verzoekende staat. Ik neem derhalve als vaststaand aan, dat een grondige controle in de zin van artikel 10, lid 2, sub d, van voornoemde verordening nr. 1725/79 niet heeft plaatsgevonden.
16. Tijdens de mondelinge behandeling is er tussen partijen een discussie ontstaan over de vraag, of de per telex verzonden instructies van 19 oktober 1989 al dan niet duidelijk verlangden, dat alle documenten die de controle opleverde, moesten worden overlegd. In het betrokken telexbericht staat het volgende: "Gelieve de diverse documenten, controle-aantekeningen en verslagen op basis waarvan het eindverslag tot stand komt, te bewaren. Het rapport en de diverse controledocumenten moeten uiterlijk op 30 november 1989 worden overgelegd."
17. Zelfs al zou uit deze instructie niet ondubbelzinnig blijken, dat alle controle-documenten moesten worden overgelegd, dan nog is het zo dat Italië in de onderhavige procedure noch aan de Commissie noch voor het Hof heeft aangeboden aanvullende documenten te verstrekken. In overeenstemming met de hierboven aangehaalde rechtspraak, blijf ik dus bij mijn eerdere vaststelling.
18. Zoals gezegd, worden in het aanvullend syntheseverslag van de Commissie vijf feiten genoemd op grond waarvan de door de Italiaanse autoriteiten verrichte controles gebrekkig zouden zijn. Blijkens haar verweerschrift heeft de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking de feiten onder de punten d en e evenwel kennelijk buiten beschouwing gelaten. Deze punten hebben betrekking op de verkopen van Plodari aan de vennootschap Caseificio Stabiumi Giacomo SpA en aan de melkfabriek Latteria Soresinese Coop., en op aankopen van wei door Plodari. Deze punten zijn dus niet nodig om de bestreden beschikking te schragen en moeten in de onderhavige discussie als niet terzake doende worden beschouwd.
19. Punt a heeft betrekking op het ontbreken van een onderzoek van de uitkomsten van de laboratoriumanalyses van de drie bedrijven en van de produktiegegevens, alsmede, enkel met betrekking tot Plodari, op het ontbreken van een boekhouding grondstoffen en eindprodukten.
20. Ten aanzien van het eerste punt van kritiek stelt Italië dat analyses die op verzoek van de bedrijven door particuliere laboratoria worden uitgevoerd, niet verbindend zijn en geen officieel karakter dragen. In casu zijn weliswaar analyses uitgevoerd op verzoek van de drie betrokken bedrijven, maar de uitkomsten ervan zijn wel degelijk onderzocht door de Italiaanse controle-autoriteiten.
21. De Commissie antwoordt, dat de analyses van de overheidslaboratoria moesten worden vergeleken met de niet-officiële analyses die op verzoek van de bedrijven zijn uitgevoerd.
22. In de bijlage van het verslag dat de Italiaanse autoriteiten na afloop van de extra controles aan de Commissie hebben gezonden, zijn weliswaar de uitkomsten van de analyses van de overheidslaboratoria opgenomen, maar alleen de uitkomsten van de door het laboratorium van Wessanen verrichte analyses zijn aan de Commissie meegedeeld, zonder dat vaststaat dat de Italiaanse autoriteiten de uitkomsten van deze twee soorten van analyses op wat voor manier dan ook met elkaar hebben vergeleken. De analytische verslagen voor Plodari en Frabes maken geen melding van door particuliere laboratoria verrichte analyses, terwijl het syntheseverslag van de Italiaanse autoriteiten erop lijkt te wijzen, dat deze twee bedrijven dergelijke analyses hebben laten verrichten. Italië heeft derhalve niet het bewijs geleverd, dat de uitkomsten van deze verschillende analyses daadwerkelijk met elkaar zijn vergeleken.
23. Het tweede punt van kritiek betreft het ontbreken van onderzoek van de produktiegegevens. Dienaangaande verklaart Italië dat het noch uit hoofde van de gemeenschapsregelgeving noch uit hoofde van de nationale regelgeving verplicht is produktiegegevens te bewaren. Er wordt niet tegengesproken dat de produktiegegevens van de drie bedrijven voor het begrotingsjaar 1987 niet meer bestonden.
24. Volgens de Commissie zijn produktiegegevens handelsdocumenten in de zin van artikel 10, lid 2, sub d, van verordening nr. 1725/79.
25. Het komt mij inderdaad voor, dat het begrip "handelsdocumenten" in deze bepaling ruim moet worden uitgelegd, voor zover daarmee wordt gepreciseerd welke documenten kunnen worden gecontroleerd en dientengevolge hoe controles doeltreffend worden uitgevoerd om vast te stellen of de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend, hebben plaatsgevonden in overeenstemming met de communautaire voorschriften. De produktiegegevens moeten naar mijn mening derhalve worden beschouwd als handelsdocumenten in de zin van artikel 10, lid 2, sub d, van verordening nr. 1725/79. In het tegenovergestelde geval zou ernstig afbreuk worden gedaan aan het nuttig effect van deze bepaling.
26. Onder "handelsdocumenten", welk begrip ook voorkomt in artikel 1 van richtlijn 77/435/EEG van de Raad van 27 juni 1977 inzake de door de Lid-Staten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (9), moet worden verstaan "alle boeken, registers, nota' s en bewijsstukken, de boekhouding en de briefwisseling met betrekking tot de bedrijfsactiviteit van de onderneming, voor zover deze documenten van nut kunnen zijn voor de (...) controle" (artikel 1, lid 2).
27. Uiteraard moet dit begrip, dat voorkomt in beide bovengenoemde communautaire bepalingen, die beide betrekking hebben op controles inzake uitgaven van het EOGFL, uniform worden gedefinieerd.
28. Italië bestrijdt niet dat de produktiegegevens van nut zijn voor de controle. De gegevens van het jaar 1989 zijn overigens gecontroleerd door de Italiaanse autoriteiten. Volgens artikel 4 van bovengenoemde richtlijn dienen de Lid-Staten echter "(voor te schrijven) dat de ondernemingen de (...) handelsdocumenten moeten bewaren gedurende ten minste drie kalenderjaren, ingaande op het einde van het kalenderjaar van hun opstelling". Derhalve dienden krachtens het gemeenschapsrecht de produktiegegevens voor het begrotingsjaar 1987 te worden bewaard tot en met 31 december 1990, hetgeen niet is gebeurd.
29. In het Italiaanse syntheseverslag wordt er bovendien op gewezen, dat deze produktiegegevens een vertrouwelijk karakter hebben, aangezien zij de formules bevatten volgens welke de grondstoffen worden gebruikt. Behalve dat raadpleging van deze gegevens de controle vereenvoudigt, die ingevolge artikel 10, lid 2, sub a, van verordening nr. 1725/79 met name betrekking moet hebben op de samenstelling van de gebruikte mengsels en van het vervaardigde mengvoeder, wordt het vertrouwelijke karakter ervan niet aangetast, voor zover in artikel 8, lid 1, van bovengenoemde richtlijn wordt bepaald dat "(d)e inlichtingen die worden verkregen in het kader van de (...) voorgeschreven controles (...) onder het beroepsgeheim (vallen)".
30. Het staat dus vast dat de controles van de Italiaanse autoriteiten op dit punt te kort zijn geschoten.
31. Het derde punt van kritiek betreft het ontbreken van een boekhouding grondstoffen en eindprodukten bij Plodari. Volgens de Italiaanse regering was Plodari naar Italiaans recht vanwege zijn geringe produktieniveau niet verplicht deze beide boekhoudingen te voeren.
32. Dit neemt echter niet weg, dat ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1725/79 slechts steun wordt verleend indien het bedrijf is erkend of de in lid 5 van dat artikel bedoelde boekhouding voert. In dit laatste lid wordt evenwel bepaald, dat "(h)et (...) bedrijf (...) permanent de door de bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat voorgeschreven boekhouding bij(houdt), waarin met name worden vermeld:
a) de oorsprong van de gebruikte grondstoffen,
(...);
c) de hoeveelheden en de samenstelling van de verkregen produkten (...)".
33. Mitsdien was Plodari uit hoofde van het gemeenschapsrecht verplicht een boekhouding grondstoffen en eindprodukten te voeren.
34. Punt b van het aanvullend syntheseverslag van de Commissie heeft betrekking op het feit, dat geen bewijs voorhanden is dat een lijst van grondstoffen en eindprodukten is opgesteld. Volgens Italië zijn de boekhoudkundige gegevens uit de registers van het AIMA vergeleken met de "traditionele" boekhouding van de bedrijven. Verzoekster erkent echter dat de fysieke controle van de boekhouding grondstoffen en de voorraadgegevens uit de registers van het AIMA, niet kon worden uitgevoerd voor het begrotingsjaar 1987, maar enkel voor de periode van de controle.
35. De Commissie antwoordt dat deze argumenten verklaringen van algemene aard zijn, ten bewijze waarvan zij geen enkel document heeft ontvangen waaruit blijkt dat deze controles daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
36. In de drie analytische verslagen die de Commissie in november 1989 zijn toegezonden wordt niet specifiek vermeld, dat daadwerkelijk een lijst van grondstoffen of eindprodukten is opgesteld. Overigens heeft het Hof reeds overwogen, dat het niet is toegestaan het ontbreken van door de gemeenschapsregeling voorziene controles achteraf te regulariseren door middel van afwijkende controles. (10) Mitsdien lijken de gebreken te zijn vastgesteld.
37. Punt c van het aanvullend syntheseverslag van de Commissie heeft betrekking op twee verkopen door Wessanen, waarvoor inbeslagneming van de waarborg zou hebben plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie, gelet op de in de conclusie van repliek van de Italiaanse regering verschafte inlichtingen, toegegeven dat dit punt van kritiek niet meer gerechtvaardigd was. Zij is evenwel van mening, dat Italië het bewijs te laat heeft geleverd.
38. Naar mijn mening staat het aan de Lid-Staten om, op basis van artikel 5 EEG-Verdrag (11) en de hierboven aangehaalde bijzondere gemeenschapsbepalingen, te gelegener tijd de inlichtingen te verstrekken die de gemeenschapsinstelling nodig heeft voor de vaststelling van de beschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen. Voorts is het volgens vaste rechtspraak niet toegestaan de bewijsformaliteiten achteraf te regulariseren. (12) Zelfs al werd het aldus tijdens de schriftelijke behandeling voor het Hof geleverde bewijs in aanmerking genomen, dan nog zou deze te late overlegging van het bewijs niet leiden tot nietigverklaring van de bestreden beschikking. Zoals reeds is opgemerkt, staat het immers vast dat de controles niet grondig genoeg waren en is het reeds op basis hiervan gerechtvaardigd, dat de Commissie bepaalde bedragen niet ten laste van het EOGFL brengt.
39. De verzoekende staat heeft derhalve niet het bewijs geleverd, dat de gebreken waarop de Commissie haar beschikking heeft gebaseerd, ten onrechte zijn tegengeworpen.
40. Het argument van de Italiaanse regering, dat de Commissie de som van de niet ten laste van het EOGFL komende bedragen niet forfaitair kon vaststellen op 10 % van de uitgekeerde steun, moet echter nog worden onderzocht.
41. In de rechtspraak van het Hof is reeds een oplossing aangedragen voor dit probleem. In het arrest Nederland/Commissie (13) heeft het Hof overwogen:
"Zo de gemeenschapsregeling de betaling van steun slechts toestaat op voorwaarde dat aan bepaalde bewijs- of controleformaliteiten is voldaan, is steun die wordt betaald zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en kan de desbetreffende uitgave dus niet ten laste van het EOGFL worden gebracht, ook al zou worden vastgesteld dat geen enkele onregelmatigheid heeft plaatsgevonden." (14)
42. In een arrest van latere datum heeft het Hof bevestigd, dat de Commissie, na te hebben aangetoond dat de controles of de overlegging van het bewijs zwakke punten vertonen, kan proberen
"de financiële effecten van de onrechtmatige handeling te berekenen door na te gaan, wat de situatie op de betrokken markt zou zijn geweest zonder die inbreuk". (15)
Het Hof overwoog verder:
"In een dergelijk geval dient de Lid-Staat die nietigverklaring van de weigering tot financiering vordert, te bewijzen dat deze berekeningen niet correct zijn." (16)
43. In casu moet worden vastgesteld, dat Italië geen bewijs van dien aard heeft geleverd.
44. Mijns inziens tast derhalve geen van de middelen die zijn aangevoerd met betrekking tot de verwerkingssteun voor magere-melkpoeder de wettigheid van de bestreden beschikking aan.
II - Steun voor het verbruik van olijfolie
45. In de bestreden beschikking is geweigerd een bedrag van 4 352 012 388 LIT voor steun voor het verbruik van olijfolie, ten laste van het EOGFL te brengen.
46. Volledigheidshalve vermeld ik hier, dat het beroep ook betrekking heeft op het voorbehoud dat door de Commissie, niet in de bestreden beschikking maar in een brief van 10 mei 1990, is gemaakt voor een bedrag van 28 688 711 294 LIT. In haar verweerschrift concludeert de Commissie tot niet-ontvankelijkheid van het beroep op dit punt. In haar conclusie van repliek heeft de Italiaanse regering dit onderdeel van het beroep niet gehandhaafd. Derhalve beperkt het middel zich tot de weigering om het bedrag van 4 352 012 388 LIT ten laste van het EOGFL te brengen.
47. Formeel berust dit middel zowel op schending van het toepasselijke gemeenschapsrecht als op gebrek in de motivering. Mijn opmerkingen met betrekking tot de verwerkingssteun voor magere-melkpoeder zijn ook hier van toepassing.
48. De discussie tussen partijen is in hoofdzaak juridisch van aard. Tussen partijen wordt niet betwist, dat bovengenoemd bedrag overeenkomt met steun die door de Italiaans autoriteiten wegens het voorkomen van onregelmatigheden als onverschuldigd is aangemerkt. Voor de Italiaanse rechter worden gerechtelijke procedures gevoerd. De Italiaanse regering is van mening, dat de Commissie de definitieve uitkomst van deze procedures had moeten afwachten alvorens te beslissen deze bedragen niet ten laste van het EOGFL te brengen. De Commissie is wat dat betreft een tegenovergestelde mening toegedaan.
49. Het schijnt overigens dat de waarborgen zijn vrijgegeven.
50. Dienaangaande bepaalt artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten (17) het volgende: "Wanneer de bevoegde autoriteit kennis draagt van de elementen die tot volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid leiden, eist zij onverwijld betaling van betrokkene van het bedrag van de verbeurde zekerheid, welke betaling dient te geschieden binnen een maximumtermijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling is gedaan." Verder wordt in het artikel bepaald: "Wanneer de betaling niet heeft plaatsgevonden binnen de voorgeschreven termijn moet de bevoegde autoriteit: (...) b) onverwijld van de (...) borg betaling eisen (...)"
51. Deze bepaling laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het betreft hier zoals gezegd een voorschotregeling. Derhalve kan, nu onregelmatigheden zijn vastgesteld door de administratie, niet goed worden ingezien waarom de belanghebbenden het recht zouden hebben om de voorschotten op de steun in kwestie te behouden met als argument dat de zaak aanhangig is gemaakt bij de gerechtelijke autoriteiten, en zich er dus tegen zouden kunnen verzetten dat de waarborgen toevallen aan de bevoegde nationale autoriteiten. Deze financiële last behoort noch ten laste van de gemeenschapsbegroting noch overigens ten laste van de begroting van de Lid-Staten te komen, wanneer nog niet vaststaat en juist uiterst omstreden is of de betrokken marktdeelnemers in aanmerking kunnen komen voor steun.
52. Het standpunt van de Italiaanse regering is wellicht te verklaren door het feit, dat de waarborgen in strijd met de voorschriften van bovenbedoelde verordening zijn vrijgegeven. Volgens de verzoekende staat was de geldigheidsduur van de waarborgen verstreken ten tijde van de controles die de onregelmatigheden aan het licht brachten.
53. Volgens artikel 11 van verordening (EEG) nr. 2677/85 van de Commissie van 24 september 1985 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie (18), wordt de waarborg slechts vrijgegeven wanneer de bevoegde nationale instantie het recht op steun heeft erkend.
54. Mitsdien faalt het beroep mijns inziens ook uit dien hoofde.
55. Derhalve geef ik het Hof in overweging, het onderhavige beroep te verwerpen en de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van het geding.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) PB 1989, L 359, blz. 23.
(2) Zie bij voorbeeld het arrest van 14 januari 1981 (zaak 819/79, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 21, r.o. 20 en 21), en het arrest van 24 maart 1988 (zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1749, r.o. 60).
(3) Zie het syntheseverslag van 30 juni 1989, doc. VI/200/89-Fr en de brief van de Commissie, directoraat-generaal Landbouw, EOGFL, nr. 061178, van 2 augustus 1989 aan het AIMA.
(4) Hierin worden met name vermeld de oorsprong van de gebruikte grondstoffen, de gebruikte hoeveelheden, de hoeveelheden en de samenstelling van de verkregen produkten met opgave van het procentuele aandeel van de bestanddelen, de datum waarop deze produkten het bedrijf hebben verlaten en de namen en adressen van de kopers ((artikel 8, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding (PB 1979, L 199, blz. 1))).
(5) Doc. VI/200/89-Fr.
(6) Arrest van 12 juni 1990, zaak C-8/88,Duitsland/Commissie,Jurispr. 1990, blz. I-2321, r.o. 27.
(7) Rechtsoverweging 28.
(8) Rechtsoverweging 29.
(9) PB 1977, L 172, blz. 17.
(10) Arrest van 25 februari 1988, zaak 327/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1065, r.o. 18 en 19.
(11) Dit artikel wordt door het Hof overigens toegepast in het kader van de financiële betrekkingen tussen de Lid-Staten en de Gemeenschap op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid: arrest van 11 oktober 1990, zaak C-34/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-3603, r.o. 12.
(12) Arrest van 7 februari 1979, gevoegde zaken 15/76 en 16/76, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 321, r.o. 11.
(13) Arrest in zaak 327/85, reeds aangehaald.
(14) Rechtsoverweging 25.
(15) Arrest in zaak 347/85, reeds aangehaald, r.o. 15.
(16) Ibidem.
(17) PB 1985, L 205, blz. 5.
(18) PB 1985, L 254, blz. 5.
Full & Egal Universal Law Academy