Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak heeft de Luxemburgse Cour de cassation het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moeten de artikelen 7, 48, 117, 118, 118 A en 189, tweede alinea, EEG-Verdrag en de artikelen 7 en 8 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad, althans sommige van deze bepalingen, aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan dat een wettelijke regeling van een Lid-Staat een buitenlandse werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die verplicht is aangesloten bij een beroepskamer, verplicht een bijdrage te betalen, doch hem het recht ontzegt om deel te nemen aan de verkiezing van de leden van de kamer, omdat dit recht is voorbehouden aan de eigen onderdanen?"
2. Deze vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de Chambre des employés privés en de Association de soutien aux travailleurs immigrés (hierna: "ASTI") betreffende de verenigbaarheid van enige Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de rechten en verplichtingen van de betrokken beroepskamer met het gemeenschapsrecht. Voor een uiteenzetting van de aard van het geschil, dien ik eerst een korte beschrijving van de belangrijkste kenmerken van deze wettelijke regeling te geven.
Achtergrond van het geschil
3. De Chambre des employés privés is een beroepskamer. Tegelijk met een aantal andere beroepskamers werd zij opgericht bij wet van 4 april 1924 (hierna: "de wet"). In 1964 werd het aantal beroepskamers uitgebreid en sindsdien bestaat er een beroepskamer voor alle beroepen, behalve voor de vrije beroepen. Ieder die op het grondgebied van het Groothertogdom een beroep uitoefent dat onder de bevoegdheid van een beroepskamer valt, is automatisch en verplicht daarbij aangesloten.
4. De taken van de Chambre des employés privés zijn neergelegd in het eerste lid van artikel 38 van de wet. Volgens deze bepaling bestaat de taak van de Chambre in het bevorderen van de oprichting van organisaties en het verrichten van diensten die zijn gericht op de verbetering van de positie van employés, het uitbrengen van advies over wetsontwerpen, het verzamelen van informatie en het samenstellen van statistische gegevens. In het tweede lid van artikel 38 is vastgelegd dat de Chambre eveneens bevoegd is voorstellen voor wetten te doen over elk onderwerp dat binnen haar bevoegdheid valt. De regering moet deze voorstellen onderzoeken en voorleggen aan de Chambre des députés (het parlement van het Groothertogdom). Op grond van het derde lid van artikel 38 moet vóór de aanneming van wetten en ministeriële en groothertogelijke beschikkingen ("arrêtés") die in hoofdzaak betrekking hebben op employés, de Chambre des employés privés om advies worden gevraagd.
5. Vervolgens noemt artikel 38 bepaalde onderwerpen die onder de bevoegdheid van de Chambre des employés privés vallen, hoewel uitdrukkelijk wordt verklaard dat deze lijst niet limitatief is. De onderwerpen die worden genoemd zijn de volgende:
- de behartiging van de belangen van employés en met name zorgen voor de naleving van de voor deze employés geldende wettelijke bepalingen en verordeningen;
- het toezicht op de naleving van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten;
- het geven van advies voordat de Chambre des députés wetten aanneemt die betrekking hebben op employés;
- het indienen van opmerkingen bij de Chambre des députés over overheidsuitgaven betreffende employés, en
- het doen van voorstellen over het toezicht op het beroepsonderwijs voor employés.
6. De Chambre des employés privés bestaat uit twinting leden en twinting plaatsvervangende leden die voor een periode van vijf jaar worden gekozen. De leden zijn herkiesbaar. Om aan de verkiezingen van de leden deel te kunnen nemen, dient men de Luxemburgse nationaliteit te bezitten (artikel 6 van de wet). In principe mag ieder die stemgerechtigd is, zich verkiesbaar stellen (zie artikel 5 van de wet), maar het lidmaatschap van de beroepskamer staat niet open voor leden van de Chambre des députés of van de Conseil d' État (artikel 8 van de wet). In de praktijk blijken de leden van de beroepskamers dikwijls te worden gekozen op grond van door de vakbonden ingediende kieslijsten.
7. Op grond van artikel 3 van de wet kunnen de beroepskamers bepaalde maatregelen nemen ter dekking van hun kosten. Krachtens de oorspronkelijke versie van artikel 3 konden de beroepskamers een belasting of bijdrage innen van hun "électeurs", dat wil zeggen allen die stemgerechtigd waren bij de verkiezing van de leden van de betrokken kamer. Zelfs in de jaren twintig bestond de beroepsbevolking van het Groothertogdom evenwel voor een groot gedeelte uit buitenlanders. Artikel 3 had in zijn oorspronkelijke versie derhalve tot gevolg, dat een groot aantal personen die bij de beroepskamers waren aangesloten, geen bijdrage behoefde te betalen.
8. Een mogelijkheid om dit probleem op te lossen zou zijn geweest het stemrecht uit te breiden tot allen die bij een bepaalde kamer waren aangesloten, ongeacht hun nationaliteit. In plaats daarvan werd het woord "électeurs" in artikel 3 bij de wet van 3 juni 1926 vervangen door het woord "ressortissants", ofwel aangeslotenen. Het gevolg was dat het door de wet ingestelde verband tussen het stemrecht en de verplichte bijdrage werd verbroken. Vanaf dat moment kon ieder die bij een beroepskamer was aangesloten, worden verplicht bij te dragen in de kosten van die kamer, ongeacht of deze persoon stemgerechtigd was bij de verkiezing van de leden van die kamer of dat hij zich daarbij kandidaat kon stellen.
9. Bij groothertogelijke verordening van 3 februari 1982 werd vastgelegd, dat de bijdragen van degenen die bij de Chambre des employés privés waren aangesloten, worden geïnd bij de werkgevers die het betrokken bedrag op de salarissen van hun employés kunnen inhouden. In 1987 weigerde ASTI de bijdrage van 350 LFR per persoon te betalen voor drie werknemers die onderdaan waren van andere Lid-Staten. ASTI maakte bezwaar tegen het feit dat zij voor haar werknemers bijdragen moest betalen aan een organisatie waarvan de betrokken werknemers, volgens haar, geen deel mochten uitmaken. In plaats daarvan werd het verschuldigde bedrag aan het Luxemburgse Rode Kruis overgemaakt. De Chambre des employés privés spande tegen ASTI een procedure aan voor het tribunal de paix, dat bij vonnis van 13 oktober 1989 ASTI veroordeelde tot het betalen van het verschuldigde bedrag aan de Chambre des employés privés. ASTI ging van dit vonnis in cassatie bij de Cour de cassation, die het Hof de bovengenoemde vraag heeft voorgelegd.
10. Ondertussen was de Commissie een onderzoek begonnen naar de verenigbaarheid van de Luxemburgse wettelijke regeling betreffende de beroepskamers met het gemeenschapsrecht. Op 27 november 1989 werd de in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde schriftelijke ingebrekestelling aan de Luxemburgse regering toegezonden. Op 20 februari 1990 vroeg de Luxemburgse regering de Conseil d' État om advies over de in de brief van de Commissie aan de orde gestelde kwesties. Op 10 oktober 1990 ontving de regering het advies van de Conseil d' État. Binnen de Conseil d' État heerste verdeeldheid over de verenigbaarheid van de omstreden wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, doch een meerderheid van zijn leden was van mening, dat onderdanen van andere Lid-Staten en van derde landen in principe op dezelfde voet als Luxemburgse onderdanen zouden moeten kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de beroepskamers. Op 23 oktober 1990 bracht de Commissie overeenkomstig artikel 169 een met redenen omkleed advies uit, maar zij heeft de zaak nog niet aanhangig gemaakt bij het Hof van Justitie.
De voor het Hof opgeworpen problemen
11. Uit het verwijzingsarrest blijkt niet volstrekt duidelijk of de nationale rechter uitsluitend opheldering wil over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van bepalingen als die welke het stemrecht regelen bij de verkiezing van de leden van de Chambre des employés privés, of dat hij eveneens een uitspraak van het Hof wenst over de geldigheid van bepalingen als die welke betrekking hebben op het recht om zich bij dergelijke verkiezingen kandidaat te stellen. De discussie voor het Hof ging vooral over het stemrecht en het kan zeer wel onnodig blijken om in deze zaak een uitspraak te doen over de wettigheid van de bepalingen betreffende het recht om zich verkiesbaar te stellen. Dit komt, omdat de vraag waarover de verwijzende rechter uitspraak moet doen, in wezen is of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat de Chambre des employés privés onder haar bevoegdheid vallende werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, mag verplichten bijdragen te betalen. Indien het Hof beslist dat nationale wettelijke bepalingen als die welke het stemrecht regelen waar het in het hoofdgeding om gaat, niet verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en dat de betaling van de op grond van het nationale recht verschuldigde bijdragen niet kan worden afgedwongen, behoeft de nationale rechter voor zijn uitspraak niet de wettigheid te onderzoeken van de daaruit voortvloeiende regel dat uitsluitend Luxemburgse onderdanen verkiesbaar zijn in de Chambre.
12. Het staat vast dat de drie employés voor wie ASTI weigerde bijdragen te betalen, bij de Chambre des employés privés zijn aangesloten en dat zij werknemers zijn in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag. Derhalve behoeft in deze zaak niet te worden nagegaan of een nationale wettelijke regeling als die waar het in het hoofdgeding om gaat, verenigbaar is met de verdragsbepalingen betreffende het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, ofschoon enige bij bepaalde beroepskamers aangesloten personen mogelijkerwijs onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen in plaats van onder de regels inzake het vrije verkeer van werknemers. Van de in de vraag aan het Hof genoemde gemeenschapsrechtelijke bepalingen zijn daarom alleen artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 7 en 8 van verordening nr. 1612/68 (PB 1968, L 257, blz. 2) van belang. Het in artikel 7 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit behoeft niet afzonderlijk te worden onderzocht, aangezien dat verbod in het kader van het vrije verkeer van werknemers wordt uitgewerkt in artikel 48 EEG-Verdrag (zie zaak 36/74, Walrave/Union Cycliste Internationale, Jurispr. 1974, blz. 1405, r.o. 6). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk dat artikel 7 "slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet" (zie zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461, r.o. 13, en zaak C-10/90, Masgio/Bundesknappschaft, Jurispr. 1991, blz. I-1119, r.o. 12).
Artikel 8 van verordening nr. 1612/68
13. Eerst onderzoek ik de eerste zin van artikel 8 van verordening nr. 1612/68 (hierna: "de verordening"), waarop het merendeel van de in de zaak aangevoerde argumenten betrekking had. Artikel 8 (zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 312/76, PB 1976, L 39, blz. 2) luidt als volgt:
"Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, geniet gelijkheid van behandeling inzake de toetreding tot vakorganisaties en de uitoefening van de syndicale rechten met inbegrip van het stemrecht en de toegang tot beleids- en bestuursfuncties van een vakorganisatie; hij kan worden uitgesloten van deelneming aan het bestuur van publiekrechtelijke lichamen, alsook van uitoefening van een publiekrechtelijke functie. Hij is bovendien verkiesbaar in de vertegenwoordigende organen van de werknemers in de onderneming.
Deze bepalingen gelden onverminderd de wetsvoorschriften of regelingen waarbij in bepaalde Lid-Staten meer uitgebreide rechten worden verleend aan werknemers uit andere Lid-Staten."
14. Deze bepaling kan worden beschouwd als een lex specialis die binnen zijn toepassingsgebied het in de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag neergelegde non-discriminatiebeginsel uitwerkt. Het zal echter duidelijk zijn dat in deze zaak slechts de eerste zin van artikel 8 van de verordening van belang is. De vraag waar het in wezen om gaat is, of een lichaam als de Chambre des employés privés een vakorganisatie is in de zin van het eerste gedeelte van die zin, en zo ja, of de uitsluiting van migrerende werknemers van het stemrecht kan worden gerechtvaardigd op grond van het tweede gedeelte van die zin.
15. De Luxemburgse regering benadrukt dat de beroepskamers geen vakorganisaties vormen in de zin van de nationale wet van het Groothertogdom. Zij betoogt bovendien, dat het recht van de beroepskamers om van de bij hen aangeslotenen een bijdrage te innen en het feit dat de aansluiting verplicht is voor hen die bepaalde beroepen uitoefenen, niet zijn te rijmen met het begrip vakorganisatie.
16. Mijns inziens is echter geen van deze factoren doorslaggevend. Aan het begrip vakorganisatie in de zin van artikel 8 dient duidelijk een communautaire betekenis te worden gegeven en dit begrip kan niet worden ingeperkt door de nationale wetgeving van één van de Lid-Staten. Ik vestig er de aandacht op dat de Franse tekst van artikel 8 ruimer lijkt te zijn dan de Engelse, ofschoon dit niet kan worden gezegd van sommige versies in andere talen. Omdat het eerste gedeelte van de eerste zin van artikel 8 echter het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van werknemers beoogt te bevorderen, moet die bepaling mijns inziens niet worden beperkt tot vakorganisaties in strikte zin.
17. Het is duidelijk dat een aantal van de in artikel 38 van de wet aan de Chambre des employés privés toebedeelde taken in andere Lid-Staten door vakbonden zouden worden uitgeoefend. Ter terechtzitting betoogde de Luxemburgse regering, dat vele taken waarvan in artikel 38 sprake is, thans worden uitgeoefend door vakbonden in de traditionele zin en dat de voornaamste taak van de Chambre tegenwoordig bestaat in de deelneming aan het wetgevingsproces. Ik wil er de aandacht op vestigen dat dit standpunt door ten minste een aantal leden van de Luxemburgse Conseil d' État niet wordt gedeeld. In de A-versie van zijn advies van 10 oktober 1990 verklaarde de Conseil d' État, na te hebben verwezen naar de rol van de beroepskamers in het wetgevingsproces, dat de voornaamste taak van de beroepskamers een sociaal-economische blijft, namelijk de behartiging van de belangen van degenen die bij hen zijn aangesloten.
18. Wat de Chambre des employés privés betreft, de opvatting neergelegd in de A-versie van het advies van de Conseil d' État vindt steun in de bewoordingen van artikel 38. Het eerste lid van dat artikel verklaart in wezen dat de taak van die Chambre bestaat in de behartiging van de belangen van onder haar bevoegdheid vallende werknemers. Het is juist dat de Chambre een formele taak in het wetgevingsproces is toebedeeld, maar daaruit lijkt moeilijk anders te kunnen worden geconcludeerd dan dat de uitvoering van die taak slechts één van de wijzen is waarop de Chambre haar voornaamste taak, de verbetering van de positie van de bij haar aangesloten werknemers, kan vervullen.
19. Ik ben daarom van mening dat, ofschoon een lichaam als de Chambre geen vakbond is in de strikte zin van het woord, zij gezien haar doelstellingen toch als een gelijkaardige organisatie moet worden beschouwd, en dat zij derhalve onder de werkingssfeer van het eerste gedeelte van de eerste zin van artikel 8 van de verordening valt.
20. De Luxemburgse regering en de Chambre des employés privés betogen dat zelfs indien de Chambre als een vakorganisatie in de zin van artikel 8 is aan te merken, de bestreden wettelijke regeling niettemin gerechtvaardigd is op grond van het tweede gedeelte van de eerste zin van die bepaling. Het tweede element van de betrokken afwijking, volgens hetwelk een migrerend werknemer kan worden uitgesloten van de "uitoefening van een publiekrechtelijke functie", kan mijns inziens niet worden toegepast op het stemrecht (ofschoon het in beginsel van toepassing kan zijn op het recht om zich verkiesbaar te stellen, indien dat probleem aan de orde mocht worden gesteld). Met betrekking tot het stemrecht gaat het dus in wezen erom, of kan worden gezegd dat degenen die deelnemen aan de verkiezingen voor een lichaam als een beroepskamer, deelnemen aan het bestuur van een publiekrechtelijk lichaam.
21. Ik merk op dat de in de eerste zin van artikel 8 van de verordening opgenomen afwijking meer doet dan alleen de in artikel 48 EEG-Verdrag opgenomen afwijkingen herhalen. Zij moet derhalve slechts worden geacht te gelden voor zover zij door de verordening aan de migrerende werknemers verleende rechten inperkt, die verder gaan dan de in artikel 48 genoemde, want het is duidelijk dat de verordening geen rechten kan beperken die rechtstreeks door het Verdrag zijn verleend. Het relevante gedeelte van artikel 8 van de verordening vormt bovendien mijns inziens geen algemene inperking van alle door de verordening aan migrerende werknemers verleende rechten die verder gaan dan artikel 48 EEG-Verdrag. De wijze waarop artikel 8 is geredigeerd en de plaats van de afwijking binnen dat artikel als geheel duiden erop, dat migrerende werknemers enkel van de genoemde activiteiten kunnen worden uitgesloten, indien het recht om daaraan deel te nemen onder andere omstandigheden inherent zou zijn aan het lidmaatschap van een vakbond of een soortgelijk lichaam.
22. De in de eerste zin van artikel 8 van de verordening opgenomen afwijking kan worden beschouwd als een uitwerking van het aan artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag ten grondslag liggende beginsel, volgens hetwelk "de bepalingen van dit artikel niet van toepassing zijn op de betrekkingen in overheidsdienst". Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat artikel 48, lid 4, als een afwijking van het fundamenteel beginsel van het Verdrag strikt moet worden uitgelegd (zie zaak 66/85, Lawrie-Blum/Land Baden-Wuerttemberg, Jurispr. 1986, blz. 2121). In zaak 149/79 (Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881, r.o. 10) stelde het Hof bovendien, dat artikel 48, lid 4, van toepassing is op "betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen". Het Hof verklaarde dat "dergelijke betrekkingen immers bij de functionaris een bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat onderstellen en een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding". Gelet op de overeenkomst tussen artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag en de in de eerste zin van artikel 8 van de verordening vervatte afwijking, ben ik van mening dat soortgelijke beginselen moeten worden toegepast bij de uitlegging van deze laatste bepaling.
23. In haar poging om de uitsluiting van niet-Luxemburgers van het stemrecht te rechtvaardigen, heeft de Luxemburgse regering de nadruk gelegd op het recht van de Chambre des employés privés om voorstellen voor wetten te doen over aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen, alsook op de verplichting van de regering om voor het aannemen van bepaalde wetten het advies van de beroepskamer in te winnen. Het recht van de kamer om te interveniëren in het nationale wetgevingsproces, verleent haar niet de bevoegdheid om de regering of de wetgevende macht te binden. Bovendien is het zo dat, zoals de Commissie heeft aangevoerd, het niet de taak is van de kamer om te interveniëren in het algemeen belang van het volk als geheel, maar in het specifieke belang van de beroepsgroep waarvoor zij verantwoordelijk is. Mijns inziens kan daarom niet worden gezegd dat de taken van de kamer een zodanig "bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat onderstellen" (zie zaak 149/79, Commissie/België, reeds aangehaald), dat zij de uitsluiting van onderdanen van andere Lid-Staten van het stemrecht voor de verkiezing van de leden van de beroepskamer kunnen rechtvaardigen. Evenmin zijn de beroepskamers "verantwoordelijk (...) voor de bescherming van de algemene belangen van de staat" (zie zaak 149/79, Commissie/België II, Jurispr. 1982, blz. 1845, r.o. 7). In elk geval is de invloed van de kiezers mijns inziens te indirect om te kunnen spreken van deelneming aan het bestuur van de betrokken beroepskamer. Volgens mij is de in de eerste zin van artikel 8 van de verordening opgenomen afwijking derhalve niet van toepassing in de huidige zaak. Hieruit volgt dat een wettelijke regeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat, niet verenigbaar is met artikel 8.
Artikel 7, lid 2, van de verordening
24. In artikel 7, lid 2, van de verordening wordt bepaald dat een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat, "dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers". Voor zover de specifieke bepalingen van artikel 8 in elk bijzonder geval van toepassing zijn, zijn volgens mij de meer algemene termen van artikel 7, lid 2, niet relevant. Indien ik echter tot de conclusie was gekomen dat artikel 8 niet van toepassing was, dan zou ik het stemrecht voor de verkiezingen van de leden van een lichaam als de Chambre des employés privés als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2 hebben beschouwd.
25. In zaak 32/75 (Cristini/SNCF, Jurispr. 1975, blz. 1085, r.o. 12) verklaarde het Hof, dat "de verwijzing naar de 'sociale voordelen' in lid 2 van artikel 7 dan ook niet limitatief mag worden uitgelegd". Daaruit volgde volgens het Hof, dat "met het oog op de in deze bepaling beoogde gelijkheid van behandeling het materiële toepassingsgebied aldus moet worden afgebakend dat het alle, wel of niet aan het arbeidscontract verbonden, sociale en fiscale voordelen omvat (...)" (ibidem, r.o. 13). Evenzo verklaarde het Hof in zaak 207/78 (Openbaar ministerie/Even, Jurispr. 1979, blz. 2019, r.o. 22) dat:
"de voordelen die deze verordening uitbreidt tot werknemers die onderdaan zijn van andere Lid-Staten, alle voordelen zijn die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, zodat de uitbreiding ervan tot werknemers die onderdaan van andere Lid-Staten zijn, geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken".
26. Het Hof achtte artikel 7, lid 2, van toepassing op een brede scala van sociale voordelen die onderdanen van de ontvangende Lid-Staat genoten, maar die werden onthouden aan migrerende werknemers (zie bij voorbeeld de zaak Cristini, reeds genoemd; zaak 65/81, Reina/Landeskreditbank Baden-Wuerttemberg, Jurispr. 1982, blz. 33, en zaak 137/84, Strafzaak tegen Mutsch, Jurispr. 1985, blz. 2681). In zaak 59/85 (Nederland/Reed, Jurispr. 1986, blz. 1283) werd artikel 7, lid 2, uitgebreid tot het recht van een werknemer om voor zijn ongehuwde partner die geen onderdaan van de ontvangende Lid-Staat is, toestemming te vragen om daar samen met hem te verblijven. Het Hof merkte op dat uitbreiding van dit recht tot een migrerende werknemer "kan bijdragen tot zijn integratie in het gastland en dus tot de verwezenlijking van het doel van het vrije verkeer van werknemers" (r.o. 28).
27. Dit moet a fortiori gelden wanneer, zoals in de huidige zaak, het voordeel dat migrerende werknemers wordt onthouden, verband houdt met hun arbeid, één van de belangrijkste aangelegenheden van artikel 7 van de verordening. Wordt employés die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, het stemrecht onthouden voor de verkiezing van de leden van een orgaan als de Chambre des employés privés, dan leidt zulks ertoe dat zij niet volledig kunnen deelnemen aan de activiteiten van een orgaan dat zich rechtstreeks inzet voor hun arbeidsomstandigheden en waarbij zij verplicht zijn aangesloten. Het gevolg is dat hun integratie in het gastland wordt belemmerd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers. Een dergelijk recht moet daarom als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van de verordening worden beschouwd.
Het gevolg van de onverenigbaarheid
28. Er moet nog worden onderzocht, of het feit dat de weigering om werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, stemrecht te verlenen voor de verkiezingen van een orgaan als de Chambre des employés privés onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, betekent dat de op grond van het nationale recht aan een dergelijk orgaan verschuldigde bijdragen, niet kunnen worden geïnd. Mijns inziens moet dit gevolg als een uitvloeisel worden beschouwd van de rechtstreekse werking van verordening nr. 1612/68, waarmee ik een wettelijke regeling als die waar het in het hoofdgeding om gaat, onverenigbaar acht (zie voor de rechtstreekse werking van de verordening: zaak 167/73, Commissie/Franse Republiek, Jurispr. 1974, blz. 359; zaak 36/75, Rutili/Minister van Binnenlandse zaken, Jurispr. 1975, blz. 1219, en zaak 118/75, Watson en Belmann, Jurispr. 1976, blz. 1185).
29. Voor deze gedachte kan steun worden gevonden in zaak 222/82 (Apple and Pear Development Council/Lewis, Jurispr. 1983, blz. 4083, r.o. 32), waarin het Hof oordeelde dat de heffing van een verplichte bijdrage in strijd met het gemeenschapsrecht zou zijn, voor zover zij zou dienen om werkzaamheden te financieren die zelf onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. In de onderhavige zaak zijn het niet de werkzaamheden van de Chambre des employés privés die onwettig zijn, maar is het haar interne organisatie. Het in de zaak Lewis toegepaste beginsel moet dunkt mij echter worden uitgebreid tot een dergelijke situatie, aangezien de verplichte bijdragen in de kosten van een dergelijk orgaan moeten worden beschouwd als de tegenhanger van het stemrecht voor de verkiezing van de leden, waarvan de uitsluiting van migrerende werknemers mijns inziens onwettig is.
Conclusie
30. Gezien het duidelijke standpunt waartoe ik ben gekomen over de onverenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling die migrerende werknemers het stemrecht onthoudt voor de verkiezing van leden van een beroepskamer als de Chambre des employés privés, met verordening nr. 1612/68, en over de gevolgen van die onverenigbaarheid voor het hoofdgeding, behoef ik niet het gevolg van het in artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod of de wettigheid van een regel die migrerende werknemers het recht onthoudt zich in dergelijke verkiezingen kandidaat te stellen, te onderzoeken.
31. Derhalve geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
"1. Een wettelijke regeling van een Lid-Staat, die werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat en die zijn aangesloten bij een beroepskamer zoals de Chambre des employés privés, op grond van hun nationaliteit uitsluit van het stemrecht voor de verkiezingen van de leden van de beroepskamer, is onverenigbaar met artikel 8 van verordening (EEG) nr. 1612/68.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy