Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° De feiten
1. Bij arrest van 7 mei 1987 in zaak 184/85(1) verklaarde het Hof, dat de Italiaanse Republiek, door een verbruiksbelasting op verse bananen in te stellen en te handhaven, die van toepassing is op bananen van oorsprong uit andere Lid-Staten, met name op die uit de Franse overzeese departementen, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Dezelfde dag deed het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak in zaak 193/85(2), waarvan het dictum luidt als volgt:
"1. Een als een verbruiksbelasting aangeduide belasting, die zowel op ingevoerde als op binnenlandse produkten wordt gelegd, maar die in feite nagenoeg uitsluitend de ingevoerde produkten treft omdat er slechts een uiterst kleine binnenlandse produktie bestaat, is geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag, indien zij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast. Zij is derhalve een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95.
2. Artikel 95, tweede alinea, verzet zich tegen een verbruiksbelasting op bepaalde soorten ingevoerd fruit, wanneer die belasting van dien aard is dat zij de binnenlandse fruitproduktie kan beschermen.
3. Artikel 95 EEG-Verdrag betreft alle produkten uit de Lid-Staten, daaronder begrepen produkten van oorsprong uit derde landen, die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden."
2. Op grond daarvan was een aantal importeurs die verse bananen in Italië invoeren, van mening, dat het gemeenschapsrecht ook de toepassing van de in beide voornoemde zaken bedoelde (intussen bij de wet van 29 december 1990 afgeschafte) verbruiksbelasting op bananen uitsloot, wanneer de bananen rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd. Zij hebben derhalve bij de drie rechters die vragen hebben gesteld, verzoeken om voorlopige maatregelen ingediend en hebben in eerste instantie inderdaad bereikt, dat de destijds voorziene importen zonder toepassing van voormelde belasting konden plaatsvinden. Na partijen in een later stadium van de procedure te hebben gehoord, kwamen de aangezochte rechterlijke instanties tot de overtuiging, dat voor een definitieve beslissing over de conclusies van verzoeksters een aantal vragen inzake het gemeenschapsrecht moesten worden opgehelderd. Daarom hebben zij de behandeling van de aanhangige gedingen geschorst en het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld.
3. De eerste vraag in alle drie zaken luidt als volgt:
"Is de bij wet nr. 986/1964 (zoals gewijzigd bij wet nr. 873/1982) in de Italiaanse rechtsorde ingevoerde verbruiksbelasting op verse bananen onverenigbaar met de geest en het systeem van de communautaire rechtsorde, zoals deze voortvloeien uit artikel 9 EEG-Verdrag dat de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief in de betrekkingen met derde landen voorschrijft, en artikel 113 EEG-Verdrag dat bepaalt dat de Lid-Staten een gemeenschappelijke handelspolitiek toepassen, nu die belasting ° die ingevolge de arresten van het Hof in de zaken 184/85 en 193/85 niet langer van toepassing is op produkten die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden ° enkel nog van toepassing is op produkten die rechtstreeks uit derde landen afkomstig zijn, wat zou neerkomen op een beschermende maatregel die niet overeenkomstig de voorwaarden van artikel 115 EEG-Verdrag is vastgesteld?"
(In zaak C-339/90 wordt bovendien nog gevraagd of eventueel artikel 95 EEG-Verdrag wordt geschonden).
4. De tweede vraag in de gevoegde zaken C-228/90 tot en met C-234/90 en C-353/90 (in zaak C-339/90 ontbreekt zij) is als volgt geformuleerd:
"Zo ja, dient de wet waarbij de heffing is ingevoerd, door degene die hem uitlegt, buiten toepassing te worden gelaten en is de particulier dientengevolge ontslagen van de verplichting om dat bedrag te betalen?"
5. Met de derde vraag (in zaak C-339/90 de tweede vraag) wordt voorts subsidiair nog het probleem aan de orde gesteld, of de onverenigbaarheid met genoemde bepalingen van het EEG-Verdrag ° en ook met de op 1 juli 1968 in werking getreden verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad(3) ° uitsluitend geldt voor wet nr. 873/1982, waarbij de Italiaanse Staat de betrokken belasting heeft verhoogd van 70 LIT naar 525 LIT thans en dus inbreuk heeft gemaakt op het in het arrest van het Hof in de gevoegde zaken 37/73 en 38/73(4) uitgesproken verbod voor de Lid-Staten om het peil van de door het gemeenschappelijk douanetarief toegelaten bescherming te verhogen.
6. Hierbij wil ik de volgende juridische kanttekeningen plaatsen. Voor nadere bijzonderheden verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
B ° Juridische beoordeling
7. 1. Om te beginnen kan ik kort zijn met betrekking tot het alleen in zaak C-339/90 aangesneden probleem van de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag op rechtstreekse importen van bananen uit derde landen, dat zich voordoet wanneer wordt aangenomen dat de bestreden belasting nog steeds als een binnenlandse belasting in de zin van voornoemd artikel moet worden beschouwd.
8. Alleen al uit de formulering van artikel 95, leden 1 en 2, blijkt duidelijk dat het alleen betrekking heeft op belastingen "op produkten van andere Lid-Staten". Deze bepaling speelt dus kennelijk geen rol, wanneer produkten uit derde landen rechtstreeks worden ingevoerd en daarover belasting wordt geheven.
9. Dit is ook uitdrukkelijk in de rechtspraak beklemtoond, namelijk in het arrest in zaak 20/67(5) ("De bepalingen van artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffen alleen uit de Lid-Staten afkomstige produkten en kunnen derhalve niet op invoer uit een derde land worden toegepast") en in het arrest in zaak 148/77(6) ["(...) het Verdrag zelf bevat voor het verkeer met derde landen geen enkele regeling betreffende binnenlandse belastingen die overeenkomt met die van artikel 95, dat slechts van toepassing is ten aanzien van produkten van oorsprong uit de Lid-Staten"]. Daartegen kan ook niet worden ingebracht, zoals één der verzoeksters in de hoofdgedingen (hierna: "verzoeksters") heeft getracht, dat laatstgenoemd arrest is achterhaald, omdat in het recentere arrest in zaak 193/85 is beslist, dat artikel 95 ook geldt voor produkten van oorsprong uit derde landen, die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden. Nog afgezien van de niet mis te verstane formulering van artikel 95 kan dienaangaande namelijk worden gezegd, dat laatstgenoemd arrest eigenlijk niet van de rechtspraak in zaak 148/77 (waarin alleen heel in het algemeen sprake was van produkten van de Lid-Staten) terugkomt, maar deze enkel verduidelijkt en verder ontwikkelt.
10. Wanneer overigens in zaak 148/77 in aansluiting op de vaststelling dat het Verdrag geen bepaling bevat welke eventuele discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op uit derde landen ingevoerde produkten verbiedt, nog wordt verklaard dat zulks geldt onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van een bepaald produkt, kan dat voor de onderhavige zaak ° indien de verbruiksbelasting op bananen als binnenlandse belasting wordt beschouwd ° evenmin iets nieuws opleveren.
11. Dit geldt in ieder geval voor de door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen genoemde overeenkomsten met Tunesië, Marokko en Israël en de bij besluit van de Raad van 29 september 1970 goedgekeurde Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar. Hun fiscale bepalingen komen namelijk overeen met artikel 95, lid 1, en beperken zich dus tot gelijksoortige produkten. Met betrekking tot de invoer van bananen in Italië werd echter in het arrest in zaak 193/85 duidelijk gesteld, dat artikel 95, lid 1, niet relevant is (omdat immers niet van gelijksoortigheid van bananen en in Italië geproduceerd fruit kan worden gesproken). Bijgevolg diende een beroep te worden gedaan op artikel 95, lid 2, en het is duidelijk dat in de genoemde overeenkomsten een analoge bepaling ontbreekt.
12. Hooguit zou iets anders kunnen worden aangenomen in verband met de destijds geldende Overeenkomst van Lomé III(7), die op een aantal van de in de hoofdgedingen bedoelde importen van toepassing is, en in verband met het feit dat de Italiaanse belasting op bananen in het arrest in zaak 193/85 uitdrukkelijk als protectionistisch werd aangemerkt(8). Op dit punt kan namelijk eventueel ° zoals een verzoekster ter terechtzitting heeft aangevoerd ° een beroep worden gedaan op artikel 139, lid 2, van voornoemde Overeenkomst van Lomé, waarin de Gemeenschap en haar Lid-Staten zich hebben verbonden, "geen vrijwaringsmaatregelen te treffen of andere middelen aan te wenden voor protectionistische doeleinden (...)".
13. Evenwel zal nog worden aangetoond, dat de juiste kwalificatie van de Italiaanse belasting er niet toe leidt dat deze bepaling wordt toegepast, maar dat een beroep op een andere bepaling van die Overeenkomst wordt gedaan en dat deze vraag derhalve niet nader behoeft te worden onderzocht. Hetzelfde geldt ook voor artikel III, leden 1 en 2, van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), dat eveneens ter terechtzitting werd genoemd en dat als volgt luidt:
"1. De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse belastingen en andere binnenlandse heffingen alsmede wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik van produkten in het binnenland, en binnenlandse kwantitatieve regelingen welke menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen voorschrijven, niet mogen worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse produkten op zodanige wijze dat de nationale produktie erdoor wordt beschermd.
2. Op de op het grondgebied van een verdragsluitende partij ingevoerde produkten van een andere verdragsluitende partij worden direct noch indirect welke belastingen of andere binnenlandse heffingen dan ook toegepast, die hoger zijn dan die welke direct of indirect soortgelijke nationale produkten treffen (...)."
14. Voorts moet ten aanzien van deze bepaling (waarvan de verwijzende rechters overigens niet om uitlegging hebben gevraagd) worden herinnerd aan de rechtspraak, volgens welke voor de nationale rechter geen rechtstreeks beroep op GATT-bepalingen kan worden gedaan.(9) Deze bepalingen hebben derhalve niet het rechtsgevolg dat voor de verwijzende rechters ° zoals blijkt uit de aan het Hof gestelde, tweede vragen ° van beslissend belang is.
15. In dit verband moet ook nog worden gewezen op het feit ° ik zeg dit met het oog op een door een verzoekster ter terechtzitting aangevoerd specifiek argument ° dat de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief en de daarop betrekking hebbende rechtspraak in de gevoegde zaken 37/73 en 38/73 (waarop ik nog terug zal komen) voor de onderhavige zaak niets oplevert, wanneer wordt aangenomen dat de betrokken belasting als binnenlandse belasting moet worden aangemerkt. In feite geldt deze rechtspraak (volgens welke het sedert de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief elke Lid-Staat verboden is, eenzijdig nieuwe heffingen in te voeren of het peil van reeds bestaande heffingen te verhogen) niet voor om het even welke belastingen, maar alleen voor heffingen van gelijke werking als douanerechten. Dit blijkt mijns inziens zonneklaar uit hetgeen het Hof in de rechtsoverwegingen 2 en 3 van dat arrest heeft opgemerkt.
16. 2. De rest van de eerste vraag, die ik nu zal behandelen en die betrekking heeft op de problematiek betreffende de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief en betreffende artikel 113 inzake de toepassing van een gemeenschappelijke handelspolitiek, geeft ° zoals reeds is aangegeven en zowel door de Commissie als door enkele verzoeksters terecht is onderstreept ° alleszins aanleiding om terug te komen op het probleem van de kwalificatie dat, zoals bekend, in de hiervoor genoemde zaken al het kernpunt van de discussie was.
17. Dit moet niet aldus worden opgevat dat dient te worden gestimuleerd dat voornoemde rechtspraak wezenlijk wordt gewijzigd of ervan wordt teruggekomen, hoewel ik nog steeds de mening ben toegedaan, dat er goede redenen bestaan om de Italiaanse belasting op bananen a priori niet tot de categorie van binnenlandse belastingen in de zin van het gemeenschapsrecht te rekenen (ik verwijs hiervoor naar mijn conclusie in zaak 193/85 waarin ik met name heb gewezen op de omstandigheid dat niet kon worden aangetoond dat over de Italiaanse bananenproduktie daadwerkelijk belasting werd geheven, alsmede op het feit dat uit de ontstaansgeschiedenis van de Italiaanse belasting duidelijk een handelspolitieke doelstelling kan worden afgeleid).
18. Het probleem van de kwalificatie rijst ° anders dan de Italiaanse regering meent ° toch, ook al wordt van de juistheid van de aan het begin vermelde rechtspraak uitgegaan. Als gevolg daarvan staat immers vast, dat die belasting, gelet op artikel 95 EEG-Verdrag, ten onrechte op produkten van andere Lid-Staten werd geheven (ongeacht of het nu om aldaar geproduceerde bananen gaat dan wel om bananen die zich aldaar in het vrije verkeer bevinden). Eigenlijk werden enkel nog bananen belast, die rechtstreeks uit derde landen werden ingevoerd.
19. Tevens blijkt hieruit, dat aan de criteria die volgens de rechtspraak van het Hof voor binnenlandse belastingen gelden, in wezen niet is voldaan en dientengevolge moet ° zoals trouwens ook op grond van het in de procedure benadrukte feit dat alleen bij invoer belasting werd geheven, zo dat het latere verbruik niet van belang was ° juist worden geconcludeerd, dat het in werkelijkheid ging om heffingen van gelijke werking als douanerechten.
20. Ik verwijs hiervoor naar het arrest in zaak 21/75(10), volgens hetwelk als heffingen van gelijke werking als douanerechten moet worden beschouwd: elke bij of wegens de invoer verlangde heffing die specifiek ingevoerde produkten, doch niet soortgelijke communautaire produkten treft. Ik herinner ook aan het arrest in zaak 158/82(11), volgens hetwelk er sprake is van heffingen van gelijke werking als douanerechten wanneer goederen wegens grensoverschrijding eenzijdig geldelijk worden belast. Dit ligt alleen anders ° zoals in dit arrest anderzijds wordt gesteld ° wanneer een belasting deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor nationale en in- of uitgevoerde produkten stelselmatig volgens dezelfde criteria worden getroffen, of wanneer het gaat om een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen van produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast. Hierop werd voorts nogmaals de nadruk gelegd in rechtsoverweging 12 van voornoemd arrest in zaak 193/85.
21. Derhalve is eigenlijk het enige dat nog een probleem kan zijn, de vraag vanaf welk tijdstip een wijziging van of aanvulling op de in het arrest in zaak 193/85 in beginsel juist geachte kwalificatie opportuun lijkt. Ik zeg dit met het oog op de desbetreffende opmerkingen van de Commissie, die ° als ik haar goed heb begrepen ° van mening is, dat (daar men de belasting ook na de uitspraak van de aan het begin genoemde arresten is blijven toepassen) moet worden uitgegaan van de situatie die bestaan zou hebben indien de Italiaanse Republiek zich tijdig naar voornoemde arresten van 7 mei 1987 had gevoegd. Een soortgelijk standpunt schijnt te worden ingenomen door enkele verzoeksters, die ° ofschoon werd onderstreept dat na de uitspraak van genoemde arresten de belasting alleen op importen uit derde landen werd toegepast ° eveneens van mening waren, dat na de uitspraak van de betrokken arresten de litigieuze belasting niet meer als deel van een stelsel van binnenlandse belastingen kon worden beschouwd (wat evenwel erop zou kunnen neerkomen, dat pas vanaf dat tijdstip de heffing als een heffing van gelijke werking als een douanerecht moet worden aangemerkt).
22. Het komt mij evenwel voor ° als ik dat meteen mag opmerken ° dat dit in feite niet ver genoeg gaat en dat in dit geval eerder moet worden aangenomen, dat deze belasting bij wijze van spreken van meet af aan als een heffing van gelijke werking als een douanerecht had moeten worden aangemerkt. Weliswaar kan men het opportuun vinden om de kwalificatie ° uitgaand van de bedoeling van de nationale wetgever ° (zoals in het arrest in zaak 193/85) via artikel 95 aan te pakken, maar vanuit de optiek van het gemeenschapsrecht, die voor ons alleen relevant is, blijkt dan meteen, dat de belasting ingevolge artikel 95 alleen over rechtstreekse importen uit derde landen mag worden geheven, juist omdat alle importen uit andere Lid-Staten niet mogen worden belast (ongeacht of het nu gaat om produkten uit die Lid-Staten dan wel om produkten die zich daar in het vrije verkeer bevinden). Deze werking van het gemeenschapsrecht, dat, zoals bekend, voorrang heeft boven het nationale recht, gold ongetwijfeld reeds bij de vaststelling van de nationale wettelijke regeling. Artikel 95, tweede alinea, is immers ingevolge artikel 95, derde alinea, vanaf het begin van de tweede etappe van de overgangsperiode (dat wil zeggen vanaf 1 januari 1962, overeenkomstig het besluit van de Raad van 14 januari 1962) rechtstreeks toepasselijk in de zin van de rechtspraak van het Hof, en zet bijgevolg vanaf dat tijdstip daarmee strijdig nationaal recht opzij.
23. Ondanks de aan het begin genoemde arresten, die in elk geval geen constitutieve werking hadden, maar alleen voor verduidelijking zorgden, en waarin op het moment waarop zij werden uitgesproken, gelet op de destijds relevante feiten niet ook bij de kwalificatie de nu aanbevolen, volgens mij onvermijdelijke logische stap behoefde te worden gezet, moet dus worden vastgesteld, dat de litigieuze Italiaanse fiscale regeling, omdat zij door het gemeenschapsrecht vanaf haar inwerkingtreding op 1 januari 1965 beperkt was tot rechtstreekse importen uit derde landen, van meet af aan in wezen niet voldeed aan de naar gemeenschapsrecht voor een stelsel van binnenlandse belastingen geldende criteria, zodat zij per slot van rekening tot het domein van de heffingen van gelijke werking als douanerechten moet worden gerekend.
24. 3. Welke gevolgen dit heeft voor de beantwoording van de gestelde vragen, is volgens mij zonder grote problemen vast te stellen, vooral wanneer men zich aan de relevante rechtspraak houdt.
25. a) Zo is het van belang, dat in het arrest in zaak 70/77(12) werd verklaard, dat met betrekking tot het handelsverkeer met derde landen het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten niet absoluut is; de vraag, of die heffingen moeten worden afgeschaft, moet integendeel in verband worden gebracht met de vereisten van de gemeenschappelijke handelspolitiek (dus met een gebied, waarvoor artikel 113 EEG-Verdrag bepaalt, dat de gemeenschappelijke handelspolitiek na afloop van de overgangsperiode wordt gegrond op eenvormige beginselen).
26. Bijgevolg kan zeker niet worden gezegd, dat de in casu te onderzoeken belasting ° voor zover het rechtstreekse importen uit derde landen betreft ° op grond van het gemeenschapsrecht reeds ten tijde van haar invoering ongeoorloofd was. Het is echter evenmin juist, te stellen dat de belasting bij het verstrijken van de overgangsperiode (dus na 31 december 1969 ° zie arrest in zaak C-353/89(13)) automatisch ongeoorloofd is geworden, wat de mening van één der verzoeksters was, die daarvoor verwees naar het feit dat na afloop van de overgangsperiode de Gemeenschap een exclusieve bevoegdheid op het gebied van de handelspolitiek heeft, en naar zaak 41/76(14), waarin met nadruk werd verklaard, dat handelspolitieke maatregelen na afloop van de overgangsperiode slechts toelaatbaar zijn, wanneer de Commissie daartoe machtiging heeft verleend (die echter in geval van de Italiaanse verbruiksbelasting op bananen ontbrak). Tegen deze opvatting pleit niet alleen de tekst van artikel 113, waarin het woord "gegrond" duidelijk aangeeft, dat het hier geen automatisme is, maar dat een optreden van de Gemeenschap vereist is (of en in hoeverre dat inderdaad is gebeurd, zal naderhand worden onderzocht). Ter zake blijkt uit de relevante rechtspraak (waarop ik nog zal terugkomen) ook zeer duidelijk, dat onder handelspolitieke maatregelen in de zin van het arrest in zaak 41/76 geen geldelijke lasten vallen en dat integendeel ten aanzien van deze lasten andere consequenties uit de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief moeten worden getrokken.
27. In dit verband wil ik eveneens nog duidelijk maken, dat het voor mij ook boven alle twijfel verheven is, dat het in de eerste vraag eveneens genoemde artikel 115 EEG-Verdrag beslist geen ander resultaat oplevert. Hierin is namelijk alleen geregeld, welke maatregelen de Commissie kan treffen teneinde te verzekeren dat de uitvoering der door elke Lid-Staat overeenkomstig dit Verdrag genomen handelspolitieke maatregelen niet wordt verhinderd door het zich verleggen van het handelsverkeer, respectievelijk bij situaties waarin dispariteiten in de door de Lid-Staten genomen handelspolitieke maatregelen in een of meer staten economische moeilijkheden kunnen medebrengen. Aan deze bepaling is dus kennelijk niet een rechtstreeks criterium voor de beoordeling van nationale handelspolitieke maatregelen te ontlenen.
28. Niet in de laatste plaats lijkt het mij ook duidelijk, dat geen beslissende conclusie kan worden getrokken uit de overweging, dat als gevolg van de toepassing van de belasting op rechtstreekse importen uit derde landen Italiaanse handelaren ten opzichte van handelaren van andere Lid-Staten zijn gediscrimineerd, en dat anders dan een aantal verzoeksters denken, niet reeds uit het arrest in zaak 193/85 kan worden afgeleid, dat de betrokken belasting ook bij rechtstreekse invoer uit derde landen ongeoorloofd was. Op welke verdragsbepaling (afgezien van het reeds besproken artikel 113 EEG-Verdrag) verzoeksters zich voor genoemde overweging baseren, is mij niet duidelijk. Wat anderzijds voornoemd arrest betreft, moet weliswaar worden toegegeven, dat daarin wordt opgemerkt, dat de handelspolitiek ten aanzien van derde landen tot de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap behoort. Dit speelt echter kennelijk alleen een rol in verband met de motivering van de opvatting, dat artikel 95 ° omdat het discriminatie van produkten van de overige Lid-Staten moet voorkomen ° ook betrekking heeft op produkten uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden. Dat aldus het verbod om belasting te heffen op produkten uit derde landen (buiten het gemeenschappelijk douanetarief) tot uitdrukking wordt gebracht, kan daarentegen naar mijn overtuiging niet worden staande gehouden.
29. b) Met betrekking tot de verwijzing in de eerste vraag naar het gemeenschappelijk douanetarief, dat zoals bekend sedert 1 juli 1968 van toepassing is, is het arrest in de gevoegde zaken 37/73 en 38/73 van speciaal belang.
30. Enerzijds wordt hierin in beginsel wel beklemtoond, dat de gemeenschappelijke handelspolitiek de opheffing van de nationale dispariteiten in het handelsverkeer met derde landen inhoudt (wat ° volgens de laatstelijk geldende werkingssfeer ° zonder meer geldt voor de verbruiksbelasting op bananen). Anderzijds kan echter niet worden ontkend, dat in het arrest ook op de noodzaak van differentiatie wordt gewezen. Na de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief was het dienovereenkomstig uitgesloten, op rechtstreekse importen uit derde landen eenzijdig nieuwe heffingen in te voeren of het peil van reeds bestaande heffingen te verhogen. Met betrekking tot de destijds reeds bestaande heffingen daarentegen wordt met nadruk gesteld, dat de verplichting deze op te heffen afhangt van een beoordeling door de gemeenschapsautoriteiten en dat deze heffingen "slechts op grond van beslissingen van de Gemeenschap" onverenigbaar met het gemeenschapsrecht kunnen worden geacht.(15)
31. Een analoge beoordeling is ook te vinden in het arrest in de gevoegde zaken 267/81 tot en met 269/81.(16) Enerzijds wordt hierin verklaard, dat het de Lid-Staten ingevolge de verdragsbepalingen betreffende de douane-unie en de gemeenschappelijke handelspolitiek verboden is, het peil van de uit het gemeenschappelijk douanetarief voortvloeiende lasten te wijzigen. Anderzijds wordt echter met betrekking tot heffingen die reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief bestonden, opgemerkt (en dit is vooral met betrekking tot voornoemd arrest in zaak 41/76 van belang), dat zij ter wille van de rechtszekerheid enkel als niet-toepasselijk worden beschouwd wanneer de Gemeenschap daartoe bijzondere bepalingen heeft vastgesteld.
32. Hieruit volgt ° en hiermee is meteen de derde vraag beantwoord °, dat het zeker ongeoorloofd was om de verbruiksbelasting op bananen te verhogen na 1 juli 1968 (dus boven het toentertijd geldende peil van 90 LIT/kg). Hieraan kan ° gelet op de tweede vraag ° ook nog worden toegevoegd, dat op dit punt van een recht van particulieren kan worden gesproken, dat de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen tegen andersluidende bepalingen van nationaal recht, aangezien in dit verband het gemeenschappelijk douanetarief ° dat wil zeggen een materie die in een rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsverordening geregeld is(17) ° van doorslaggevende betekenis is.
33. c) Met betrekking tot de bij de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief reeds bestaande belasting kan overeenkomstig de aangehaalde rechtspraak verder zonder twijfel worden vastgesteld, dat verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 "houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit"(18), die op 1 juni 1972 in werking is getreden, voor het hoofdgeding van geen belang is.
34. Weliswaar wordt in artikel 22 verboden, bij invoer uit derde landen heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen. Voor de verbruiksbelasting op bananen kan dit artikel evenwel niet als een communautaire bepaling inzake handelspolitiek, als bedoeld in de rechtspraak, worden beschouwd. Artikel 22 bepaalt namelijk uitdrukkelijk, dat het enkel geldt voor de in artikel 1 van de verordening bedoelde produkten. De destijds relevante tariefpost voor verse bananen (08.01) wordt daarin echter niet genoemd en daarin is geen verandering gekomen nadat de tariefnomenclatuur bij verordening (EEG) nr. 2658/87(19) is vervangen door de gecombineerde nomenclatuur ((zie verordening (EEG) nr. 3910/87(20) houdende aanpassing van de tariefnummers van verordening nr. 1035/72, waarin het voor verse bananen geldende nummer 0803 00 10 evenmin wordt vermeld)).
35. d) Met betrekking tot de reeds bij de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief bestaande belastingen is het evenwel niet uitgesloten, dat tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten akkoorden in het hoofdgeding van belang kunnen zijn.
36. In deze context werd in het bijzonder ACS-Overeenkomsten genoemd, omdat een gedeelte van de importen van bananen blijkbaar uit die landen kwam. Zij bevatten inderdaad bepalingen die heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden, voor zover het niet gaat ° wat voor bananen het geval is ° om produkten die aan een gemeenschappelijke marktordening zijn onderworpen (zie bijvoorbeeld artikel 130 van de Derde ACS-EEG-Overeenkomst(21); artikel 168 van de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst(22)). Daaruit volgt dan voor de desbetreffende importen, dat de heffing van de verbruiksbelasting op verse bananen totaal ongeoorloofd was (dus ook op het peil van het bij de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief geldende tarief van 90 LIT/kg). Voorts kan daarbij ° in de zin van de tweede vraag ° worden opgemerkt, dat voornoemde bepalingen volgens de rechtspraak van het Hof rechtstreeks van toepassing zijn en het strijdige nationale recht opzij kunnen zetten (ik verwijs hierbij naar de rechtspraak betreffende een aantal door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten, inzonderheid de arresten in de zaken 104/81(23), betreffende de vrijhandelsovereenkomst met Portugal; 12/86(24), betreffende de associatieovereenkomst met Turkije, en C-18/90(25), betreffende de samenwerkingsovereenkomst met Marokko).
37. Over andere eventueel in aanmerking komende overeenkomsten (die de Commissie niet alle heeft genoemd en onderzocht, omdat de oorsprong van de betrokken produkten in de hoofdgedingen niet altijd bekend was) kan verder enkel in het algemeen worden gezegd, dat daaruit op basis van deze overeenkomsten in bepaalde omstandigheden ook kan worden opgemaakt, dat de heffing van belasting in haar geheel ongeoorloofd is, voor zover daarin duidelijk wordt verboden, heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, en landbouwprodukten, met inbegrip van bananen, daarvan niet zijn uitgezonderd. De daartoe noodzakelijke onderzoeken moeten in het kader van de hoofdgedingen worden verricht, eventueel met de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag opnieuw vragen aan het Hof te stellen.
C ° Conclusie
38. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Een belasting die alleen rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten treft, moet niet als een binnenlandse belasting, doch als een heffing van gelijke werking als douanerechten worden beschouwd.
2) Artikel 95 EEG-Verdrag is niet van toepassing op dergelijke belastingen.
3) Voor zover dergelijke belastingen na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingesteld of verhoogd, is dit onverenigbaar met het gemeenschappelijk douanetarief. Voor zover die belastingen reeds voor de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief bestonden, worden zij slechts ongeoorloofd op grond van een gemeenschapsrechtelijke bepaling ter zake. Ten aanzien van bananen komt artikel 22 van verordening (EEG) nr. 1035/72 niet als zodanig in aanmerking, aangezien bananen niet onder deze gemeenschappelijke marktordening vallen. Daarentegen kunnen de belastingen ongeoorloofd zijn op grond van door de Gemeenschap gesloten akkoorden, voor zover deze een duidelijk verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten bevatten dat ook voor bananen geldt.
4) Voor zover uit het gemeenschapsrecht een duidelijk verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten kan worden afgeleid, mag een daarmee strijdige nationale regeling niet worden toegepast."
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) ° Arrest van 7 mei 1987 (zaak 184/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2013).
(2) ° Arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085).
(3) ° PB 1968, L 172, blz. 1.
(4) ° Arrest van 13 december 1973 (gevoegde zaken 37/73 en 38/73, Diamantarbeiders, Jurispr. 1973, blz. 1609).
(5) ° Arrest van 4 april 1968 (zaak 20/67, Kunstmuehle Tivoli, Jurispr. 1968, blz. 281).
(6) ° Arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787).
(7) ° PB 1986, L 86, blz. 1 e.v.
(8) ° R.o. 22.
(9) ° Zie arresten van 12 december 1972 (gevoegde zaken 21/72 tot en met 24/72, International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219; 16 maart 1983 (zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731) 22 juni 1989 (zaak 70/87, Fediol, Jurispr. 1989, blz. 1781), alsmede mijn conclusie in zaak 193/85.
(10) ° Arrest van 9 juli 1975 (zaak 21/75, Schroeder, Jurispr. 1975, blz. 905).
(11) ° Arrest van 9 november 1983 (zaak 158/82, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1983, blz. 3573).
(12) ° Arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453).
(13) ° Arrest van 25 juli 1991 (zaak C-353/89, Commissie/Nederland, Jurispr. 1991, blz. I-4069).
(14) ° Arrest van 15 december 1976 (zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921).
(15) ° Rechtsoverwegingen 15-21.
(16) ° Arrest van 16 maart 1983 (gevoegde zaken 267/81 tot en met 269/81, SPI en SAMI, Jurispr. 1983, blz. 801).
(17) ° Zie arrest van 24 oktober 1973 (zaak 9/73, Schlueter, Jurispr. 1973, blz. 1137).
(18) ° PB 1972, L 118, blz. 1.
(19) ° PB 1987, L 256, blz. 1.
(20) ° PB 1987, L 370, blz. 33.
(21) ° PB 1986, L 86, blz. 1.
(22) ° PB 1991, L 229, blz. 1 e.v.
(23) ° Arrest van 26 oktober 1982 (zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr. 1982, blz. 3641).
(24) ° Arrest van 30 september 1987 (zaak 12/86, Demirel, Jurispr. 1987, blz. 3719).
(25) ° Arrest van 31 januari 1991 (zaak C-18/90, Kziber, Jurispr. 1991, blz. I-199).
Full & Egal Universal Law Academy